20-05-16

DE ROKENDE MAN

2016-05-Andalusië-Canon-Totaal 040.JPG

     Zondagmiddag. Ik ben al een paar dagen in Cadiz. De zuivere lucht van de Atlantische Oceaan doet me goed. Het ziet er naar uit dat ik spoedig zal herstellen. Gisteren schaamde ik me voor de koortsblaas op mijn lip en de zware hoest. Maar dat was niet nodig. Maria Jesus omhelsde me alsof ik een reis rond de wereld had gemaakt en nu weer thuis was gekomen, alsof ik grote gevaren en fatale verleidingen had getrotseerd. Later stonden we in de bars te praten en te lachen en plannen te maken alsof er niets aan de hand was. Nergens, met niemand. Wat maakte die hoest uit… Drink nog een glas bier, eet nog wat boquerones!
     En nu zit ik op dit terras. Wat zou er op deze zonnige middag in het hoofd van de man daar aan het andere tafeltje omgaan? Je hebt geen idee. Of toch wel? Denkt hij aan invasies van goddelozen, aan nieuwe veroveringen, aan bloedvergieten? Waarom die zonnebril in de schaduw van een parasol? Waarom de burgerlijke blazer, de zegelring, het gekleed hemd? Hoe hij zijn brandende sigarettenpeuken op de vijandige grond gooit. Met zwier, met kracht, met minachting, met onverschilligheid. Hij lijkt niet in de richting van de vijandige grond te kijken, maar dat kan ik niet zien. Ik heb een vermoeden dat zijn ogen bloeddoorlopen zijn. Of nietszeggend, leeg. Misschien koortsig, onverschillig, wanhopig… Verdelgd.

     Ik zou graag met je praten over gisteren, over Menchu – niemand noemt haar Maria Jesus - en over de nieuwe vrienden, Carmen, Harvey en Juan. Over de sublieme heiligen van Murillo. Hun donkere, extatische ogen. Maar de rokende man neemt me volledig in beslag. Wie weet hoeveel verrukkelijke Gaditanas in dunne zomerjurkjes hier inmiddels al voorbij zijn gelopen. Zijn vijftiende sigaret reeds. Ik heb ze een voor een geteld. Nu gaat ook het lege pakje tegen de grond. Zijn het zijn laatste uren? Heeft hij zijn dagen gewikt en gewogen? Is deze performance zijn adieu? Of is het gewoon maar routine? Een elke zondagmiddag herhaald leren wennen aan het snel naderend onheil? Is het geen invasie waar hij aan denkt maar een catastrofe?
     De glazen bier die hij drinkt tel ik niet, ik beperk me tot de sigaretten. Anders wordt het te chaotisch in mijn hoofd. Dag ga ik zelf misschien ook pils drinken en krijg ik nog zin in een sigaret ook. Want wat moet het heerlijk zijn om zo’n brandende peuk met zoveel levensverachting weg te slingeren. In de richting van de vijandige aarde. De aarde die met haar rampen en catastrofes zoveel schade aanricht bij mensen en dieren en planten en die ons allen zo weinig tijd gunt voor ze ons naar zich toetrekt.
     
     Kom schat, laten we de rekening vragen, zeg je. Ik wil nog even naar de nieuwe stad, wat uitwaaien op het strand daar. Heel goed, zeg ik. Wat ik me afvraag is of we ooit Toronto en Vancouver zullen zien. Dat komt door Harvey, die lang geleden uit Canada hierheen is gekomen. Je vraagt je af waarom. Is Canada dan niet het beloofde land? Ik weet het niet. Het lijkt er wel op of ik helemaal niets meer weet. We zullen de bus nemen, zeg ik, dan kunnen we wat langer op het strand wandelen.

...

Foto: Martin Pulaski, Cadiz, 15 april 2016

29-02-16

MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.
P1020340.JPG

Foto's: Martin Pulaski (in Brussel)

 

11-11-15

ALS DE VOGELS VOOR ONS ZINGEN

michael madsen Reservoir-Dogs2.jpg

Vannacht hebben de vogels dan toch niet voor ons gezongen, zei Antoine.
Ze zullen te moe zijn geweest, zei Griselda, ze moeten al voor zoveel mensen zingen.
Zielige mensen met hun zielige noden, zei Antoine.
Antoine, ik hoorde op de radio dat Michael Madsen een pikante saus op de markt heeft gebracht, zei Griselda.
Dan zal hij wel niet veel gedichten meer schrijven, zei Antoine.
Wie pikant eet leeft langer, zei Griselda.
Mogelijk, zei Antoine, maar schoenmakers blijven meestal bij hun leest.
Wat is dat toch ook alweer, een leest, vroeg Griselda.
Een soort aambeeld, weet ik veel, zei Antoine, alleszins een ding waar een schoenmaker bij blijft.
Wat hebben Amerikaanse acteurs toch met sauzen, zei Griselda.
Ja, ik kan geen film met Paul Newman meer zien zonder aan mayonaise te denken, zei Antoine.
En de bolognesesaus van Martin Scorsese, zei Griselda.
Dat is iets anders, Martin Scorsese is een regisseur, zei Antoine.
Ik geloof dat hij ook iets met scheermessen doet, zei Griselda.
Heb je mijn Tarantino-bloedworst al geproefd, vroeg Antoine.

Griselda, denk je dat dit allemaal op een keer terug zal komen… Dat we opnieuw in dit café naast elkaar zullen zitten en over dezelfde dingen praten, vroeg Antoine.
Nadat Brussel is verwoest en weer opgebouwd en weer verwoest en weer opgebouwd, zei Griselda.
Over tienduizend jaar, zei Antoine.
Ik hoop het zo, zei Griselda.
Met dat verschil dat de vogels dan voor ons zullen zingen, zei Antoine.
bigshave.jpg

Afbeeldingen: Michael Madsen in 'Reservoir Dogs', Quentin Tarantino, 1992; Peter Bernuth in 'The Big Shave', Martin Scorsese, 1967.

 

 

26-06-15

SCHIMMEL

IMG_2800.JPG

Ik bevind me in een gigantisch gebouw, een ministerie of een ziekenhuis, of is het een archief? Herinneringen aan de gangen in het Markiesgebouw, waar ik van 1991 tot 2012 werkte; nu is er de beurs van Brussel in ondergebracht.  Ik zit op de vloer, met aantekeningen of dagboeknotities. Wat moet er met al deze geschriften van me gebeuren? Samen met mijn boeken een onoverzichtelijke massa, zeker voor anderen. Een drietal jonge vrouwen blijft bij me staan. Een van hen, later verneem ik dat zij de jongere zuster is van Chantal S., spreekt me aan. Ze hebben hulp nodig bij het oplossen van een belangrijk probleem van bestuurlijke aard. Of ik wil helpen? Hoewel ik helemaal niet weet waar het om gaat en zelfs de vraag niet goed heb begrepen, stem ik toe. Ze nemen me mee naar een vergadering, waar al een aantal specialisten om de tafel zit. Op weg ernaartoe vertelt ‘de zus van Chantal S.’, hoe ze heet zegt ze niet, wat over haar oudere zus (waar ze bedrieglijk veel op lijkt). Chantal (de echte) vindt het zo erg dat jullie elkaar nooit meer zien, zegt ‘de jongere zus’. Ja, het is zeker tien jaar geleden, zeg ik. Waarschijnlijk meer. En haar oudere zus, Renée S… Zo erg hoe zij aan haar eind is gekomen… Ja, zegt ‘de jonge zus van Chantal’, wie had dat destijds kunnen denken. Ik heb jarenlang in dit gebouw naar Chantal gezocht, zeg ik, maar zonder resultaat. Als ik al een spoor van haar vond in een of ander bureau werd het meteen weer uitgewist. Het is hoe dan ook erg moeilijk om hier iets of iemand te vinden. Ooit moest ik dringend een arts raadplegen, maar zelfs dat lukte me niet. Hier is vast wel een geneeskundige dienst, maar die zit dan wel goed verborgen in een of andere doodlopende gang, ver van een lift of een trap verwijderd. Je mag je niet voorstellen wat daar allemaal gebeurt.

Tijdens de vergadering probeer ik zoveel mogelijk van wat wordt gezegd te noteren in mijn klein notitieboekje van Muji. Maar enerzijds begrijp ik geen woord van de ambtelijke taal, anderzijds slaag ik er niet in om ook maar één zin op een leesbare manier neer te schrijven. Wat op papier verschijnt is werkelijk beschamend. En dan te weten dat mijn handschrift vroeger zo duidelijk was en mijn woordenschat zo omvangrijk; mij mijn grenzeloze verbeelding te herinneren! Neen, ik breng er niets van terecht. Des te meer maak ik mij zorgen over de bestemming en bewaring van mijn oude teksten, cahiers, dagboeken, verhalen en brieven; mijn hele onoverzichtelijke archief.

Ik ga even bij Erik langs, een collega die in een bureau in de buurt werkt en over een klein deel van mijn archief waakt: de Muji-notitieboekjes. Wat erg, zegt Erik, ze zijn allemaal door schimmel en insecten, vooral papiervisjes, aangevreten. Nog een geluk dat deze beestjes het driehonderd dagen zonder eten kunnen volhouden. Je zou best op zoek gaan naar een huis, een voldoende grote en luchtige ruimte om alles in onder te brengen, zeker ook het materiaal dat je op het schip bewaart. Dat zal zeker nog meer aangetast zijn dan de Muji-boekjes hier. Ja, dat is ook mijn vrees, zeg ik.  Overigens moet ik hoe dan ook weg van dat schip: het wordt verkocht en dan gesloopt. Veel tijd om er mijn bezittingen weg te halen heb ik niet meer. Maar waar kan ik naartoe, beste Erik?

