28-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (5)

jean-louis-barrault.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (voormiddag)

Als je een halve dag in bed ligt, het hoofd zwaar van teveel drank, kan het lijken alsof er buiten je slaapkamer volstrekt niets gebeurt. Misschien is het ook wel zo, misschien is de wereld en alles wat gebeurt slechts een voorstelling die wij ons maken. Maar ik geloof het niet. Als kind was ik bang voor overstromingen, politieagenten en de Bom. Niets wat ik zelf bedacht joeg me angst aan, alleen wat van buiten naar binnen kwam. Het is daarom best van al je voor de wereld af te sluiten, niets tot je te door te laten dringen, in je verbeelding te leven, naar je eigen muziekje te luisteren. Maar dat is een ijdele, onleefbare droom. In werkelijkheid ben je altijd met alles en iedereen verbonden.

Na deze overwegingen tijdens een laat ontbijt was ik nieuwsgierig geworden naar wat er gisteren en deze voormiddag zoal gebeurd was. Ik herinnerde me een gedicht van Lawrence Ferlinghetti, “The world is a beautiful place”:

“The world is a beautiful place
to be born into
if you don't mind happiness
not always being
so very much fun
if you don't mind a touch of hell
now and then
just when everything is fine
because even in heaven
they don't sing
all the time”

(Maar opgelet, wat hier staat is niet het hele gedicht.)

Hillary Clinton poses with singer Pharrell.jpg

Hillary Clinton poseert met Pharrell Williams in Raleigh, North Carolina.

the blast trail of China27s heavy-lift rocket Lon-.jpg

In Wenchang, op het eiland Hainan in China, wordt een zeer krachtige raket gelanceerd, de Long-Mars 5. Met de lancering van de Long March 5 hoopt China Europa en Amerika in te halen. De Long March 5, waaraan ruim vijftien jaar is gewerkt, is de grootste raket die China ooit heeft afgeschoten en geldt als het vlaggenschip van een nieuwe generatie Chinese raketten. Wereldwijd kent de raket slechts één evenknie: de Amerikaanse Delta IV.

112886273_A woman sits in her damaged apartment on the explosion site on November 4 2016.jpg

Een vrouw in haar appartement na een explosie in een gebouw in Dyarbakir in Turkije. Als ik het goed voorheb is Dyarbakir het centrum van de Koerdische minderheid in Turkije. Mijn vriend J. zal er mij meer over weten te vertellen. Om sentimentele redenen voel ik me verbonden met Turkije, voornamelijk met Istanbul, maar ik weet weinig over het land en ben er nooit geweest. Lang geleden, in het najaar van 1969, wilde mijn broer met mij naar Istanbul rijden om er eindelijk Helena te ontmoeten, maar toen was het voor mij al te laat. Ik had mijn hart in Brussel verloren.

firenze - overstroming.jpg


In 1966 waren er op 4 november grote overstromingen in Venetië en Firenze. Ik herinner me foto’s van mensen die boeken uit bibliotheken redden als waren het drenkelingen. Nu, vijftig jaar later, kan ik me dergelijke vormen van heldhaftigheid niet meer voorstellen. Maar vergeet niet dat je nooit cynisch mag worden. Jan Fabre waarschuwt daar ook voor. Als je cynisch word is het met je menselijkheid gedaan. (Hoewel ik geen bewonderaar ben van Jan Fabre, eerder integendeel, voel ik toch een grote verwantschap met hem. Ik denk dat Jan Fabre degene is die ik wilde worden, maar niet geworden ben. Daar moet ik eens goed over nadenken.)

Ik zie dat ik al op de vlucht ben voor het heden. Maar zal ik aan het verleden meer genoegen beleven? Die overstroming in Florence en Venetië voorspelt alvast niet veel goeds.

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

17-04-15

JUDITH MALINA IS DOOD

JMJB-photo-74.jpg

Judith Malina, een van de heldinnen uit de lange en mooie dagen van mijn adolescentie, overleed een week geleden. Ik verneem het nu pas - terwijl ik een film van Mike Leigh programmeer om later te bekijken. Het valt me moeilijk om over haar te schrijven. Wat kun je vertellen over iemand die je nooit hebt gekend maar die desondanks je enigszins starre en zelfingenomen wereldbeeld mede heeft verbrijzeld? Want dat heeft ze samen met haar partner Julian Beck en hun radicaal en experimenteel theatergezelschap Living Theatre gedaan. Hun voorstellingen, als je ze zo mag noemen, van ‘Paradise Now’ in Théâtre 140 in Brussel in 1969 hebben mijn leven voor altijd veranderd, hoezeer de utopie die Judith Malina en Julian Beck - een droom van liefde en geweldloosheid - ook is mislukt. In ‘Paradise Now’ herkende ik mezelf zoals ik nooit geweest was en zoals ik dacht nooit te zullen worden: bevrijd van de ketens van religie, gezin en onderwijs; open voor het stichten van een paradijs op aarde, een paradijs zoals John Lennon het bezingt in ‘Imagine’.

Wellicht omdat de ervaring die wij – langharig werkschuw tuig - toen deelden zo intens was valt het nu zo moeilijk om er iets over te zeggen. De barrières die worden opgeworpen door de ‘helden van deze tijd’, mannen en vrouwen die een reële dystopie willen installeren, een maatschappij van beschuldiging, vernedering, racisme, geweld, wild kapitalisme en permanente oorlog, zijn te groot. Van de utopische schoonheid die uitging van het werk van Judith Malina en Julian Beck blijft zo te zien niets meer over. Het radicale theater, gebaseerd op de ideeën van Erwin Piscator en een hele reeks anarchistische denkers, is al lang ten grave gedragen. Fijnzinnig tijdverdrijf voor belezen mensen, wonend in ruime lofts of in groene zones gelegen woningen met grote ramen waar veel oogverblindend licht binnenvalt, is ervoor in de plaats gekomen. Of zou er op aarde toch nog een Pasolini, een Pierre Clementi, rondlopen?

En teruggaan in de tijd, zoals hij in 1969 voor mij was, is onmogelijk. Of anders gezegd: ik ben er te moe, te zwak voor, mijn herinneringen zijn door zwaarmoedigheid zo aan banden gelegd dat ik er onmogelijk nog woorden voor kan vinden. Tenzij ik ze zou kunnen uitschreeuwen op een groot plein, niets dan woede, razernij… Maar dat zou niet in overeenstemming zijn met de woorden van Judith Malina, woorden waarmee ze haar dagboek ‘The Diaries of Judith Malina. 1947-1957’ besluit:

Where there is love
There is only love.

