02-08-14

ZERO DE CONDUITE: SONGS

rickieleejones1.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

 

Wegens al dat reizen van mij ben ik niet aan een thema toegekomen. Het reizen zelf heb ik al te vaak gebruikt, en in elk programma duikt er wel een spoor van op, ook vandaag. In deze aflevering van Zéro de conduite gaat het opnieuw om de sfeer, om wat ontstaat door de opeenvolging van muziekjes en teksten. De nadruk ligt op wat singer-songwriters wordt genoemd, hoewel ik niet zo van die term houd. Maar hoe noem je hen dan wel? 

Heel wat oude bekenden passeren de revue, maar ook wat minder voor de hand liggende namen, zoals Gene Parsons en Michael Chapman. Voor sommige muzikanten schijn ik een beetje doof te zijn, of is het vergeetachtigheid? Een grote popdiva als Joni Mitchell komt in mijn programma maar weinig aan bod, denk ik. Geen idee wat de reden daarvoor is. Alleszins probeer ik nooit wie populair is moedwillig, vanwege snobistische of elitaire overwegingen, te vermijden. Het zal een combinatie zijn van blinde vlekken en voorkeuren.

Omdat het zowel in de wereld als in mijn hoofd onrustig is, doe ik een poging om aan de hand van deze selectie mooie liederen wat rust te brengen, ook al gaan ze daar niet per sé over. Ik wil echt niet dat Zéro de conduite een behangpapierprogramma wordt.

De hommage aan Bobby Womack, een van de groten uit de soulmuziek, is veel te kort. Misschien moet ik opnieuw zoals in de jaren tachtig en negentig – met Shangri-La - een wekelijks programma van drie uur gaan maken, zodat ik meer aandacht kan geven aan allen die er toe doen in de populaire muziek en elders.

Veel luisterplezier.

bobbiewomack1.jpg

Paths of Victory - Cat Power - The Covers Record - Bob Dylan      

Ring Them Bells - Bob Dylan - Oh Mercy  - Bob Dylan       

Berlin - Lou Reed - Lou Reed  - Lou Reed

Blue in Green - Miles Davis - Kind Of Blue - Bill Evans        

Drunk On The Moon - Tom Waits - The Heart Of Saturday Night - Tom Waits     

Beat Angels - Rickie Lee Jones - Duchess of Coolsville - Rickie Lee Jones  

For Free - Joni Mitchell - Ladies Of The Canyon – Joni Mitchell     

Blackbird Chain – Beck - Morning Phase – Beck Hansen

A Swallow In The Sun – Eels - The Cautionary Tales Of Mark Oliver Everett             

Burnin' Summer - Ronnie Lane - Ooh La La: An Island Harvest - Ronnie Lane                      

Six Days On The Road - Taj Mahal - Giant Step & De Ole Folks At Home - Carl Montgomery/Earl Green

I'm Comin' Home - Arthur Alexander - Rainbow Road: The Warner Brothers Recordings - Dennis Linde

California Dreamin' - Bobby Womack - The Minit Records Story - Michelle Gilliam/John Phillips     

Trust Me - Janis Joplin – Pearl - Bobby Womack  

In A Station - Karen Dalton - In My Own Time - Richard Manuel    

Brides Of Jesus - Little Feat - Little Feat - Lowell George/Bill Payne

Cowboy Of Dreams - Crosby & Nash - Wind On The Water                           

Banjo Dog - Gene Parsons - Kindling                       

For Me Again - Gene Clark – Echoes - Gene Clark

Why [Single Version] - The Byrds - David Crosby/Roger McGuinn 

With Me Tonight - The Beach Boys - Smiley Smile - Brian Wilson  

Forever - American Spring - American Spring - Dennis Wilson/G. Jakobsen

As I Wander Lonely - Harry Nilsson - Nilsson Sessions: 1967-1968 - Harry Nilsson

Please Be With Me – Cowboy - Skydog: The Duane Allman Retrospective - Boyer

Rainbows All Over Your Blues - John Sebastian - John B. Sebastian - Sebastian

Something In The Way She Moves - Ian Matthews & Matthews' Southern Comfort - Second Spring - James Taylor

Steamboat Row - Stealers Wheel -Ferguslie Park – Gerry Rafferty

Anyway The Wind Blows - J.J. Cale – Okie – J.J. Cale         

The Way I Feel - Gordon Lightfoot - The Way I Feel - Gordon Lightfoot

It Didn't Work Out - Michael Chapman – Rainmaker

Mississippi You're On My Mind - Jesse Winchester – Anthology – Jesse Winchester

The Times You've Come - Jackson Browne - For Everyman – Jackson Browne        

Saturday Sun - Nick Drake - Five Leaves Left - Nick Drake      

My Sweet Love Ain't Around - Steve Young - Rock, Salt and Nails - Hank Williams

My Town - Paul Siebel - Woodsmoke & Oranges - Paul Siebel

Tell Me Mama - Leo Kottke - Circle 'round The Sun

Single Girl - Haden Triplets - The Haden Triplets - A. P. Carter

Sping_with_Brian_Wilson.jpg


...