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, juni 2015.

30-04-15

DE CARIBISCHE DRUMMERS

saul-leiter-barbara-or-margaret-1955.png

Hoe het verhaal begon kan ik me niet herinneren. Vorige vrijdag lag Annabelle hier lui op de chaise longue met alleen nog haar zwarte Suède laarsjes aan. Ik zat aan mijn oude kersenhouten tafel, net niet helemaal met mijn rug naar haar toegekeerd. Waarschijnlijk probeerde ik neer te schrijven wat ik zag als ik, bijna tersluiks, naar haar keek. Hoe zij daar lag, haar lange benen, de kleur van haar huid, de lome blik in haar ogen. Op een computerscherm, links van me, begon een drumband te spelen. De muzikanten marcheerden door een Caribisch stadje, hun getrommel even kleurrijk als de gevels van de oude huizen. Als de klank luider werd leek wat ze speelden een kakofonie, maar altijd hoorde je toch ook structuur in hun opwindende muziek. Wat je hoorde en onderging was een combinatie van emotie, woede, verleidingstechniek en wiskunde. Soms, als het volume afnam, vreesde ik dat de muzikanten al gauw uit het gezichtsveld zouden verdwijnen.

Onze postbode kwam de kamer binnen met een pakje. “Uit Amerika”, zei hij. Hij wierp een nieuwsgierige blik op Annabelle, haar ogen nu op het computerscherm gericht, maar haar lichaam nog altijd in volstrekte rust. Heel even maar bekeek de postbode haar en dan werd zijn aandacht getrokken door de straatdrummers. Natuurlijk moest hij zijn ronde doen, maar ik zag dat hij het moeilijk had om zich uit de uitgelaten sfeer van de muziek los te rukken. Tenslotte zei hij “geweldig” en vertrok. Mij leek het alsof hij op die paar minuten een andere mens was geworden. Wat later moest Annabelle ook de deur uit, ik geloof naar haar werk.

Een paar dagen nadien liep ik met mijn vrouw naar de winkel. We passeerden de postbode. “Wat was dat toch magisch, dat uitzinnig getrommel dat ik daar bij jou hoorde,” zei hij. Ik wist niet wat te antwoorden. Ik knikte en maakte me zo gauw mogelijk uit de voeten. Mijn vrouw vond dat maar vreemd. Wat was er aan de hand? En pas nu zag ik dat ze niet langer blond was: ze had haar haren zwart laten verven.

Eergisteren lag ik in bed met een zwartharig meisje, dat ik vaag van ergens kende. Een actrice misschien. Ik herinner me haar naam niet. Ze was omstreeks elf uur komen aanbellen en vroeg meteen, de voordeur was nog niet toe, of ze bij me mocht komen liggen. Om vier uur kwam mijn vrouw thuis, nu weer met blonde haren. Het zwartharige meisje vertrok, ik viel opnieuw in slaap. ’s Avonds zag ik een in cadeaupapier ingepakte fles op mijn nachtkastje staan. In de lege whiskyfles zat een brief van mijn vrouw. Harde woorden van afscheid. Ze nam mijn gedrag niet langer, ze was voorgoed vertrokken. Ik kwam uit bed, mijn hart gebroken. In de keuken, waar het nu donker was, zag ik haar silhouet, niet meer dan een vage schim was het – ik wist dat ze weg was.

muziek, drummers, caribische trommelaars, meisjes, vrouwen, lust, visite, erotiek, verlangen, wellust, genot, kijken, annabelle, bed, luiheid, cadeau, jaloezie, huwelijk, verlaten, alleen, eenzaamheid, postbode, "the postman always rings twice"

...

Foto: Saul Leiter, 'Barbara or Margret',  1955; Tay Garnet, 'The Postman Always Rings Twice', 1946.

22-04-15

VERSLAG VAN EEN WANDELING

herman claeys 001.jpg

Om wat gemoedsrust te vinden besluit ik een wandeling te maken. Links van mij de drukke steenweg, aan mijn rechterhand groene velden achter een prikkeldraadomheining. Een vriendelijke blonde jongen, echt het outdoor type, is mijn gids. Hij zal me tot aan een verkoelende veldweg leiden en nog een eindje verder. Onderweg vertelt hij me een en ander over zichzelf. Hij toont me zijn armen – allebei zijn ze gebroken geweest, aan de polsen. Nog niet helemaal geheeld. Een brutale medeleerling van hem heeft dat gedaan. Die had de jongen gewoon even krachtig bij de polsen gegrepen. In een oogwenk was het gebeurd. Eerst had hij geen pijn gevoeld, maar daarna, een minuut of vijf later!
“Gebruld dat ik heb!”
“Die gast moet zich dan wel schuldig gevoeld hebben, zeker?” vraag ik.
“Helemaal niet” zegt de jongen lachend, “die was er zelfs trots op…”
Zo’n echt fascistisch mannetje, denk ik bij mezelf en ik vermoed dat de jongen er net zo over denkt.
“Zie je daar recht voor je dat bordje. ‘Aurora’ staat er in Pruisisch blauwe letters op. Wel, daar moeten we rechts afslaan. Daar wordt het bijzonder fijn om te wandelen.”

We slenteren door zomerse velden. Idyllisch op het eerste zicht, maar er hangt iets dreigends in de lucht. Het verhaal van de jongeman laat me maar niet met rust. Een half uur laten komen we in een dorp aan. Was dit niet het doel van mijn korte reis? We nemen afscheid en ik begeef me naar de grote dorpsgelagzaal waar ‘Just A Gigolo’, een film van David Hemmings, wordt vertoond. Ik heb het gevoel dat ik binnenstap in een mij uit mijn kinderjaren vertrouwde omgeving. In de zaal doven de lichten.
De film begint.

In de eerste sequens zien we een ogenschijnlijk gewone misdadiger een trappenhal van een Berlijns herenhuis binnenkomen. Wij – of is het de camera? – bevinden ons op de eerste verdieping van het huis. We zien de wenteltrap met grillige Jugendstilleuning in metaal. Vervolgens beneden de man, die omhoog kijkt. Zijn gezicht is nog in schaduw gehuld. Daarna een close-up van zijn gezicht. Het is Hitler. Zijn ogen zwart omrand, een priemende, boosaardige blik. Een zwarte lok over zijn voorhoofd. Ik hoor een stem die ik van ergens ken vragen:
“Zou Hitler er zo uitgezien hebben?”
Zelf vraag ik me af hoe een acteur zo sterk op Hitler kan lijken.
Nu ben ik niet langer toeschouwer: ik ben in de ruimte van de film, van het verhaal zelf… Maar passief, niemand van de anderen kan me zien.
David Bowie, die de hoofdrol speelt, richt zich rechtstreeks tot het publiek.
“Wat je nu ziet,” zegt hij, “zijn mijn 32 Elvis Presley-films in één keer”.

De jongen die mijn gids was heeft zich in een klaslokaal van een naburige school teruggetrokken. Niet op zijn gemak, schichtig om zich heen kijkend, alleen. In een gebroken wit geverfde wand van het lokaal zie ik grote openingen die toegang geven tot een tweede klaslokaal. In het klaslokaal aan mijn linkerkant zitten de Nationalisten. Deze jongeren zien eruit als brave smeerlapjes: ze spreken en zingen in de Duitse taal, zoals die in de jaren dertig klonk. Ze verdedigen de fascistische ideologie van het Vaderland. In het andere lokaal zitten de Socialisten, die Italiaans spreken en zingen. Straatjochies, zo lijkt het wel. Duidelijk minder ernstig dan de Duitstaligen. In hun ogen blikkert dezelfde humor als die van de oude film ‘Zéro de conduite’. De jongen die mijn gids was moet kiezen tussen een van de twee klassen maar zou zich veel liever afzijdig houden. Wat gebeurt er daarna met de lieve jongen?

Af en toe steekt iemand van de ene klas zijn hoofd door een van de gaten in de gebroken wit geschilderde wand om met de andere klas mee te doen, ja, om zogenaamd te sympathiseren met het andere kamp. Ik span me in om te verstaan wat de Socialisten zeggen. Maar eenvoudig is dat niet – deze potpourri van klanken. En toch geeft het een mooi effect, al die talen door elkaar. Ik onderscheid nu zelfs Nederlandse woorden. Een oudere man houdt een aanvankelijk onverstaanbare redevoering. Geleidelijk aan gebruikt hij meer Nederlandse woorden. Na een poos hoor ik geen enkele andere taal meer.

Nu heb ik het door. Dankzij een of andere truc heb ik de ruimte van de film kunnen verlaten en ben ik weer een gewoon toeschouwer. Woedend wend ik me tot de uitbater.
“Dit is een groot bedrog. Wat hier vertoond wordt is een gedubde versie, er zijn immers geen ondertitels.”
"..."
“Ik wil mijn geld terug” zeg ik.
De man bekijkt me onderzoekend en weigert.
“U had buiten moeten aankondigen dat het geen oorspronkelijke versie is,” zeg ik.
“Ga dan maar eens kijken buiten” zegt hij.
Uitzinnig van woede loop ik naar de bar, waar een aantal dorpelingen staan te praten en te drinken.
“David Bowie heeft een prachtige stem!” roep ik uit.
Dit herhaal ik een keer of drie.
Niets dan apathie. Toch blijf ik hopen op de solidariteit van de aanwezigen. Waar is mijn jonge gids dan gebleven? Ik bestel een dubbele bourbon en drink hem snel leeg.
“Nog veel nationalistisch genot!” brul ik voor ik de deur van de grote dorpsgelagzaal achter me dichtsmak.