Judith Malina is dood. Nu is het tijd voor nieuwe woorden en nieuw leven. Laat het dan komen.

judith-malina-julian-beck-prison-1971.jpg

18-11-14

DE VRAAG DRINGT ZICH OP (EEN ONTMOETING)…

anais nin1.jpg

“Et qu’est que c’est que l’infini? Au juste nous le savons pas.”
Antonin Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu

Wie ben je?
Wat doe je in mijn kamer, wat wil je van me?
Doe je dat vaak, schrijvers aanschrijven die je bewondert?
In wat voor wereld leef je?
Wat wil je van me weten?

Ik weet niets.

Ik weet niet wie je bent.
Ik ken je naam, maar wat is een naam?
Ik ken je niet.
Ik ken mijn wereld niet.
Misschien ben ik niet eens van deze wereld.
Ik weet niets.
Of toch: achter wat ik zie ligt wat ik niet zien kan.
Maar wat dat is, dat weet ik niet.

Daarin, in wat ik niet zie, dwaal ik soms rond.
Noem het de andere wereld.
Noem het aan gene zijde, zoals Alfred Kubin deed.
Maar het kan net dezelfde wereld zijn als deze, zijn spiegelbeeld.
Als je een stap voorwaarts zet, zet je ook een stap achterwaarts.

Ik heb nooit kunnen denken.*
Ik denk dat daarachter waar ik soms kom hetzelfde gebeurt als hier.
Wat daar gebeurt weet ik evenmin als wat hier gebeurt.
Noem die vreemde wereld de oneindigheid.
Het spiegelbeeld van wat ik in de spiegel zie.
De oneindigheid is een woord dat we spellen om in slaap te vallen.
Die oneindigheid van jou houdt me wakker en wiegt me in slaap.

Wiegt de oneindigheid jou of wiegt ze mij?
Waar begin jij en houd ik op?
Jouw voeten mijn armen onze droom.

Ik spuit mijn aders vol oneindigheid.
Ik ben verslaafd aan het onbekende.
Je hebt het mysterie zelf ook al meegemaakt.
Het is seks, nee het is geen seks, het is iets diepers.
Ik denk dat we het beiden al hebben gevoeld.

Vind je het erg dat ik je arm aanraak?
De zachte haartjes, alleen maar zichtbaar in het zonlicht.
Je trekt hem niet terug.
Je komt dichter bij me zitten, ik voel je haren in mijn hals.
De geur van de sirocco.
Hoe zal ik de geur van je haren, je huid ooit kunnen vergeten?

Nee, ik wil je lichaam niet.
Ik wil je geest niet.
Ik wil je vlees en bloed.
Ik wil je schreeuw om genade horen.
Liefde die je nooit hebt gekend
Ik wil je om ongehoorde woorden horen vragen.
Ik wil van je lettergrepen woorden maken en daarna zinnen.
Zinnen die je kunt ruiken en voelen.
En van je hoofd een hagedissenhoofd.
Met zijn tong in mijn oor.
Een revolutionaire hagedis.
Je gesis tegen de platluis god.
Je gesis tegen de kardinalen van de casino’s.
Je gesis tegen de eigenaars van de vrijheid.

Heb je honger?
Mijn lijf is giftig en smaakloos.
Eet maar, maar eet zonder smaak zoals de velen.
Je weet toch dat er velen zijn die honger hebben zonder appetijt.
Die appels eten voor de dorst en om de doktersrekening uit de weg te gaan.
Eet maar van mijn zure syntaxis.
Maar geloof niet dat mijn lijf brood is en mijn bloed wijn.
Ik ben van vlees en bloed en heb een hagedissenhoofd.
Ik ben mijn lichaam en wat er gebeurt, gebeurt in mijn lichaam.
Minnezang, verspilling, verwoesting van de verbeelding.

Ik geef om niets en ik geef niets om niets.
Ik heb nooit kunnen denken.
Mijn geest is het gehuil van elektriciteit in hoogspanningskabels.
Ik denk dat er geen niets is dat iets is.
Er is alleen maar niets dat niets is.

Een gapende opening is de oneindigheid waaruit gas ontsnapt
dat niets is maar niet niets dat iets is.
Gas dat me doet stikken.
Doe de ramen open!
Heb je dan geen ademende ziel?
En wat doe je met je ogen als je niets ziet?

Ik weet niets.
Het oneindige is een woord voor wat ik niet weet.
Een opening.
Een opening in mijn bewustzijn.
Een mateloze mogelijkheid.
Zodat je je voor kunt stellen dat het niets iets is.

Laat het oneindige dat woord zijn.
Een niets dat iets is.

Niets dat je zin geeft in het zonlicht en de bomen.
Niets waar alles in jou begint.
Dat je hongerig maakt en dorst doet krijgen.
Je eet mijn lichaam met smaak.
Mijn vlees en bloed en hagedissenhoofd.
Hoor je me nog sissen?
Je trekt je kleren uit en duikt in de rivier.
 

Je bent een niets dat iets is.
Een lichaam dat niet meer afziet.
Een lichaam dat niet aangeraakt wordt.

Dat niemand me aanraakt, zeg ik.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me ooit ooit ooit aanraakt.
Niemand.
Mijn lichaam dat ik ben.

Günther Brus - Ana.jpg


Dit is de tweede monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. De inspiratiebron is ‘La question se pose de…’, het vierde luik van ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Het gaat nogmaals om een ontmoeting met Artaud, met de taal, met wat de taal niet vermag te zeggen. De monoloog bevat tevens sporen van een ontmoeting van Artaud met Anais Nin, zoals zo mooi beschreven in het eerste deel van haar dagboeken.

Wellicht is de hevigste strijd die we te strijden hebben die van het lichaam tegen de oneindigheid, of wat we oneindigheid noemen. Liefde en seks zijn rustpunten, ontsnappingsroutes, maar als puntje bij paaltje komt vallen we weer in ons lichaam neer, waarin de geest van zich doet spreken, zolang hij dat nodig acht. De geest is meteen altijd de geest van het lichaam. Het lichaam dat wenst aangeraakt te worden, of net niet.

...