Volgorde playlist: songtitel, uitvoerder, album, componist.
Presentatie en research: Martin Pulaski

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

19-06-12

ROUW EN HUWELIJK

 Voor Richard Hawley

duanemichals01Thisphotograph ismyproof1974.jpg
Duane Michals - This Photograph Is My Proof, 1974
 

Wat zeg je over de geur van onze lelies, zei ze.
Een code van berouw, zei hij
Jij warhoofd vol kronkels, zei ze.
Het is maar een lied, zei hij.
Dat hoor ik, zei ze, maar een droef lied.
De stem van de wereld, zei hij.
Ondergangsstemming, dat is wat het is, zei ze.
Als nu de zon nog zou schijnen, zei hij.
Ja, zei ze, lang genoeg rouwkleren gedragen.
Rouw is altijd wel stijlvol, zei hij.
Rouw en huwelijk, zei ze.

12-03-12

ZOMERHAVEN

 

P1040326.JPG
Foto: Martin Pulaski, 2011.


Schrijf je dan maar neer dat hij hier zit, de onmogelijke duiveluitdrijver?
Noem hem een misplaatste engel met een bos tulpen en een paraplu.
Augustus vult hem op met stro, zijn hersens broeiend, niet groter dan een vlo.
Dat hij hier zit, met in zichzelf dat weinige dat stenen smelten doet.
Dat hij opkijkt: daar ligt de stad die kreunt onder de voeten van vrouwen.

En vervolgens voeg je toe:
Dat hij denkt: zoveel begeerte heeft deze schaduw van kerncentrales niet verdiend.
Maar de schepen van de haven heeft een wat afwijkende mening over die topic.
Kijk maar, dames en heren.
Poederdoosmeisjes stappen uit hun ondergoed, vlijen zich neer in mijn koelte.

Dat hij hier zo traag zit, een schim bezeten van tijd, onderworpen aan schaduwgroei.
Lang geleden gevlucht voor wat speels was onder de zon, leeuwen en leeuweriken.
In open plekken was dat in donkere bossen waar nu oorlog woedt.
Waar de wereld boete doet voor hij weet niet wat precies.
Waar de aarde bloedt tot ze geen longen meer heeft en de zon geen hart.
 

Schrijf tenslotte zijn slotsom neer:
Topic: het begrip kenobject stamt uit de kennistheorie en wetenschapsfilosofie.
Pas sinds Immanuel Kant (1724-1804) wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het kennend subject en de werkelijkheid als Ding an sich.
Oever 27 / 12 + 12 + 12 + 12 = 48

 

14-12-11

CYDIA POMONELLA

Voor Amy Winehouse

 

Sap van appels in je appelboom,
groen in de boom van de buren.
Rijp voor de oogst in late zomer
ongeplukt, geur en smaak in de lucht
als huid van onbegrepen vrouwen.
Na Belgische zomer in oktober
rotten ze op te weinig bezongen gras
elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

Je denkt meteen aan David Lynch

en trage escapades, een laat weerzien:
wat woorden over vader, moeder
en stoppen met roken en dit en dat.
Omdat wat familie volhardt, ver verwant.

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,
binnenrijm, tel ik afgunstig voeten
als waren het Dantes of van m'n zestien?

Wat essentie zou blijven bestaan,
niet van appels, van vrouwen, maar
van woorden wordt gezegd. Essentie
van de essentie als het je lukt
met het sap van de wereld
op goede voet te staan als gewervelde.
Dan blijven die kleine druppels nog even
tegen slechte spijsvertering, oorlogen,
tegen schrik en beven en tegen vergeten.

14-11-10

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

 the_freewheelin_bob_dylan.jpg

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

 

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

 

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

 

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage - dat ik niet heb gelezen - is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

 

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, 'Tangled Up In Blue', een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

 

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt. 

15-07-09

A LA RECHERCHE DE SOPHIE CALLE

katja stonewood,paleis voor schone kunsten,biografie,verhalen,originaliteit,authenticite,zomer,brussel,14 juli,autobiografie,sophie calle,verwondering,bewondering,parijs,new york,kunst,schrijven

Sophie Calle houdt van verhalen. Haar hele leven en haar kunstwerk, een echt werk, is een doorlopend verhaal. Elk detail van haar werk is een verhaal. Val haar niet lastig als je geen verhaal kent. Zij richtte bovenop de Eiffeltoren een slaapkamer in en iedereen die een verhaal van minstens vijf minuten in zijn of haar lijf had dat enigszins boeiend was, mocht net zo lang bij haar blijven. Als het vreselijk boeiend was mocht de uitverkorene zelfs zeven minuten blijven. Iemand die niets had te vertellen en alleen maar een nieuwsgierig kijkje wilde nemen mocht niet bij haar binnen in haar Eiffeltorenslaapkamer.


