02-12-14

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

HERINNER JE JE WILLIE BOY?

willie boy 2.jpg

Ziezo, kerstmis is in aantocht, het feest van de vrede. Overal in de stad schitteren de lichtjes en in de etalages staan lachende kerstmannetjes. Welke drugs zouden zij hebben genomen? Want hoe kan zo’n kerstman zonder hulpmiddelen nog lachen in deze tijd die in elke levenssfeer het einde lijkt aan te kondigen? Het is koud en donker buiten, er hangt een vuile nevel boven de huizen. Ik denk niet dat er waar dan ook in deze stad veel valt te beleven.

Hoe anders was het in de dagen dat we naar ‘London Calling’ van the Clash luisterden alsof in die muziek een nieuwe wereld kon worden ontdekt. Geen mooie of aangename wereld maar wel opwindend en stimulerend. Zo’n dag herinner ik me nu opeens weer, alsof het gisteren was. Eigenlijk was het zelfs meer gisteren dat het zogezegd echte gisteren dat nu, na een slapeloze nacht en veel gepieker, ver weg in het verleden ligt.

Het was een vrieskoude vrijdagavond. Mijn oude vriend Willie Boy was nog een keer op bezoek. We hadden elkaar ruim een jaar niet gezien. Hij zag er gezond uit maar was duidelijk in de war; hij vergat voortdurend wat hij gezegd had, herhaalde steeds weer dezelfde verhalen en anekdotes. Over drankzucht, werkeloosheid, financiële problemen, zijn meedogenloze ouders. Mij scheen hij nog steeds te vertrouwen. Hij was me dankbaar, denk ik, omdat ik hem, in tegenstelling tot wat enkele andere van zijn vrienden hadden gedaan, niet had laten vallen. Ik was met hem in contact gebleven, we schreven elkaar, zijn brieven kort, soms niet meer dan postkaartjes, die van mij lang en meanderend, me overgevend aan de woorden, écriture automatique of beat writing. Met Pritt plakte ik de ene bladzijde aan de andere en voelde me dan enigszins heldhaftig, een Antwerpse Jack Kerouac.

Die avond was ik vooral luisterend oor en deed er voor de rest het zwijgen toe. Nadat Willie Boy was uitgeraasd leerde hij me pokeren, of toch de basis van het spel. Hij had dat al vaak willen doen maar ik had er nooit zin in gehad. Pokeren en roulette behoorden niet echt tot mijn wereld, vond ik. Ik was geen speler en ben het ook nooit geworden. Dat Willie Boy zo graag poker speelde verbaasde mij echter niet. Rambling Gambling Willie*, noemde ik hem soms. Het pokerspel is een metafoor voor gevaarlijk leven, net zoals snelle wagens, heroïne, de namen ‘Geoffrey Firmin’ en ‘Charles Bronson’. Overigens lag mijn exemplaar van ‘Under the Volcano’ in Willie Boy’s auto toen hij hem enkele jaren eerder in de vernieling reed. Zelf had hij gelukkig geen schrammetje.

Een dag later, zaterdag, was Willie Boy terug, zoals was afgesproken. Nu zag hij er rustiger uit, vrolijk bijna. We zouden met z’n vieren het Antwerpse nachtleven induiken. Zijn nieuwe vriendin, Fannie, was met hem meegekomen. Ze was hoewel jong nog al gescheiden, moeder van een dochtertje. Fannie’s vader was een rijke juwelier. Dat had Willie Boy vrijdag al verteld. Ik weet nog altijd niet of het waar was. Wat was waar van wat Willie Boy vertelde, en wat was verzonnen? En had het belang? De blik in zijn bruine ogen had iets onvoorspelbaars, soms zelfs iets dreigends. Zijn passie voor messen vond ik eng, maar gelukkig was hij die avond ongewapend. Nu ja, daar ging ik alleszins van uit. En ik wist dat hij me nooit kwaad zou doen. Willie Boy was een goede vriend, maar ik besefte opeens hoe moeilijk het moest zijn om met hem samen te leven, een toekomst op te bouwen. Wat doe je met een lieve en goede man geobsedeerd door geld, amfetamine en gokken? Iemand die maar naar een ding schijnt te verlangen: zelfvernietiging.

Na het avondeten gingen we de stad in, mijn geliefde, Fannie, Willie Boy en ik. Zoals zo vaak in die tijd werd het een euforische nacht en even bizar als de tekst van ‘Glory’:

She got mad. She said, you're too steep.
She put on her boxing gloves and went to sleep.

Op dat nummer van Television hebben we uitbundig gedanst, aangevuurd door tequila en peppillen. ‘Always Crashing In the Same Car’ hoorde eveneens bij de hoogtepunten. Het zijn songs waarbij je jezelf geheel vergeet, je wordt één met het ritme, met de stem van de zanger of zangeres, of met een of ander geluid van een of ander instrument. Zoals ik het nu beschrijf lijkt het banaal, maar het is een ervaring die ongeveer alles wat je beleven kunt overtreft. Je kunt er moeilijk woorden voor vinden. Greil Marcus probeert het soms, maar slaagt er ook niet altijd in. Een orgasme kun je ook niet beschrijven. Het was een van die verrukkelijke nachten waar geen einde aan lijkt te komen. Alles is dan euforie, pure zinnelijkheid; er hangt seks in de lucht. Seks die weinig met neuken heeft te maken, alles met verlangen.
 
Dan opeens staat Willie Boy, een en al ingehouden toorn, tegenover een tooghanger. Hij denkt dat de kerel, een niemendal die ik van zien ken, ons heeft beledigd. Daar heb ik alvast niets van gemerkt. Zo was Willie Boy altijd: hij wilde niets liever dan ons beschermen en verdedigen. De arme man maakt zich meteen uit de voeten. Dat komt door Willie Boys's gevaarlijke blik, scherp als een gebroken whiskyglas. Hij heeft helemaal geen wapens nodig om iemand de daver op het lijf te jagen.

Van thuis had ik een oud boek meegenomen om onderweg uit voor te lezen: ‘Het Eeuwige IJs’**, over de tweede, noodlottige, Zuidpoolexpeditie van Robert Falcon Scott. Als jongen was ik verzot op zulke avonturen. Amundsen, Scott, Nobile en weet ik veel wie nog allemaal. Edgar Allan Poe heeft ook zo’n geweldige kleine roman, ‘The Narrative Of Arthur Gordon Pym’. Op het einde van dat boek wordt alles wit en lijkwitte vogels slaken de akelige kreet ‘Tekeli-li’’, maar ik dwaal af. Ik vond het relaas van kapitein Scott goed passen bij onze dronken expeditie naar het hart van de bevroren stad. Maar aan voorlezen had ik niet meer gedacht. Hoe had ik dat ook gekund, gelet op de oorverdovende rock & roll.  Zelfs in het kunstzinnige café Het Pannenhuis was het niet stil genoeg. Als herinnering aan de mooie nacht wilde ik Willie Boy ‘Het eeuwige IJs’ cadeau doen, maar daar wilde hij niets van weten. Ik moest het verkopen, dat ijzige boek is goud waard, zei hij. Uiteindelijk heeft hij het toch aangenomen.

Hoe lang we in dat café zaten weet ik niet meer, ongetwijfeld tot sluitingstijd. Toen we buiten kwamen lag er al een dikke laag witte sneeuw.  Natuurlijk waren we meteen weer de kinderen die we altijd blijven en al gauw waren we elkaar met sneeuwballen aan het bekogelen. Waarop we ons op halfbevroren voeten wankelend en lachend naar huis hebben gespoed. Weer thuis zong Fannie wat folksongs voor ons, ‘Four Strong Winds’, ‘Early Morning Rain’ en wat dies meer zij. Daarbij begeleidde ze zichzelf op mijn lichtjes ontstemde rode gitaar. Ik was onder de indruk. Zal ik om een punt achter deze mooie nacht te zetten nu wat voorlezen uit ‘Het eeuwige ijs’, vroeg ik Willie Boy. Hij was tenslotte de rechtmatige eigenaar van het meesterwerkje. Dat de ongelukkige Zuidpoolreiziger in de ijzige sneeuw verdwaalde en pas maanden later, één geworden met het genadeloze ijs, werd teruggevonden*** hoorde niemand meer. Slaap is sterker dan sneeuw.

