11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

19-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN ii

0Rimbaud Henri_Fantin-Latour_005.jpg

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok.
(Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.
0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?

 

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

24-07-13

AMY WINEHOUSE, BREIVIK EN IK

amy-winehouse.jpg

"... fallen in the valley of the rock and roll dead."
Will Sheff (Okkervil River) 

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed in het UZ in Jette. Ik had nog koorts, kon nauwelijks bewegen, maar het ging al beter met me. Twee maanden eerder, op 24 mei 2011, had mijn vrouw een taxi gebeld en was ze met mij naar de spoedafdeling gegaan. Dat heeft mijn leven gered, besef ik nu, hoewel ik me tijdens de weken die volgden nog zeker drie keer op de rand van de dood heb bevonden. Het einde van alles was in zicht en ik wist het niet eens. Veertien dagen in coma, een maand in intensive care. Geperforeerde dunne darm. Algemene vergiftiging, dubbele longontsteking, tracheotomie, buikvliesontsteking, shock, noem maar op.


Mijn vrouw, mijn vriendinnen en vrienden, de dokters en het verplegend personeel hebben voor mijn leven gevochten – en ze hebben het gehaald. En ik heb het gehaald.  Waar ik het langst last van heb gehad was wat ‘critical illness syndrome’ wordt genoemd. Mijn lichaam was bijna geheel verlamd, ten gevolge van die shock. Alleen mijn rechterarm was nog bruikbaar; mijn hersenen werkten ook nog min of meer, al kende ik bijvoorbeeld niet eens het eenvoudige beveiligingsnummer van mijn mobiele telefoon. Ik wist zelfs niet dat ik een mobiele telefoon bezat. Van dat hele syndroom is niet veel meer te merken, alleen mijn linkerarm is niet langer wat hij geweest is. Een combinatie van veel liefde, gekregen, en veel inspanningen, geleverd, heeft me opnieuw voldoende kracht gegeven. 


Op een mooie dag schrijf ik alle hallucinaties neer die ik in die periode heb gehad. Ze zitten in mijn geheugen gegrift, helemaal anders dan dromen, die je bijna meteen na het ontwaken vergeet. Sommige hallucinaties waren vrolijk, andere hilarisch, weer andere waren wreder dan om het even wat ik ooit had gevoeld of gezien. Ik zong liederen met Stephen Stills en Neil Young, was bevriend met the Rolling Stones, werd gefolterd in een kelder of bunker in Triëste.

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed en begon stilaan mijn bezoekers te herkennen en te begrijpen wat ze me vertelden. En ik kon al wat samenhangends terugzeggen. Hoewel ik soms nog dacht dat mijn bibliotheek zich achter de wand aan het hoofdeinde van mijn bed bevond. Of dat de vrienden er waren omdat ze in de kamer ernaast gingen vergaderen. Ik kon ook al televisiekijken, met een afstandsbedienaar waar ik niet veel van begreep. Ik had de laatste ritten van de Ronde van Frankrijk gezien, in hun geheel. Hallucinant. Nog veel hallucinanter was de toestand in Noorwegen. Pas weken later heb ik me gerealiseerd hoe erg het was geweest en pas vorig jaar, een jaar na de feiten, heb ik zitten huilen bij het lezen van getuigenissen. Toen ik zag dat Amy Winehouse gestorven was wist ik echter meteen dat ze echt dood was. Ik twijfelde niet langer. Maar ik huilde niet. Ik aanvaardde het: Amy Winehouse was dood.
Ja, Amy Winehouse was dood en ik leefde en zou weer gezond worden en wijn kunnen drinken. Wat ik vanavond ga doen, en ik breng dan een toast uit op jouw gezondheid en op die van mij en op die van iedereen die we kennen. Maar er zijn grenzen.

12-10-12

HET VERRADERLIJKE HART

pijn, angst, hart, ziekenhuis, onderzoeken, ziektegeschiedenis, slokdarm, cardioloog, gastro-enteroloog, gastroscopie, coronarografie, levenswil, emoties, facebook, plezier, vluchten, herinneringen, vrienden, divertikel, zenker, doppler-echo, slikken, toeval, aders, slagaders, bloed, herstel, gezondheid

Francis Bacon, Three Studies For A Crucifixion, 1962.
 

“Ik weet uit ervaring dat er soortgenoten bestaan die niet over gevoelens, emoties (pijn, verdriet, rouw, woede, verliefdheid, liefde) willen spreken of er niet mee geconfronteerd willen worden. Het komt me voor dat ze willen doen alsof we in een wereld leven waar alles perfect is. Is het een Angelsaksische manier van in-de-wereld-zijn? Ik weet het niet. En het maakt me niet uit.

Wat ik wil zeggen is dit. Morgen breng ik mijn dwaze hart naar het ziekenhuis (Sint-Jan / Saint-Jean). Overmorgen mag ik weer naar huis. Maar ik maak me zorgen over wat mogelijk aan het licht komt. Ik hoop dat ik niet opnieuw drie maanden in zo’n hel moet doorbrengen. Dat ik vrijdag opnieuw onbezorgd naar mooie liedjes kan luisteren, boeken lezen, films zien, naar theater gaan, wandelingen maken, vrienden ontmoeten, liefde geven en krijgen. En veel wijn drinken en leugens vertellen. Want de waarheid kent alleen god, en god, zegt men, bestaat niet.”