Enkele straten met niets dan verweerde huisjes en ik ben weg uit de dorpskom. Daarna terug langs de veldweg. De mist hangt dicht boven de velden.

13-04-15

AGNES MATZERATH

blechtrommel_szenenfoto_16_5_4_01_020_1024.jpg

Zuchtend sloeg Zwart de krant open, hierbij enige hinder ondervindend van de windvlagen. Op pagina 2 stond een foto van Françoise Villers afgedrukt, die hij met een onverklaarbaar gevoel van welbehagen aan een onderzoek onderwierp. Ze heeft behalve een mooie naam (Zwart las Villiers in plaats van Villers) ook nog een lief gezicht. Snoet is een afschuwelijk woord. Beledigend. Waarom dan? Ze heeft iets van een actrice. Bulle Ogier. De salamander. Nou. Ik zit vandaag wel met actrices in mijn hoofd. Stijl heeft ze vast, met die lange zwarte sjaal. Of zou het een andere kleur zijn? Niets is wat het lijkt. Bevallige hals en arm. Zwart bladerde door tot hij de Filmagenda vond. Niet één film die de moeite loonde. Of toch wel één, maar die had hij al een keer gezien.

Zodra de lichten waren gedoofd werd hij weer ondergedompeld in het afschuwelijke. Angst kneep hem de keel toe, zijn hart sloeg op hol. Hij vreesde dat hij zou verstikken. Zo onopvallend mogelijk slikte hij een valium. Elke beweging leek gevaarlijk; je zo stil mogelijk houden was de boodschap. Daar hij evenwel wist dat hij aan de duisternis zou wennen, werd hij al gauw rustiger en ging regelmatiger ademhalen. De filmische ruimte had ook een aandeel in deze herwonnen rust: het licht dat van het witte doek afstraalde werkte op hem in als een hypnoticum. Alleen zijn vochtige handpalmen rukten hem af en toe weg uit die zweverige toestand en stopten hem dan telkens gedurende enkele seconden weer in zijn sterfelijke, van angst verstarde, lichaam.

De naam Angela Winkler verbergt en onthult, ook voor wie de actrice niet kent, een bijna tastbare schoonheid. Voor Zwart was de film ‘De blikken trommel’ vooral het verhaal van Agnes Matzerath. Haar zachte, felle zinnelijkheid overrompelde hem. Hij betreurde het dat zij al halverwege het verhaal sterven moest. Maar dat was haar noodlot. De dood stond in al haar gebaren geschreven.

Hoe zou ik evenveel kracht kunnen leggen in mijn woorden als in deze kleuren? Dood proza. Onnodig te zoeken naar een equivalent voor dat zo erotische bloedwarme rood, voor het bruin van verdorde velden, puinen. Voor de kinderlijke alwetende ogen van Oskar Matzerath. Voor de stemmen van Bebra en Roswitha Raguna. Hier schiet elke vergelijking, elke metafoor tekort. Onnodig, inderdaad. De kritiek van Menno ter Braak op de tachtigers zou ik nooit mogen vergeten. Geen schilderijen, geen films maken met woorden.

Toen hij uit de bioscoop kwam trof hem het verblindende licht en de zachte, lichtzoete geur die in de straat hing. Tijdens de begrafenis van Agnes Matzerath was de zon door de wolken gebroken en onmiddellijk daarna was de wind gaan liggen. Mannen droegen hun regenjas onder de arm; sommigen floten een wijsje. Vrouwen, die net zo gewichtloos leken als in reclameclips, zweefden over de brede trottoirs. Nog half versuft keek Zwart om zich heen, hopend in een van de voorbijgangsters de vitale en melancholische trekken van Agnes Matzerath te ontdekken. Een ontroostbare jonge vrouw die rondzwierf in deze stad, op zoek naar hem.

AGNESMATZERATH.jpg

Fragment uit de onafgewerkte roman ‘De weg naar het centrum’ (1987-1990). Gedeeltelijk gepubliceerd in het tijdschrift Letters, 6de jaargang, nr. 4, december 1990.

15-10-14

WE MOGEN ONZE BELANGRIJKE MISSIE NIET UIT HET OOG VERLIEZEN

anita-pallenberg-02.jpg

Bij zonsopgang vertrekken Lana en ik met Paul voor een bijeenkomst van archivarissen naar Hasselt. Ik heb mij er zoals wel vaker niet op voorbereid, weet nauwelijks wat daar besproken zal worden. Zal er wel iets besproken worden? Onderweg praten heeft weinig zin; door het geronk van de motor hoor ik amper wat mijn medepassagiers zeggen. Dan knik ik ja als er neen van me wordt verwacht of zit ik te lachen als ik moet huilen. Zo van die dingen.
Ik probeer wat te lezen in Red Harvest van Dashiell Hammett, maar lezen maakt me ook nu weer autoziek. In de verte trekt een wonderlijk gebouwencomplex in futuristische stijl, ik denk meteen aan de gebouwen van Oscar Niemeyer in Brasilia, mijn aandacht. Het lijkt lang te duren eer we wat dichterbij komen. Dan zie ik dat de gebouwen die de architect vanuit de toekomst naar hier heeft gehaald worden overschaduwd door een glanzende, witte kathedraal in rococostijl. De reusachtige kerk weerkaatst het zonlicht zo sterk dat je er maar een seconde naar kunt kijken. Hoe heet deze plek, vraag ik aan Paul. Hij weet het niet, Diest misschien, zegt hij. Of Diepenbeek? Moet ik nu lachen of huilen?

Lana heeft honger, wat eerlijk gezegd zeldzaam is. Nu ja, ik heb ook honger. Paul wil liever in één ruk doorrijden naar onze bestemming maar kan moeilijk verbergen dat zijn maag rammelt. En Lana heeft een halfdoorzichtig jurkje aan. Hij parkeert zijn Fiat voor een fabriek van Fiat, of dat denk ik eerst toch. Het blijkt een immense kantine te zijn die herinneringen oproept aan mijn vele werkbezoeken aan de Sovjet-Unie. De klanten zitten er aan lange tafels en eten zuurkool met worst. Het ziet er werkelijk gezellig uit, vooral dank zij de neonverlichting. Over een uur treedt een plaatselijke rock & roll-band op. Op de affiche zien the Hip Stars, zo heten de jongens, er echt cool uit. Lana en ik willen graag blijven, we zijn nieuwsgierig, maar Paul vindt dat tijdverlies: we mogen onze belangrijke missie bij de archivarissen in Hasselt niet uit het oog verliezen. Laten we vertrekken, zegt hij. Ik heb nog niet eens de helft van mijn zuurkool op, maar ik geef toe dat ik een trage eter bent.

T
eleurgesteld en nukkig loop ik achter Lana en Paul over een grasveld, groter dan een voetbalveld, naar de Fiat toe. Wat ver toch naar die auto van Paul, mompel ik. Wat gaan we daar in Hasselt doen, ik ben toch ook helemaal geen archivaris, denk ik nog. Daarop maak ik rechtsomkeert, in de richting van de communistenzaal en de coole band. Maar Lana houdt me tegen. Zo staan we daar dan midden op dat grasveld. Lana probeert me aan het verstand te brengen dat we met Paul mee moeten, we hebben geen keuze. Natuurlijk heeft ze gelijk, we hebben geen keuze. Er staan tranen in mijn ogen. Maar een blik op haar blauw jurkje kan wonderen doen.

Geheel onverwachts, zoals opeens een storm kan opsteken of iemand in een menigte kan neerzijgen, verander ik in iemand die ik nooit eerder in de spiegel zag. Ik loop zo hard ik kan weg van Lana en  Paul, die het portier van zijn auto al aan het openen is. Ik loop en loop tot ik een bus zie aankomen. De chauffeur is een van die hoffelijke types die om het even waar voor je stoppen. Na een tijdje zit ik nog alleen in de bus. Praten doen we niet, niet alleen vanwege de motor, mijn hoofd is even leeg als een voetbal. Aan de eindhalte komt de bus tot stilstand. De buschauffeur zegt “terminus”, laat me eruit en wuift me even na.