Het is halfnegen. Mijn verslag is af, hoewel dat een relatief begrip is. Is ooit iets af? Ja, het leven van Willie Boy, dat wel. Wat had u anders gedacht? Om het tragische levenseinde van Willie Boy uit de doeken te doen ben ik nu echter niet bij machte. Dat is te veel in één keer. Misschien vertel ik er ooit nog wel eens over. Maar ik geloof dat dat nog moeilijker is dan beschrijven wat muziek in momenten van extase met je doet. De muziek van de dood is vooral heel stil.  Nu ga ik de straat op, op zoek naar een nieuwe mobiele telefoon. Ik moet contact onderhouden met mijn vrienden.
Scottgroup-zuidpool.jpg

*“It was late one evenin’ during a poker game
A man lost all his money, he said Willie was to blame
He shot poor Willie through the head, which was a tragic fate
When Willie’s cards fell on the floor, they were aces backed with eights”
Bob Dylan, Rambling Gambling Willie

* *Het eeuwige ijs: de Zuidpool-expeditie van Kapitein Scott. Een verhaal van den laatsten tocht naar de Zuidpool door kapitein Scott en diens tragisch einde, benevens een beschrijving van het natuurleven in het eeuwige ijs. J.M. Meulenhoff (Amsterdam, ca. 1920).

***Op 12 november 1912werd de ondergesneeuwde tent met de lichamen van Scott, Bowers en Edward Wilson gevonden. Tot kort voor zijn dood hield Scott een dagboek bij dat samen met een aantal brieven naast hem werd gevonden. Zijn laatste woorden schreef hij op 29 maart: "For God's sake look after our people".

16-06-13

WIE WENN AM FEIERTAGE... (FLASHBACK)

jos+matti.jpg

Jos D. & Martin Pulaski, Antwerpen, circa 1982.

De vertaling van Wie wenn am Feiertage waaraan ik ben begonnen op 12 februari 1976, gisteren (voorlopig) beëindigd. Een immens gewicht viel me van de schouders. In mijn hoofd hield het bliksemen op. Ik was uitgeput en tevreden. Poëzie van Hölderlin vertalen is gevaarlijk, dat weet ik nu met zekerheid. Overigens twijfel ik nog steeds aan de ‘juistheid’ van mijn vertaling. En toch ben ik blij.

Maar 't is ook allemaal werk voor niets geweest: want nu ligt het gedicht hier, twee vellen papier met wat letters erop, in een fletsblauwe map gestopt. Geen mens die 't ooit nog zal lezen, vermoed ik.

De voorbije nacht lag ik weer aan mijn Boek te denken. Nu overwoog ik de mogelijkheid om bepaalde ideeën (betreffende het Boek) visueel uit te werken  en tentoon te stellen. Maar ik heb er geen idee van op welke manier en waar.

"Fragmenten uit een Boek dat alles bevat": dat zou een geschikte titel zijn.  De fragmenten zouden kunnen zijn: teksten, foto's, knipsels, woorden, tekeningen, et cetera. 

Zo ben ik dan in slaap gevallen. Vervolgens toonde ik in een droom iemand een drietal bijzonder mooie tekeningen van mijn hand. Jammer genoeg kan ik in werkelijkheid niet tekenen.

... 

Mijn vriend J. is even op bezoek geweest.  Ik voelde me niet zo lekker. Weer die pijn in de borst en ademnood. Desondanks samen ook gezongen (‘Songs of Innocence’ van William Blake) en  Southern Comfort gedronken.

...

Donderdag 28 december 1978

(In die dagen was het alle dagen feest, gewicht of geen gewicht - van de wereld en de woorden. Er was een heilige geest in ons, een geest die alles met alles verbond, een geest die al lang een schim is geworden, een woeste en verwoestende afwezigheid.)

19-03-13

LA FORNARINA

themroc4.jpg

Ik zit met een vriend in de muziekkamer te praten over een scène in Themroc: Michel Piccoli gaat op jacht, vangt een politieagent en peuzelt hem op in zijn appartement, dat op de grot van een Neanderthaler lijkt.
Hoe de tijden veranderd zijn,  zegt mijn vriend. Dat gedrag zouden we nu niet meer goedkeuren; destijds juichten we het toe. Als we het gedurfd hadden, hadden we net zo radicaal geleefd.
Zeker, zeg ik, ik vond het bijvoorbeeld jammer dat ik geen jongere zus had om mee te neuken.
Is Claude Faraldo al dood, vraagt mijn vriend.
Ik zou het niet weten, zeg ik. Maar waarschijnlijk wel. Al onze helden van vroeger zijn dood, of op zijn minst ernstig ziek.

Op dat ogenblik komt een jonge vrouw de kamer binnen. Wat meteen opvalt is haar beate glimlach, zoals te zien is op Rafaello Sanzio’s ‘La Fornarina’. Deze onbekende, erg mooie, mysterieuze vrouw heeft echter een rode blouse aan. Fijn textiel, zijde waarschijnlijk, maar je ziet nauwelijks haar borsten. Ze neemt mijn gitaar, gaat op een stoel zitten en begint een melodie te spelen. De klanken die ze aan de snaren ontlokt heb ik nooit eerder gehoord; er bestaan geen woorden voor om ze te beschrijven. Hemels? Ga weg. Hoewel ik al weken niet meer gespeeld heb is het instrument perfect gestemd. En dan begint ze te zingen. ‘You’re No Longer A Sweetheart Of Mine’ zingt ze, mooier, intenser dan alle versies die ik al van het lied heb gehoord.
Ik zie dat mijn vriend wil meezingen, net als ik. Maar dat durven we niet, we zouden ons belachelijk maken met onze schorre, mateloze stemmen. Als het lied gedaan is zet La Fornarina de gitaar terug op de standaard en verlaat nog altijd glimlachend de muziekkamer.

Mijn vriend en ik drinken zwijgend onze kopjes thee leeg.

24-07-12

MEESTERESSEN

 

maitresse2.jpg
Maîtresse - Barbet Schroeder (1976)
 

Wat is de merel vandaag stil, zegt ze. 
Vertelde ik je al over de man met de harige kont, zegt hij.
Nee, zegt ze, maar wil ik dat horen?
Hij loopt hier de hele tijd in zijn blote kont rond, zegt hij.
Zo, zegt zij.
En over de man met de bloedende buik, zegt hij.
Nee, zeg ze, bloedende buik?
Ik lig hier in een ziekenhuiskamer, zegt hij.
Ja, zegt ze, nu je het zegt.
De kleur van mijn kamerjas, zegt hij.
Wit, zegt zij, je lijkt op een boeddhist.
Ik zou hier een boek kunnen schrijven, zegt hij.
Op zo’n korte tijd, zegt zij.
Ja, zegt hij, een dun boek, dat wel.
Spannend, zegt zij.
Een boek over meesteressen, zegt hij.
De verpleegsters, zegt zij.
Hoe raad je het, zegt hij.
Normaal hebben ze nochtans veel noten op hun zang, zegt ze.
Wie, zegt hij.
De koekoek, de uil, de kraai en de merel, zegt zij.
Misschien vanwege die tweeëntwintig kinderen, zegt hij.
Zo stil, zegt zij, dat heb ik nog nooit gehoord.


21-12-11

LAATSTE DAGEN

 

kiefer2.jpg

Het prozagedicht World’s End ontstond op 3 december 2011 tijdens een treinrit van Antwerpen naar Brussel. Ik had mijn radioprogramma Zéro de conduite aan dierenliederen gewijd en daarna vis gegeten in een Chinees restaurant. Als dessert had ik een Japanse saké gedronken. Ze hadden ook Chinese maar die was bijzonder sterk en werd mij afgeraden.  Waarom weet ik niet. Zag ik er dan werkelijk zo ziekelijk en zwak uit? Ik voelde me nochtans vrij fit. De saké was niet warm, niet lauw, eerder koud, en bevatte weinig alcohol. Toch heeft hij me aangevuurd. En die dierenliederen bleven in mijn hoofd spoken, vooral ‘Horses In My Dreams’ van PJ Harvey, uit haar elpee ‘Stories From The City, Stories From The Sea’. De zes witte hengsten komen uit een song van Gillian Welch, maar dat beeld is ouder dan de straat. Ik leen graag beelden, maar vind er even gaarne uit. Een vraag is of er nog onuitgevonden beelden kunnen ontstaan. Zoniet kun je alleen maar uit een voorraad putten. De oude Grieken hebben ons in dat opzicht wel verwend.