In New York liep ik haar net niet tegen het lijf, maar het had gekund, ik was op zoek naar een bed, en zij had een telefooncel (en een bed, ze had veel bedden, denk ik). 

Sophie Calle maakt 'gebruik' van een biechtstoel. Tot mijn dertiende was ik gelovig, katholiek, ging ik te  biechten en ontving ik uw bloed en uw lichaam in een stukje heel erg wit brood.

Nadien zat ik met mijn vriendjes landsschapsverdeling te spelen. Wij  dertienjarigen hadden om een of andere reden allemaal gevaarlijke messen op zak. Je moest op het kerkhof achter de kerk een stuk grond zien te bemachtigen in een vierkant van ongeveer twintig vierkante centimeter (ik ben geen goede landmeter).

Katja Stonewood heeft plaats genomen in de biechtstoel van Sophie Calle en nadien, buiten in het zonovergoten Warandepark, heeft ze gedaan alsof ze mij haar zonden opbiechtte, maar niet echt. Het was alsof. Van Sophie Calle's wereld kun je je afvragen of hij eveneens alsof is.

Sophie Calle is geobsedeerd door de dood, door kerkhoven, door begrafenisrituelen. Na de dood van haar moeder bracht ze sommige van haar juwelen en een foto (van haar moeder) naar de Noordpool. Sophie's moeder was er nooit naartoe kunnen gaan, maar nu zorgde de dochter ervoor dat dierbare bijna-relikwieën daar ceremonieel werden weggeborgen, als in een hokje op een moderne begrafenisplaats, maar dan wel helemaal tegenovergesteld aan dat soort instituties. Gehoopt wordt dat de kostbare diamant nooit wordt gevonden. Meteen werd ook duidelijk hoe weinig nog overblijft van die Noordpool. Hoe weinig nog overblijft van de toekomst van de aarde (of van mensen zoals Sophie Calle en jij en ik).

Ik heb Sophie Calle altijd een aantrekkelijke, mysterieuze vrouw gevonden. Ze mag honderd, tweehonderd worden, of ouder... 

Ik was eens in New York met vier vriendinnen, en daar hebben we met zijn vijven - voor het eerst vol verbazing en verwondering - staan kijken naar een agenda, naar foto’s in hotelkamers, naar spionage, naar ongehoorde dingen die een zekere Sophie Calle deed. Zo schandalig dat ik mij er niet meer kon van loskoppelen, als je dat zo mag noemen als het over psychische en estethische processen gaat.

Sophie Calle heeft me meer doen lachen dan om het even wie (met uitzondering van Jorge Luis Borges en the Marx Brothers).

Sophie Calle is een fictief personage van Paul Auster.

Later vraagt ze aan Auster om een echt personage te mogen worden en opdrachten uit te voeren. Auster schrikt terug voor de verstrekkende gevolgen van die vraag. Hij draagt haar niets op. Maar zou zij van New York een aangenamere stad kunnen maken? Sophie doet het. Je kunt het lezen in het ‘Gotham Handbook’.

De dochter van Paul Auster heet Sophie, maakt platen en speelt in (zijn) films.

Een van Sophie Calle’s mooiste verhalen vind ik haar relaas over haar treinreis van Moskou naar Vladivostok, met een zekere Anatoli. Acht koffers, waarvan zes met voedingswaren en vodka gevuld. Anatoli noemde haar, dank zij een mistverstand, Saphir.

Ik houd van Sophie Calle om deze en andere, toevallige redenen. Ik zou graag hebben dat zij me zou zeggen wat ik moet doen. Dat zij mijn meesteres zou worden, in zekere zin. Maar iemand die even fijngevoelig is als zij, mag ook mijn meesteres zijn. Ik kan niet tegen pijn en ik wil door niemand in de steek worden gelaten. Bovendien wil ik mezelf blijven en iedereen die ik liefheb blijven liefhebben.

sophie-calle
 
Afbeeldingen:
Katja Stonewood in de biechtstoel van Sophie Calle (foto: Martin Pulaski)
Sophie Calle, catalogus Centre Pompidou, M'as tu vue. (foto copyright Sophie Calle).

11-07-09

UIT HET DAGBOEK VAN EEN BENEVELDE NARCIST

De zomer is voorbij. Er breekt een tijd aan die als een boor je leven binnendringt, die je dagen in een stalen omhulsel dwingt. De wurggreep van de ochtend, de relatieve bevrijding die de avond brengt, en opnieuw, en opnieuw. Het boren neemt toe in snelheid, er verschijnen gaten in een cirkel op je lichaam, in het centrum schijnt alles hetzelfde te blijven. Het centrum is overal en nergens, is alles en niets.

Alice leunt door het raam, bijna tuimelt ze naar beneden, maar gelukkig niet, en roept je toe dat alles nog goed gekomen is. Alles, vraag je. Je weet wel, zegt ze. Oh, ja, met de cactus, zeg je, gelukkig maar.

Geluk is het woord, en liefde. Twee gloeiende punten op de vliegensvlug draaiende cirkel van onverstaanbare uitspraken.