Het bovenstaande schreef ik vorige dinsdagavond op facebook. Met die ‘hel’ bedoelde ik de drie maanden die ik vorige zomer doorbracht in een ander ziekenhuis, “dapper vechtend tegen de dood”. Het is nu vrijdag. Ik kan opnieuw enigszins onbezorgd naar mooie liedjes luisteren, boeken lezen, films zien, et cetera. Mijn hart is relatief gezond en sterk. Ik mag doorgaan met wijn drinken en leugens vertellen.

Op facebook staken zeker wel veertig vrienden me een hart onder de riem. Een toepasselijke uitdrukking in deze context. Ik beweer niet dat zij voor het opmonterende resultaat hebben gezorgd, maar ze hebben wel elke vorm van angst voor het toch wat akelige onderzoek, een coronarografie, weggenomen. Een van hen, mijn lieve vriendin Ingrid Van Kogelenberg, schreef dit:   “Lieve M., dat hart van jou dat slaat op het ritme van de mooiste dingen van deze wereld, die spier die geoefend is in het incasseren, pareren, liefhebben, dat is zo getraind in het leven dat het meer kan weerstaan dan je bange vermoedens. Dit komt goed. Daar ben ik zeker van.” Zo was het en zo is het. Geen magere troost, maar de waarheid.

Wat is er gebeurd? Wanneer het precies begonnen is weet ik niet meer. Enkele dagen voordat ik naar Stockholm vertrok, eind juni, kreeg ik pijn op de borst, soms hield die aan, soms was het alleen bij inspanningen, soms werd ik er wakker van en kon ik de slaap niet meer vatten. De huisarts verwees me door naar een gastro-enteroloog en naar ‘mijn’ cardioloog. De pijn kon een symptoom zijn van een slokdarmontsteking of van een hartkwaal.  Gastroscopie bracht niets aan het licht, tenzij een divertikel van Zenker. Dat is een zakje bovenaan in de slokdarm, wat het slikken bemoeilijkt en nogal wat spijsverteringsproblemen veroorzaakt. Het moet verwijderd worden. De specialist wilde zijn diagnose bevestigd zien door radiografie en scan. Uit de scan bleek dat ik forse aderverkalking had in de halsslagaders. Paniek! Nader onderzoek in het ziekenhuis, een Doppler-echografie, stelde me echter gerust. De aderverkalking is helemaal niet fors: het bloed kan ongehinderd naar mijn hersens worden gepompt. Vandaar mijn goed geheugen en mijn verbeeldingskracht. Maar de pijn in de borst was nog niet weg. Mijn hart moest nog worden onderzocht. Inmiddels had ik al een afspraak gemaakt voor ziekenhuisopname en operatie van het divertikel van Zenker. Een grondig onderzoek van het hart gaf een positief resultaat tijdens de fietstest: ik kreeg felle pijn in de borst bij niet al te zware inspanning. De cardioloog raadde mij aan om een coronarografie te laten doen. Hij voegde eraan toe dat geen enkele anesthesioloog mij zou willen verdoven zolang er geen duidelijkheid was over de toestand van mijn hart en bloedvaten.
Dat is nu allemaal achter de rug, behalve de verwijdering van het divertikel, wat kennelijk maar een lichte ingreep is. En de pijn in de borst? Daar heb ik geen idee van. Maar ik vermoed heel sterk dat allerlei emoties, angst, verdriet, woede, jaloezie, tederheid, schuldbesef, et cetera daar een grote rol in hebben gespeeld.

Ik weet niet goed waarom ik dit allemaal vertel. Misschien om mensen gerust te stellen die iets vergelijkbaars moeten doorstaan. Misschien ook om te verduidelijken waarom ik de laatste maanden zo weinig heb geschreven en waarom ik soms nog zwartgalliger was dan men van mij gewoon is. En voor mezelf verklaart het waarom ik op de vlucht ging naar Londen, naar Stockholm; waarom ik na tien jaar mijn broer weer ging opzoeken, waarom ik in Namen en Maastricht herinneringen aan mijn kinderjaren en adolescentie wilde opwekken. En zo besef ik eens te meer dat het leven een aaneenschakeling is van toevalligheden. Mocht ik die pijn op de borst niet hebben gevoeld was er niets van het bovenstaande gebeurd. Maar wat zou er dan wel gebeurd zijn, dat is de vraag.

 ...

Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point.
Blaise Pascal

24-07-12

MEESTERESSEN

 

maitresse2.jpg
Maîtresse - Barbet Schroeder (1976)
 

Wat is de merel vandaag stil, zegt ze. 
Vertelde ik je al over de man met de harige kont, zegt hij.
Nee, zegt ze, maar wil ik dat horen?
Hij loopt hier de hele tijd in zijn blote kont rond, zegt hij.
Zo, zegt zij.
En over de man met de bloedende buik, zegt hij.
Nee, zeg ze, bloedende buik?
Ik lig hier in een ziekenhuiskamer, zegt hij.
Ja, zegt ze, nu je het zegt.
De kleur van mijn kamerjas, zegt hij.
Wit, zegt zij, je lijkt op een boeddhist.
Ik zou hier een boek kunnen schrijven, zegt hij.
Op zo’n korte tijd, zegt zij.
Ja, zegt hij, een dun boek, dat wel.
Spannend, zegt zij.
Een boek over meesteressen, zegt hij.
De verpleegsters, zegt zij.
Hoe raad je het, zegt hij.
Normaal hebben ze nochtans veel noten op hun zang, zegt ze.
Wie, zegt hij.
De koekoek, de uil, de kraai en de merel, zegt zij.
Misschien vanwege die tweeëntwintig kinderen, zegt hij.
Zo stil, zegt zij, dat heb ik nog nooit gehoord.


16-06-12

PRIMROSE HILL

 

williamblake.jpg
William Blake

Op Primrose Hill zag William Blake een spirituele zon*. Wat is een spirituele zon? Alleen dichters zoals William Blake zelf, zoals Gérard de Nerval, Gerard Manley Hopkins en Lautréamont kunnen daar op antwoorden. Wat zeker is: een spirituele zon kan je verblinden maar kan je ook vanwege haar zwarte stralen in een diepe afgrond storten. Van William Blake is geweten dat hij zowel met engelen als met duivels converseerde. Dat deed hij thuis als hij even niet zat te schrijven, of als hij in zijn blootje in zijn tuin wat zat te dromen. Maar hij deed het op nog andere plaatsen in Londen – zoals op Primrose Hill.


Op 25 mei wandelde ik op mijn beurt naar Primrose Hill. Het was precies een jaar geleden dat ik in de spoedafdeling van het UZ Brussel was opgenomen en in allerijl werd geopereerd, waarna ik in een coma was terechtgekomen die veertien dagen heeft geduurd. Drie keer heeft de dood mij in die dagen in de ogen gekeken.

Op Bob Dylans eenenzeventigste verjaardag slenterde ik over Highgate Cemtery, vooral om er het graf van Karl Marx te bezoeken. Het leek of de man in het hokje waar de kaartjes (drie pond kosten die) werden verkocht op me had zitten wachten. Hoewel hij van Londen afkomstig was sprak hij perfect Nederlands. De meeste Vlamingen zouden het hem niet nadoen (ik heb sommige van hen in Paddington en elders bezig gehoord, ze lijken hun woorden uit te spuwen, zo’n minachting hebben ze voor onze mooie taal). “Geniet nog van de zonnige dag hier op ons mooie kerkhof”, zei de kaartjesverkoper.

’s Nachts had ik gedroomd dat er schorpioenen uit de parketvloer van ons appartement kwamen gekropen. Kleine, grote, reusachtige schorpioenen. Een beet van zo’n beest en je was dood. Degenen die ik het verhaal vertelde geloofden me niet. Of minimaliseerden het. Je hebt toch al heel lang schorpioenen bij ons, zeiden ze, zelfs in Limburg komen ze voor.

In de metro op weg naar Highgate Cemetery zag ik een gifgroen insect over de grijze vloer op me afkomen. Toen ik in Willesden Junction uitstapte zat het akelige beestje al ter hoogte van mijn knie op mijn jeans.

In de Whitechapel Art Gallery kocht ik een Engelse vertaling van ‘Panégyrique’, de merkwaardige autobiografie van Guy Debord.  De radicale denker weet dat zijn Frans zo klassiek, dus helder en duidelijk, is dat het perfect in andere talen vertaald kan worden. Al helemaal in het begin verwijst hij naar Li Po, de Chinese dichter die leefde en werkte tijdens de Tang-dynastie: “’Deceitful time hides its traces from us, but it goes swiftly by,’ writes the poet Li Po, who adds: ‘Perhaps you still retain youth’s light heart / but your hair is already white; and what use is complaining?’” En Debord voegt eraan toe: “I don’t intend to complain about anything, and certainly not about the way I have been able to live.”

Alles is vergankelijk. Die vergankelijkheid zit vol contradicties. Op Primrose Hill zat ik op een bank even uit te rusten (ik had de avond tevoren nogal veel bier gedronken in pubs). Een meisje kwam op me af en vroeg me uiterst beleefd of ze naast me mocht komen zitten op de brede bank. Iets dergelijks heb ik nooit meegemaakt. Als ik hier in Brussel op een bank zit, moet ik bijna naar de wapens grijpen om niet van mijn plaats te worden weggejaagd. Niet dat ik wapens bezit, maar ik denk er wel aan om me toch een keer naar de zwarte markt te begeven, waar ik me dan zo’n mooie Smith & Wesson zal aanschaffen. Want genoeg is genoeg, denk ik soms. Wat denk jij?
Wat later bovenop de heuvel, vanwaar je heel Londen kunt zien, joeg een arbeider met norse stem mij weg van de plek waar ik stond, net voor de inscriptie ‘William Blake’. Van die inscriptie wilde ik gewoonweg een foto maken. De arbeider was woest: ik had zo’n plastic rood en wit lint niet gezien en stond nu op verboden terrein, er lagen wat kiezelsteentjes die nog moesten bijeengeveegd worden. Ik verontschuldigde me, hij bleef me aankijken met bijna moordlustige blik.