De trein reed zacht, niet zoals in mijn herinneringen, naar de hoofdstad.  Op dat zachte ritme schreef ik mijn woorden neer, in een klein Japans notitieboekje. Die boekjes schaf ik me aan bij Muji. Niet in Brussel: die winkel is al lang toe. Ik geloof dat de inwoners van deze stad niet erg geïnteresseerd zijn in mooie en nuttige dingen. Er ontstond een nogal moeilijk leesbaar gedicht. Nochtans had ik gedronken. Hoe kwam het dan dat mijn handen beefden?

De dagen die erop volgden heb ik het gedicht-in-wording (of niet), niet durven bekijken. Mijn stelregel is dat je niet moet schrijven als je gedronken hebt. Maar waar dienen stelregels voor? Op een avond ben ik er opnieuw aan begonnen. Wat er stond, stond me wel aan, maar niet in versregels. Versregels drongen er een vorm aan op, terwijl de paarden nog wild waren en droomachtig. Er ontbrak ook veel, over de wereld, over de mensen. Daar dacht ik over na, en zo kwam ik bij ‘ground zero’ terecht. Wat hebben wij als mensen aan de aarde gegeven? Verdienen wij het wel om hier te leven, om te genieten van deze grond? Ik dacht ook aan het ‘ademkristal’ van Paul Celan en aan zijn ‘Todesfuge’. Aan de verschrikkingen van de uitroeiingskampen en de zelfmoord van Paul Celan. Toen het gedicht voorlopig af was – in enigszins wilde prozavorm – vond ik de reproductie van Anselm Kiefer waarop hij naar Margarethe uit ‘Todesfuge’ verwijst. Dat werk is geen illustratie. Het moest erbij staan, het hoorde erbij, zoals de bomen van Gerhard Richter bij Cydia Pomonella ii.

Ik dacht ook aan gevallen engelen. Dat is meestal het geval als ik een werk van Anselm Kiefer zie. Elke mens is een gevallen engel, ook Margarethe. Een gevallen engel moet, net als een wild paard, zijn weg hier vinden. Een eigen haard. Goud waard, zeggen de mensen soms nog. Maar wie zal dat bevestigen? Voor de haard zag ik de smid staan, Hephaistos, man met sterke armen, dunne benen. Op het eiland Lemnos vond hij zijn smidse, deze uit de hemel verbannen man, vanwege een liefdesgeschiedenis van de goden, die hem niet liefhadden. Maar wel de mensen die zich verwarmden aan zijn vuur en zijn kunsten.

Wat een sombere, negatieve tekst was het geworden! Alle wegen leidden naar nergens, naar het eindpunt, naar daar waar niets meer te zien valt. World’s End bestaat echt, maar is toch vooral een imaginaire plek. Een vriendin van me had me al verteld dat in 2012 de wereld zou vergaan: wij zouden de Apocalyps nog meemaken, zo bevoorrecht zijn we. Overigens is ‘Apocalypse!’ de titel van Bill Callahans laatste plaat, waaruit ik het nummer ‘Drover’ (veehoeder) die avond had geselecteerd. In die ondergang sleepte ik heel Europa mee, een Europa dat uitgeput is en nergens meer naar verlangt, tenzij naar zijn algehele vernietiging.

Het schrijven zelf echter riep toekomst op, idyllisch bijna, en antiek. Een sprankel hoop weerklonk in de woorden, als ik ze luidop las. Opeens zag ik het spel, niet alleen het taalspel, maar het oude spel van de Homo Ludens, het ganzenbord, de holle wegen, het dwalen en dolen, het vinden zonder op zoek te gaan.  Ik zag het hoeden van de kudden. De zorg van mensen voor dieren. Het mededogen in ziekenhuizen en tijdens rampen. Het elkaar in bescherming nemen, zoals vader en zoon in ‘The Road’ van Cormac McCarthy. Het zingen voor elkaar, zoals in ‘The Time Of Our Singing’ van Richard Powers, om elkaar te troosten, om een zindering bij de andere teweeg te brengen. Het opstaan uit lethargie en onvermogen. Het verwerpen van de ondergangsstemming. Waren dit de laatste dagen? Opeens zag ik een opening in het bos. In mijn idyllische jeugd; maar ik zag ze ook in de toekomst, vol licht en beloftes. Ik zag de paarden draven in de richting van een open veld, een vruchtbare steppe. En om ons heen stonden de bomen niet langer als vijanden, als onverschilligen. Ik geloof niet langer dat het te laat is. Vandaag niet. Maar op 3 december had ik over al deze dingen nog niet nagedacht en verwachtte het ergste: World’s End.

world's end, apocalyps, dierenliederen, paarden, wilde paarden, radio, trein, antwerpen, brussel, muji, saké, schrijven, gedicht, proza, mythe, mythes, hephaistos, paul celan, pj harvey, bill callahan, gillian welch, beelden, verbeelding, anselm kiefer, ground zero, todesfuge, shulamith, margarethe, bomen, gerhard richter, engel,  hoop, homo ludens, zorg, mededogen, liefde, richard powers, cormac mccarthy, troost, zingen

19-01-11

NU DE VOLLE MAAN SCHIJNT IS MIJN DORST GROOT

 

cet-obscur-objet-du-desir-1977.jpg

Cet obscur objet du désir - Luis Buñuel - 1977

‘It’s all in your mind’ zingt de zanger. Ik zag de volle maan, bijna als een zon die mij verblindde. Ik stelde mij die zonnige maan niet voor. Zij kwam achter de wolken uit en verdween dan weer, speelde een spelletje met me, zoals een kind dat doet met zijn speelgoed. Ik wilde blijven kijken tot ik bijna blind was, maar dat mocht niet van de donkere wolken. Ik had eerst niets geweten van een volle maan. Ik had bijna de hele dag gesuft en geslapen. Later had ik het vuil buitengezet, zoals de meeste mannen doen. De afwas had ik ook al gedaan. En wat gezellige ruzie gemaakt met mijn vrouw. Niets spectaculairs, de dagelijkse huiselijke taferelen, die overigens met veel begrip en tederheid gepaard gaan. Het is een ritueel dat sommige mensen nodig hebben om te kunnen gaan slapen. Ik stond op straat onder onze boom en zag opeens die ronde volle maan en dacht aan woorden van Paul Bowles. Herhalen wil ik ze niet, ze staan hier ergens in de marge. De volle maan herinnert je, zeker op jouw leeftijd, aan je sterfelijkheid. Omdat er niet zoveel volle manen voorkomen in een mensenleven – zeker niet volle manen die je ook echt ziet en dan nog eens voelt ook. 

Geheel toevallig had ik bij het ontbijt een interview met Neil Young gelezen, een man die kennelijk alleen maar songs opneemt bij volle maan. Ik las dat hij in de tijd van ‘Harvest’ geen woorden vond om zijn geluk uit te drukken. Daardoor kwam ‘Out On The Weekend’, een song over gevonden geluk, er heel droef uit, wat tot veel verkeerde interpretaties en misverstanden leidde, ook bij mezelf. Hoe kan iemand droef zijn en tegelijk gelukkig? Iemand die me dierbaar is legde me uit hoe dat mogelijk is. Ruw geschat vijftien volle manen geleden gebeurde dat. Mijn leven is sindsdien veranderd. Ik zie veel dingen anders, in een ander perspectief, de kleuren zien er anders uit, er zijn meer lagen, wat op een impasse leek is een passie geworden.

Hoe vaak is dat niet het geval bij schrijvers, muzikanten, kunstenaars. Ze willen iets roods maken, en het wordt blauw, ze denken aan de blues maar het wordt een elektronische dance song, een gedicht is bijna af en het wordt een roman van duizend bladzijden. Ga zo maar door. ‘It was only a change of the plans’, zingt Neil Young. En ik schenk je glas nog eens vol. We drinken op de idealisten, avonturiers, surrealisten, degenen die plastic bloemen planten in de voortuin van Polanski’s huis. We drinken op het zout van de aarde en op de peper. Ook drinken we op hoe we erin slagen het profiteren en misbruiken om te buigen in werkelijk genot en uitzinnig plezier. 

