26-10-15

VERKLARINGEN VAN DE IDIOOT VAN DE FAMILIE

 crumb-en-plena-tarea.jpg


Verklaringen van de idioot van de familie bij zijn warrige beginselverklaringen. Ten behoeve van mannen met een grote intelligentie en nog veel andere merkwaardige eigenschappen.

Zowat tien jaar geleden schreef in een vlaag van zelfgekozen zinsverbijstering de idioot van de familie deze beginselverklaring:

“Kroniek over het alledaagse. Passies en angsten verwoord. Bespiegelingen / mijmeringen over onbewuste mythologieën, primitieve en rationele kunst, literatuur, film, muziek, media, populaire cultuur. Verwensingen, afkeer en walging. Uitverkoren onbenulligheden en onbenullige bekoringen. Herinneringen aan een ondergronds bestaan. Proza opgebouwd uit zinloze categorieën en ongerijmde opsommingen. Litanieën. Obsessies, neuroses, doodsbrieven, levenstekens, schaterlachen. Valse melodieën en laagbijdegrondse refreinen. Rafelige droombeelden en twijfelachtige verlangens. Verminking van de zintuigen. Gelach en verdriet. Sporen van onvoorwaardelijke liefde."

crumb1.jpg


Vandaag verklaart de idioot van de familie zich zich vandaag.

Kroniek over het alledaagse: Het alledaagse is wat mij overkomt en wat ik in de wereld waarneem en onderga.

Passies en angsten verwoord: In zowat elke tekst van mijn hand is de angst op zijn minst onderhuids aanwezig. Zonder passie ontstaat niets. Passie is lijden en verlangen in één. Angst is een woord dat vier medeklinkers tegenover één klinker telt.

Bespiegelingen / mijmeringen over onbewuste mythologieën, primitieve en rationele kunst, literatuur, film, muziek, media, populaire cultuur: Hiermee som ik de belangrijkste grote thema’s op. Er is een aanvulling nodig: bewuste mythologieën.

Verwensingen, afkeer en walging: Dit aspect betreft niet alleen leger, geweld, big business, ranzige politiek en de totalitaire staat maar ook slechte mensen. En wie kent niet het fenomeen van de afkeer van zichzelf, van de zelfhaat? Het eerste woord in deze opsomming is een verwijzing naar een uitzonderlijke Belgische dichter.

Uitverkoren onbenulligheden en onbenullige bekoringen: Wat je bewondert moet je enigszins relativeren, wat je op een voetstuk plaatst moet je soms in een minder vleiend licht willen zien. Niets is geheel onbenullig, niets volmaakt bekoorlijk. Wie je bent en wat je doet en wat je maakt als onbenullig beschouwen is goed voor het ego. Denk aan Brian Wilsons ‘I’m a cork on the ocean’.

Herinneringen aan een ondergronds bestaan: Dit betreft een groot deel van de autobiografische stukken, voornamelijk herinneringen. Dat ondergronds bestaan was werkelijk en is nog steeds aanwezig.

Proza opgebouwd uit zinloze categorieën en ongerijmde opsommingen: De opsomming is een prachtig stijlmiddel. In het begin is er chaos. Opsommingen en lijsten scheppen daar orde in. Zie Umberto Eco, ‘De Betovering Van Lijsten’.

Litanieën: Dit sluit aan bij het vorige. Litanieën zijn gebeden, aanroepingen, waarin de herhaling een belangrijke rol speelt.

Obsessies, neuroses, doodsbrieven, levenstekens, schaterlachen: Dit betreft voornamelijk rouwbetuigingen, elegieën, wanhopige momenten, maar ook de noodzaak om te lachen met  sterfelijkheid, ziekte en dood. Wat is een leven zonder neuroses, zonder obsessies, zonder het negatieve?

Valse melodieën en laag-bij-de-grondse refreinen: Dit is een verdediging van wat de lage cultuur of de populaire cultuur wordt genoemd. De toe-eigening van het verwijt, van de neerbuigende houding tegenover het andere. Freaks gingen zich freaks noemen nadat het klootjesvolk hen jaren zo had betiteld. Geuzenuitdrukking.

Rafelige droombeelden en twijfelachtige verlangens: Dit betreft de psychoanalytische aspecten van mijn werk.

Verminking van de zintuigen: Hiermee verwijs ik uiteraard naar een van mijn leermeesters, Arthur Rimbaud. Sluit aan bij de herinneringen aan een ondergronds bestaan.

Gelach en verdriet: Wat erg dat er mensen zijn die niet kunnen lachen, wat erg dat er mensen zijn die niet kunnen huilen.

Sporen van onvoorwaardelijke liefde: Moet je niet op z’n minst proberen om onvoorwaardelijk van iemand te houden?


Of deze verklaringen ook werkelijk verheldering en verlichting brengen bij mannen die zich beschouwen als vertegenwoordigers van de redelijkheid, een redelijkheid die voor altijd schijnt vast te zitten in de vette Vlaamse klei? Dat is een vraag die de idioot van de familie niet wenst te beantwoorden, net zomin als hij een worp met de dobbelsteen waagt om het toeval uit te schakelen.

Crumb-haight.jpg

...

Tekeningen: Robert Crumb

17-08-15

HET BOEK ASTRID

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J'irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

...

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto's:
Boven: Mijn broer en ik.
Onder: gemaskerd ga ik door het leven.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

02-07-07

ZINSVERBIJSTERING


Dit is je gelukt overdag: een minuscule tuin in de zon, zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. ‘s Nachts verklaren we niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat houd je in je donkere hand? Wat valt ten prooi aan je blauwe mond?

Binnenskamers bij kunstlicht staat zwart op wit beeldig. (Buiten verliezen je zinnen hun zin. Oude en nieuwe boeken onthouden je hun gefluister.) Suf gecatalogiseerd werpt de bibliothecaris zich onder tram 56, de traagste van alle. In stilte teruggekeerd verschroei je zijn foto, zijn existentie. Altijd de erfgenamen toch nog, als varens in je minuscule tuin, als digitalis.

Zonnebloemen, klaprozen, digitalis zwijgen, zingen niet als de hand gods slaat en het hart van slag raakt. Zo ook ligt het gewoel neer in de luwte. Een hond lui uitgestrekt in de schaduw van een gevaarlijke bar.

Overdag moet je alleen radeloos zijn. Geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een sterveling in je armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of aan de rand van de afgrond. Nooit is iemand je raadgever als je niets bent. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ben. Ik ben uitzinnig in dit treurige reservaat.

Toen we met zijn allen samen zongen hielden we onze knieën in de handen. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Alles viel uiteen en weer ineen als we er voor een moment vat op kregen. Boven op een berg of in het dal de echo. Tot tenslotte zinsverbijstering tussenbeide kwam.