Je bent een narcist, zeg je luidop tegen jezelf. Alsof je met een ander bent, of alsof je spiegelbeeld tot leven is gekomen. Je merkt dat je steeds vaker met jezelf converseert. Is het zoals de rasta’s met hun I and I? Misschien, maar misschien ook niet. Je hebt geen affiniteit met religie. Zelfs de poëzie is nu in nevelen gehuld. Gelukkig weet je nog dat je niet moet vooruit zien te komen in het leven. Stilstaan is de boodschap. Bijna alsof je er niet bent. De tijd draait geen kringetjes. De tijd is een punt. Nu. En dan weer een punt. Altijd anders, altijd hetzelfde.

Je bent moe en lusteloos. Je zegt dat reizen je goed zal doen. Naar de Provence, naar Umbrië, naar Sherwood Forest. So long Marianne…  Ja, Alice, reizen zal je goed doen. De tijd zal vanzelf wel bijdraaien of wegwaaien naar een ander gewest. De woestijn wordt een regenwoud en het regenwoud een woestijn. Saracenen hakken het hoofd af van de eerste bisschop van Perugia. Maar enkele ogenblikken later, nadat het bloedend over de straatstenen rolde, staat het weer stevig op zijn romp. Waar zijn die vervloekte Saracenen gebleven? Koud in hun dennenhouten kisten.

Alice beweert dat de wereld toebehoort aan de zachtmoedigen. Een narcist is niet zachtmoedig. Hij wil heersen, over zichzelf, de woorden, de wereld. Zijn geliefden moeten voor hem knielen, anders grijpt hij in, schudt hij het geweld dat sluimert in zijn ziel weer wakker en hakt er op los. Maar een narcist heeft ook lief, zegt Alice. En vooral heeft hij honger en dorst zoals alle mensen en dieren. Een narcist heeft verdriet en kwijnt uiteindelijk weg van eenzaamheid. Want geen mens hoort zijn stem, zijn zuchten.

De zomer is voorbij, tijd voor de boogaloo, de funky chicken. “Boven ons een hemel van staal”. Herinner je je nog dat boek dat N. je schonk, Alice? Daar stond het allemaal al in. De danspassen, recepten voor cocktails, de gepaste klederdracht, welke schoenen, welke muziek. Zelfs de erupties van de meest nabije vulkaan stonden er in.

Sluit Alice de ramen? Je kijkt niet meer om, dat is gevaarlijk. Dat zegt iedereen. Je mag nooit omkijken, alleen links en rechts. Daar loert het gevaar. Maar eens om de hoek kijk je toch om, en loopt dan door, in de richting van lichten, altijd maar door, al beneveld door wat je verwacht van de immer verlichte nacht.

 narcissus

Narcissus, Michelangelo Caravaggio, 1598

29-06-09

DOOD EN VERDERF


sam_cooke death

Het was een vreemde week. Ik denk dat ongeveer iedereen dat vond. De week was zo vreemd dat ik nog maar moeilijk mijn weg naar huis en naar mijn vertrouwde ‘omgeving’ vond. Want als je eenmaal je huis gevonden hebt betekent dat nog niet dat je thuis bent en dat je alles in dat huis ‘vertrouwt’. A house is not a home.
Voor mij begon het vreemde al op zaterdag 20 juni, nadat ik afscheid had genomen van mijn vriendin Diotima. Ja, ik heb plotseling zin om je Diotima te noemen. Zoals meestal waren we op mijn ‘bijna-aandringen’ gaan eten in de Vismet. Waarom niet eens iets anders geprobeerd? Herhalingsdwang, zullen de psychologen zeggen. Het zij zo. Maar waarom zou je ergens anders gaan als je eindelijk een degelijk en betrouwbaar adres hebt gevonden?
 

Eigenlijk is het nu te warm om te schrijven. Ik weet niet of ik er veel van terecht ga brengen. Het weer is meer geschikt om met iemand als Diotima zeeduivel te gaan eten, en een frisse Chardonnay te drinken. Maar ja, ik zit hier nu, met een glaasje Limoncino bij de hand (het heeft de geur van afwasproduct, door die overweldigende Limoni di Sicilia). Ik zit hier en hoor The Ovations ‘It’s Wonderful To Be In Love’ zingen.

ovations

Soul, man, that’s where it’s at… En je moet altijd verliefd zijn. Zodra je niet meer verliefd ben, ben je ten dode opgeschreven. Nadat ik Diotima in de trein naar Antwerpen had ‘helpen’ instappen keerde ik op mijn stappen terug naar het café waar we net vandaan kwamen. Ik zit graag aan de bar te praten met mensen die ik niet ken. Zo heb ik uren zitten praten met Marzouk. Het was een fijn gesprek, maar vraag me niet waarover het ging. Mijn korte termijngeheugen is om zeep. Wat zit ik daar dan nog te doen, in plaats van braaf afscheid te nemen van mijn vriendin en de laatste metro te nemen? Omdat de lichten van de stad me altijd hebben gelokt. De grootstad, relatief gesproken, is mijn geluk en mijn miserie. Maar als je mij al vaker hebt gelezen weet je dat al.