Je weet dat ik graag namen noem. Namen doen een tekst ontsporen. Waarom zou dat niet mogen? Een tekst is geen trein, er zitten geen echte mensen in. It’s all in your mind. Een tekst komt uit de verbeelding, uit het verleden, uit de woorden van oude idioten, uit beelden van andere teksten, uit jouw mond, uit jouw boodschappen en geintjes. Soms denk ik dat een tekst moet ontsporen om echt te zijn. Om niet als een vervelend obstakel de plaats in te nemen van het donkere object van je verlangen. Om de uitdrukking van een obsessie te zijn. Maar ik wijk af. Over obsessies wil ik het niet hebben, omdat ik nog niet meer namen wil noemen. Het moet netjes en overzichtelijk blijven. Je moet voorzichtig zijn. De wet naleven en je rekeningen betalen. Niet uit het oog verliezen wie je vrienden zijn. En de volle maan.

De wet echter weet niets van je avontuurlijke aard. De wet weet niets van je dromen. De wet geeft niet om jou. Voor de wet ben je een nummer, een geval, een case. De wet stuurt je rekeningen, deurwaarders, dokters, gewetensbezwaarden. De wet opereert je, geneest je en laat je weten dat je nog leeft en al of niet gehuwd bent. De wet geeft je een stem zonder waarde. De wet tekent je profiel. Wat betekent de wet dan nog? Nu de volle maan schijnt zou je net zo goed een bedrieger, een dief, een echtbreker, een pistolero, een gaucho, een maanzieke, een zot kunnen worden. Waarom niet? Een pervert, een nymfomane, een heilige, een mankepoot, een zielig figuur, een harlekijn, een kimono my house. Een, een, een.

Zo zit je je dan opeens op straat, zonder iets. Je zingt niet langer. Je zegt niets. Je hebt een bekertje in je handen. Je ruikt naar pis. Je vraagt niet eens meer om geld. Je houdt het bekertje omhoog. Wat geld voor wat bier. Een jonge vrouw die lekker ruikt geeft je een sandwich. Je ogen vochtig. Wat hoesten. Een herinnering van toen je aan een vijver zat te vissen met je vader. Van je vader die zei, wat ben jij een goeie visser. En dan weer terug op de Anspachlaan, uitgeblust met je beker in de hand. Je hand zoals je gezicht rood, opgezwollen. Zingen kun je niet. Je herinnert je geen woorden, van geen enkel lied, van geen enkele conversatie. Hoe heet je zus, je broer, wat is een hart, een alvleesklier, waarvoor dient een milt? Weg met die dingen. Ik wil geen organen. Alleen een euro voor een bier. Nu de volle maan schijnt is mijn dorst groot. Mijn dorst is groot, nu de volle maan op jou schijnt. Begrijp je me nu niet?

23-04-10

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN

 

JaneBirkin

Hoe goed je het hebt in dit onvriendelijke, ongastvrije land, waar niemand nog tevreden schijnt te zijn. Gisteren stond je in Antwerpen heel even naar de Schelde te kijken, stromend onder een zelfs schijnbaar gelukkige mensen troostende zon. Je wilde in het koude water springen, niet om je leven te beëindigen, maar eerder integendeel, om je leven te vernieuwen zoals de natuur in de lente, om je op een heidense manier wederom te dopen. Maar natuurlijk sprong je niet, met zo’n helder hoofd en omgeven door zoveel onuitgesproken schoonheid en in de ban van zoveel nog in het verschiet liggend geluk. Met zoveel zoveel. Als je er drie dagen eerder had gestaan was je misschien in dezelfde rivier, hetzelfde water,  gesprongen uit wanhoop, ontreddering, uitzichtloosheid. Nee, je zou het vast niet hebben gedaan, maar toch… En waarom? Stilte. Er is geen antwoord.

Gisteren praatte je met je vriendin over het geluk. Niet alleen over het geluk maar ook over Straw Dogs van Sam Peckinpah en de boeken van George Pelicanos, onder meer. Geen small talk, dat niet. Daar zijn jullie niet goed in. Het thema ‘geluk’ sprong er uit. Wat is geluk, wat maakt een mens gelukkig? Hoe lang duurt geluk? Je bent maar zelden gelukkig, het zijn uitzonderlijke en extreme momenten, die je de indruk kunnen geven dat ze een eeuwigheid duren. Als jij terugkijkt op je leven zie je dat je zulke momenten nooit zelf hebt gekozen. Dat is onmogelijk: ze moeten je overvallen, zoals een misdadiger dat in een heldere straat kan doen om je geld en waardevolle voorwerpen te stelen. Je hebt lange tijd  gedacht dat je geluk voorgoed tot het verleden behoorde, wat je lusteloos en ontevreden maakte, zoals zoveel andere inwoners van dit land. Maar gisteravond, bij een lekker glas Greco di Tufo, kon je je vriendin met zekerheid vertellen dat er je zonder enige twijfel nog heel wat momenten van geluk te wachten stonden. De mogelijkheid tot geluk, tot tevredenheid, tot genot, was je om de hals gevlogen. Was je te beurt gevallen. Had je overweldigd. Het viel je moeilijk om niet in bijna extatische woorden te spreken. Maar je hield je wat in, omdat je zag dat je vriendin er wat ongemakkelijk van werd, misschien zelfs wat jaloers – terwijl jullie elkaar al sinds 1982 kennen en er nooit van liefde of zelfs maar verlangen sprake is geweest (al kan dat verlangen er natuurlijk wel geweest zijn, dat weet je gewoonweg niet). Jullie vriendschap is er een zoals tussen broer en zus. Jullie zouden in eenzelfde bed kunnen slapen en elkaar een kuise nachtzoen geven voor het snurken begint. Maar zelfs dat hebben jullie nooit gedaan. Er was alleen de troost van de vriendschap tussen een man en een vrouw.

Overigens hoort het ook niet als je met een dame bent te praten over het geluk dat iemand anders je schenkt. Maar waar het hart vol van is. Je komt ‘gelukkig’, dank zij een stel extremistische idioten, al gauw op een ander gespreksonderwerp. Je geliefde moederland,  je geliefde vaderland. Het paranoïde gewauwel dat je elke dag op de radio hoort, alsof de media met de nationalistische extremisten en separatisten samenspannen. Voor de Vlaams-nationale radio en televisie (VRT) is dat heel goed mogelijk: zij eten het brood van de separatisten. Maar daar wil je nu niet op doorgaan. Er zijn andere akkoorden, andere koren en gezangen die moeten gezongen worden dan die van vetzakken en profiteurs. Wilhelm Reich vroeg het zich al af: waarom kiezen wij ervoor om geregeerd te worden door onderdrukkers, profiteurs, parasieten, kinderverkrachters, intellectueel en seksueel imbecielen? Waarom verkiezen wij zulke mensen om ons te vertegenwoordigen in een klein zaaltje, parlement heet het, waar alleen nog maar rauwe kost wordt gevreten en niemand mekaar lust noch kust. Waarom verkiezen wij mensen die ons liefst van al dood willen, zodat zij de enige overlevenden zouden zijn, na de oorlog die zij zelf hebben ontketend.

Nu word ik ik, of toch een beetje.

Ik doe niet meer mee. Ik wil nergens meer bij horen. Ik wil bij de goede mensen horen die het goed bedoelen. Die de wereld willen veranderen in een tuin, in een park, waar we elkaar kunnen ontmoeten als vrienden, kameraden, geliefden, vrije en verantwoordelijke mensen, als vaders en moeders, als geliefden die elkaar overal waar ze willen kunnen kussen en strelen, in alle talen van de wereld en de niet-wereld. Een wereld waar alle utopieën met elkaar verzoend worden, als een parfum waarin de essentie van de beste bloemen samengebracht wordt. En wat ik hiermee bedoel is dat in elke mens een beste bloem aanwezig is. Je moet alleen voetstappen zetten en snuiven en ruiken en ruikt er voor ons mensen iets lekkerder dan het geslacht van vrouwen, van mannen, van witte, van zwarte, van gele, van bruine, van violette, van indigo, van markante mij onbekende kleuren? Jullie ruiken allemaal zo lekker. Maar het liefst ruik ik toch nog altijd de geur van mijn geliefde. Omdat er niet een enkele reden voor is. De geur van mijn geliefde geeft mij de woorden om dit te schrijven en op die wijze niet aan ontevredenheid ten onder te gaan. De huid van mijn geliefde maakt van mij een mens die qua huid niet verschilt van andere mensen en dieren. De tong van mijn geliefde kent geen enkele afzonderlijke taal maar kent duizend of meer talen als een mooie man of een mooie vrouw ze zingt of in haar oren fluistert. Een man of een vrouw is mooi als hij of zij in die talen liederen maakt, ze zingt of in haar oren fluistert. De ogen van mijn geliefde kijken ongerust maar tegelijk met vertrouwen naar onze toekomst, de onzekerheid die ons allen te wachten staat. Het lichaam van mijn geliefde heeft nieuwe levens geschonken, en daarmee wereld, toekomst, liefde en haat, oorlog en vrede.