Ik sta aan de rand van een maïsveld. Hoewel besluiteloos besluit ik verder te lopen over een asfaltweg met twee smalle rijstroken. Er is geen verkeer. Na vele kilometers kom ik aan de Zuid-Willemsvaart. Wat verderop zo’n oude, pittoreske sluis. Het beton overwoekerd door onkruid dat lekker ruikt. Braamstruiken, netels, varens, lisdodde. In groene overalls gehulde, zwijgende vissers op twee, drie meter afstand van elkaar. Hun gerei glinstert in de late middagzon. Gefascineerd door het water dat ongewoon helder is buig ik voorover, waardoor mijn bril in het kanaal valt. Ik kan hem duidelijk zien liggen op de bodem, maar het is te diep om hem zelfs maar aan te kunnen raken. Misschien kan de jongeman die net komt aangewandeld me helpen. Hij ziet er behulpzaam uit, dat merk ik meteen aan de blik in zijn ogen. Bovendien heeft hij van die hoge visserslaarzen aan. Hij negeert echter mijn verzoek en vraagt of ik mijn vakantiegeld al heb ontvangen. In diezelfde behulpzame ogen zie ik dat hij het antwoord op die vraag kent. Maar hoe kan hij wat dan ook over mijn vakantiegeld weten? Van Colombo, zegt hij. Ach zo. Ik doe mijn schoenen uit, rol met wat moeite mijn broekspijpen op en wil in het water stappen. Colombo staat nu glimlachend naast de blonde jongen. Dat hij blond was had ik nog niet gezien. Mooie schoenen, zegt Colombo, naar mijn versleten witte schoenen wijzend. Ja, zeg ik, het zijn Italiaanse. Siciliaanse eigenlijk, in Agrigento gekocht. In Italië maken ze de mooiste schoenen, voeg ik er nog aan toe. Je weet maar nooit met Colombo.
federico bahamontes.jpg

Ik ga aan boord van een schip, richting Charleroi. Onderweg praat ik met twee oude schoolkameraden; een van hen is Antoine, een jongen met wie ik bijna alle dagen ging fietsen toen mijn bijnaam nog Bahamontes was. Wat een mooie naam toch, daar moet ik ooit eens een gedicht over schrijven! Na een poos daagt het me dat ik op het verkeerde schip zit – het vaart precies in de tegenovergestelde richting, en nog wel naar Gent. Antoine lacht om mijn verstrooidheid. Dat is niet slecht bedoeld – hij weet immers niet welke afstand ik al heb afgelegd. Vanop het dek kijk ik aandachtig naar het kanaal, en vooral naar zijn ligging, hoe het in het landschap is ingebed. Er is iets dat niet klopt. Ik herken dit landschap niet. Deze waterweg werd verlegd, op zijn minst twee kilometer in westelijke richting. Daardoor heb ik me dus vergist. Ja, alles ziet er hier anders uit, het water, de populieren, zelfs het zonlicht.

Aan de Tolhuissluis in Gent ga ik aan boord van een ander schip, dit keer in de goede richting mag ik hopen. Ik strompel de trap af, ga op een bed liggen en val meteen in slaap. Tot we in Charleroi aankomen slaap ik door. Ik droom over een geheime zending naar Hasselt, over massale vissterfte, over een communistische invasie en over een hartelijke ontmoeting met Richard Nixon en zijn stafchef H.R. Haldeman, die een super-8-filmpje van me maakt. In Charleroi ontwaak ik uit die lange slaap als de aak aanmeert bij de Zieke Grond. Ik haast me naar het station, drink gauw twee koffies, en stap op de trein naar huis. Het is genoeg geweest.

Weer thuis krijg ik meteen het gevoel dat ik ga stikken. Wat gebeurt er toch met me! Ik waad door stapels reclame, brochures, folders, kranten en literaire bijlagen, omslagen, herfstbladeren, duivenveren, ijsschrapers, schoenveters en begeef me wankelend naar de keuken waar ik wat water wil drinken.  Daar stel ik vast dat twee knoppen van het gasfornuis open staan. Er moet al een grote hoeveelheid gas zijn ontsnapt. Bliksemsnel draai ik de knoppen toe en open de ramen.

Ik zet de televisie aan voor het laatavondnieuws. In Hasselt is in de koffer van een Fiat een grijze plastieken zak met daarin het in stukken gezaagde lijk van een nog onbekende vrouw aangetroffen. De gangster Johnny Stampanato zou erbij betrokken zijn. Zijn naam klinkt vertrouwd, maar wie was het toch ook alweer? Ik zet de televisie af, slik een valium en probeer me voor te stellen hoe Brenda Lee er nu uitziet. Daarna komen de dromen.

 mickey cohen johnny stampanato2.jpg

25-03-14

KEITJES

Masereel_wanhoop.jpg

 

Hij zat opgesloten in een muffe kamer met alleen een wekker en hij was bang. Kon hij er toch uit ontsnappen! Maar hoe, daar had hij geen idee van, er waren geen ramen en de stevige deur was op slot. Geen sleutel. Hij was naakt, voelde zich als op het moment van zijn geboorte, wat vreemd was, want van die lentedag in de twintigste eeuw herinnerde hij zich hoegenaamd niets.

Hij ontwaakte in een donkere straat. Geleidelijk aan werd het zicht wat beter, maar alles bleef desondanks nevelig, in een waas gehuld. De voorbijgangers silhouetten. Waar ben ik, vroeg hij aan niemand bepaald. De mensen om hem heen leken hem niet te zien. Was hij dan niet meer dan een schaduw? Alleszins liepen ze onverstoord door, met langzame tred, tot ze niet verder konden. Ze verzamelden zich op een plein waar de straatverlichting nog brandde. Niemand zei een woord, ze waren net zo vreemd voor elkaar als voor hem. Schaduwen. Ze wierpen keitjes voor zich uit tot ze door hun voorraad heen waren, dan hielden ze op om de keitjes weer te verzamelen. Zo ging het lange tijd door. Het geluid van de witte steentjes die het plaveisel raakten leek op het getik van de wekker in de gesloten kamer.

Je bent dood, dacht hij, in de muffe kamer ben je gestorven. Voortaan zal je zoals die andere schaduwen alleen nog keitjes werpen en de seconden tellen. Er is geen noemenswaardige wereld meer. Er valt niets over te zeggen, daarom zwijgt iedereen. Als er geen wereld meer is ben je dood, zo eenvoudig is het.

In het begin was het alles of niets, dacht hij, zoals bij Ibsen. Was ik uit die kamer ontsnapt was het alles geworden, of was er toch veel mogelijk geweest, veel wegen om te begaan, in alle richtingen, gedachten om te denken, dromen om te dromen, handen, ogen, zachtaardige dieren, of gewoon maar een hoge boom om in te klimmen, maar het is niets geworden. Het was alles of niets, en ik had geen enkele keuze.

Antwerpen 1977 - Brussel 2014

 

28-01-14

MADAME BOVARY IN DE CAMARGUE

2012_09_ALGARVEpanasonic 080.JPG

Laten we een korte reis maken naar Les Saintes-Maries-de-la-Mer in de Camargue. In dat stadje bevindt zich de Zwarte Madonna, die Sara wordt genoemd. Het is een belangrijke bedevaartplaats voor zigeuners. Bob Dylan ontmoette er een zigeunerkoning, of zo leert ons toch de legende. Inderdaad, Bob Dylan bestaat niet echt: hij is een legendarische figuur, een mythische held. Uit een andere legende leren we dat hij er enkele maanden in een tent leefde samen met zijn vrouw Sara en hun kinderen, waaronder Jesse en Jakob. Voor de song & dance man was het een vruchtbare tijd.

Op het uitgestrekte grondgebied van Les Saintes-Maries-de-la-Mer, woont Emma Bovary met haar oudere echtgenoot in een riante villa. Zover het oog reikt niets dan moerassen en in de verte de Middellandse Zee. Madame Bovary leidt een eenzaam bestaan: vanwege zijn doktersberoep is haar echtgenoot vaak uithuizig. Haar enige gezelschap zijn dan haar zes witte paarden. Vaak, als ze een rit maakt om de flamingo’s te gaan begroeten, of gewoon maar voor het plezier, waant ze zich een edele vrouw uit de Middeleeuwen: Madame Bovary heeft veel historische romans gelezen.

Op een zomerdag komt de jonge reiziger Mathieu F. in het stadje aan. Op het terras van een café ontwaart hij Madame Bovary en wordt meteen smoorverliefd. Zij echter lijkt hem niet eens op te merken. Mathieu F. verneemt dat Emma Bovary niet alleen paardrijdt maar ook veel tijd doorbrengt op het strand. Het is daar, gezeten onder een parasol, dat ze haar romans verslindt. Mathieu F., hoewel een reiziger in hart en ziel, kan niet weg uit de streek: de vrouw, van een uitzonderlijke schoonheid, rode haren, vurige ogen, lange benen en sierlijk in al haar bewegingen, heeft hem betoverd. Hij moet en zal in haar buurt blijven.

Hoewel hij niet van het leven op het strand houdt brengt hij daar nu elke dag ettelijke uren door. Mathieu heeft het gevoel dat hij en Madame Bovary elkaar al eerder hebben gekend, misschien wel in een vorig leven. Later pas ontdekt hij dat ze sterk gelijkt op zijn jeugdliefde, toevallig een Sarah, die hij hartstochtelijk liefhad maar helaas in een kaartspel – tijdens een dronken nacht - verloor aan een andere man. Hij weet echter dat het niet het spel was dat hen heeft gescheiden, maar het noodlot.

Nu hij in Madame Bovary’s nabijheid vertoeft, heeft hij nog maar één wens: haar liefde te winnen en voor altijd zijn leven met haar te delen. Haar te beminnen zoals geen enkele andere sterveling dat kan. Wat kan hij doen opdat die wens, zelfs maar gedeeltelijk, in vervulling zou gaan?

Soms zit hij met zijn nieuwe vrienden kaart te spelen in een van de bars in het van hitte zinderende stadje. Zijn hoofd is echter elders, zelfs als hij nuchter is. Zo verliest hij een groot deel van zijn geld en zal hij al gauw zijn hotelkamer niet meer kunnen betalen.