Weer naar beneden wandelend, richting Chalk Fam, begreep ik wat William Blake bedoelde toen hij schreef dat hij zowel met engelen als duivels converseerde. Daar had ik Primrose Hill voor nodig, en de felle spirituele zon van 25 mei 2012.

 
*"Here Blake had the vision which he recounted to Crabb Robinson: "'You never saw the spiritual Sun. I have. I saw him on Primrose Hill.' He said, 'Do you take me for the Greek Apollo?' 'No!' I said. 'That (pointing to the sky), that is the Greek Apollo. He is Satan."" S. Foster Damon, A Blake Dictionary, Thames and Hudson, London, 1965.



02-04-12

DRAADJES

 

P1050343.JPG
Martin Pulaski, Ziekenhuisbed, maart 2012.

Vrijdagavond was ik bij de huisarts. Sindsdien ga ik weer draadloos door het leven en kan ik de draad opnieuw opnemen. Midden maart was ik een tweede keer in het labyrint beland om er opnieuw een zware strijd te leveren met de Minotaurus, een minder mythisch wezen dan je zou kunnen denken, een wezen dat moet beslissen of je zal leven of sterven. Dat moeten is belangrijk: hij weet immers zelf niet wat de uitkomst zal zijn. Ik heb geluk gehad, zeggen de mensen, wat ik voor een keer beaam. Niet alleen heb ik de strijd gewonnen – ik ja, want de Minotaurus beschikt niet alleen over de uitkomst, je eigen inzet is op zijn minst even belangrijk – maar ik heb ook de uitweg gevonden uit het labyrint. Een andere draad, die van een herboren Ariadne, heeft me de uitgang helpen vinden, ook al ben ik geen Theseus of enige andere held. Ik ben een doodgewone sterveling. En toch is Ariadne me gunstig gezind. Met Ariadne bedoel ik iets/iemand helemaal anders dan het Lot. Ariadne verpersoonlijkt liefde, tederheid en mededogen. Zonder haar zou ik nu nog altijd door donkere, kille gangen dwalen, samen met andere stervelingen die onder onnoemelijk leed gebukt gaan.

Op een maandagmiddag stond ik in de stralende lentezon als herboren aan de poort en spoedig was ik weer thuis. Twee weken heb ik geduldig mijn genezing afgewacht. Elke dag kwam een verpleegster mijn wonde verzorgen en maakte ik een wandeling naar het park om er het ontwaken van de lente te aanschouwen. Vooral de tranen opwekkende magnolia’s, die zo kort bloeien. Wat zagen de zwanen, eenden en ganzen er zorgeloos uit. Het lijkt wel of zij niet beseffen dat dit het eindspel is. Nu ja, ook daarover beslist niet alleen een of andere Minotaurus, eigenaar van talloze banken en supranationale bedrijven, nee, wij hebben daar zelf ook iets over te zeggen. Maar zwak als we zijn zullen we misschien onderdanig blijven zwijgen en in de illusie blijven leven dat onze uitzichtloze situatie door het Lot wordt bepaald. Zwak als we zijn - en levenslustig - zullen we misschien opnieuw gaan dansen op de rand van de afgrond. In dat geval zou mijn strijd met het monster weinig zin hebben gehad. Een sterveling moet zich niet alleen van zijn draadjes bevrijden. Een sterveling moet niet alleen ontsnappen aan labyrinten. Hij moet labyrinten afbreken en nieuwe steden bouwen, waar in alle openheid en volstrekte gemeenschap kan worden geleefd, plaatsen waar de lente en het geluid altijd nieuw zijn.

P1050351.JPG

Martin Pulaski - Stilleven (Ziekenhuistafereel), maart 2012.


21-03-12

ONTSLAGEN

 

pulaski2006.jpg

Years Of Music Silent Againtst A Wall, Martin Pulaski, 2006.

Ik ben weer thuis. Over mijn ervaringen in het ziekenhuis kan ik nog niet veel vertellen en ik heb ook die intentie niet. Op de voorpagina's van kranten lezen we al voldoende over gebroken armen en benen. We worden overdonderd door al dat breaking news. Terneer slagen ze ons, die verdomde media. Terwijl we op z'n minst geestelijk hogerop willen geraken.

Het enige goede aan een ziekenhuis is de morfine. En sommige verpleegsters. Nee: een ziekenhuis is alleen maar goed als je er geheeld weer uitkomt. Ik was dus in een geheel goed ziekenhuis. And if you don't believe me I'll show you the scars.

Ik geloof dat ik er nu zes jaar jonger uitzie dan een week geleden, vandaar de foto hierboven.