 

*”De mogelijkheid om in gedachte terug te gaan en ineens uit te varen tegen je gedachte.”
Antonin Artaud, ‘De Zenuw-waag’ (vertaling van ‘Le Pèse-Nerfs’, door Hans van Pinxteren).

17-11-14

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

15-11-14

ENKELE NOTITIES 'OMTRENT ANTONIN ARTAUD'

Artaud Abel Gance (Marat).jpg

Ik kijk terug op een geslaagde avond omtrent Antonin Artaud, een performance, als ik het zo mag noemen, maar net zo goed een feest van het woord en van de ware vriendschap, in Den Hopsack in Antwerpen. Uitgeput van slapeloze nachten en een luchtwegeninfectie vond ik in de taal een partner om mij op zo goed als onbekend terrein te begeven. Ik bedoel niet het onderwerp maar de ruimte. Mijn ‘poëtische’ optredens zijn schaars. Ik twijfel aan de kracht van mijn woorden, vooral vraag ik me af of ik ze wel voldoende leven kan geven. Ik herinner me een rampzalig non-optreden tijdens een zogenaamde nacht van de poëzie, ook in Antwerpen, in 2012. Geen mens die ook maar één woord wilde horen van mijn breekbare verzen. Of misschien toch één, maar zeker niet meer. Zich dichters noemende brulapen kregen het dronken publiek wel op hun hand. Zo heb ik het altijd geweten: hoe luider je roept en hoe sterker je je voordoet hoe populairder je bent. Voor een tijdje.
Donderdagavond was het anders. De ruimte was intiem, de luisteraars waren open van geest en oor en niet vooringenomen. Wat een dankbaar publiek. Het heeft me zin doen krijgen in meer performances, maar zeker niet in nachten van de ‘poëzie’, slamwedstrijden of gevechten in een of andere sterrenarena.

Mijn levensgezellin - die toevallig mijn partner op het podium werd – en ik hadden ons natuurlijk wel terdege voorbereid.  In plaats van de hele Antonin Artaud nieuw leven in te blazen, een onmogelijke opdracht, kozen we ervoor één heel bijzondere tekst/performance te belichten, met name ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Dat hoorspel werd opgenomen in een studio van de Franse radio tijdens meerdere sessies in de periode van 22 tot 29 november 1947. Artauds kritische en orakelachtige fragmenten – die één geheel vormden – werden uitgevoerd door hemzelf, Maria Casarès, Roger Blin en Paule Thévenin.

Het hoorspel zou op 2 februari 1948 worden uitgezonden. Echter, de directeur van de Franse openbare radio, Wladimir Porché, verbood de uitzending.  Ook nadat het programma werd voorgelegd aan een soort jury van schrijvers, acteurs  en kunstenaars – onder meer Jean Cocteau, Paul Eluard, Jean-Louis Barrault en Louis Jouvet –  een jury die van mening was dat het wel kon,  bleef de directeur weigeren. De tekst verscheen al kort na de dood van Artaud in 1948.
De uitzending werd veel later zelfs op cd uitgebracht en is ook online terug te vinden op onder meer ubuweb. Volledige tekst, brieven en krantenartikels over het hoorspel zijn opgenomen in deel XIII van de ‘Œuvres complètes’ (in 28 delen in de collection Blance van Gallimard).

Omdat we zelf geen muzikanten zijn en te weinig tijd hadden om anderen om een muzikale bijdrage te vragen (tamboerijnen, trommels, trompetten) besloten we enkele bestaande muzikale rustpauzes in te lassen, waardoor ik even het gevoel kreeg dat ik Zéro de conduite aan het uitzenden was. Dat zal de koorts geweest zijn.
P1100956.JPG

Het programma zag er zo uit:

1. Sanities, uit ‘Music For A New Society’ van John Cale.
2. Pour en finir avec le jugement de dieu – inleiding.
Agnes Anquinet leest de ‘inleiding’ voor uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’.
3. Zaad voor Antonin Artaud.
Monoloog door Martin Pulaski.
4. I Saw The Best Minds Of My Generation Rot, uit ‘Virgin Fugs’ van the Fugs.
Gebaseerd op het gerenommeerde ‘Howl’ van Allen Ginsberg, een lang gedicht dat zeker ook verwant is aan het werk van Artaud.
5. Tutuguri – Le rite du soleil noir.
Tweede fragment uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’door Agnes Anquinet.
6. De vraag dringt zich op (een onmoeting)… 
Monoloog door Martin Pulaski.
7. Water Music, uit ‘The Last Album’ van Albert Ayler.
Deze lyrische free jazz sluit aan bij de tweede monoloog, waarin de vrouw haar kleren uittrekt en in een rivier duikt. Met deze muziek werd de performance afgesloten.


Tijdens de weken van voorbereiding vond ik tot mijn verbazing, mijn geheugen is slecht, massa’s aantekeningen terug bij het werk van Artaud. Twee cahiers volgeschreven, losse blaadjes, notities in de marge van het verzameld werk en van studies en essays over deze unieke figuur. Artaud verscheen opnieuw in mijn leven, zoals hij er in het midden van de jaren zeventig in was verschenen. Maar al gauw veranderde hij in een tijdgenoot, in iemand van nu; ik vulde hem aan met mijn ervaringen, gedachten, dromen, liefde en pijn. Ik mag hopen dat er van mijn overrompelende omgang met deze anti-oedipus een vonk is overgesprongen naar het publiek.

Veel dank gaat naar de organisatoren van de Muzeval, Pipelines vzw, naar literair artistiek café Den Hopsack en naar alle goede, oude en nieuwe vrienden die aanwezig waren en degenen die niet aanwezig konden zijn.
P1100959.JPG


...

Voor de lezer die veel meer wenst te weten over Antonin Artaud volgen hier enkele werkdocumten. De twee monologen mag je morgen of overmorgen verwachten.

Documenten

Brontekst

Œuvres complètes, vingt-six tomes publiés (en 28 volumes) aux Éditions Gallimard, coll. Blanche, 1956-1994
In de ‘Œuvres complètes’, 28 delen, uitgegeven in de collection Blanche tussen 1956 en 1994 vind je de tekst en Artauds brieven die er verband mee houden terug. Bovendien staan er alle krantenartikels uit die dagen in, en zeer verhelderende voetnoten.