Emma Bovary is niet zo wereldvreemd dat ze Mathieu nog niet heeft opgemerkt. Op straat wordt er over hem en over zijn smachtende liefde gepraat en velen vinden hem een sentimentele dwaas. De zigeuners hebben al enkele liedjes over zijn onbeantwoorde, tragische liefde geschreven.  Een van die liederen zal Bob Dylan inspireren voor zijn ballade ‘Sara’, terug te vinden op zijn meest liefdevolle, zijn enige van werkelijk mededogen getuigende elpee, ‘Desire’. Wel wat vreemd dat hij de song ‘Sara’ heeft genoemd en niet ‘Emma’, maar ongewoon is het nu ook weer niet.

Als Mathieu’s laatste avond in Les Saintes-Maries-de-la-Mer aanbreekt komt Madame Bovary hem opzoeken. Ze drinken champagne in de lobby van zijn hotel en vertellen elkaar over hun leven van eenzaamheid en verlangen. Emma’s begeerte, om niet te zeggen haar lustgevoelens, wint het al gauw van haar schuchtere gereserveerdheid. Ze valt voor de charmes van Mathieu, die in haar ogen iets heeft van de desperado’s waar ze al zoveel over heeft gelezen. Het verhaal van die nacht wordt bezongen door Gram Parsons en Emmylou Harris in We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning’. Het is best mogelijk dat Parsons het verhaal heeft opgevangen toen hij in de villa van Keith Richards in Villefranche-sur-Mer verbleef, waar the Rolling Stones ‘Exile On Main Street’ opnamen.

Als Mathieu ontwaakt smeulen de assen nog na in de open haard, maar Emma Bovary is weg. In een korte brief schrijft ze, niet zonder passie, dat ze haar man niet aan zijn lot kan overlaten, dat hij haar meer nodig heeft dan Mathieu; Mathieu is nog jong, haar man is oud, maar dat ze hem, Mathieu, nooit zal vergeten, dat ze altijd van hem zal blijven houden. Maar nee, ze kan hem niet vergezellen naar het vreemde land dat zijn bestemming is. Ze moet in Les-Saintes-Maries blijven, bij haar man, haar zes witte paarden, de flamingo’s en bij Sara, de Zwarte Madonna.

...

Foto: Martin Pulaski, Santa Luzia, 18 september 2012.

12-01-14

DE TINGELTANGELZANGERES

degas singers-on-stage.jpg

Een koude januariochtend in 1983. Bij Gina, de tingeltangelzangeres, zijn juwelen gestolen.

Ik lig in diepe slaap, nog maar een uur of twee in bed, dronken van het vele bier en de sigarettenrook in café De Kat. Elke woensdagnacht vanaf elf uur zit ik er samen met mijn vriend Sint Guido. Het is een ritueel. We praten over Elvis Presley, the Byrds, Gram Parsons, Guitar Slim en alle muzikanten, zangers en zangeressen die ons bijwijlen nog het gevoel geven dat we niet alleen maar ellendige nietsnutten zijn. Na voldoende bier van De Koninck praat ik met Nicky, en Kicky en Iskander, die nu al lang dood is. En soms met Leonard Nolens, die de kunst verstaat stevig te drinken zonder ooit van zijn barkruk te vallen.

Opeens staat de politie in de slaapkamer.
“Wat nu? Wat gebeurt er?”
“Ze zijn met een huiszoeking bezig,” zegt Laura, “de keuken en de salon hebben ze al gedaan.”
“Huiszoeking? Hoezo huiszoeking?”
“Ze verdenken mij, vanwege mijn contacten met G.”
“Maar je hebt toch niets gestolen van die tingeltangelzangeres?”
“Natuurlijk niet. Trouwens, ze heeft alleen maar nepjuwelen.”

Misselijk stap ik uit bed, maar toch ook al wat ontnuchterd. De politie die een huiszoeking komt doen bij een brave jongen, dat is niet niets. Ik ben er niet helemaal gerust in: in de slaapkamer staan bijna al mijn boeken, rekken vol Schone Letteren, Misdaad en Filosofie. In een van mijn boeken bewaar* ik al jaren wat hasjiesj. Ik rook dat spul al een eeuwigheid niet meer, maar je moet weten dat ik niets kan weggooien, ik ben een hamster.

De twee agenten kijken wat rond, neuzen in de lingerie, in de vuile was, ik weet niet waar nog allemaal. Ontnuchterd en tegelijk nog dronken voel ik me al gauw boos worden. Er is niets aan te doen, zo ben ik nu eenmaal. Op een van de rekken liggen drie plastieken doosjes waarin, slapend op gele kussentjes, min of meer versleten naalden van mijn platenspeler. Van het merk Shure, als je het toch wilt weten, met van die mooie smaragdgroene naalddragers. Ook die werp ik niet weg. In een kast in de hal staat nog een blikken koekendoos met massa’s van die naalden in.

“Hier,” roep ik, “hier zijn de juwelen, pure diamant!”
De agenten bekijken me alsof ik een ongevaarlijke gek ben, wat misschien ook wel zo is, en vertrekken. Ze hebben hun plicht gedaan. Bij ons ziet het er netjes uit. Geen kakkerlakken, geen ratten, geen afwas van drie weken. Wel boeken, platen, tijdschriften, de vertrouwde geur van tabak en alcohol.

Een uur of wat later loop ik via de Provinciestraat al kotsend naar het stempellokaal. Enigszins trots op mijn branie. Gina. Die tinteltangelzangeres met haar nepjuwelen, hoe is het mogelijk.

...

*
Hoe ik dat deed zal ik later wel eens vertellen. Als de tijd er rijp voor is.

De afbeelding is een danseres van Edgar Degas. 

10-12-13

EEN BLAUWE BIKINI

wat doe je zoal.jpg


Je stem zwerft door deze kamer, soms hoor ik een heel koor van halve engelen, soms de echo van een kleine gekwetste vogel. Die van de duivel in je hoor ik hier nooit.

Van toen je zei: Ik heb een nieuwe bikini.
Een blauwe, zoals de kimono in het liedje van Will Tura?
Ja.
Met bolletjes?
Ja.
Zwarte?
Nee, witte.
Mmmm.
Het was een koopje.

Ik was door en door gelukkig, maar mogelijk was ik toch in een slechte bui. Perfect geluk bestaat gelukkig niet. Er is altijd iets anders, iets donkerders, om het geluk als het ware te overbelichten, wat goede fotografen bijna altijd doen als ze iets zien wat ze graag zien.

We zouden een moord moeten plegen.
Een moord, jongen toch… Op wie dan?
Op niemand, niet op een mens, eerder op de slechte smaak.
Vind je mijn bikini niet mooi dan?
Natuurlijk wel, gek.
Welke slecht smaak dan?
Ach nee, niet de slechte smaak, ik weet het niet.
Ik wil geen moord plegen.
Een aanslag dan?
Dat is nog erger.
Een aanslag tegen alles wat ons wetmatig belet lief te hebben.
Dat kan ik niet, hoe doe je dat?
Dat weet ik niet, misschien moeten we er nog over nadenken.
Ik wil niet nadenken, alleen maar liefhebben.
Ja, dat weet ik, en ik weet niet wat ik zeg.
Je zei onlangs nog dat ik te ver over de grenzen ging, dat zei je zelf.
Ja, dat herinner ik me, ik was dronken.
Maar je was bang.
Ja, ik was bang en boos vanwege die wetmatigheden.
Waarom was je bang?
Dat jou iets zou overkomen.
Mij overkomt niets, ik ben sterk genoeg.
Ach liefste, ik wil niet moorden en ik wil geen aanslag plegen.
Wat wil je dan, mijn lief?
Lach nu niet, ik wil een kleine vogel zijn.
En naar me toevliegen?
Ja.

O hoe we lachten! Ook die lach van jou en mij blijft hier nog de kamer vullen. Maar alleen op heel bijzondere dagen. Dagen waar ik zelf geen vat op heb. En dat maak het wachten zo treurig en zo lang. En daarom luister ik zo graag naar ‘Best Of Both Worlds’ en ‘Sneakin’ Thru’ The Alley With Sally’ van Robert Palmer, zoals zovelen in zijn vak veel te jong gestorven.

RobertPalmer-AddictedToLovevo.jpg

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

12-10-13

HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?

van straten 001 (2).jpg

Enkele dagen geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vandaag wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann (Leipzig, 12 februari 1884 - New York, 27 december 1950) hebben. Zeker niet in de eerste plaats omdat hij gestorven is in het jaar dat ik ben geboren. Ik besefte echter dat ik die kunstenaar niet zomaar, zonder enige introductie, op het podium kon roepen. Voor mijn verhaal over Max Beckmann zal het om die reden nog even wachten zijn.
moeder-vader.jpg

Hoe zit het met de kunst en de kunstenaars in mijn leven? Hoe ben ik tot de kunst gekomen en hoe de kunst tot mij? Alvast niet via mijn opvoeding, noch thuis noch op school. Mijn ouders waren wat ‘eenvoudige lieden’ wordt genoemd, hoewel hun bestaan verre van eenvoudig wàs. Ze hadden weinig school gelopen; mijn moeder wel iets langer en met betere resultaten dan mijn vader. Op kostschool in Lokeren was zij gedwongen geweest Frans te leren en boeken, zij het met het nihil obstat van de Katholieke Kerk, waren er niet verboden. Mijn vader was de zoon van een arme boerin in de Maasvallei in Limburg: enkele jaren lagere school moesten volstaan om hem klaar te stomen voor het werk op de boerderij of in de koolmijn. Kunst en literatuur behoorden niet tot zijn wereld. Wel was er de volksmuziek van feesten, kermissen, cafés en dancings. Via mijn vader en later mijn broer, zes jaar ouder dan ik, ben ik als een bezetene van muziek gaan houden. (Film was belangrijk voor mijn ouders, en zeker ook voor mijn broer en mezelf, maar als ‘ontspanning’, als ‘vlucht’.)