Wat heerlijk om thuis te zijn op zo'n mooie lentedag.

16-12-11

POP 2011: UITVERKOREN

Trees_Outside_the_Academy-Thurston_Moore.jpg


Aan mijn jaar ontbreken drie maanden. Niet alleen heb ik gedurende die zomerperiode in het ziekenhuis niet geleefd - tenzij je afzien en hallucineren ook leven noemt, ik heb ook geen muziek gehoord, geen films gezien en slechts één boek (Juliet, Naked van Nick Hornby) gelezen. Veel van de platen die ik voor midden mei heb aangeschaft heb ik vanaf ongeveer oktober opnieuw beluisterd. Ik herinnerde me er nog nauwelijks iets van. Eind augustus kreeg ik The Harrow & The Harvest cadeau. Bij de eerste beluistering vond ik het gezeur. Een tweede draaibeurt heb ik lang uitgesteld. Maar het ging al beter. Tot ik uiteindelijk de beste plaat van het jaar hoorde.

jessesykes.jpg
Jesse Sykes & The Sweet Hereafter.



Met Jesse Sykes is ongeveer hetzelfde gebeurd (maar die heb ik zelf gekocht). Ik vind het vreemd dat Jesse Sykes zo weinig populair is. Ze is een muzikant in hart en nieren, doordrongen van folk, country en vooral sixties acid rock. De band klinkt zelfs beter dan Quicksilver Messenger Service. Naar Low ben ik intens gaan luisteren voor ik naar hun concert ging, in het Koninklijk Circus, enkele weken geleden. Wellicht is het hun beste werk. Van Thurston Moore had ik nooit zulke mooie kamermuziek verwacht. Zou dat door de helpende hand van Beck komen? Eerlijk gezegd zou die plaat ook op nummer één mogen staan. Maar de vrouwen hebben mijn voorkeur gekregen. Wilco’s The Whole Love vond ik meteen een meesterwerk, maar dat heb ik altijd met een nieuwe plaat van Wilco. Nu is mijn enthousiasme wat afgenomen, maar ik blijf er van houden. Door Bill Callahan en Josh Pearson live te zien, ben ik hun opgenomen songs nog veel meer gaan waarderen. Het zijn troubadours, dichters, ze lijden aan bepaalde vormen van waanzin en hebben iets profetisch. Bon Iver, moeten we die nog doorgronden? Ry Cooder is boos en zorgt voor de enige vrolijke noot.

amy-winehouse-lioness-hidden-treasures.jpg 

Op zaterdag 23 juli had ik de dood al drie keer voor ogen gehad, maar het ergste was achter de rug. Op die dag is Amy Winehouse gestorven, een vreselijk verlies – dat me zeer heeft aangegrepen. Misschien is Lioness een beetje een samenraapsel, maar ik vind het toch een fijne plaat, die me droef en vrolijk maakt. Ze staat hier zeker ook als huldbetoon. PJ Harvey’s Let England Shake heb ik al van in februari of daaromtrent in huis (ik ben geen boekhouder). Ik begreep er niets van. Vond het vervelende muziek. Vorige week heb ik ze vijf keer beluisterd: je ziet het resultaat. De muziek en de teksten verdienen zelfs beter. Maar ik blijf problemen hebben met sommige politieke standpunten die PJ Harvey inneemt. Waarom keert ze zich tegen Europa? Het is toch overal even erg?
The Decemberists maken gewoonweg mooie muziek, in de voetsporen van R.E.M. En R.E.M. zet een punt achter zijn discografie met een overtuigend Collapse Into Now.

Bij de rest heb ik weinig commentaar. Ik zou maar in herhaling vallen. Alleen vind ik dat Vetiver te weinig aandacht krijgt. Andy Cabic heeft van Sara Lee Guthrie & Johnny Irion’s Bright Examples een fraaie popplaat gemaakt. Alleen al daarom verdient hij waardering. Dit is, overduidelijk, de lijst:

 

1.Gillian Welch & David Rawlings – The Harrow & The Harvest

 

2. Jesse Sykes & the Sweet Hereafter – Marble Son

 

3. Low – C’mon

 

4. Thurston Moore – Demolished Thoughts

 

5. Bill Callahan – Apocalypse

 

6. Josh T. Pearson – Last Of Country Gentlemen

 

7. Wilco – The Whole Love

 

8. Bon Iver – Bon Iver

 

9. Ry Cooder – Pull Up Some Dust And Sit Down

 

10. Amy Winehouse – Lioness: Hidden Treasures

 

11. The Decemberists – The King Is Dead

 

12. PJ Harvey – Let England Shake

 

13. The Walkabouts – Travels In The Dustland

 

14. R.E.M. – Collapse Into Now

 

15. Bonnie Prince Billy – Wolfroy Goes To Town

 

16. Buddy Miller’s Majestic Silver Strings

 

17. Beirut – The Rip Tide

 

18. Vetiver – The Errant Charm

 

19. Israel Nash Gripka – Barn Doors And Concrete Floors

 

20. My Morning Jacket – Circuital


Wie ontbreken hier? Ontbreken hier opvallend? Ryan Adams, Lucinda Williams, Paul Simon, Emmylou Harris en Steve Earle. Onder meer. Verzamelingen vervelende songs, vond ik. Misschien denk ik er volgend jaar of in een volgend leven anders over. Dat er geen rap, hip hop, blues, r&b in mijn lijst voorkomt betekent niet dat ik een racist ben. Maar ik ken de genres te weinig, hoe goed ook, om er een beetje samenhangende uitspraken over te doen. In alle eerlijkheid gezegd: ik houd meer van soul dan van alles wat in mijn top-20 staat.

