09-01-16

ZINNEN, OFFERANDEN VAN WATER

TOUS LES MATINS.jpg

 

Het is nog maar 9 januari en ik heb de mooiste zinnen van het jaar al gelezen. Ze zijn niet nieuw en het zijn zelfs vertaalde zinnen, afkomstig uit ‘Geen ochtend ter wereld’ van Pascal Quignard. De oorspronkelijke titel is ‘Tous les matins du monde’. De film van Alain Corneau is waarschijnlijk bekender dan de novelle.

“’Waarom geeft u de melodieën die u speelt niet uit?’
‘Ach, kinderen, ik componeer niet! Ik heb nooit iets geschreven. Het zijn offeranden van water, waterdruppels, alsem, levende rupsjes die ik soms verzin als ik me een naam en de genietingen herinner.’
‘Maar waar is de muziek in uw druppels en uw rupsen?’
‘Wanneer ik mijn instrument bespeel, haal ik een stukje van mijn levende hart open. Wat ik doe komt alleen voort uit de tucht van een leven waarin geen enkele dag een feestdag is. Ik voltrek mijn lotsbestemming.’”

Dit fragment komt uit een gesprek tussen leerling Marin Marais, violist aan het hof van Lodewijk XIV en zijn leermeester, monsieur Sainte Colombe, die weigert voor de koning te spelen en het laten uitgeven van zijn composities als een last ervaart die hem afhoudt van spelen en componeren.
De vertaling uit het Frans is van Marianne Kaas.

 

18-11-14

DE VRAAG DRINGT ZICH OP (EEN ONTMOETING)…

anais nin1.jpg

“Et qu’est que c’est que l’infini? Au juste nous le savons pas.”
Antonin Artaud, Pour en finir avec le jugement de dieu

Wie ben je?
Wat doe je in mijn kamer, wat wil je van me?
Doe je dat vaak, schrijvers aanschrijven die je bewondert?
In wat voor wereld leef je?
Wat wil je van me weten?

Ik weet niets.

Ik weet niet wie je bent.
Ik ken je naam, maar wat is een naam?
Ik ken je niet.
Ik ken mijn wereld niet.
Misschien ben ik niet eens van deze wereld.
Ik weet niets.
Of toch: achter wat ik zie ligt wat ik niet zien kan.
Maar wat dat is, dat weet ik niet.

Daarin, in wat ik niet zie, dwaal ik soms rond.
Noem het de andere wereld.
Noem het aan gene zijde, zoals Alfred Kubin deed.
Maar het kan net dezelfde wereld zijn als deze, zijn spiegelbeeld.
Als je een stap voorwaarts zet, zet je ook een stap achterwaarts.

Ik heb nooit kunnen denken.*
Ik denk dat daarachter waar ik soms kom hetzelfde gebeurt als hier.
Wat daar gebeurt weet ik evenmin als wat hier gebeurt.
Noem die vreemde wereld de oneindigheid.
Het spiegelbeeld van wat ik in de spiegel zie.
De oneindigheid is een woord dat we spellen om in slaap te vallen.
Die oneindigheid van jou houdt me wakker en wiegt me in slaap.

Wiegt de oneindigheid jou of wiegt ze mij?
Waar begin jij en houd ik op?
Jouw voeten mijn armen onze droom.

Ik spuit mijn aders vol oneindigheid.
Ik ben verslaafd aan het onbekende.
Je hebt het mysterie zelf ook al meegemaakt.
Het is seks, nee het is geen seks, het is iets diepers.
Ik denk dat we het beiden al hebben gevoeld.

Vind je het erg dat ik je arm aanraak?
De zachte haartjes, alleen maar zichtbaar in het zonlicht.
Je trekt hem niet terug.
Je komt dichter bij me zitten, ik voel je haren in mijn hals.
De geur van de sirocco.
Hoe zal ik de geur van je haren, je huid ooit kunnen vergeten?