Geraadpleegde werken (selectie)

Obliques / Artaud, Roger Borderie et Jean-Jacques Pauvert, 1986, textes de Michel Sicard, Michel Camus, Jérôme Peignot, Guy Rosolato, Jean Domeneghini, Jérôme Prieur, Jean Cocteau, Françoise Buisson, Marc Fumaroli, Jean Thibaudeau, Odette et Alain Virmaux, Alain Jouffroy, Jean-Michel Heimonet, Jean-Paul Morel, Pierre Courtens, Jacques Sojcher, Georges-Arthur Goldschmidt, Charles Bachat, Ronald Hayman, Jacques Prevel, Bruno Chabert, Claude Reichler, Florence de Meredieu, Daniel Giraud, Antonin Artaud.
Gilles Deleuze & Félix Guattari, L’anti-oedipe. Capitalisme et schizophrénie, Les éditions de minuit, 1972. (Deleuze & Guattari vonden hun belangrijk filosofisch concept ‘le corps sans organes’ in ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’ van Artaud).
Jacques Derrida, « Le théâtre de la cruauté et la clôture de la représentation », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Jacques Derrida, « La parole soufflée », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Gérard Durozoi, Artaud, l'aliénation et la folie coll. Thèmes et textes, Larousse, 1972.
Michel Foucault, Histoire de la folie, Plon, 1961.
Julia Kristeva, Le sujet en procès, colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.
Anais Nin, Journals, Volume One, Quartet, 1973.
Johny Lenaerts, Artaud en het theater van de wreedheid, Socialisme21 (online)
Jacques Prevel, En compagnie d'Antonin Artaud (1974), texte présenté, établi et annoté par Bernard Noël, Flammarion.
Poèmes Flammarion. (Jacques Prevel was een vriend van Artaud en tevens zijn dealer.°

Philippe Sollers, L'Écriture et l'expérience des limites, Points Seuil, p. 88-104, 1971.
Philippe Sollers, L'État Artaud, (colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.

Raoul Vaneigem, Handboek voor de jonge generatie, De arbeiderspers, 1978.
Raoul Vaneigem, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, Gallimard, 1967.

Geluid

Pour en finir avec le jugement de Dieu, Sub Rosa, 1995 / INA et André Dimanche Éditeur, 1995.
Pour en finir avec le jugement de Dieu, intégralité de l'émission et remix par Marc Chalosse, Artaud Remix, préface de Marc Dachy, France Culture, collection Signature, 2001

 

16-11-13

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 3

IMG_4779.JPG

Ik krijg geen woord meer over mijn lippen, geen woord meer uit mijn pen, geen woord meer uit mijn klavier. Heb geen noten meer op mijn zang. Al mijn beelden staan stil. Aan bibberen en beven is een einde gekomen. Aan alle kleuren, aan wit en aan zwart. Aan fictie en aan politiek. Aan gedichten en slachtingen. Aan de Franse Revolutie en de kleine Johannes en vulkaanminnaars en Tristia en andere ballingschapsgedichten. Aan William Blake, Oscar Wilde en Van Morrison. Aan nachtwouden, maanbergen, het dak van de wereld, zenuwoorlog, misdaad en straf, toezicht en kamers met uitzicht, de seksuele revolutie en de geschiedenis van de waanzin. Aan het theater van de wreedheid, de grammatologie en al te intieme zonsopgangen. Aan drie mannen op weg naar een huwelijk of begrafenis. Aan het dagboek van een gek en de verkoop van dode zielen. De bloemen van het kwaad en het verloren paradijs. Aan kreten en gefluister, seizoenen in de hel, de liederen van de nachttripper, Liesje in Luiletterland, Rob Roy, Jimmie Reed, de Evangeliën, la vie de Jésus, een Spion in het huis van de liefde, de toekomst van een illusie, de fenomenologie van de geest en veel overwoekerde paden. Aan Hölderlin, Trakl en Celan. Aan talloos veel miljoenen. Aan Mozart, Beethoven en Phil Ochs. Aan de feesten van angst en pijn, aan diepe blues, rembetika, zydeco (les haricots sont pas salés), aan Paths of Glory en Fun in Acapulco. Aan het leven van Malcolm Lowry, Neal Casady en Arnold Schönberg. Aan the Beatles en het kapsel van de duivel op de heuvel. Aan de jacht op de walvis en de bende van de Stronk. Aan Daphne en Euridyke en Anna Domino. Aan al het ondermaanse, het vergankelijke en onvergankelijke. Aan verzamelingen, collecties, compilaties, naslagwerken, woordenboeken, grammatica, encyclopedieën, de Zohar, Zorba de Griek en de Apologie van Socrates. Aan Apocalypse Now en le Bonheur. Nee, geen woord meer, geen letter, geen noot, geen beeld: ik ben moe.

...

Foto: Martin Pulaski, 13 november 2013.

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 2

IMG_4762.JPG

IMG_4770.JPG

IMG_4771.JPG

Foto's: Martin Pulaski

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 1

IMG_4743.JPG

IMG_4754.JPG

IMG_4761.JPG

Foto's: Martin Pulaski

10-10-13

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

STOCKHOLM 069.JPG


“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England's Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

 

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

12-06-13

DILEMMA

CAROLE LAURE.png

Carole Laure, in 'Sweet Movie' (1974) van Dusan Makavejev.

Een bevriende regisseur vertelt me dat een kennis van hem, baron de Brouckhoven de Bergeyck, hem carte blanche geeft om een toneelstuk te maken zoals er nooit tevoren een te zien is geweest. Het wordt een explosieve creatie, een kunstwerk dat alle grenzen te buiten zal gaan. Subliemer en weerbarstiger dan Wedekind, perverser dan Lautréamont en Sade, intiemer dan August Strindberg, absurder dan Beckett, wreder dan Artaud en Sarah Kane. Hij heeft al een aantal ideeën, die ik niet allemaal begrijp, niet alleen vanwege de ingewikkelde filosofische inhoud en de ongewone structuur, maar ook vanwege de taal die hij hanteert. Het lijkt een combinatie van Jiddisch en Berbers, met wat Nederlandse woorden ertussen om toch een beetje aan mijn beperkte talenkennis tegenmoet te komen.

Op hetzelfde moment krijg ik van een groot Hongaars toneelhuis, in het centrum van Boedapest, het aanbod om mijn stuk, ‘Het einde van de droom’, te komen regisseren. Ik begrijp niet goed vanwaar die aandacht van de Hongaarse culturele wereld voor mijn werk opeens komt. Zelfs in mijn eigen land kent niemand me. Maar ik voel me vereerd en wil al meteen antwoorden dat ik op de vraag inga, zonder zelfs na te denken over het honorarium.