En van welke muziek heb ik in 2011 het meest genoten? Ongetwijfeld van Thurston Moore, van the Smiths, van the Rolling Stones. Meer nog van Rumer’s Seasons Of My Soul, voor mij de plaat van dit jaar (ze is vorig jaar verschenen, geloof ik). Een soort van extase bereikte ik alleen maar met George Jackson’s Don’t Count Me Out – The Fame Recordings, volume 1. Fantastisch. En al dat werk is nooit eerder uitgebracht: meer dan veertig jaar in de kelder van Fame in Muscle Shoals blijven liggen. Op Ace is nog een mooi plaatje uitgebracht met oude hits en non-hits waarop James Burton verbluffend en economisch gitaar speelt (James Burton – The Early Years 1956-1969). 
 

georgejackson2.jpg

 Over de boxen Smile van The Beach Boys en American Trilogy van Mickey Newbury kan ik kort blijven. Ik ben blij dat ze er eindelijk zijn. Ik zal ze vaak ter hand nemen. Brian Wilson en Mickey Newbury zijn al heel lang persoonlijke helden. Zoals Tim Buckley. Een dag zonder Tim Buckley is niet volledig.


Het ellendigste en wellicht droevigste jaar van mijn leven en toch zoveel mooie muziek. En die bomen in de tuinen en bossen blijven maar groeien. Binnenkort staan ze weer te pronken met hun bloesem.

gerhard_richter_tweebomen.jpg

Gerhard Richter, Twee bomen.

14-11-11

DODENHUIZEN

 

khnopff.jpg

Door novemberzon en daarna mist, paarden en schapen in nevel gehuld, kwam ik naar je toe, huis van de dood en van leven. In de stad van de doden, waar ik dat huis dacht te vinden, raakte ik al spoedig de weg kwijt. Een groot, naar beton en verf geurend gebouw, oude mensen in rolstoelen, met krukken, druk bezige secretaresses, eindeloze gangen, trage, overvolle liften. Een labyrint. En dan nog het verkeerde labyrint.

Praatte ik met iemand? Nee. Ik belde, belde, sms’te. En zag mijn vergissing in: het verkeerde dodenhuis. Niet bus 13 had ik moeten nemen, maar bus 2. In het andere dodenhuis (en van de levenden) ontving mij een man, een vriend van een vriend, een man met goede ogen. Ik vertrouw niemand meer, met wat ik allemaal heb meegemaakt. Maar deze man vertrouwde ik. En maar goed ook, want toen we afscheid namen gaf hij me een handdruk en dat was die van een mens. Niet vaak schudt iemand je op die manier de hand. Deze man die ik vertrouwde zei me dat ik niet meteen zou sterven. Integendeel. Ik had een lange strijd tegen de dood geleverd. Hij somde van het begin tot het einde op welke daden artsen en ikzelf (onbewust), hadden verricht om mij in leven te houden. Heldendaden. Dat zei hij niet, hij bleef bescheiden over zijn collegae. Hij zei, je hebt vreselijke dingen meegemaakt, de dood voor ogen, wekenlang. Je bent getraumatiseerd. Geen wonder dat je in de mist verdwaalt en in het verkeerde dodenhuis belandt. Geen wonder dat je hier voor me staat met je geschonden lichaam. Een gevallen engel, zei hij. En: een gevallen engel is ook een engel. Je gaat niet zo gauw dood. Je gaat nog veel vrienden ontmoeten, nog veel plezier beleven, nog veel reizen. Je gaat diep doordringen in de dorpen, de straten en rivieren van je leven. Niets staat je in de weg om dat te doen. Er valt nog veel te ontdekken. Er staan je nog verrassingen te wachten, aangename, maar ook onaangename. Je hebt oude en jonge vrienden, en je familie, al is het een heel kleine, het blijft een familie. En er is de horizon die nu boven de mist opduikt. Er zijn steden en landen, bergen, sterren. Straten met namen van dichters en dictators, van operazangeressen. Wist je dat er in New York een steegje naar Thelonious Monk is genoemd? Er zijn crisissen en geboortes. In ruimtestations herinneren mannen en vrouwen zich hun leven op aarde. Hun passies, hun verdriet. Zolang iemand aan je denkt ben je niet verloren. Ga naar huis, door de mist, de zon is nu ondergegaan. Ga naar huis en rust en slaap en leef. Reis daarna naar het Oosten, het Westen, het Zuiden. En kom dan terug naar hier. Je bent hier welkom. Dit is geen huis van de dood. Een huis van de dood bestaat niet. Stel je voor! Nee, dat kun je niet. Noch zo'n huis, noch je verscheiden. Alleen de buitenkant is kenbaar, het ritueel, of noem het uitvaart. Je bent toch een schipperszoon? Vaart. Lange omvaart, korte omvaart. Ik ben vertrouwd met de vormen van wat de dood wordt genoemd, zei hij nog, maar niet met wat hij is. Voor mij bestaat de dood niet. Met de dood moet je lachen. Vooral als je nog leeft. Ga nu maar, je zal niet verdwalen. Ga nu maar. 