Nee, ik wil je lichaam niet.
Ik wil je geest niet.
Ik wil je vlees en bloed.
Ik wil je schreeuw om genade horen.
Liefde die je nooit hebt gekend
Ik wil je om ongehoorde woorden horen vragen.
Ik wil van je lettergrepen woorden maken en daarna zinnen.
Zinnen die je kunt ruiken en voelen.
En van je hoofd een hagedissenhoofd.
Met zijn tong in mijn oor.
Een revolutionaire hagedis.
Je gesis tegen de platluis god.
Je gesis tegen de kardinalen van de casino’s.
Je gesis tegen de eigenaars van de vrijheid.

Heb je honger?
Mijn lijf is giftig en smaakloos.
Eet maar, maar eet zonder smaak zoals de velen.
Je weet toch dat er velen zijn die honger hebben zonder appetijt.
Die appels eten voor de dorst en om de doktersrekening uit de weg te gaan.
Eet maar van mijn zure syntaxis.
Maar geloof niet dat mijn lijf brood is en mijn bloed wijn.
Ik ben van vlees en bloed en heb een hagedissenhoofd.
Ik ben mijn lichaam en wat er gebeurt, gebeurt in mijn lichaam.
Minnezang, verspilling, verwoesting van de verbeelding.

Ik geef om niets en ik geef niets om niets.
Ik heb nooit kunnen denken.
Mijn geest is het gehuil van elektriciteit in hoogspanningskabels.
Ik denk dat er geen niets is dat iets is.
Er is alleen maar niets dat niets is.

Een gapende opening is de oneindigheid waaruit gas ontsnapt
dat niets is maar niet niets dat iets is.
Gas dat me doet stikken.
Doe de ramen open!
Heb je dan geen ademende ziel?
En wat doe je met je ogen als je niets ziet?

Ik weet niets.
Het oneindige is een woord voor wat ik niet weet.
Een opening.
Een opening in mijn bewustzijn.
Een mateloze mogelijkheid.
Zodat je je voor kunt stellen dat het niets iets is.

Laat het oneindige dat woord zijn.
Een niets dat iets is.

Niets dat je zin geeft in het zonlicht en de bomen.
Niets waar alles in jou begint.
Dat je hongerig maakt en dorst doet krijgen.
Je eet mijn lichaam met smaak.
Mijn vlees en bloed en hagedissenhoofd.
Hoor je me nog sissen?
Je trekt je kleren uit en duikt in de rivier.
 

Je bent een niets dat iets is.
Een lichaam dat niet meer afziet.
Een lichaam dat niet aangeraakt wordt.

Dat niemand me aanraakt, zeg ik.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me aanraakt.
Dat niemand me ooit ooit ooit aanraakt.
Niemand.
Mijn lichaam dat ik ben.

Günther Brus - Ana.jpg


Dit is de tweede monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. De inspiratiebron is ‘La question se pose de…’, het vierde luik van ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Het gaat nogmaals om een ontmoeting met Artaud, met de taal, met wat de taal niet vermag te zeggen. De monoloog bevat tevens sporen van een ontmoeting van Artaud met Anais Nin, zoals zo mooi beschreven in het eerste deel van haar dagboeken.

Wellicht is de hevigste strijd die we te strijden hebben die van het lichaam tegen de oneindigheid, of wat we oneindigheid noemen. Liefde en seks zijn rustpunten, ontsnappingsroutes, maar als puntje bij paaltje komt vallen we weer in ons lichaam neer, waarin de geest van zich doet spreken, zolang hij dat nodig acht. De geest is meteen altijd de geest van het lichaam. Het lichaam dat wenst aangeraakt te worden, of net niet.

...

 

*”De mogelijkheid om in gedachte terug te gaan en ineens uit te varen tegen je gedachte.”
Antonin Artaud, ‘De Zenuw-waag’ (vertaling van ‘Le Pèse-Nerfs’, door Hans van Pinxteren).

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

12-03-13

HERBERG

richtercage.jpg

Gerhard Richter, Cage

Een grote bronzen klok begon te luiden in Carnaps vermoeide hoofd en misschien ook ergens buiten, in het dorp waar hij logeerde, of verder weg nog, over de grens. Zacht luidde de klok, niet onheilspellend, niet alle andere geluiden wegdrukkend, niet als donderslag of gebrul van een onzichtbare reus. Haar klank was licht als van een fijne zilveren lepel in een theekopje, waarin jasmijnthee langzaam afkoelt. 