Zo werd het zondag, dag voor schuldgevoelens, katers en andere ellende, en dan is het maandag. Karel Van Miert was dood. Wie had dat nu verwacht? Een man toch waar ik meermaals voor heb gestemd, in de jaren zeventig, en die ik, ondanks zijn coiffure, nog echt bewonderd heb. Maar het waren zulke mooie dagen en ik voelde me voor een keer echt goed. Ik voelde me sterk, had de indruk dat ik het leven en het werk weer aankon. Geen tijd voor verdriet. (Overigens zeggen mijn vrienden filosofen dat je niet kan rouwen om een idool, een held, iemand waar je naar opkeek, je rouwt alleen maar om familieleden en intieme vrienden.) Daarna stierf Sky Saxon, de zanger van the Seeds, een van de betere sixties punk rock bands. ‘You’re Pushin’ Too Hard’, en ‘Can’t Seem To Make You Mine’ zijn in mijn geheugen gegrift. Sky Saxon is altijd een punk gebleven, een outsider, iemand die volgens zijn eigen wetmatigheden leefde. Voor velen daarom een gek. Ik geloof dat op dezelfde dag Yasmine een punt zette achter haar leven. Een vrouw met wie ik geen affiniteit had. Maar ik houd er niet van dat mensen zulke drastische stappen zetten vanwege een liefdesgeschiedenis. Je moet altijd verliefd zijn en blijven, ook al houd je hartsgrondelijk van iemand. Een moralist wil ik niet zijn, maar zo zie ik het. Evenmin wil ik vals spelen en Yasmine nu opeens gaan verheerlijken. Ik houd niet van het Vlaamse lied, zelfs niet van het betere. Ik ken maar weinig ‘goede’ Belgische zangers. Er zijn er wel, met als uitschieters Rocco Granata, Salvatore Adamo, Jacques Brel (en de zangeres van Les Tueurs De La Lune De Miel, van wie ik de naam vergat) en natuurlijk ook Roland. Ik leef niet hartstochtelijk mee met de vrienden van Yasmine, maar ik begrijp hun verdriet. De wereld hield nog steeds niet op met draaien rond de zon.

Michael Jackson kreeg een hartstilstand. Een van de populaire muzikanten die het meest invloed hebben uitgeoefend op de generaties die na mij kwamen. Ik was geen fan van Michael Jackson. Eigenlijk liet hij me nogal onverschillig. Maar zijn invloed was terecht. Hij was een componist van perfecte popsongs als ‘Billie Jean’ en ‘Beat It’ en zette de traditie voort van enerzijds de succesvolle en vindingrijke danser, zoals Fred Astaire en Mick Jagger, en die van de perverse, romantische kunstenaar en uitvinder. Wat dat laatste betreft een combinatie van Robert Johnson, Charles Baudelaire, Thomas Chatterton en Howard Hughes. Ook was hij een komediant en een gijzelaar van de spektakelmaatschappij. Hij is nooit opgegroeid. Ik heb niet om hem gerouwd. We wisten allemaal dat hij zou sterven en dat de media de wetten van het spektakel zouden respecteren. Wel heb ik nog eens geluisterd naar ‘Thriller’, maar ik heb er niet op gedanst. Maar vandaag heb ik drie paar schoenen gekocht. En nu zit ik alweer naar soul te luisteren. Let the good times roll. En vergeet Sam Cooke niet. Geen outsider, maar wel een slachtoffer. En vergeet de mensen niet die werken of niet werken, maar lijden. Die afzien in de hitte en de kou. Degenen over wie niemand spreekt, tenzij ze toetreden tot de orde van het spektakel.

sam-cooke


07-01-09

LANGE HETE ZOMER VAN LIEFDE


LucasVanLeyden

“We’re all stars but some of us are looking at the gutter” las ik ergens, een uitspraak van Oscar Wilde, gelezen door een dwarsligger. Ik wilde er eerst nog “gutter twins” van maken, maar ging dat niet wat te ver? Was de oorspronkelijke omkering niet voldoende om duidelijk te maken hoe groot mijn afkeer is van gevonden uitspraken, ook al doe ik het zelf meer dan me lief is? Ik stel vast, en ik ben ervan overtuigd dat jullie dat ook doen, dat we intellectueel en qua imaginatie erg lui geworden zijn. Altijd maar herkauwen als koeien, ja, als verdomde koeien, of ligt die vergelijking niet voor de hand? Niet is wat het lijkt, maar door verwijzingen, citaten, gekende en minder gekende grappen, doen we alsof alles wel is zoals het is. We doen bijvoorbeeld alsof het koud is buiten, terwijl het eigenlijk warm is in vergelijking met de nucleaire winter die we ons dertig of twintig jaar geleden hadden voorgesteld, toen we met honderdduizenden op straat kwamen om onszelf tegen die vreselijke kou te verweren, om te pogen het tij nog te keren.