Op de lagere school werd er niet over kunst gesproken, alleen over de Goddelijke Drievuldigheid, de heiligen in de hemel, Jezus en de Heilige Maagd Maria. In de klas werd gelezen en geschreven en gerekend. Essentieel waren goed gedrag en zeden en Godsdienst. Later, op het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waren kunst en kunstenaar bijna scheldwoorden. Ik herinner me leraren die lachten met het werk van Picasso (die ik niet kende, dus zal ik wel meegelachen hebben). Ik herinner me niet één leraar die me interesse voor welke kunstvorm dan ook heeft bijgebracht. Hopelijk laat mijn geheugen me hier even in de steek.

Hoe het dan allemaal begonnen is? Geen idee. Wat ik met zekerheid weet is dat ik door dat gebrek aan opvoeding, door dat afschuwelijke onderricht, nu nog altijd niet in staat ben om over kunst te spreken of te schrijven. Als ik een kunstwerk zie word ik sprakeloos. Er valt geen woord aan toe te voegen. Het werk is er en dat volstaat voor mij. Ik ben ook helemaal niet kritisch ten aanzien van kunst. Wat ik niet mooi vind vind ik niet mooi, wat mij aantrekt en aanspreekt vind ik goed en mooi en soms overweldigend. Ook al heb ik al buitengewoon veel kunst gezien – wellicht, onbewust, om de achterstand van mijn kinderjaren en middelbare schooltijd in te halen – en er voldoende over gelezen, niet alleen biografieën maar ook veel theorie, kunstkritiek, manifesten, esthetica, et cetera, toch blijf ik grotendeels een analfabeet en een idioot inzake kunst.  (Waarbij ik nog een keer wil benadrukken dat ‘idioot’ voor mij geen negatieve betekenis heeft.)

Ik herinner me dat ik toen ik ongeveer zeventien was een stapel monografieën aantrof in een wc op het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Pico bello boekjes uitgegeven door De Sikkel te Antwerpen. Op het bovenste deeltje had iemand al enkele druppels urine gemorst. Om ze voor nog meer onheil te beschermen heb ik ze mee naar huis genomen. Toegegeven, ik was toen al verslingerd aan boeken, vooral Zwarte Beertjes vond ik te gek, zeker die van Georges Simenon, Leslie Charteris en Ian Fleming. James Bond was een tijd lang mijn stichtend voorbeeld: zo wilde ik later ook leven! Maar ik las ook nogal veel van wat er in de Reinaert-reeks verscheen, Dostojewski (‘De Speler’), Hendrik Conscience, Ernest Claes, Felix Timmermans en Seu Nai An. De pockets van LJ Veen vond ik al even boeiend, in de eerste plaats die van Edgar Allan Poe, Alexandre Dumas, en Poesjkin. Omstreeks 1966 kregen de Salamanders mij in hun greep, met name Franz Kafka en Louis Paul Boon. Wat een geweldige wereld ging er toen voor me open. En mijn wereld was al zo geweldig, dank zij de popmuziek en de mooie kleren en de meisjes en de vrienden en mijn Bahamontes-fiets en de magische transistorradio en de gele platenspeler en mijn singles en elpees en allerhande tijdschriften over popmuziek en meisjes – en de lange dromerige zomers.

seu nai an.jpg

Ik nam die monografieën mee naar huis. Naast die van boeken en muziek was dit de derde wereld die voor me openging. Dagenlang zat ik gefascineerd de meestal zwart-witte reproducties te bestuderen. Felix De Boeck, Rik Slabbinck, James Ensor, Frans Masereel, Antoine Mortier, Oscar Jespers… Nog een trapje hoger: Gustave Van De Woestijne (ik ontdekte dat hij een broer was van Karel Van De Woestijne, wiens ‘De boer die sterft’ ik had verslonden), Edgar Tytgat (met zijn wonderlijke zigeuners, bruiloften, kermistenten en boeteprocessies) en Leon Spilliaert (zijn zelfportret uit 1907 sloot ongetwijfeld aan bij de sombere gemoedsstemmingen die zich soms, ’s nachts, van me meester maakten, stemmingen die ik ook terugvond in de verhalen van Edgar Allen Poe.) Bovenal hield ik van het werk van de nu wat vergeten kunstenaar Henri van Straten. In zijn  houtsneden herkende ik zowel mijn milieu, dat van de binnenscheepvaart en de haven van Antwerpen, als dat van Louis Paul Boon. Bovendien kon ik heerlijk fantaseren bij zijn vele blote meisjes. Het boekje uit 1955 is nog altijd in mijn bezit.  In het voorwoord van Frank Van Den Wijngaert lees ik dit: “Henri van Straten was een niet alledaagse verschijning. Slank en lenig, gaf zijn wijdbeense, deinende gang, gepaard aan zijn donkere huidskleur, gitzwarte haren, dito ogen en scherp getekend profiel hem veeleer het uitzicht van een uitheems zeeman die vele oceanen had bevaren, dan van een geboren en getogen Antwerpse landrot aan wiens rasecht accent zich trouwens niemand zou bedrogen hebben.”

En weet je wat: al die mooi uitgegeven monografieën behandelden Belgische kunstenaars. Ik vermoed derhalve dat mijn liefde voor de kunst in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren is begonnen en dat de auteurs van de De Sikkel-boekjes mijn eerste leermeesters waren.

kafka 001.jpg

In volgende stukjes zal ik het over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook eerst nog over de rol van de televisie als educatief medium; een korte periode van dwepen met Salvador Dalí; pop art; het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

...

Illustraties:

Boven: La Java, van Henri van Straten, uit de gelijknamige monografie, uitgegeven door De Sikkel, met een voorwoord van Frank Van Den Wijngaert.
Midden 1: Mijn ouders, vroege jaren '50.
Midden 2: Seu Nai An, De Chinese Rovers, Reinaert-Uitgaven, Brussel 1962, Zedelijke kwalificatie IV-V.
Onder: Franz Kafka , Een hongerkunstenaar en andere verhalen, Salamander, Amsterdam, 1969.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

31-07-13

STORM*

POIX 107.JPG

Op 25 januari 199. zat ik tijdens een treinrit tegenover mijn oude vriend Kowalski. We waren elkaar in het Centraal Station toevallig tegen het lijf gelopen. Bijna onmiddellijk hadden we vastgesteld dat er tussen ons nauwelijks iets was veranderd.

Buiten huilde de wind, donkere regen op de huizen en op de zwarte velden. Ergens onderweg stapten we uit de vuile trein; een klein, bijna vergeten station waar geen levende ziel te zien was. Wat verder een dorpscafé uit een oude Franse film, van Marcel Carné of Jean Renoir.

Kowalski en ik zijn van hetzelfde jaar. Nooit eerder hadden we zo’n hevige storm meegemaakt. Het leek wel de Toorn Gods. Of wilde een tellurisch opperwezen een historische ontmoeting bekrachtigen?

We zaten alleen in de kroeg en keken zwijgend toe hoe ingelijste reproducties van late werken van Van Gogh naar buiten vlogen. Wij observeerden hun grillige vlucht, tot er niets meer te zien was dan de schemerige dorpsstraat. Onwillekeurig greep ik me met beide handen vast aan de rand van de tafel opdat ik toch maar niet zelf ook naar buiten zou waaien, dokter Gachet en Joseph Roulin achterna.


Op één avond overbrugden we bijna vijftien verloren jaren van onze vriendschap. Toch kun je elkaar niet alles vertellen, ook al wil je dat wel; het is in de praktijk niet haalbaar. Er is geen tijd. Er is nooit tijd. ‘L'Atalante’, ‘Zéro de conduite’, ‘La maman et la putain’, ‘La Salamandre’ en ‘The French Connection’ bleken voor ons beiden nog steeds favoriete films. Dat wees voor mij, ondanks de verwijdering, op een diepe zielsverwantschap die was blijven bestaan. Films en popmuziek vormen de basis van een vriendschap, niet afkomst, milieu, maatschappelijk succes of gebrek daaraan.

Mijn oude vriend had plannen voor een roman die ‘Gewond’ zou gaan heten. Hij zei dat ‘gewond zijn’ voor hem een metafoor was voor een eeuwig leven, maar dat begreep ik niet meteen. In ‘Gewond’ zou hij de tragiek van zijn familie (waanzin, zelfmoord, alcoholisme) fictionaliseren. Wat leek wat hij me over zijn familie vertelde op mijn eigen geschiedenis! Zoveel had hij me vijftien jaar tevoren nooit toevertrouwd. Alsof we allemaal personages in een roman van Ken Kesey zijn, dacht ik. Later zou hij het boek verfilmen, zei Kowalski. Ik vroeg hem of ik dan een figurant mocht zijn. Op zijn minst, Schwarz. En je krijgt je eigen chauffeur. Ik zei, zonder enige aanleiding, dat Wim Wenders, Tarkovski en Truffaut engelen zijn. Ik ben zelden origineel in mijn vereringen en ook niet in mijn verwensingen. Ja, zei hij, en als je cocaïne gebruikt is iedereen een engel. Zolang die fase duurt, zei ik, daarna worden ze duivels.