De laatste woorden meende Carnap te hebben geschreven. Gedaan, dacht hij. Gedaan met mijn versleten taal, met dat vruchteloos zoeken naar - voor wat toch onzegbaar is - precieze woorden. Waar je ook aanmeert, nergens vind je een mens die nog iets verstaat. Ook niet in dit roestige dorp (het lijkt elk ogenblik uit de verbeelding te komen glijden). En jij dan, begrijp jij er nog wat van? Nee: het zal wel waar zijn dat wij de laatste mensen zijn. De laatste mensen op modderige grond.

Toch bleef hij wachten, ook als het helemaal stil was in zijn hoofd. Af en toe keek hij door het raam en probeerde te begrijpen wat hij zag. Van de andere laatste mensen. Wat deden zij daar? Op wat wachtte hij? Het werd november, donkere, koude dagen. Ook de paardenkastanjes op het plein wachtten.

Dwaze berusting, dacht Carnap op een ochtend. Opeens werd zijn lichaam gewichtloos. Het licht in het donker lichter dan ooit. De wereld trilde in zijn handen. Hij ging de straat op, verliet het dorp, wandelde over een veldweg tot aan een beek. Het zinderen van de wereld. Overal verwachtte hij dieren, zoals hij ze toen hij nog een kind was zag in sprookjes van Grimm: een wolf, een vos, een arend. Maar er waren geen dieren. Bij de beek bukte hij het blote hoofd. Hij las de woorden in het donkergroene water: begin opnieuw, er is niets verloren. Luister: begin een nieuw leven, een nieuwe taal.

Voortaan zouden Carnaps woorden onberispelijk zijn, onberispelijk en bevlekt. Met koude of warme vingers geschreven. In hotelkamers, op treinen, in open plekken in het woud.

19-06-08

HERINNEREN, VERGETEN


Soms lees je een zin die zo verbluffend is, dat je er zelf (een tijdlang) het zwijgen toe doet. Een paar dagen geleden las ik deze zin in Cormac McCarthy's 'The Road':

"You forget what you want to remember and you remember what you want to forget."

'The Road' vloeit over van bijna letterlijk verschroeiende zinnen, maar die kun je niet citeren, die moet je in de vloed van het boek lezen. De apocalyps van McCarthy jaagt me schrik aan, werkelijk schrik, maar de schoonheid van zijn beelden en woorden helpen me met die schrik te leven, wat zeg ik: heel graag zit ik te sidderen bij het lezen van deze buiten alle categorieën vallende schrijver. Soms denk ik dat de verwoeste wereld die hij beschrijft echt is, een wereld van niet veel meer dan as. Dat wij al in die wereld leven, maar het nog niet doorhebben. We moeten nog ontwaken.

28-04-08

SO MUCH WATER UNDER THE BRIDGE

 

Wat je niet mag vergeten.

De tafels van vermenigvuldiging.

Het kapitaal.

Het concilie van Trente.

Karl Marx' Stellingen over Feuerbach.

Piratenverhalen.

Les misérables.

River Deep, Mountain High.

Bootjevaren met je broer in de dokken van de Antwerpse haven.

Het bloedgleufmes.

Een bange nacht op grens tussen Duitsland en Limburg.

Juni 1997, Kiekenmarkt Brussel.

Vrienden bij wie je terecht kan omstreeks middernacht.

Maanden verlaten in de Limburgse bossen en dan expo 1958.

Vechten op speelpleinen.

De geboorte van je zoon.

De naam van je zoon.

De namen van iedereen die je ooit liefhad.

Nadja.

Erwin.

Raoul Vaneigem. 

Landverraders, schurken en augurken.

“Il faut être absolument moderne.” (Arthur Rimbaud)

Like A Rolling Stone op de transistor-radio in 1965.

“I would leave you if I could because I know that you’re no good, but I love you.” (Jimmy Holiday, 1967, uitgevoerd door Clydie King).

Neil Young.

Karen Black in “Five Easy Pieces”.

Death Letter Blues.  (Son House versie)

Hoochie Coochie Man. (Willie Dixon).

Het eiland Kreta.

Het slangenmuseum in Albuquerque.

Jimpy, mijn hond.