Tot ik besef dat ik dan de opvoering van het stuk van mijn vriend zal moeten missen. Baron Brouckhoven de Bergeyck is niet de eerste de beste: hij zwemt in het geld en heeft een exquise literaire en artistieke smaak. Mijn vriend is de beste toneelregisseur van België, ook al neigt hij naar deviantie en perversie. Tot ik, meer bepaald, besef dat ik een uniek stuk met de mooiste actrices van de wereld in een decadente orgie van seks, lieftallig geweld en bandeloze waanzin zal moeten missen. En dat allemaal omdat ik in Boedapest een beetje de ijdeltuit wil gaan uithangen. Ik beslis meteen om niet in te gaan op het Hongaarse aanbod.

02-01-13

STILLE VIJVER

Eva_Mattes_en_Klaus_Kinski_.jpg
Eva Mattes en Klaus Kinski.

Je hebt mooie lippen.
Vurig zeggen de mensen.
Zo van die lippen waar wespen zich graag op neervlijen.
Hoe heet je?
Marie.
Je hebt bloedvlekjes op je hals.
Marie.



Werp dat verdoemd voorwerp in het water.
Het mes.
In de stille vijver.
Op de donkere bodem.

19-05-10

DRINKEN


picasso_absinth1901

Mijn glas is nog halfvol, zei hij.

Dat van mij is bijna leeg, zei ik.

Jij hebt een kleiner glas, zei hij.

Wel veel sterkere drank, zei ik.

Je moet niet zo somber zijn, zei hij.

Somber is dat pessimistisch, vroeg ik.

Dat er geen andere tijden komen, zei hij.

Dat je dat denkt, voegde hij er aan toe.

Goede tijden, slechte tijden, zei ik.

Geen mens die er van wakker ligt, zei ik.

Een visser denkt aan zijn pieren, zei ik.

En dan zit hij daar tot de vis bijt, zei ik.

In Andalousië gaan ze op bedevaart, zei hij,

En ze geloven niet eens meer in god, zei hij.

Is dat dan niet niets, vroeg hij.

Ze geloven niet eens meer in de goede god, zei hij.

Je glas is nu wel helemaal leeg, zei ik.

Dan bestellen we nog een rondje, zei hij.

Voor mij niet meer, mijn lever, zei ik.

Zie je wel, je bent een pessimist, zei hij.

13-02-09

MENTAL FINLAND


Carceri van Piranesi 2

De verwarring duurt voort. ’s Nachts en overdag, in droom en in werkelijkheid loop ik verloren in verlaten gangen. Ik zit opgesloten in ingebeelde en werkelijke cellen. Een cel is bijvoorbeeld een werkeenheid, maar mijn kamers thuis zijn soms ook cellen, hoewel er geen bewakers zijn. Ik heb dit al vaker verteld. Maar ik kan er niet aan weerstaan: ik voel me verplicht mezelf te herhalen. Woensdagavond stond ik een uur in een felverlichte, witte nooduitgang. Er was geen weg terug naar binnen, maar evenmin kon ik de gang verlaten. Uit een luidspreker klonken Finse stemmen, gezang, gebrul, geraaskal. Op wat ik dacht dat het einde was hoorde ik daverend applaus. Nu zou spoedig ook mijn ‘bevrijding’ volgen…

Diezelfde dag stond ik, na de lunchpauze, in het gebouw waar ik werk op de lift te wachten. Ik had cd’s gekocht van Antony & the Johnsons, Animal Collective, MGMT en the Temptations. Die hield ik stevig vastgeklemd, alsof iemand ze van me zou willen afnemen. Er stond nog een man te wachten. We bekeken elkaar even en dachten elkaar te herkennen van ‘ergens’. Ik wendde mijn blik af, het zal wel een vergissing zijn, dacht ik. We zijn samen nog naar Finland geweest, zei hij opeens. Dat is het, zei ik. Een week in Finland. Weet je nog wanneer dat was? Ja, dat wist ik nog. In 1993, enkele weken na de dood van mijn vader. Tijd om samen herinneringen op te rakelen hadden we niet: de lift stijgt snel. Terug in mijn cel herinnerde ik mij de man in zijn blootje aan een meer, zijn huid rood van de sauna. Zelf was ik niet in de sauna geweest, evenmin als de dame in onze delegatie. Bij haar zal de reden schroom zijn geweest, mij had de Finse gastvrouw gewaarschuwd vanwege mijn ademhalingsproblemen. Dan is het gevaarlijk voor het hart, zei ze. Vooral als je uit de hitte komt en dan in het ijskoude meer duikt. Ik herinnerde me, naast allerlei andere kleine voorvallen, waaronder autopech, een boottocht op een meer. IJskoud water stroomde het bootje in. Mijn voeten werden nat. Nooit, geloof ik, heb ik zo’n kou gehad als toen. Onderweg meerden we ergens aan waar met lauw water gevulde houten vaten stonden. Mijn voeten in dat water – zelden heb ik iets aangenamers gevoeld. Mijn sokken hingen bij een vuurtje te drogen. We aten gerookte vis.

Finnen zijn vreemde mensen. Ze zijn introvert en kunnen heel grappig zijn. Ik houd van de films van Aki Kaurismäki. Ik hoop dat ik zijn naam juist spel. Droef en grappig, zoals de Leningrad Cowboys. Vorige woensdagavond, na het hierboven beschreven voorval, was er een receptie in een schouwburg die De Bol wordt genoemd. De halve Finse gemeenschap van Brussel stond er hapjes te eten en zoals ik wijn te drinken. Ik dronk erg snel om te ontstressen, mijn hart bonsde nog altijd in mijn keel. Maar dat lukte niet. Ik werd niet dronken, niet vrolijk, niet sociaal. Ik moest weg uit ‘mental Finland’. Maar ben ik er echt aan ontsnapt?

Afbeelding: uit de 'Carceri' van Piranesi.