Het tij  is niet gekeerd. Het mag dan warm zijn buiten, maar de meesten van ons liggen nog altijd in de goot en kijken naar domgemaakte sterren. Nucleaire energie wordt opnieuw als een nobele bron van warmte gepropageerd. Grenzen worden gesloten; aan mensen zoals jij en ik wordt  geweigerd  in een goed uitgerust ziekenhuis te sterven. Niet dat het een feest is om op een westerse operatietafel de geest te geven, maar zonder morfine of water doodgaan in een brokkelige woestijnstad lijkt me veel erger.

Ik heb geen nieuwjaarswensen, behalve deze: dat iedereen overal welkom zou zijn, dat we allemaal zouden kunnen inzien dat we af en toe naar dezelfde volle maan kijken. En dat iedereen, en dat is helaas een verwijzing, zonder paspoort de grenzen over zou kunnen gaan. Dat je de ene dag zonder schoenen aan je voeten de sneeuw in moet, of het schroeiende zand, en de volgende dag over groen gras in een gematigd klimaat je weg kan zoeken, omringd door vriendelijke en begripvolle soortgenoten. Dat we allemaal menschen worden, zo snel mogelijk, en liefde weer veel meer gaat betekenen dan seks en Sodom en Gomorra. Ik geloof namelijk dat er niets is waartoe de mensen niet in staat zijn. Dat kan gewoonweg niet, als je een nucleaire winter kunt bedenken en verwezenlijken. Laat het daarom nu eens een lange hete zomer van liefde worden. Een jarenlange zomer, zonder soldaten, politie, wapens, uitbuiting en verdrukking. En een Orpheus die niet omkijkt, ook al denkt hij aan de vreselijke mogelijkheid dat Euridike in de goot ligt. Mag dat? Ja, het mag.

Afbeelding: Lucas Van Leyden, Lot en zijn dochters, 1530

09-07-08

ARBEIDERS

 

schrijven,werken,zomer,wachten,schip,auto,huis,vader,jeugd,arbeiders,scheepvaart,bob dylan,ecologie,appartement,huur,astma,woning,seizoenen,joni mitchell,stephen stills,gevoeligheid

Eugene de Salignac, Brooklyn Bridge Workers.

Mijn vrouw en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd."

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

23-07-07

VRIENDEN IN BERLIJN


in front of clärchen's ballhaus

Een heerlijke zomerdag in de Berlijnse Auguststrasse. Dit is in de tuin van Clärchen's Ballhaus. Op de achtergrond zie je mijn vriend Marc D., de regisseur van onder meer Brussels By Night. Het was een toevallig maar bijzonder aangenaam weerzien. Zonder dat we het van elkaar wisten logeerden we in hetzelfde hotel. We hebben dan samen een dag doorgebracht, pratend over film, literatuur, en vooral muziek, want daar is onze vriendschap op gebaseerd. Marc had me de weg naar het Kulturkaufhaus op de Friedrichstrasse gewezen, waar ik stapels cd's heb gekocht. Daardoor moet ik nu droog brood eten.

10-10-06

ANNELIES BECK EN MY SUMMER OF LOVE

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Dat gezeur over politiek moet maar weer eens ophouden. Het is genoeg geweest, hier in dit logboek althans. Er is geen reden om feest te vieren in dit land. Alleen in Antwerpen en Gent en op nog een paar plaatsen. Een beetje feest. Festen. Een half glas lauwe witte wijn op de stasis. Een mooi Grieks woord, dat wel. Voorlopig kruip ik weer in mijn vroegere huid van apolitieke anarchist, of hoe zal ik mezelf in deze context definiëren? Toch wil ik eerst nog mijn verontschuldigingen aanbieden aan de zes dames die vorige zondag mijn stem kregen. Onrechtstreeks – en vooral onvrijwillig - heb ik getwijfeld aan hun intelligentie, door mijn ergernis over het feit dat wij niet kunnen stemmen op bekwame, intelligente, meertalige politici. Die ergernis blijft, maar ik wil graag duidelijk maken dat ik niet twijfel aan de bekwaamheid en de intelligentie van deze vrouwen. Ik twijfel niet maar ik ben ook niet zeker. Een verwarrende state of mind.


Een halfglas lauwe witte wijn, schrijf ik. Maar neem van me aan dat ik veel zin heb om na een lange, zelfgekozen ballingschap – sinds 1991 woon ik in Brussel – naar mijn geboortestad Antwerpen terug te keren, of anders naar het lieflijke Gent, waar het alle dagen feest lijkt te zijn, ook al duren de officiële Gentse Feesten maar een tiental dagen. Voorlopig blijf ik echter in deze oude woning mijn bitterheid koesteren en twijfelen en vragen stellen en plechtig doen.
Voorlopig zeur ik niet meer over politiek. Ik keer terug naar mijn oude thema’s, letteren, muziek, ziekte, dood, vriendschap, liefde en Bonanza.