De straten van Brussel, Antwerpen en New York.

De koolmijnen.

De geur van de varkens op een kleine boerderij in Neerharen.

De Schelde, de Douro en de Mississippi.

Vrouwen in mijn dromen.

De smalle, gevaarlijke steenwegen in de jaren zestig.

De songs van Gerry Goffin en Carole King.

De films van Rainer Werner Fassbinder en Nicholas Ray.

Gary Cooper, Wim Wenders en Peter Handke.

De vrolijke wetenschap.

4 letzte Lieder. (Richard Strauss/ Elizabeth Schwarzkopf)

William Blake, Friedrich Hölderlin, Walt Whitman en Lucebert.

De Maas tussen Luik en Dinant.

“Well, Billy Joe never had a lick of sense, pass the biscuits, please.(Bobbie Gentry)

En deze regels.

“The next day everybody got up

Seein' if the clothes were dry.

The dogs were barking, a neighbor passed,

Mama, of course, she said, "Hi!"

"Have you heard the news?" he said, with a grin,

"The Vice-President's gone mad!"

"Where?" "Downtown." "When?" "Last night."

"Hmm, say, that's too bad!"

"Well, there's nothin' we can do about it," said the neighbor,

"It's just somethin' we're gonna have to forget."

"Yes, I guess so," said Ma,

Then she asked me if the clothes was still wet.”

(Bob Dylan, 1967)

De geur van nieuwe boeken.

Fietswielen draaiend in de zon.

Schaduw in de zomer op het gazon.

Soulmuziek en mondharmonica’s.

De smaak van water.

02-07-07

ZINSVERBIJSTERING


Dit is je gelukt overdag: een minuscule tuin in de zon, zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. ‘s Nachts verklaren we niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat houd je in je donkere hand? Wat valt ten prooi aan je blauwe mond?

Binnenskamers bij kunstlicht staat zwart op wit beeldig. (Buiten verliezen je zinnen hun zin. Oude en nieuwe boeken onthouden je hun gefluister.) Suf gecatalogiseerd werpt de bibliothecaris zich onder tram 56, de traagste van alle. In stilte teruggekeerd verschroei je zijn foto, zijn existentie. Altijd de erfgenamen toch nog, als varens in je minuscule tuin, als digitalis.

Zonnebloemen, klaprozen, digitalis zwijgen, zingen niet als de hand gods slaat en het hart van slag raakt. Zo ook ligt het gewoel neer in de luwte. Een hond lui uitgestrekt in de schaduw van een gevaarlijke bar.

Overdag moet je alleen radeloos zijn. Geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een sterveling in je armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of aan de rand van de afgrond. Nooit is iemand je raadgever als je niets bent. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ben. Ik ben uitzinnig in dit treurige reservaat.

Toen we met zijn allen samen zongen hielden we onze knieën in de handen. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Alles viel uiteen en weer ineen als we er voor een moment vat op kregen. Boven op een berg of in het dal de echo. Tot tenslotte zinsverbijstering tussenbeide kwam.

09-04-06

WOORDEN OPGESPOORD

 

proza,smeekbede,literatuur,muze,aanroeping,verwaarlozing,woorden,zinnen,creeren,schrijven,schoonheid,lusteloosheid,koffie,porto,amaretto,wijn,bier,betekenis

Ja, ja, ik heb je opnieuw verwaarloosd. Het is niet dat ik niet aan je heb gedacht. Je moest eens weten hoeveel gedachten aan jou op een dag door mijn hoofd razen. Doe geen poging, ze zijn niet te tellen. Zo vaak voel ik de aandrang om je te gebruiken als ik dat zo mag noemen. Of ben jij het die mij gebruikt? Je te gebruiken, om van antwoord te dienen, commentaar te geven, te argumenteren. Om verhalen te vertellen, verzinsels, hele en halve leugens; of rechtuit de waarheid te spreken. Gelul, geleuter en kleinspraak. Of om je gewoonweg maar uit te drukken, te formuleren, voor het plezier, om je mooie vormen te zien verschijnen. Zonder meer. 