 

17-12-08

JAN DECORTE EN ZIJN WINTERVÖGELCHEN

euripides,taal,feest,poezie,twijfel,dansen,holderlin,woorden,theater,vermoeidheid,depressie,goden,kaaitheater,fluiten,kerstgeschenk,shakespeare,generale repetitie,sofokles,jan decorte,sigrid vinks,wintervogelchen,kaaistudio s,verwijdering

Maandagavond kreeg ik een mail van het Kaaitheater: of ik dinsdagmiddag de generale repetitie van Jan Decorte’s ‘Wintervögelchen’ wilde bijwonen? Ik was aangenaam verrast, omdat ik niet vaak word uitgenodigd, en omdat ik nog nooit een generale repetitie had bijgewoond. En dan nog van Jan Decorte, een van mijn weinige ‘helden’, een kunstenaar die ik bijna mateloos bewonder.

Maar ik lijd aan een depressie, zeggen de geneesheren. De geneesheren kunnen mij echter niet van mijn depressie genezen. Daarom denk ik dat ik geen depressie heb, maar iets anders, iets fundamentelers, een zware inzinking, een immense vermoeidheid, een grote angst om mensen die ik niet goed ken onder ogen te komen. Een diepe, donkere zwijgzaamheid. Iets donkers in mij heeft me van alles en iedereen verwijderd. Daardoor twijfelde ik eraan of ik wel zou kunnen gaan. Ook gisteren twijfelde ik nog. Maar om twee uur heb ik onder meer twee t-shirts, een hemd, een gilet, een dunne trui en een dikke trui aangetrokken en heb de metro genomen. Ik had alleen een lelijke puntmuts, waardoor ik enigszins op een verloren gelopen clown moet hebben geleken.

In het Kaaitheater stond mijn naam netjes op een lijst: Martin Pulaski. Vreemd dat ik die twee woorden daar zo zag staan. Ik was te vroeg. Boven in de cafetaria waren er al enkele andere genodigden. Ik kende niemand, voelde me ongemakkelijk. Ik moest vlug gaan zitten. Jan Decorte kwam binnen en gaf me een kus op de wang. Zo voelde ik me al wat rustiger. Het leek wel normaal dat ik hier aanwezig was. In de cafetaria bleef het bijzonder stil. Iedereen wachtte tot ‘Wintervögelchen’ zou beginnen. Ik had gelezen dat Jan Decorte zich had laten inspireren door Shakespeare en Hölderlin. Ik had er alleen maar een vaag vermoeden van wat het zou worden. Nu ken ik Jan Decorte al wel een tijdje en heb ik heel veel van zijn stukken gezien. Hij is tegelijk ernstig en onnozel. Ik vind onnozel een positieve eigenschap. Verstandige, speelse, onzuivere onnozelheid tegen de zuiver rationele ernst.

‘Wintervögelchen’ heeft me diep geraakt. Het is een sprookje, een tragedie, een blijspel, een kerstverhaal. Je herkent Shakespeare’s koningsdrama’s en Sofokles, vooral de Koning Oedipus en Oedipus te Colonos. Je ontdekt sporen van Euripides’ Medea, van de sprookjes van Grimm, van Vlaamse kermissen, van Boheemse volksfeesten.

De kunstmatige taal van Jan Decorte is even eigenzinnig als die van Hölderlin, maar wel minder plechtig, vrolijker, speelser.  Er wordt ook zeer speels gespeeld, een lust voor oor en oog, zelfs al gebeuren er tragische dingen. Deze dichter gebruikt woorden nooit door iemand anders uitgesproken. Niets is wat het lijkt. Een koning is even later een koningin, een man wordt opgegeten door een beer, een dode koningin wordt weer levend. Er wordt gerouwd, getrouwd en gedanst. Jan Decorte heeft een verzameling fluitjes bij, waarmee hij vogelgeluiden nabootst. Uit een dik boek leest hij het intrigerende verhaal voor. De acteurs spelen sommige scènes uit dat verhaal. De bewonderende, liefdevolle manier waarop Sigrid Vinks naar haar haar echtgenoot kijkt als hij fluit of voorleest, daar smelt je hart van. Bovendien kan ze mooi dansen. De andere acteurs ook, trouwens. Is het een soort vogeltjesdans, die ze dansen?

Ja dit feestelijk werk is een subliem kerstgeschenk vol gefluit en gewauwel, gruwel, waanzin en liefde. In Vögelchen wordt inderdaad veel gefloten, maar de echte vogels blijven afwezig, zoals voor Hölderlin de goden.

Voorstellingen: 17, 18, 19, 20/12/2008, 20:30; en op 10, 11/02/2009, 20:30, Kaaistudio’s.

 

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

23-04-08

ACTEUR EN MASKERADE

 

north by northwest2

De acteur stelt zich niet bloot aan zijn publiek. Zelfs als hij naakt op het podium staat is hij niet bloot. De toeschouwer ziet zijn naaktheid als een omhulsel, een lichaamomvattend masker, want de acteur draagt inderdaad een masker. Het masker is zijn rol, het spel met de anderen is zijn maskerade. Ook de toeschouwers zijn gemaskerd, maar bij hen is het geen spel, maar zeer vaak bittere ernst. Niet dikwijls kan een toeschouwer met zware problemen die tijdens zelfs een bijna perfecte opvoering van King Lear vergeten. Hopelijk voor hem zijn er toch momenten waarop hij zich bijvoorbeeld met Cordelia identificeert, of met Gloucester, het maakt niet echt uit met wie, het is maar een hoop die ik heb. Gaan niet alle mensen gemaskerd door het leven? Soms denk ik, nee, niet alle mensen, er zijn uitzonderingen, laten we zeggen: gekken en moordenaars. Maar speelt de moordenaar niet de rol van moordenaar? En de gek de rol van gek? Een korte episode van ongemaskerd zijn stelt de moordenaar in staat echt mens te zijn. Maar de prijs voor die menselijkheid wil geen mens echt betalen. Hetzelfde geldt voor de waanzin. Wie wil waanzinnig worden om mens te kunnen zijn? En dan nog maar heel kort, want al snel worden moordenaar en waanzinnige in de patronen van de maskerade, van de berusting gedwongen. Geneesmiddelen en straf, artsen en rechters hebben die functie en opdracht. Je weet toch dat alles normaal moet verlopen. Sterke, jonge mannen, vol dromen en verlangens, gaan de oorlog in alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar beste polemologen, is oorlog wel een normale zaak? Zeg het me, want ik heb zo mijn twijfels. 