Gisteren zag ik Joaquin Phoenix in de huid van Johnny Cash. I Walk the Line, geen meesterwerk, maar goed voor twee uur genieten van het acteertalent. Wat gaf die film me zin om mij vol te stoppen met amfetamine en als een jonge dwaas door de straten van mijn stad te rennen, zomaar, nergens heen, met in mijn hoofd de echo van Echo & the Bunnymen, come to my rescue!

Zondagavond laat, nog euforisch van mijn moreel verantwoord stemgedrag, genoot ik van My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski, een mij onbekende regisseur, met twee ook weer uitstekend acterende jonge actrices, mij even onbekend. Een film navertellen is niet mijn grootste gave en het heeft ook geen zin. Zeer indrukwekkende fotografie, dat kan ik wel gezegd krijgen, van de Poolse director of photography – ik gebruik bewust de Engelse term - Ryszard Lenczewski. De film is voor een groot deel in zonovergoten, glooiende landschappen gedraaid. Landschappen of niet, ik koester de kamertjeszonden, om het woord van Herman Heijermans nog maar eens een keer te gebruiken. Vanuit mijn kamer de weids uitgestrekte landouwen aanschouwen, dat is voor mij het tweede grootste - denkbare - genot.

 

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Nu rest mij alleen nog even de naam Annelies Beck te noemen. Dat schijnt zoekers aan te trekken. Dat heb ik op de blog dorstig gelezen, waarvoor mijn dank. Nu afwachten of deze strategie wat oplevert. Ik vrees echter dat mannen - of dames - die kicken op mevrouw Beck helemaal niets zullen voelen voor de mooie meisjes uit 'My Summer Of Love'.

---

Foto's uit: My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski

04-08-05

BALLINGSCHAP IN DE SCHADUW


Het is zo'n heerlijke zomerdag. En toch kom je je kamer niet uit... Waarom ga je geen ommetje maken? Op wat zit je te wachten? Het is nog lang eer Laura thuiskomt van kantoor. Hier valt niets te verrichten.
Jazeker, je kan voor het open venster gaan staan, zoals die man van De Braekeleer, dan zie je wat er op straat gebeurt en wie weet vang je wel een glimp op van iemand aan de overkant... Een jonge vrouw, wie weet, met weinig kleren aan, warm als het is. Maar ik heb in dat gebouw nog nooit iemand gezien. Misschien staat het wel leeg. In onze straat gebeurt overigens nooit iets. Heel uitzonderlijk eens wat blikschade. Meer niet.

Hoewel dat allemaal niet zo zeker is. Hoe vaak dwaalt je aandacht niet af van de straat. Van de hele wereld en haar stand van zaken. Een niet te stuiten stroom van herinneringen dringt zich aan je op. Voor je het weet zit je op de rand van je tafel, roerloos als een hagedis op een of ander zonnig muurtje in Arles. Je treedt uit je observerende zelf om als een zielig persoontje rond te dolen in een schimmig labyrint, bevolkt door groteske figuren die je nauwelijks herkent. De kracht die hen in beeld brengt kan zeker niet van realisme worden beschuldigd. Soms gebeurt het dat je jezelf tussen de schimmen uit je verleden ziet lopen. Of je maakt een fietstocht met je vrienden, naar Geleen in Nederland. Het is zo'n heerlijke zomerdag. Er is nog geen gewicht in je leven. ...Dan voel je ineens weer dat gewicht van vandaag. Misschien omdat je de zon in je ogen voelt schijnen. Het leven is geen pretje. Je bent terug en je vraagt je af hoe het komt dat onze zintuigen zich als wij in onze gedachten of denkbeelden verzinken aan het reële onttrekken. Kunnen wij dan nooit waarnemen, voelen en denken tegelijk?

Ik neem maar plaats aan mijn tafel. Waar zouden mijn vrienden nu zijn?
Ze laten niets meer van zich horen. Vroeger was dat wel anders. Ze lieten mij nooit met rust. En als ze niet aan mijn deur hingen zat er altijd wel een brief van ze in de bus. Zelf schreef ik ook onafgebroken brieven aan mijn vrienden. Duizenden brieven hebben ze van mij ontvangen. In elke omslag, dacht ik, stop ik een stukje van mijn schaduw. Maar bij nader inzien was het niet mijn schaduw die ik onder hen heb verdeeld. In elke brief zat een stukje van mijn ego. Zodat er nu alleen nog schaduw overblijft. Maar schaduw of zelf, wat maakt het uit in een wereld bevolkt door schaduwen. Plato had gelijk. Het ware leven speelt zich elders af. Nooit daar waar je je bevindt. Zelf, schaduw : het zijn twee verschillende woorden, meer niet. Woorden die me vaak beletten te denken, die me al even vaak beletten te leven omdat ze mij in hun ban houden met hun luister, hun abracadabra. Stukjes zelf waren die brieven. Stukjes licht taalspel, overstromend van verbeelding en verwachting. Stukjes schuimend utopia. Geen wonder dat ik veel vrienden had. Ik schonk hen stukjes van dat andere leven dat in die tijd in mij ontwaakte. Uit de wereld waar dat andere leven zich afspeelt ben ik al lang verbannen. Soms als ik droom ben ik er weer even. Het lijkt enigszins op wat er gebeurt op het eiland van Adolfo Bioy Casares. Bij het ontwaken blijft er nauwelijks een spoor van over. Alleen een onverklaarbaar verdriet wijst er op dat ik er weer geweest ben.