Ik vertel haar over mijn leven. Een leven van droefheid, geluk, verdriet, haat, weerzin, afkeer, tederheid, woorden, beelden, gebaren, stellingen en strelingen, afzondering en verlangen, begane en onbegane wegen, vriendschap, tederheid, warmte in de winter en koude kussen in de hete zomer. Ik vertel haar over bergen en wijn, over de zee en sommige steden. Zij vertelt me haar leven. Stapje voor stapje. Dan is er muziek die alles wat we zeggen overstijgt. Dan kussen we elkaar en nemen we scherpe messen om ons los te snijden van elkaar. De straten worden rivieren van bloed. Ik vergeet mijn bril in de auto van mijn geliefde. Ik denk dat zij niet wenst dat ik over die bloedrivieren schrijf, terwijl wij elkaar net zo lief hebben en bloed een metafoor is voor de verbondenheid. Net op tijd herinner ik me mijn bril. Ze stopt even, ik zie haar als een aardse godin, als ze me die kleine glazen in de handen stopt. En dan rijdt ze weg, naakt onder een dun stofje. Alsof ze een personage is uit een film van Russ Meyer. Al zijn actrices zijn sexy en hun borsten overweldigen je. Dat ze sexy zijn en humoristisch heb ik altijd fijn gevonden, maar ik ben gek op de borsten van mijn geliefde. Ik ben gek op de borsten van  Charlotte Rampling en Jane Birkin. Je zou kunnen zeggen: ik ben de anti-Russ Meyer. Ik ben doodgewoon gek. Iemand die liefheeft is altijd gek. Iemand die de wereld liefheeft is het gekst van al. Freud zei dat het doel van het leven de dood is. Ik denk dat het doel van de dood het leven is.

 

07-01-09

LANGE HETE ZOMER VAN LIEFDE


LucasVanLeyden

“We’re all stars but some of us are looking at the gutter” las ik ergens, een uitspraak van Oscar Wilde, gelezen door een dwarsligger. Ik wilde er eerst nog “gutter twins” van maken, maar ging dat niet wat te ver? Was de oorspronkelijke omkering niet voldoende om duidelijk te maken hoe groot mijn afkeer is van gevonden uitspraken, ook al doe ik het zelf meer dan me lief is? Ik stel vast, en ik ben ervan overtuigd dat jullie dat ook doen, dat we intellectueel en qua imaginatie erg lui geworden zijn. Altijd maar herkauwen als koeien, ja, als verdomde koeien, of ligt die vergelijking niet voor de hand? Niet is wat het lijkt, maar door verwijzingen, citaten, gekende en minder gekende grappen, doen we alsof alles wel is zoals het is. We doen bijvoorbeeld alsof het koud is buiten, terwijl het eigenlijk warm is in vergelijking met de nucleaire winter die we ons dertig of twintig jaar geleden hadden voorgesteld, toen we met honderdduizenden op straat kwamen om onszelf tegen die vreselijke kou te verweren, om te pogen het tij nog te keren.

Het tij  is niet gekeerd. Het mag dan warm zijn buiten, maar de meesten van ons liggen nog altijd in de goot en kijken naar domgemaakte sterren. Nucleaire energie wordt opnieuw als een nobele bron van warmte gepropageerd. Grenzen worden gesloten; aan mensen zoals jij en ik wordt  geweigerd  in een goed uitgerust ziekenhuis te sterven. Niet dat het een feest is om op een westerse operatietafel de geest te geven, maar zonder morfine of water doodgaan in een brokkelige woestijnstad lijkt me veel erger.

Ik heb geen nieuwjaarswensen, behalve deze: dat iedereen overal welkom zou zijn, dat we allemaal zouden kunnen inzien dat we af en toe naar dezelfde volle maan kijken. En dat iedereen, en dat is helaas een verwijzing, zonder paspoort de grenzen over zou kunnen gaan. Dat je de ene dag zonder schoenen aan je voeten de sneeuw in moet, of het schroeiende zand, en de volgende dag over groen gras in een gematigd klimaat je weg kan zoeken, omringd door vriendelijke en begripvolle soortgenoten. Dat we allemaal menschen worden, zo snel mogelijk, en liefde weer veel meer gaat betekenen dan seks en Sodom en Gomorra. Ik geloof namelijk dat er niets is waartoe de mensen niet in staat zijn. Dat kan gewoonweg niet, als je een nucleaire winter kunt bedenken en verwezenlijken. Laat het daarom nu eens een lange hete zomer van liefde worden. Een jarenlange zomer, zonder soldaten, politie, wapens, uitbuiting en verdrukking. En een Orpheus die niet omkijkt, ook al denkt hij aan de vreselijke mogelijkheid dat Euridike in de goot ligt. Mag dat? Ja, het mag.

Afbeelding: Lucas Van Leyden, Lot en zijn dochters, 1530

22-11-08

BOB DYLAN IN LISSABON EN ANDERE PLAATSEN

 

muziek,metro,lachen,tekst,portugal,slapen,meisjes,bob dylan,ipod,straat,zingen,fnac,pessoa,patroon,lissabon,like a rolling stone,rua garrett

Lissabon, 2007. Foto: Martin Pulaski.

In Lissabon in de Rua Garrett, de straat van het befaamde café A Brasileira, waar Pessoa voor de deur een koffie zit te drinken, vreemd genoeg geen alcohol, kwam ik op een zonnige ochtend uit de metro. Ik wandelde rustig naar de Fnac, want, ja, ook in mooie steden als Lissabon, zuigt deze consumptietempel mij aan. Achter mij op straat hoorde ik de stemmen van twee – ongetwijfeld nog jonge – meisjes. Ze zongen ‘Like A Rolling Stone’, kenden de hele tekst uit het hoofd. Af en toe schoten ze in de lach, als de frasering niet helemaal klopte, of een noot niet helemaal zuiver was. Ik had zin om mee te zingen, want ik herinner mij ook nog hele fragmenten van de song, maar liet het toch maar zo. Ik kan helemaal niet zingen. Ik liep gewoon door, met de meisjes achter me aan, tot ze de straat overstaken en ik vaststelde dat het inderdaad twee jonge, waarschijnlijk Portugese, meisjes waren. Mooi, zo was het patroon niet doorbroken. Want tijdens elke reis die ik maak hoor ik ten minste één lied van Bob Dylan. Dat was tijdens deze reis tot die ochtend in de buurt van het Chiado nog niet gebeurd. Ik had weliswaar mijn iPod bij, maar dat telt niet en ik geloof niet dat ik er iets van Dylan op heb gehoord. Ik heb trouwens alleen maar van de iPod gebruikt gemaakt in het vliegtuig en tijdens mijn slaap. Ik kan heerlijk slapen met de oortjes van de iPod in mijn oren. Wat voor slaapverwekkende muziek moet er niet allemaal op dat schijfje staan.

15-07-08

DONKERE WOLKEN BOVEN BRUSSEL


summer clouds

Ik maakte deze foto gisteravond. Donkere wolken hangen boven Brussel. Het gaat niet goed met dit land, met zijn politici en met zijn bevolking. Al mijn vrienden zijn junkies, zingt Mick Jagger. Maar in mijn geval klopt dat niet. Mijn vrienden kunnen hun draai niet vinden. Mijn vrienden zoeken een uitweg. Mijn vrienden willen een mooi leven. Of zit ik hier maar wat te stamelen? Want ik weet het ook niet goed. Ik heb zoveel boeken gelezen en toch weet ik het niet goed. Erger nog, ik weet het helemaal niet.

Het is een mooie lucht, maar ze weegt zwaar als een donkere oceaan op mij en ze voorspelt helemaal niets. Er is geen toekomst, zingt Johnny Rotten opnieuw. Dat er geen toekomst is, zingt hij. En de grote banken sturen hun leiders met miljarden naar huis. De beautiful people vliegen met hun jets naar een of ander paradijs. Wij zingen een lied van een loser, Fred Neil of Tim Hardin of zo, drinken een glas, maken wat ruzie, wachten tot de wolken wegtrekken, drinken nog een glas en zetten die verdomde plaat van Bonnie 'Prince' Billy af. Die kerel met zijn verdomde geklaag altijd!