Terwijl we nog steeds op de trein wachtten, die misschien niet eens meer zou komen, spraken we ons verlangen uit naar een vaste woonplaats hier op aarde. In Italië of een ander kortstondig paradijs. Een vestiging. Een verlangen dat je overvalt wanneer de vergankelijkheid van alles wat je koestert of veracht je maar al te duidelijk wordt. Huiskamergeluk was ook iets waar mijn oude vriend, in zekere zin tegen mijn verwachtingen in, behoefte aan bleek te hebben.

Later, omstreeks middernacht, zat het treinverkeer nog helemaal in de knoop. Op de perrons van het kleine station stonden de reizigers elkaar nu in de weg. Ze zagen er tegelijk gelaten en rusteloos en ongeduldig uit. Niemand had veel zin om op een bank te gaan zitten, want dan gaf je misschien de indruk dat je niet naar huis wilde, dat het daar in Weerde eigenlijk ook wel goed was. 
...


*
"Miranda: Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet 
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?

Prospero: Zeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.

Miranda: Dat weet ik niet."

Shakespeare, Storm

...

Foto: Martin Pulaski, 2013. 

22-07-13

ENKELE AVONTUREN VAN SAINT-HUBERT

elizabeth berkley.jpgOp Goede Vrijdag 683 verliet Saint-Hubert om halftien zijn kasteel in Andage om wat te gaan jagen op everzwijnen en herten. In die dagen werd Andage en de hele streek die nu de Ardennen heet – en in ‘As You Like It’ ‘Forest Of Arden’ – bijna het hele jaar door geteisterd door hitte. Op weg naar de bosrijke streek van Poix passeerde Saint-Hubert een taverne. Buiten op een eikenhouten bank zaten twee vrolijke, blonde meisjes Chimay Bleue te drinken. Saint-Hubert hoorde meteen dat ze uit het Noordelijke laagland kwamen, waar de zeden heel wat wilder waren dan in zijn bosrijke streek. Een van de schaarsgeklede meisjes zat met de benen schrijlings over de houten bank, waardoor Saint-Huberts blik meteen op haar kruis viel. Ze was helemaal het type van de geile meiden in films van Paul Verhoeven, genre Elizabeth Berkley in ‘Showgirls’. Haar blik, recht in zijn ogen, sprak geen boekdelen. En dat was op dat moment ook het enige waar Saint-Hubert aan dacht. Maar die griet zal daar straks ook nog wel zitten, dacht hij. Eerst een hert schieten, of een ander beest, zowaar ik Saint-Hubert heet.

Een half uur later ging zijn wens bijna in vervulling. Er verscheen een mooi, gezond hert in zijn vizier. Saint-Hubert maakte zich klaar voor het genadeschot. Maar dan zag hij in het gewei van het dier een kruis oplichten, zo fel dat hij er even door verblind werd. En meteen daarna hoorde hij de stem van het hert, met heel veel echo, zoals in ‘Be My Baby’ van The Ronettes. “Saint-Hubert”, zei het hert, “je moet je leven veranderen. Zet Elizabeth Berkley uit je hoofd, bekeer je, en ga de heidenen in Luik en Limburg bekeren.” Sindsdien dragen alle kerken in Luik en Limburg de naam van de eens zo hitsige jager. 


Op 18 juli 2013 nam Mathieu, samen met zijn vrouw, de bus van Saint-Hubert naar Poix. In de basiliek van Saint-Hubert hadden zij zoals zovelen voor hen de heilige man verzocht om hen te beschermen tegen waanzin en dwanggedachten. Daarna had Mathieus vrouw in de plaatselijke Carrefour zeven pakjes Camel en drie flessen Jägermeister gekocht.
De buschauffeur koos voor een ongewoon traject. In plaats van over asfalt reed hij over grindwegen en smalle, overwoekerde paden. Zo pittoresk, dacht Mathieu, het lijkt wel een andere tijd.
In normale omstandigheden is het een rit van een kwartier. Maar wat zijn normale omstandigheden?
“Ik heb alle tijd van de wereld”, zei de buschauffeur.
“Wij ook”, antwoordden Mathieu en zijn vrouw unisono.

Enkele uren later bereikten zij hun bestemming. Mathieu bedankte de chauffeur voor het mooie avontuur en vroeg hem naar zijn naam.
“Saint-Hubert”, zei hij, “en jij?”
“Mathieu”, zei Mathieu.
“Magnesium”, zei Magnesium.

Omdat ze maar moeilijk afscheid konden nemen ging het drietal een Chimay Bleue drinken bij Mamy.
“Zijn dit verse cacahouètes” vroeg Saint-Hubert aan de ober, die ook de eigenaar van Mamy bleek te zijn.
“Natuulijk”, zei de ober. “Je zou eens moeten weten wat er allemaal aan de klanten hun vingers kleeft… Hier dus altijd verse cacahouètes, en verse gruyèrekaas ook trouwens.”
“Dan is het goed”, zei Saint-Hubert.
“Is het hier altijd zo heet”, vroeg Magnesium.
“Niet altijd,” zei de ober, “soms is het heet, maar soms ook niet.”
“Zo zie je maar weer”, zei Magnesium, “niets is wat het lijkt”.
“Too much of a good thing”, zei Saint-Hubert, die een Shakespearekenner bleek te zijn.

Vervolgens nam iedereen van iedereen afscheid, waardoor dit Ardense avontuur tenslotte een oude geschiedenis werd.

...


Foto: Elizabeth Berkley in 'Showgirls' van Paul Verhoeven

31-05-13

CONFIDENCE TO KILL

valeria-bruni-tedeschi4.jpg

Valeria Bruni Tedeschi

Lange zenuwslopende omzwervingen in een labyrint van onderaardse gangen, tunnels.  Het lijkt op een bijzonder ingewikkeld metrosysteem dat soms ook aan catacomben doet denken. De stad boven de grond, die immens moet zijn, heet Tir-Le-Mont. Ik loop in het voetspoor van Valeria, een mooie, fascinerende vrouw. Ze is aan het werk, een administratieve missie, waarbij ze een zware last moet dragen en op diverse plekken pakjes afleveren. Ze mag haar opdracht geen moment uit het oog verliezen. Ik zou haar elk moment in mijn armen kunnen nemen, omhelzen, kussen, maar haar obsessie voor haar opdracht irriteert me mateloos. Wanneer schenkt ze eindelijk eens wat aandacht aan mij, ik loop toch al uren achter haar aan? Zeven uren, als ik goed geteld heb. Af en toe hoor ik op de achtergrond een gids in gebroken Engels bezoekers op vervallen altaren wijzen, waar de heilige Agata, de heilige Lucìa en de heilige Paulus hebben gebeden of gepredikt.


Valeria maakt me een verwijt over een zwaar gewicht dat ze torsen moet. Het is niet duidelijk wat het is, een bronzen borstbeeld vermoed ik. Waarom help ik haar niet even? Zie ik dan niet hoe ze gebukt gaat onder haar last? Denk ik alleen maar aan mezelf? Ik besef dat ik inderdaad voornamelijk aan plezier denk. Plezier met deze mooie, lastige vrouw (die nooit van plezier of genot lijkt te hebben gehoord). Ik wil graag met haar gaan eten - verderop in de stad is er feest, met culinaire hapjes - en drinken en dansen, en dingen doen die ik me nauwelijks durf voorstellen. Stel je voor dat ik er haar iets over zou zeggen, hoe boos zou ze dan wel niet zijn. Zou ze mij dan niet helemaal als een egoïst zien en voor goed wegsturen? Ik besluit haar te helpen met het dragen van dat zware voorwerp.

We overnachten in een luxueus hotel, ergens boven de grond. Er gebeurt helemaal niets tussen ons in Tir-Le-Mont. Ik wil alleen maar slapen in het heerlijke bed in de elegante kamer die, hoewel groot, als een cocon is. Maar ik lig wakker. Rudolf Ebenezer, de eigenaar van het hotel, lijkt er ’s morgens van overtuigd dat ik een verkwikkende nachtrust heb gehad. Ik weet niet goed wat te zeggen, wil niet liegen, maar wil hem ook niet teleurstellen. Ik zeg dat ik nauwelijks een oog heb dichtgedaan, dat zijn hotelkamer daar echter voor niets tussen zit. Het zijn de gedachten in mijn hoofd, die mij maar niet met rust willen laten, zeg ik. Hij begrijpt het, zegt hij, en hij heeft er ook een verklaring en misschien zelfs een remedie voor. Maar dan zwijgt hij en ik kom helemaal niets te weten. We moeten weer vertrekken, voor het vervolg van de mysterieuze administratieve opdracht in het ondergrondse gangensysteem.

Nog steeds irriteert Valeria mij, die nochtans met de minuut aantrekkelijker, sensueler wordt. Wat bezielt haar toch? Beseft ze dan niet hoe ik naar haar verlang?  Wellicht niet. Weer eindeloze tochten door de soms donkere, soms helderverlichte gangen. Weer talloze bezoekers die allemaal op elkaar lijken, weer gidsen die heiligenlevens uit de doeken doen en verkleurde ikonen belichten met hun te zwakke zaklantaarns.