03-10-11

OVERWOEKERDE PADEN

bassani.jpg

Giorgio Bassani.

Vier uur lang slenterde ik door het centrum, van het Sint-Katelijneplein naar de Oude Graanmarkt, naar de Passaporta, waar ik slaperig als ik me voelde 'Slaap' heb gekocht, een verhaal van Murakami met mooie illustraties, en een roman van Arthur Japin, de auteur die ik op dit ogenblik het liefst lees. Telkens als ik uit een boekwinkel kom heb ik wat surrealisme aangeschaft; nu was dat 'Onbevlekte Ontvangenis' van André Breton en Paul Eluard. En na dat uur of zo van boekgengestreel vervolgde ik mijn wandeling over de Adolphe Maxlaan, naar Waterstone's voor wat tijdschriften, tot in het voorgeborchte* van de hel dat Fnac heet. De moed ontbrak me om op een van de gezellige terrassen te gaan zitten. Met niemand om mee te praten, en niet wetend wat gedronken. Ik zag me daar in betere tijden samen met vrienden praten, lachen, een Westmalle of een Orval drinkend, een met de bron van het leven.  Wat waren we destijds gelukkig (ook al wisten we het niet), zoals veel mensen die daar nu zaten.

Die avond was ik moe van in de stad rond te dolen, op zoek naar mezelf. Ik zat op het terras naar de sterren te kijken, maar die waren te ver weg om me te kunnen troosten. Een heerlijke zomeravond, maar ik voelde me ellendig, heel precies door de bijna magische weersomstandigheden, en omdat ik me al die mooie dagen en avonden met mijn vrienden bleef herinneren. Ik heb lang in het donker gewacht op slaap. Eerst had ik geprobeerd Vittorio De Sica's 'Il Giardino Dei Finzi-Contini' te bekijken, een film die ik waardeer, net als de gelijknamige roman van Georgio Bassani waarop hij is gebaseerd. Lang heb ik niet gekeken, mijn gedachten dwaalden af naar zomervelden in Limburg, naar al lang overwoekerde paden. 

 andre breton,giorgio bassani,ferrara,finzi-contini,vittorio de sica,cesare pavese,knut hamsun,nostalgie,eenzaamheid,wandelen,de wandelaar en zijn schaduw,brussel,stad,droefheid,vrienden,liefde,ziekenhuis,slaap,murakami,sterren,troosteloosheid,tijdverspilling,facebook,surrealisme,dérive

Dominique Sanda, in Il Giardino dei Finzi-Contini.

Sinds ik thuis ben uit het ziekenhuis ben ik niet meer blij, niet meer gelukkig. Ik heb het gevoel dat niemand meer van me houdt. Misschien is het niet waar, misschien is het een obsessie van me, maar ik zak dieper en dieper weg en ik weet niet hoe ik verder moet. Ik sta op een kruispunt, zonder zelfs een ziel om aan de duivel te verkopen. Was er maar een duivel, was er maar iets. Maar er is niets, er is niemand.

Hoe traag ik nu ben. De geringste inspanning is mij te veel. Meermaals zet ik het op een bijna hysterisch huilen omdat ik de eenvoudigste dingen niet kan doen. Denk ik. Als ik hard genoeg ben voor mezelf kunnen veel dingen toch wel. Er wordt gezegd dat ik sterk ben, omdat ik de beproevingen in het hospitaal overleefd heb, maar ik voel me extreem zwak. Het is heel moeilijk om je dat voor te stellen.

Ik zit hier maar de hele dag, te wachten op ik weet niet wat. Als de zon schijnt zoals vandaag word ik bijna gek van onbestemde emoties, van rusteloosheid, van het verlangen om ver weg te zijn van hier, met vrienden te praten en te lachen. Alles wat er niet is. Ik denk dan aan de melancholische romans van Cesare Pavese, en aan het lot dat in het midden van zijn leven op hem wachtte. En dan overvalt mij wanhoop, troosteloosheid. Ik verval in negativiteit, kan niet meer lachen, schrijf een slecht gedicht of verspil mijn tijd met zinloos gedoe op Facebook. Binnenkort ga ik weer met de kaarten spelen, of Domino.Stoer

 

surrealisten.jpg

Surrealisten. André Breton: bovenste rij, midden.

 

*Cfr. Paus Gregorius I.