02-07-07

ZINSVERBIJSTERING


Dit is je gelukt overdag: een minuscule tuin in de zon, zonnebloemen, wat klaprozen, groenachtig gras. ‘s Nachts verklaren we niets. Geen mysterium tremendum, geen brakende albatros. Wat houd je in je donkere hand? Wat valt ten prooi aan je blauwe mond?

Binnenskamers bij kunstlicht staat zwart op wit beeldig. (Buiten verliezen je zinnen hun zin. Oude en nieuwe boeken onthouden je hun gefluister.) Suf gecatalogiseerd werpt de bibliothecaris zich onder tram 56, de traagste van alle. In stilte teruggekeerd verschroei je zijn foto, zijn existentie. Altijd de erfgenamen toch nog, als varens in je minuscule tuin, als digitalis.

Zonnebloemen, klaprozen, digitalis zwijgen, zingen niet als de hand gods slaat en het hart van slag raakt. Zo ook ligt het gewoel neer in de luwte. Een hond lui uitgestrekt in de schaduw van een gevaarlijke bar.

Overdag moet je alleen radeloos zijn. Geen miniatuur vervangt de natuur. Nooit valt een sterveling in je armen als je in een nuchtere bui de wolken bekijkt of aan de rand van de afgrond. Nooit is iemand je raadgever als je niets bent. Als je zegt: ik ben de woorden die ik niet ben. Ik ben uitzinnig in dit treurige reservaat.

Toen we met zijn allen samen zongen hielden we onze knieën in de handen. Van wie waren jouw knieën, haar enkels, mijn tenen? Alles viel uiteen en weer ineen als we er voor een moment vat op kregen. Boven op een berg of in het dal de echo. Tot tenslotte zinsverbijstering tussenbeide kwam.

03-03-07

LINOS ZONG DE BLUES


"Daarop beeldde hij ook nog een wijngaard van goud uit, een schone
Dicht met stokken beplant en dààraan hingen de trossen,
Donker, en 't veld was bedekt met zilveren palen, ontelbaar.
Daaromheen dreef hij een zwartblauwe greppel ! Van tin was de heining.
Over de wijngaard leidde één voetpad, een enkel; de dragers
Keerden weer langs daar terug, wanneer zij de druivenoogst plukten,
Ook zag men jongens en meisjes uitbundig en dartel, die druiven,
Heerlijk, als honing zo zoet, in mandjes en vlechtwerk droegen.
Midden in begeleidde een knaap op zijn klinkende cither
Smeltend het lied dat hij zong met een stemmetje fijn. 't Was een Linos !
Prachtig ! De anderen stampten er bij, in de maat met hun dansen
Joelend en klagend en liepen hem na met huppelende voeten."

Homerus, Illias, Boek XVIII vs 527

Dit is een van de taferelen die Hefaestos op het schild van Achilles afbeeldt.

11-12-06

FEESTZALEN, CAFES EN KAMERTJES

dagboek,cafes,ab,bed,films,vrienden,feest,wijn,townes van zandt,le coq,drinken,muziek,pop,fado,misia,collega,werk,vrt,dalida,sophie calle,beck,duivel,cirio,limburg,zingen,brussel,nachtleven,pp,euforie,receptie

Ik heb een duivels oorkussen voor je meegebracht, zei ze. Ja, dat kan ik wel gebruiken, zei ik, en nu nog een devil’s haircut. Er staat anders niet veel meer op, zei ze. Nee, er staat niet veel meer op, zei ik, maar een devil’s haircut behoort toch nog tot de mogelijkheden. Dat oorkussen mocht wel, want had ik mijn week niet in ledigheid doorgebracht? Oordeel zelf maar. Maar oordeel alleen over wat ik me er van herinner. Overigens, waarom zou je eigenlijk oordelen? Het is het leven zoals het is, daar valt niet veel anders over te zeggen. ’s Morgens sta je op en ’s avonds ga je in bed en voor niets gaat de zon op. 


Maandagavond, na de dagtaak, had ik met mijn Antwerpse vriend Theo afgesproken in café PP, waar we wat bier dronken. We aten kalfsvlees à la saltimbocca, lekker bereid, bij één van mijn favoriete Italianen, aan de Plattesteen. Daarna begaven we ons naar de AB voor het concert van Misia, de wonderlijke diva uit Porto. Begenadigde zangeres, begenadigde muzikanten. Het eerste deel was sobere fado gezongen door een in een lange zwarte jurk gehulde Misia, sereen en op blote voeten. Ze gaf veel uitleg bij de liederen, wat de verstaanbaarheid uiteraard ten goede kwam. Fado is droevige muziek, maar Misia heeft een bijzonder humoristische kant, waardoor een mooi evenwicht ontstaat tussen de zang en het gesproken woord. In dat opzicht deed ze me aan de diepbetreurde Townes Van Zandt denken, die de meest wanhopige songs, zoals Nothing en Waiting Around To Die, kon afwisselen met hilarische gesproken intermezzo’s. De beste galgenhumor die ik ooit heb gehoord, die van Townes.

Na de pauze keerde Misia terug in een elegant zwart mantelpakje, op hoge hakken en duidelijk bereid tot enige frivoliteit. Het publiek werd ten dans uitgenodigd in een hotelkamer in het Drama Box Hotel. Zo mochten we het ons voorstellen. Hulpmiddel: op de achtergrond een foto - in de stijl van Sophie Calle - van de hotelkamer; op het bed een ouderwetse, rode telefoon. Misia zong fado’s, bolero’s, tango’s, meestal in het Portugees, maar ook in de taal van haar moeder, het Spaans, en één keer, voor een lied van de tragische Dalida, in het Frans. Misia kreeg een staande ovatie. Nu, precies een week later hoor ik nog steeds haar pure en dramatische stem en het indringende, melancholische geluid van de Portugese gitaar.

Dinsdagmiddag hadden we een personeelsfeestje. Daar valt niet veel over te zeggen, behalve dat we een ‘studiebezoek’ brachten aan de VRT. Een gebouw waar ik in mijn jeugd voor werd klaargestoomd, maar waar ik om velerlei redenen aan verzaakt heb. Ik zag Kurt Van Eeghem door de gang schrijden. Laura luistert graag naar zijn programma. Zelf zet ik nooit de radio aan. Het hoogtepunt van het bezoek was de set van FC De Kampioenen. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Ik kreeg er meteen een niesbui: het bed van Carmen was niet opgemaakt. Moet dit de smaak van de doorsnee Vlaming voorstellen? Ik vrees het een beetje. Gelukkig heb ik van de serie nog geen enkele aflevering gezien. Tot slot mochten we ook even de studio van de Rode Loper binnen. Er werd ons meegedeeld dat een blauwe achtergrond onzichtbaar werd gemaakt dank zij allerlei technologische snufjes, en dat de kijker thuis dan kleurige cirkels te zien krijgt. Je mag alleen geen blauwe kleren dragen, want dan word je onzichtbaar. Hello Jim! Ik zat te reikhalzen naar die rode loper, maar die viel niet te bespeuren. Ook dat programma heb ik nooit op televisie gezien, ook niet die psychedelische cirkels, ook niet de presentatrice, Jasmine of zo. De groep Clouseau, de Vlaamse Beatles, kan mij evenmin bekoren. Ik weet trouwens niet precies waarom ik een verband leg tussen een rode loper en de broertjes Wauters.

Dinsdagavond zat ik met mijn lieve vriendin Inge in café Cirio. Het is mijn geliefkoosde plek om af te spreken. Er wordt slechte wijn geschonken en nog slechtere half en half, maar er hangt altijd een soort van hartstocht in de lucht. Ik denk dat Misia zich er goed in haar vel zou voelen. In een hoek van het café was die avond een dame onwel geworden. Haar gezellin riep dat er een ambulance moest komen. Beide dames waren zeer dronken; ze leken een tragisch leven te leiden. Het was een aangrijpend, triestig tafereel, meer nog doordat nogal wat mensen in de Cirio met deze zielige mensen zaten te lachen, zij het niet al te luid. Ongeveer een half uur laten betraden de verplegers de gelagzaal. De oude vrouw, met felle rode lippen en een blik die gaten in de ziel brandde, werd op een brancard gelegd en naar buiten gedragen; de andere dame, waarschijnlijk haar dochter, liep er jammerend achter, mamie, mamie! In het café lachte niemand meer, de meeste klanten waren al vertrokken. Er hing een sterke geur van urine.