Maar net voor het moment van je ontstaan overvalt me opeens die oude vertrouwde lusteloosheid. Alle energie is aan mijn lijf onttrokken, alsof het bloed was, opgezogen door vampiers. Zo fantastisch gaat het er echter niet aan toe.

Kan ik je dan niet meer zien? Kan ik je niet meer oproepen? Ik span me nochtans ik. Ik drink liters koffie, slik alle mogelijke vitamines en mineralen, omega-3, wat je maar wilt. Australische wijn, Amaretto uit Sicilië, Porto uit Porto, bier uit Jupille, solidair als ik ben met de arbeiders daar, maar het is vergeefse moeite. Van koffie word ik zenuwachtig, de pillen lijken placebo’s, de alcohol maakt me lethargisch.


Ik wil je niet verwaarlozen, echt niet. Ik heb eerder de indruk dat jij je voor mij uit de voeten maakt. Waarom dan toch? Ben je bang voor mij? Dat is toch te gek. Ik heb je lief, ik wil alles voor je doen, ik wil je alles geven. Ik zal je altijd volgen, tot in Mexico, tot in Paramaribo, tot aan het eind van de wereld, waar het laatste gras groeit.
Jij weet dat natuurlijk allemaal niet, want je hebt geen ziel. Ik kan jou een ziel schenken, en jij kunt me op jouw beurt plezier verschaffen, het plezier van je ontstaan en van de rijkdom van je betekenis, die ik nog minder in de hand heb.

Wellicht wegens mijn geestelijke uitputting ga je mij uit de weg. Ik heb inderdaad teveel van mezelf gevergd – en misschien ook teveel aan jou gegeven, maar dat mag ik niet zeggen, want dan spreek ik mezelf tegen - en leef nu al te lang tegen mijn ziel in, tegen wat mijn ziel verlangt (en ik heb het niet over ziel in christelijke betekenis, begrijp dat wel). Ziel of natuur of wezen? Je diepste zelf? Against your own heart, om het eens in het Engels te zeggen.
Maar ik had je ervoor gewaarschuwd, ik had het nog zo gezegd, meen ik mij te herinneren. Het is zo goed als zeker dat je niet altijd op me zult kunnen rekenen, heb ik gezegd, denk ik, maar dat betekent niet dat ik je vergeten zal zijn. Ik ben een heel trouwe man en ik kom altijd naar je terug. Maar die periodes van dorheid, wanneer ik je het meeste mis moet je proberen te aanvaarden. Zoals nu, nu ik zo in je nabijheid ben, maar je toch niet kan vinden. Alleen wat zwakke schaduw van je zie ik hier voor me opdoemen. Toch weet ik dat ik je op het spoor ben. Neen, je sporen kun je niet uitwissen.

27-11-05

SPOREN IN AUTOMATISCHE ZINNEN


Werelddingen, wendingen. Waarom dit en niet dat? When the night has fallen. Stand by me? Vrienden stellen geen vragen. Maken geen lijstjes? Geen lijsterbessen? Waarom niet? Angst voor waanzin, dronkenschap, afdwalen, verdwalen.

Een heel avontuur: van Antwerpen naar Brussel met natte voeten in de trein. Een sneeuwstorm, na de warme dagen, en nu wennen aan het vuur. Het vuur in mij, in jou. Het vonkje van de ziel. Ik kan geen zin meer zien en geen zinnen bouwen. Had ik een huis of een auto, dan misschien… Automatische zinnen. Zingenot. Maar de gave blijkt te verdwijnen. Een gebrek, een open wonde. Jongens, meisjes, vrolijkheid gevraagd op dit late uur, als de geliefden al lang te slapen liggen!

De nachtwacht ploetert door de sneeuw, maar waarschijnlijk heeft hij geen natte voeten. Of zij? Rode laarsjes? Cowboy boots. Blijft ze even staan voor mijn deur? Belt ze aan? Laat ik haar binnen? Sporen. Ja, ze laat sporen na. Uitwissen. Een nieuw leven beginnen, waar alles mogelijk is, geen draadjes, geen rafels, geen stenen tafels. Een vrij leven. Een toekomst tegemoet. Aan ziekte en dood ontsnappen en voor de liefde leven. Sporen van rode laarsjes, van Arthur Schnitzler en alle andere namen uitgewist.