Een balling heeft niet veel te vertellen. Zijn bron is opgedroogd, denkt hij. Hij kan zich tot zijn eigen oren beperken, natuurlijk, een zichzelf met verhaaltjes uit de kindertijd in slaap wiegen. Zichzelf wijs maken hoe mooi het leven als kind was. Dat is het enige wat de balling nog rest : dat zoete paradijs der kinderjaren.Het is toch wel een mooie tafel. Volstaat dat dan niet, aan zo'n mooie tafel zitten? Met een dak boven je hoofd. De halve wereld moet het met veel minder doen. Neen. Je hebt geen spijt. Alles wat voorbij is zit veilig opgeborgen in je geheugen. Het is dood en het leeft tegelijkertijd. Spijt is trouwens een lachwekkende emotie. Maar dat geeft niet. Ik heb niets tegen mensen die spijt hebben. En een lachwekkende mens kan een andere lachwekkende mens het leven redden. Dat is al gebeurd. Je moet doen wat je moet doen. Als je graag pralines eet, moet je pralines eten. Zo simpel is het. En als je ze niet kunt betalen? Dan moet iemand anders dat maar doen.

06-07-05

ZOMER IN BRUSSEL, GEFLUISTERD


cardanus


De zomer.
Hier staan de twee woorden. Wat kun je daar nog aan toevoegen? Leegte, niets. Het is allemaal al gezegd. We vallen, staan weer op en vallen in herhaling. Vervelen elkaar met gezwans en gezanik. What’s new pussycat? Wow. Ook dat staat er. Je moet toch iets gezegd krijgen op een dag. Je hebt grote verwachtingen gewekt. Zwijgen kan niet meer. Dus de zomer. De zomer. Meer gefluisterd, nu, een beetje zoals Jane Birkin, maar dan mannelijker, vrees ik. Wat je natuurlijk niet kunt horen. Hoe meer ik je wil toespreken en zeggen wie ik ben en wat ik doe, hoe minder je me hoort. Hoe meer ik toenadering zoek tot de wereld hoe verder ik mij ervan verwijder. De mensen. Wat zijn jullie ver allemaal. En het verbetert er niet op, moet ik zeggen. Ja, ik moet alweer. Ik heb het beloofd en als ik iets beloof dan doe ik het ook. Ik kom ook altijd op tijd. Dat mag je gerust van me aannemen. Als ik te laat kom, is er iets aan de hand.

Er zijn zo van die dagen dat zelfs muziek me maar matig kan boeien. Sinds vorige zondag heb ik eigenlijk niet echt meer naar iets geluisterd, ook al loop ik halve dagen met de oortjes van mijn ipod in mijn oren. Ik probeer naar Aimée Mann te luisteren, omdat ik volgende zaterdag naar haar concert ga, maar ik hoor niets. Misschien wil ik te veel? Ben ik te gulzig? Want terwijl Aimée Mann mijn oren binnendringt, zonder dat ik haar stem hoor, glijden mijn ogen over de woorden van Italo Calvino. Italo Calvino tracht me ervan te overtuigen de klassieken te lezen. Vanmorgen in de metro raadde hij me nog aan om in navolging van Hamlet eens een boek van Hieronymus Cardanus te lezen. Dat zou zeer de moeite waard zijn. Wie is Hieronymus Cardanus? Ik moet nu naar de Delhaize, mosselen gaan kopen, groenten, een paar flessen witte wijn. Een kleine fles voor in de mosselen, een grote om uit te drinken. Daarna worden de mosselen schoongemaakt, evenals de groenten, en bereid zoals het hoort. Vervolgens gaan we aan tafel en eten we en praten we wat over de plantjes. De bladluizen, de rupsen. Dat het er niet goed mee gaat. Etcetera. Na het eten zijn we moe. Of wat dacht je? Misschien heb ik nog een beetje energie over om wat foto’s te scannen en op flickr.com te zetten? Voor mijn autobiografie. Leegte, niets? Mijn leven is er overvol van deze zomer. Wat me helemaal moedeloos maakt is het besef dat ik de zaterdag van mijn leven beleef. Dat las ik gisteren in een interview met Ian McEwan. Na zaterdag komt met een beetje geluk nog zondag. Dan eten we kip en zwijgen we erover. Nu hoor ik toch een liedje, zij het in mijn hoofd: Summer’s Almost Gone, van the Doors. De zomer. De lange hete zomer.