De rest van de avond verliep vrolijker. Inge en ik dronken witte wijn in de AB, waar nog maar eens feest werd gevierd. Ook aasden we op hapjes. Na een uur of zo dronk de witte wijn ons. Ik weet niet meer met wie we allemaal praatten, wie een glas stuk liet vallen en wie Nick Lowes I love the sound of breaking glass begon te declameren. Wel weet ik nog dat ik melancholisch werd toen we herinneringen aan Lucca oprakelden. Zulke mooie zomer zullen we nooit meer meemaken, zei ik. Ik voelde mij in de zieke melancholicus Leopardi veranderen en dat wilde ik voor geen geld van de wereld.
Toen Inge al naar huis was – zij houdt zich zeer stipt aan haar tijdschema’s, wijn of geen wijn - geraakte ik in gesprek met een stel jonge Limburgers. Limburg is de coolste plek van België, bleef het meisje zoooo lang herhalen tot ik haar gelijk moest geven, hoewel ik er sinds 2001 niet meer geweest ben. Vijf jaar, dat is een lange tijd. Maar ik vermoed dat het Limburgse meisje de waarheid sprak. Bovendien zijn er twee Limburgen, als de ene provincie tegenvalt, kun je het nog altijd in de andere proberen.
Van de AB begaf ik mij op een onbestemd uur met een groepje betrouwbare nachtraven naar Le Coq. Twee meisjes in het gezelschap zongen onophoudelijk. Ook een drankje bestellen deden ze al zingend. Het was alsof ik in Les parapluies de Cherbourg was beland. De situatie was bijna even mooi als in die film. Ze hielden echt niet op, behalve om af en toe een slokje van hun wijn te nemen. Toen ik in de taxi naar huis zat hoorde ik nog steeds hun jonge, vibrerende stemmen, Purple Rain, Yesterday, Nights In White Satin.

Woensdag heb ik in bed gelegen. Ik voelde me ziekjes. Sombere gedachten joegen als de wind buiten door mijn hoofd. Koortsige taferelen verjoegen schuldgevoelens en depressie en vice versa. Ik lag te woelen in mijn bed en piekerde over het ouder worden. Hoe je lijdzaam moet ondergaan dat je, vooral op het werk, stilaan wordt uitgesloten vanwege je leeftijd. Maar je wordt van alle kanten aangespoord om langer en harder te werken. Er moet een zilverfonds worden aangelegd! Oudere werknemers zijn waardevol, vanwege hun ervaring en hun inzicht. Dat is het officiële discours. In werkelijkheid zitten bepaalde jonge arrivisten ongeduldig te wachten tot je er eindelijk de brui aan geeft of de pijp uitgaat. Sommigen, vooral intelligente jongeren, respecteren je juist omdat je ouder bent, omdat je de meest verbluffende periode van de twintigste eeuw hebt meegemaakt, ze weten dat ze wat van je kunnen leren, voor hen is het duidelijk dat je niet opeens minderwaardig bent omdat je ouder wordt; anderen vinden dat dat allemaal niets te betekenen heeft en lachen je erom uit. Dit is de beste tijd die er geweest is, zeggen ze. Ik heb nooit een slechtere tijd gekend als deze. Maar ik ben na de oorlog geboren. Ongetwijfeld zijn er nog slechtere tijden geweest. De geschiedenis is een aaneenschakeling van schandalen en bloedbaden.

De rest van de week heb ik heb films zitten bekijken. Met The Big Lebowkski heb ik nog eens goed gelachen. In een gesprek met David Lynch op de VPRO werden hem vooral domme vragen gesteld. De monotonie van zijn antwoorden verbaasde me niet echt. In bijna elk antwoord kwam het woord ‘droom’ voor. Voor David Lynch is pas iets waardevol als het hem tot dromen aanzet. Een werk van Edward Hopper bijvoorbeeld, of Elvis Presley die in de Sun opnamestudio even op de canapé gaat liggen voor hij de rock & roll ‘uitvindt’ – alsof er daar een psychoanalyse moest gebeuren. Als Elvis weer opveert uit de canapé is de zaak voor elkaar: That’s Alright Mama! Buikschuddend heb ik gelachen met de onovertroffen antiheld WC Fields. Ossessione is een vroeg meesterwerk van de marxistische aristocraat Luchino Visconti. Het is een film waarin de mannelijke lichamelijkheid centraal staat, ook al gaat het over een femme fatale. De blik van de vrouw is een voorwendsel om het bijna tot dierlijkheid herleide lichaam van de man te tonen. Overigens is het verschil van Visconti’s versie van The Postman Always Rings Twice met de andere verfilmingen dat de man geen escapade maakt met een andere vrouw, maar met een intelligente, mooie jonge man. Die mooie, jonge man is een metafoor voor de vrijheid en voor het reddende gebaar. De femme fatale is de lokroep van de gebondenheid, de verzekering en de dood. Nog een meesterwerk is A Place In The Sun van George Stevens, met Elizabeth Taylor, Shelley Winters en Montgomery Clift. The Clash heeft erover gezongen in The Right Profile. Montgomery Clift was een beetje een held voor de punks. Zelfvernietiging stond hoog aangeschreven bij die generatie. Die young, stay pretty. Wellicht hadden zij het al zien aankomen dat ouder worden maar niets is in deze tijd. Joe Strummer heeft net op tijd de pijp aan Maarten gegeven. Wie meer wil weten over A Place In The Sun beveel ik de film zelf aan, en een boek over George Stevens. Het is een film die veel twijfel zaait aangaande goed en kwaad. Bijvoorbeeld: hoe kun je iemand juist beoordelen? En meer nog: hoe kun je iemand veroordelen?

Donderdag en vrijdag heb ik hard gewerkt. Werken is vermoeiend, zoals het leven zelf. Na een dergelijke dagtaak kan ik niet veel anders meer dan een film bekijken, en zelfs dat lukt me niet altijd. Soms raak ik niet veel verder dan eten en drinken. Maar dat maakt niet uit. Er komen wel weer andere dagen, voor nieuwe ernst en nieuwe vrolijkheid. Nog een beetje geduld en een paar kleine inspanningen, vrienden!

07-12-06

STORM EN CHAOS


Als ik zo stil blijf zal ik mijn kroon snel kwijt zijn. Bij Sargasso kijken ze onder meer naar gaten in je blog. Ik denk dat ze heel wat punten aftrekken als je een paar dagen niets meedeelt. Maar maakt het iets uit, een kroon of geen kroon? Als je stil bent, ben je stil en dat is nog meer zo als de wereld je sprakeloos maakt. In mijn geval is de toestand omkeerbaar, denk ik. Want deze sprakeloosheid heeft zowel met vreugde als met verdriet te maken. Als het alleen maar droefheid zou zijn, erger dan blues, dan zou ik wellicht niet meer spreken en zeker niet meer schrijven. Maar gelukkig zijn er momenten van diepe vreugde, van extase zelfs. Ik denk dat ik vooral stil ben omdat ik die momenten moet verwerken. Ik moet nog wat afstand nemen van wat ik de voorbije dagen heb beleefd. Daarna zal ik er wellicht iets over vertellen. Nu zoemen ruzies, ongenoegen, schaterlachen met een verre vriendin, WC Fields, David Lynch, een adembenemend concert van Misia, twee feestjes en een leuk avondje met een nabije vriendin als een hoorbare koorts in mijn hoofd. Alsof het een droom was herinner ik me ook twee zingende meisjes met wie ik vorige dinsdag in Le Coq zat. Alsof het een droom was, maar het was geen droom. Bijna een zelfde storm als buiten woedt in mijn denken, in mijn onbewuste en in mijn verbeelding. Dat is niet de geschikte toestand van waaruit je een samenhangende tekst kunt opbouwen. Storm en chaos kunnen wel interessant zijn, maar de chaos meedelen is voor mij – zeker op dit ogenblik – onbegonnen werk. Ik heb kennelijk de weg naar de (positieve) leegte, die open plek in mijn metaforisch bos, nog niet gevonden. Maar ik geef het zoeken niet op. Misschien moet ik eerst wat bomen omhakken, ook al is dat ecologisch weinig verantwoord. Tenzij het zo goed als dode bomen zijn. Terwijl ik die bomen omhak zal ik eveneens mijn ego wat strelen.

stilte,zwijgen,storm,chaos,ego,verbeelding,lamoriniere,nachtleven,drinken,zingen,vriendschap

Afbeelding: landschap van Jean-Pierre-François Lamorinière.