Na de voorstelling heeft de acteur zijn masker afgezet; hij heeft snel wat gemakkelijk zittende kleren aangetrokken, het spel is afgelopen. Als hij het café binnenstapt zie je dat hij nog wat nazindert, nog wat gloeit – de natrillingen van het genezende spel. Heel even zie je vanuit je ooghoek, terwijl je een slokje wijn neemt, de echte mens, zonder masker, op de grens van de gespeelde vervreemding en de echte, die waar wij in leven. Alles wat ik hier vertel is niet nieuw. Het thema van de vervreemding en de maskerade komt in duizenden boeken, films en toneelstukken voor. Een mooi voorbeeld is het personage Roger Thornhill (Cary Grant), in Hitchcocks ‘North By Norhtwest’. Het gaat om een doorsneeburger die verward wordt met een geheim agent, George Kaplan. Al van in het begin van het verhaal maakt alles wat Thornhill doet hem verdacht. Zijn gedrag maakt als het ware duidelijk dat hij George Kaplan is, terwijl dit toch niet het geval is. Deze man komt in een meta-maskerade terecht, waar niets is wat het lijkt, en het tegelijk toch is wat het is. Als je lang nadenkt over deze film stort je hele wereld in. Je weet niet meer wie je bent. Wat is je essentie, datgene wat je ziel wordt genoemd? Wat is je psyche? Ben je degene die je denkt dat je bent of ben je veeleer degene die door de anderen wordt bekeken en beoordeeld? Er zijn nog talloos veel andere voorbeelden van verhalen over maskerade en ontmaskering, over dubbelgangers en mensen zonder gezicht. Mag ik ‘Les yeux sans visage’ van Georges Franju aanbevelen? Of een biografie over Artur Rimbaud? Waarbij ik ervan uitga dat een biografie over Arthur Rimbaud niet echt over de dichter en avonturier gaat. Net zoals ‘Professione: Reporter’ van Antonioni niet echt over een reporter gaat. Veel lees- en kijkplezier!

08-04-08

NAAR MACAO

sarah,leugens,eenakter,martin,strindberg,ibsen,avonturen,reizen,reisverhaal,man,vrouw,roem,macao,film,josef von sternberg,robert mitchum,jane russel,bestseller,onsterfelijkheid,portugal,kinderen,roken

Macao, Joseph Von Sternberg, 1952.
 

Je bent zo onrustig, mijn liefste.

Ben ik niet altijd onrustig, dan?

Je vertelt me minder dan ooit. Waarom zwijg je de hele tijd? Je hebt toch niets te verbergen.

Ik heb alleen maar geheimen te verbergen, maar je kent ze allemaal.

Welke geheimen dan?

Je kent ze. Je weet alles over me. Alleen jij kunt me gelukkig maken en me schade toebrengen.

Dat zijn harde woorden, Martin.

Nee, dat vind ik niet, dat is liefde. Liefde is nu eenmaal gevaarlijk.

En broos.

Ja, dat ook, maar dat is een oud woord, dat brengt me oude gedichten in herinnering.

En toneelstukken? Weet je nog, lang geleden? Toen we Ibsen lazen, en Strindberg.

Ja, dat herinner ik me nog. Vooral de spoken van Ibsen en de strijd tussen man en vrouw van Strindberg.

De sterkste, dat heeft hij geschreven, dat vond ik zo goed. Ik vond het zo goed dat ik er wilde over schrijven. Ik wilde niet dat het stuk ophield.

Maar Sarah, je hebt toch ook De rode kamer gelezen?

Ja, natuurlijk.

Dat gaat toch over zwakken mensen. Weet je nog, die Olle Montanus, zo heet hij geloof ik, die man pleegt zelfs zelfmoord. Hij voelt zich mislukt.

Begin daar nu niet over vanavond, Martin.

Waarom zou ik niet?

Omdat je teveel hebt gedronken. Al die port doet je geen goed. Je wordt er week van. Kijk maar eens in de spiegel. Een bleek gezicht heb je, en onheilspellende ogen.

Mijn ogen weten niet waarheen, Sarah.

Je ogen wisten mij nochtans te vinden.

Toen kenden ze jou nog niet, ze hadden je lijf nog niet gezien.

Nee, dat is zo, ze bleven aan de oppervlakte.

Het was een mooie oppervlakte en ze bleven er graag. Maar onze tijd is veranderd. Toen wisten we nog niets.

We wisten elkaar te treffen.

Daarvoor hadden we andere mensen nodig. Wat we vrienden noemen.

Word je nu sarcastisch? Please?

Nee, ik wil weg, ik ben onrustig. Ik kan hier niet meer aarden.

Sta ik je in de weg, heb je genoeg van me?

Sarah, nee, ik heb niet genoeg van je. Ik wil net meer van je, ik wil je helemaal, maar zo geef je je niet aan mij. Je houdt altijd iets achter. Je geeft je niet.

Martin, we zouden opnieuw moeten beginnen. Alles zou altijd opnieuw moeten beginnen. Iedereen zou altijd een tweede kans moeten krijgen.

Zo werkt het niet. Jammer. Maar ik weet het ook niet, hoe het dan wel werkt. Ik weet alvast dat ik niet opnieuw kan beginnen. Ik ben tot hier gekomen, en op die manier gedetermineerd.

Er worden grote dingen van je verwacht?

Misschien, maar ik heb alleen maar kleine dingen te bieden. Niets eigenlijk.

Je bent onrustig, Martin.

Sarah, wat verwacht je van me?

Dat we gelukkig zijn. Gelukkig. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn.

En kinderen? Die wil je toch.

Ja, kinderen. En kleuren en sprookjes vertellen en jij zingt liedjes en speelt op je gitaar.

Dat kan niet meer, Sarah, mijn gitaar is ontstemd.

Martin, weet je dat Patti Smith haar gitaar liet stemmen door haar vrienden. Zij kon het zelf niet. Ze vroeg aan haar vrienden, wil je een lied voor me spelen, en dan moesten ze haar gitaar stemmen. Zo deed ze dat. Ze heeft veel vrienden.

Ja, Patti Smith. Zo moet je dat doen. En niet van het podium vallen. Je weet toch dat haar ouders een café hadden?

Ja, ze is nog altijd dol op koffie. Alleen de geur al. Maar ze drinkt niet meer. Je hebt gelijk. De mensen zijn niet consequent. Zelfs Patti Smith niet. In het begin propageerde ze opium en nu vindt ze dat je best zoveel mogelijk water drinkt. Twee liter per dag.

Sarah, konden we maar autorijden. Ik wil weg. Ik ben te onrustig voor deze straten. Deze stad is niet veilig. Ik wil weg.

Waar wil je naartoe?