Op een kruispunt, daar waar veel gangen uitgeven op een centrale plek, hoor ik ‘Confidence To Kill’ van Mink DeVille weerklinken. Het lijkt of de muziek ergens diep binnen in mij ontstaat, in mijn hart, in mijn schuldige ziel. De venijnige muziek zwelt aan, overweldigt me, vervult me met hartstocht en zelfvertrouwen. Ik voel me buitengewoon sterk worden. Uit de lichte en de donkere gangen komen mannen op me toegestapt, de meesten in leder gehuld, macho’s, een beetje in de stijl van ‘The Wanderers’. Ze zijn extreem gevaarlijk. Maar ik heb confidence to kill. Een voor een sla ik ze tegen de grond. Niet een van hen kan zijn lot ontlopen. Mijn geweld lijkt op een wervelwind. Mijn lichaam is lenig en licht, mijn spieren sterker dan die van een Muhammad Ali. Het duurt niet eens een minuut eer ik de macho’s stuk voor stuk gevloerd heb. Of ze dood zijn weet ik niet, maar ik vermoed het. En opeens, terwijl ik nog altijd dat lied in mijn diepste wezen hoor, word ik overmeesterd door een mengeling van mateloze gelukzaligheid en schrijnend verdriet. Nu weet ik hoe oneindig veel ik van je houd, zeg ik. Nu pas weet ik het. Weet je het nu ook?

09-05-13

DE IDIOOT

david-and-goliath-1875.jpg

Odilon Redon, David & Goliath

Een man die ik niet meteen herkende kwam na een concert van The Walkabouts naast me aan de bar staan. Het gebeurt wel vaker dat ik de gezichten van oppervlakkige kennissen niet kan thuisbrengen. En als ze mij hun namen dan noemen zeggen die me ook niets. Vervelend, maar er is weinig aan te doen. Wellicht is het een gevolg van de epilepsieaanvallen die ik in mijn jeugd heb gehad. Je denkt er natuurlijk wel over na: wie is dit in godsnaam toch, van waar ken ik die man of vrouw? Ondertussen, terwijl jij nog diep in jezelf bent aan het graven, zijn ze al in gang geschoten, ze hebben geen geduld, je moet hun impressies horen, of een of ander onbelangrijk voorval, zoals ook die avond weer.

‘Ik ben verliefd geworden op een vrouw die je wellicht kent’, zei de onbekende, wat bleke man.
‘Welke vrouw bedoel je’, vroeg ik.
‘Nastásja, uit de Terlindendreef’, zei hij.
‘Terlindendreef’, zei ik.
‘In Bonheiden’, zei hij.
‘Nooit van gehoord’, zei ik.
‘Van Bonheiden’, vroeg hij.
‘Van een vrouw in Bonheiden’, zei ik.
‘Ze heeft me nochtans verteld dat jullie elkaar kennen’, zei hij.
‘Verliefd’, vroeg ik.
‘Ja’, zei hij, ‘want Nastásja  is een bijzonder mooie en intelligente vrouw’.
‘Als je het zelf zegt’, zei ik.
‘Ik moet toegeven dat ik daar een wat onbehaaglijk gevoel bij heb’, zei hij.
‘Bij Nastásja uit de Terlindendreef’, vroeg ik.
‘Nee’, zei hij, ‘Nastásja  is een wijze madam’.
‘Waar heb je dan een onbehaaglijk gevoel bij’, vroeg ik.
‘Wel’, zei hij, ‘ik heb van haar al gehoord, en ook van andere mensen die je kennen, dat je een vrij wijze vent bent, en jullie hebben ooit een relatie gehad…”
“Iemand die wijs is kan niet wijs zijn’, zei ik, ‘en ik heb geen relatie gehad met een vrouw uit de Terlindendreef in Bonheiden.’
‘Stel je nu niet aan’, zei hij.
‘Jij hebt misschien een relatie, ik zeker niet. Ik geloof niet in relaties, tenzij in de wiskunde of de logica’, zei ik.
‘Het staat nochtans op facebook’, zei hij, ‘whatever’.
‘Hoe weet je dat’, vroeg ik.
‘Ik ben een facebookvriend van je’, zei hij.
‘Ach zo’, zei ik, ‘een uit de duizenden.’
‘Ik volg je al lang’, zei hij, ‘je hebt een vrij wijze muzieksmaak’.
‘Relaties, dat is een uitvinding van facebook’, zei ik. ‘Facebook is een relatiebureau. Een zakenrelatiebureau op de koop toe. Maar op de beurs doet Zuckerberg het niet zo goed.’
‘Het maakt je duidelijk niet vrolijk dat ik iets voor Nastásja  voel’, zei hij.
‘Er is helemaal niets om vrolijk over te zijn, en het ergste moet nog komen’, zei ik.
‘Hang niet zo de pseudo-filosoof uit’, zei de facebookvriend.
Ooit, zei je toch? Ooit, dat betekent in het verre verleden of in de verre toekomst’ zei ik.
‘Ik beheers de Nederlandse taal best goed’, zei hij.
‘ Best goed? Goed voor jou’, zei ik.
‘Whatever’, zei hij, ‘ik onmoet Nastásja  nu regelmatig live.’
‘Live’, vroeg ik, ‘zo goed ken ik die vrouw dan toch niet. Ik wist niet eens dat ze voor een publiek optrad.’
‘Stel je niet aan, man’, zei hij, ‘of denk je misschien dat je de wijsheid in pacht hebt?’
Ik zweeg even, stelde mij Nastásja  voor als stripteaseuse, of als een performanceartieste. Als, als, als.
‘Als je met “relatie” “neuken” bedoelt dan zit het zo. Nastásja  en ik hebben een maand geleden een hele nacht lang hartstochtelijk geneukt. En ik treed niet in details’, zei ik.
‘Je bent een echte smeerlap, een aansteller, een pathetische leugenaar’, zei hij.
‘Nee’, zei ik, ‘weet je wat ik ben? Een belachelijk figuur’.
‘Klootzak’, zei hij.
‘Nee, geen belachelijk figuur. Een idioot ben ik, dat ben ik, ten voeten uit.’
De facebookvriend met erg blanke huidskleur gooide twee euro op de toog voor zijn pils en maakte zich – duidelijk erg boos om iets – uit de voeten.

Wie was toch die man en wie in godsnaam was de echte Nastásja  uit de Terlindendreef in Bonheiden? Er wachtte mij veel werk die nacht. Al mijn facebookvrienden checken - gaandeweg kon ik al degenen met een onaangenaam voorkomen ontvrienden, zeker degenen die ertoe in staat leken me een onbekende, mooie en intelligente vrouw als Nastásja  af te nemen.

Zonder ook maar iemand te hebben kunnen schrappen viel ik in slaap. In een nachtmerrie zag ik de man die me had aangesproken met dreigende tred op me af komen. Heel dicht nu. Zijn grote hoofd, zonder romp, met daarin donkere, lege ogen. De lege ogen van een seriemoordenaar. Ik huiverde, gilde. Achter zijn hoofd zag ik Nastásja  nu op een vermolmd podium een perverse vruchtbaarheidsdans uitvoeren. Haar eens zo stralende huid had een doffe, groene kleur gekregen. Het hoofd van de man veranderde in de kop van een slang, de ogen nog giftiger dan de bek. De dansende vrouw lachte me uit, bezeten door de geest van het kwaad zelf. Ondanks haar wellustige bezetenheid leek het of ze achteloos over een slagveld liep, haar slanke voeten in het verse bloed.

Badend in het zweet werd ik wakker. Ik was ternauwernood aan de dood ontsnapt. Ik nam me voor nooit meer onder de mensen te komen. Of op zijn minst te verhuizen naar een verre streek, ver weg van elk slagveld.

19-03-13

LA FORNARINA

themroc4.jpg

Ik zit met een vriend in de muziekkamer te praten over een scène in Themroc: Michel Piccoli gaat op jacht, vangt een politieagent en peuzelt hem op in zijn appartement, dat op de grot van een Neanderthaler lijkt.
Hoe de tijden veranderd zijn,  zegt mijn vriend. Dat gedrag zouden we nu niet meer goedkeuren; destijds juichten we het toe. Als we het gedurfd hadden, hadden we net zo radicaal geleefd.
Zeker, zeg ik, ik vond het bijvoorbeeld jammer dat ik geen jongere zus had om mee te neuken.
Is Claude Faraldo al dood, vraagt mijn vriend.
Ik zou het niet weten, zeg ik. Maar waarschijnlijk wel. Al onze helden van vroeger zijn dood, of op zijn minst ernstig ziek.

Op dat ogenblik komt een jonge vrouw de kamer binnen. Wat meteen opvalt is haar beate glimlach, zoals te zien is op Rafaello Sanzio’s ‘La Fornarina’. Deze onbekende, erg mooie, mysterieuze vrouw heeft echter een rode blouse aan. Fijn textiel, zijde waarschijnlijk, maar je ziet nauwelijks haar borsten. Ze neemt mijn gitaar, gaat op een stoel zitten en begint een melodie te spelen. De klanken die ze aan de snaren ontlokt heb ik nooit eerder gehoord; er bestaan geen woorden voor om ze te beschrijven. Hemels? Ga weg. Hoewel ik al weken niet meer gespeeld heb is het instrument perfect gestemd. En dan begint ze te zingen. ‘You’re No Longer A Sweetheart Of Mine’ zingt ze, mooier, intenser dan alle versies die ik al van het lied heb gehoord.
Ik zie dat mijn vriend wil meezingen, net als ik. Maar dat durven we niet, we zouden ons belachelijk maken met onze schorre, mateloze stemmen. Als het lied gedaan is zet La Fornarina de gitaar terug op de standaard en verlaat nog altijd glimlachend de muziekkamer.

Mijn vriend en ik drinken zwijgend onze kopjes thee leeg.