15-11-06

VRIJDAGAVOND IN PORTO

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

Gina Pane

Onze ideale gastvrouw Cristina had ons uitgenodigd voor een vegetarisch etentje in haar ruime en smaakvol ingerichte appartement dat uitkijkt op de Avenida dos Aliados. Aan de overkant van de boulevard, die veel weg heeft van een plein, kun je lekker gaan eten of koffie drinken in Guarany, een van de mooiste cafés van Porto. Bij het binnenkomen in Cristina’s salon werden wij meteen zacht ondergedompeld in de samba van de Braziliaanse zangeres Elis Regina en de tijdloze composities van Antonio Carlos Jobim. 


We hadden rode Evel en witte Platano Reserva meegebracht, lekkere wijn uit de Douro-streek. Cristina’s woning is een oord van muziek, poëzie en kunst. Ze bezit honderden tijdschriften, de meeste over kunst, literatuur en mode. Het enthousiasme waarmee ze boeken, tijdschriften en voorwerpen toont waar ze van houdt, en erover praat, doet me terugdenken aan jaren ’70 en ’80, toen ik zelf zulk enthousiasme ten toon spreidde als er vrienden te gast waren. Heel even had ik weer de indruk dat tijd niet bestaat, dat mijn jonge geest nog steeds in een jong lichaam huist. Maar een of andere spierkramp of een ander symptoom van aftakeling brengt me snel terug tot de realiteit. We praten over onze levens, onze families, vaak zijn het verhalen over ziekte en dood, alsof de melancholie van Porto ons aan haar onweerstaanbare wetten onderwerpt. Maar we hebben desondanks veel plezier; we drinken er lustig op los; af en toe laat de kat Marcello zich zien, hij wordt graag gestreeld; Cristina rookt de hele tijd flinterdunne sigaretten. Af en toe maakt zij een foto met een van haar Nikons. Ik durf mijn Canon niet eens uit mijn rugzakje halen, ik bevind me in het gezelschap van een echte fotografe.

Als het bijna middernacht is begeven we ons naar het Museu Serralves, waar een tentoonstelling opent over de jaren ‘80 (ANOS 80: UMA TOPOLOGIA). Het museum ligt een heel eind buiten het centrum van Porto. Na eerst een korte botsing zonder blikschade – voor Cristina’s deur - en een woordenwisseling met een boze chauffeur wordt het toch nog een vrolijke rit: om in de stemming te komen zingen we flarden liedjes van Duran Duran, Human League en ABC. Weet je waar Duran Duran die gekke naam vandaan heeft, vraag ik? Natuurlijk, zegt Cristina, dat komt uit Barbarella. Ondanks haar jonge leeftijd weet ze alles over die antieke films. Ze houdt het meest van Polanski’s Rosemary’s Baby.
In het museum is het buitengewoon druk. Veel bezoekers hebben zich in de stijl van de jaren ‘80 gekleed (of zoals zij zich die stijl voorstellen; sommigen zullen wellicht het tijdschrift The Face ter hand hebben genomen om wat voorbeelden te vinden.) Hoewel ik denk dat heel wat van hen op de gratis drank zijn afgekomen zie ik toch niemand met een glas wijn of bier. Aangezien ik al wat aangeschoten ben, vind ik dat niet erg. Later blijkt dat de drank in een rokerige kelder wordt geschonken. Het is dan al veel te laat om nog iets anders dan Coca Cola te bemachtigen.

In de vele zalen van het schitterende museum zien we werk van heel wat Belgen: onder meer van Thierry De Cordier, Lili Dujourie, Luc Tuymans en Jan Vercruysse. Het valt op hoezeer België en de Belgische kunsten geliefd zijn in Porto. Al de eerste dag van ons verblijf in de stad troffen we in het kleine museum waar Cristina werkt monografieën aan van Belgische kunstenaars en zagen we vertalingen in het Portugees van gedichten van Leonard Nolens. In het Museu Serralves liep een kleine tentoonstelling over het lichaam in de kunst van de 20ste eeuw net af. Heel interessant, met werk van Hugo Ball, Marcel Duchamp, Herman Nitsch, Günther Brus en het Wiener Aktionismus, de performances van Gina Pane, de bizarre aanwezigheid van Valie Export, de lichaamskunst van Yves Klein, de poëtische lichaamstaal van Joseph Beuys en de directe lichamelijkheid in het abstract expressionisme van de manisch-depressieve kunstenaar Jackson Pollock. De curator van die tentoonstelling was de Belg Guy Schraenen. Een overzichtstentoonstelling van het werk van Luc Tuymans was net afgelopen. De banieren hingen nog in de straten. Cristina zelf was vol lof over toneelgroep Stan, Ultima Vez, Anne Teresa De Keersmaeker, de Belgische rock van deus, Dead Man Ray, Rudy Trouvé en nog heel wat andere(n). Als anti-chauvinist was het bijzonder moeilijk om aan deze passie te weerstaan. Toch heb ik sinds die avond nog altijd geen Belgische cd’s gekocht.

Maar ik wil even terugkeren naar de jaren ’80-tentoonstelling. De curator, een mij onbekende Duitser, had zeer veel materiaal uit de periode bijeengebracht. Naast de reeds genoemde Belgen werd ik vooral getroffen door het werk van Marleen Dumas, Richard Deacon, Jenny Holzer, Ilya Kabakov, Martin Kippenberger, Matt Mullican, Raymond Pettibon, Richard Prince, Cindy Sherman en Jeff Wall.

Lang na middernacht begaven we ons met een groepje dronken vrienden – zeer nieuwsgierig naar de Belgische politiek en demografie - van Cristina naar de goedkoopste bar van Porto, die echter net ging sluiten. Een geluk, zo kon ik zaterdagochtend, the day after, toch nog op tijd uit bed voor het ontbijt. In mijn hoofd zoemde nog steeds Inutil Paisagem van Antonio Carlos Jobim en Elis Regina. Ik had het klaargespeeld de hele vrijdag geen druppel Porto te drinken.

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

16-06-06

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON


emily-dickinson


Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht - heerlijk - begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar - de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

"Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren".

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het - mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken - rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten - wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in mijn hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg - naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het wit geweld van de vogels. Veilig - voor de leugens van god.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

11-11-05

143 SPAANSE CHIRURGEN EN ANDERE ZORGEN


nabokov

Als ik een dynamischer mens was liep ik nu rond in de zalen van het Paleis voor Schone Kunsten, de Russische avant-garde bewonderend. Maar ik ben lui en zit daarom gewoon maar wat in mijn kamer te luisteren naar M. Ward, die nu het liedje Undertaker zingt, wat goed past bij deze tijd van het jaar, al is het vandaag Wapenstilstand. Op zo’n dag zou je niet aan de dood mogen denken maar aan het leven. Maar wat doe je eraan? Je gedachten laten je niet met rust. De voorbije nacht droomde ik dat ik een erge ziekte had en meteen zou moeten worden geopereerd door 143 chirurgen. De details laat ik achterwege. Toch een grappige droom, eigenlijk. De operatiekamer zou veel te klein zijn voor al die mannen. Ik maakte me echter vooral zorgen over de prijs van het hele geval. Misschien was het van de zorgen dat ik wakker werd met hoofdpijn; en de nieuwe buur is zijn huis aan het vertimmeren. Wapenstilstand met geklop en geboor.

Ik heb mijn nieuwe boeken van Nabokov in het rek gezet, bij de N van Nestor, net kleine doodkisten (maar wel vol leven). Oude Nabokovs hebben plaats moeten maken voor nieuwe. Ook zwarte beertjes van Moravia liggen nu opgestapeld op de grond. Ik zal er binnenkort eens een foto van maken. Als ze daar dan nog liggen en als ik binnenkort nog eens wat energie heb.

Een mens heeft vele zaken te doen op een dag. Zo heb ik ook een drietal woorden Spaans geleerd en Chan Chan van de Buena Vista Social Club gedeclameerd (want ik kan dat mooie lied natuurlijk niet zingen). Ik zou graag goed Spaans kunnen zingen. Ook blijf ik ervan dromen om een goed boek te schrijven, niet zo goed als Musil, maar toch bijna. En dan wil ik eveneens foto’s kunnen maken als Bettina Rheims. Ik hoop dat die 143 chirurgen me nog een tijdje met rust laten.