Naar Macao.

Waar is dat? Ik ken de naam, maar ik heb er geen idee van waar het is.

Ik ook niet, maar ik denk dat het er goed is. De mensen schijnen er Portugees te spreken. Laten we zo spoedig mogelijk vertrekken.

Wil je niet liever alleen gaan, dan kun je daar schrijven over je avonturen.

Nee, ik wil naar Macao met jou. En we zullen daar dan al ons geld uitgeven aan onzinnige dingen, en we vertellen dat we beroemd zijn in ons land van herkomst. We roken opnieuw twee pakjes sigaretten per dagen. En we doen niets anders dan leugens vertellen.

En als we het overleven schrijven we er een reisboek over?

Ja, als we het overleven schrijven we een bestseller en anders gaan we naar de hel.

24-12-07

COMES A TIME, VROEG ZIJ

“De meeuwen op het water hebben het roerloze en blanke van waterlelies”, zo meende hij zich te herinneren uit een boek. En zo zei hij het tegen haar, omdat hij zelf niets kon bedenken.

“Heb je al eens een albatros gezien”, vroeg ze.

“Ik denk het wel, op Long Island, geloof ik,” zei hij.

“Bij sommige albatrossen is de schaduw van hun vleugels zo zwaar dat ze niet meer kunnen vliegen”, zei ze.

“Zeker niet bij vochtig weer”, voegde ze eraan toe.

“Heel goed mogelijk”, zei hij, terwijl hij een blik naar buiten wierp, waar vuile mist hun eenzame spar aan het oog onttrok.

“We kunnen hier niet blijven”, zei hij.

“Zodra we geld hebben, verhuizen we naar een ander land”, zei ze.

“Zodra we geld hebben…”, mompelde hij.

“Een eiland, zuivere lucht, bomen, loslopende dieren…” ging ze verder.

“Hebben we daar nog tijd voor, om aan dat geld te komen”, vroeg hij.

“Voor de ziel bestaat geen tijd”, zei ze.

“Maar mijn botten kraken, en vorige nacht heb ik die van jou ook horen piepen”, zei hij.

“Misschien moet alles een keer gesmeerd worden”, zei ze.

“Er zouden garages voor het lichaam moeten bestaan”, zei hij.

“En wat denk je van een alternatieve carwash, een bodywash, een gang waar je door moet lopen en als je eruit komt ben je weer proper en ruik je lekker…”, opperde zij.

“Ja, daar zit muziek in”, zei hij.

“Ik heb zulke zware voeten”, zei zij.

“Bij mij zit het op de longen”, zei hij.

“Laten we nog een glaasje wijn drinken”, zei zij.

“Het leven is toch niets waard”, beaamde hij met andere woorden uit het boek.

“Ach, dat is allemaal relatief”, zei zij.

“Ik zal nog een plaatje opleggen van Neil Young”, zei hij.

“Comes a time, toch”, vroeg zij.

“Comes a time”, zei hij.

 

kerstwensen,foto,1973,comes a time,neil young,geld,eiland,gesprek,mijmering,verlangens,vuile lucht,martin pulaski,holsbeek

Oprechte kerstwensen voor iedereen. Don't get lost on the human highway!

02-11-07

KING LEAR, KONING VAN HET GROTESKE

king lear,jan kott,theater,shakespeare,grotesk,kvs,alize zandwijk,ro theater

Ongeveer twee weken geleden zag ik Shakespeares ‘King Lear’. Het was de première, er waren veel vaders en zonen en dochters komen opdagen, in hun mooiste kostuums, in hun coolste kleren gehuld. Laura en ik waren te vroeg, zoals altijd, en zochten bescherming in een hoekje van de lounge. Ik zat al weken thuis en vond het vreemd, zo opnieuw onder de mensen komen.

Waarom heb ik er niets over geschreven? Ik vond het nochtans een zeer gedegen voorstelling, en ik was niet de enige die dat vond, want het gezelschap van het Ro Theater kreeg een staande ovatie. Misschien schreef ik niets omdat ik tijdens de receptie achteraf te veel Palm had gedronken en de volgende dag een zwaar hoofd had? Misschien. Vandaag las ik in een oude editie van De Standaard een bespreking van de voorstelling. De recensent was niet tevreden. Regisseuse Alize Zandwijk had gekozen voor een groteske invalshoek, zoals die al werd aangeraden door Jan Kott, schrijver van de in 1964 verschenen maar nog altijd actuele Shakepeare-studie ‘Shakepeare tijdgenoot’. De drie dochters Goneril, Regan en zelfs Cordelia zagen er niet uit! De boosaardige personages waren uiterst boosaardig, de goedaardige uiterst goedaardig. Die groteske benadering van Shakespeare vind je terug in het absurde theater van onder meer Beckett en Ionesco, auteurs die in de jaren zestig van de vorige eeuw zeer populair waren.

Dat groteske vond de recensent van De Standaard niet geslaagd. Het publiek had zitten lachen, sommige figuren leken wel misdadige clowns en ik bedoel nu niet de nar. Als je de tekst van Shakespeare leest, of de vertaling van Hugo Claus, zie je dat die elementen daar al in zitten, bij hem is een tragedie niet zuiver tragisch, er zitten komische en groteske elementen in. Zuiverheid bestaat niet bij Shakespeare, al komt de verstoten en verbannen Cordelia wel in de buurt. Ongeveer in het midden van de voorstelling steekt een storm op en dan vergaat het lachen je wel.


Zeer sterk vond ik de scène met Gloucester en zijn zoon Edgar. De vader werd de ogen uitgestoken, de zoon doet zich voor als een zwakzinnige. Gloucester wil zelfmoord plegen door van de krijtrotsen van Dover af te springen. Maar zijn zoon leidt hem naar een veilige plaats. In een gewone voorstelling van King Lear lopen de twee mannen op een plat vlak. Gloucester vindt het dan vreemd dat ze niet lijken te klimmen, wat toch normaal zou zijn. In de versie van Alize Zandwijk wordt die absurditeit nog vergroot: de twee mannen dalen langzaam van een trap af; in plaats van een onmogelijke zelfmoord komt er een afdaling en uiteindelijk ook het inzicht.


Ik identificeer mij met het tragische ‘slachtoffer’, de goede dochter Cordelia.
Dat doe ik nu eens altijd. Maar het maakt niet uit met wie je je identificeert: je komt altijd bedrogen uit.