08-08-11

DENKEND AAN BOB DYLAN IN KAMER 428

 timeout.jpg

Op de zeventigste verjaardag van Bob Dylan voerde een taxi me naar het Universitair Ziekenhuis Brussel. Het had mijn laatste rit kunnen zijn, maar ik heb geluk gehad. Misschien zat er wel een goede bewaarengel achter het stuur. Ik lag bloed en andere smurrie uit te braken. Ik wilde overleven. En dat heb ik gedaan. Niet alleen, op eigen kracht, maar toch. Ik voel me nog zwak, ik ben nog zwak, maar ik voel me tegelijk sterk. Ik word elke dag wat sterker. Lang geleden dat ik de dialectiek nog zo aan den lijve heb ondervonden.

Ik denk vaak aan Bob Dylan. Aan hele gewone dingen. Bijvoorbeeld: wat zou hij nu doen? Een ei koken? De kippen voeren. Ik denk dan aan die foto op de binnenkant van de hoes van Self-Portrait, een elpee waar ik altijd een zwak voor heb gehad. 

Ik ga niet naar zijn concert in het Sportpaleis. Ik heb de illusie opgegeven dat Bob Dylan nog kan zingen. Bob Dylan kan al enkele jaren niet meer zingen. Ik vind het erg om dit hier zo te schrijven. Maar het is de waarheid. Dat neemt niet weg dat ik hem mateloos bewonder, sinds 1965, net voor mijn vijftiende verjaardag. Op school werd ik uitgelachen vanwege deze folie. Voor mijn medeleerlingen in het Koninklijk Atheneum in Tongeren kon Dylan toen al niet zingen. Hij had echter de meest expressieve en merkwaardige stem die ik ooit had gehoord, en een uitstekende dictie. Ik kocht zijn singles en elpees met geld dat ik kreeg om zaterdags de bus huiswaarts te betalen. Ik nam geen bus, maar liftte. Een heel prettig en vooral gratis tijdverdrijf. De eerste single van Dylan die ik me aanschafte was ‘Like A Rolling Stone’ (1) / ‘Gates Of Eden. Bezeten magie. Verbijsterend, hartveroverend. En sterker nog vond ik zijn bijtende 'Positively 4th Street'. Als opstandige tiener kon ik me in die tekst goed herkennen. “I wish that for just one time you could stand inside my Shoes“. Mijn eerste Dylan-elpee die ik vond en kocht was ‘The Freewheelin’ Bob Dylan‘, aangeschaft in de V&D in Maastricht. Wekenlang zat ik er sprakeloos naar te luisteren. Het was een ander geluid dan dat van ‘Like A Rolling Stone‘, maar net zo betoverend en rijk. Hier moest de stem en de tekst al het werk doen. En een beetje niet al te virtuoze gitaar en mondharmonica. Ik was en ben gek op de cover van Corrina, Corrina. En al de rest, behalve Blowin’ In The Wind. Ik heb altijd gevonden dat dat lied niet veel voorstelt.

Waarom vertel ik dit eigenlijk?  Omdat ik blij ben dat ik nog leef. Omdat ik me vandaag nogal goed voel en iets wilde schrijven, om het even wat. En omdat sinds 24 mei 2011 mijn leven op een bepaalde wijze heel nauw verbonden is met dat van mijn grootste held. Voor wie ik niet meer buitenkom. Denk ik nu.

 

Groeten uit kamer 428.

 

 

Met dank aan Wim Blanquaert voor de dubbele T. 

(1) Long piece of vomit, zoals Bob Dylan de tekst van Like A Rolling Stone beschreef, is zeer toepasselijk in deze context. Overigens bestaat er ook een prettig gestoord nummer van Allen Ginsberg met Bob Dylan getiteld ‘The Vomit Express’.

21-06-08

EEN HALF JAAR WACHTEN

 

annelies beck,stendhal,cormac mccarty,depressie,dagen,maanden,kopen,reizen,thuis,muziek,boeken,paul auster,siri hustvedt,porto,flickr,portugal,lezen,vermoeidheid,medicijnen,dokters,ziekenhuis,slaap,slaaponderzoek,wachten,film,cd s,verslaving,toeristen,vrienden,schrijvers,dood,stem,ogen

The Inner Life Of Martin Frost - Paul Auster.

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

27-05-08

NAAR PARAMARIBO

Na lang aarzelen besliste ik om toch maar een Duvel te drinken. Ik moest die avond naar het ziekenhuis en wist dat ik na tien uur niet meer uit bed zou kunnen. Ja, om halfzeven ’s morgens, dat gelukkig nog wel. Zo weinig mogelijk drinken, had ik me ingeprent. Maar het mooie weer, de terrasjes... Het centrum van Brussel op zijn mooist. Overal zaten toeristen en jonge mensen sterk Belgisch bier te drinken, alsof het voor hen een dagelijks gebruik was.

We gingen aan een tafeltje zitten in de PP, helemaal alleen op het terras. Alleen omdat de zon niet tot daar reikte. Waar de zon scheen zaten talloze meisjes in bloei.

Laura was voor het werk naar Gent geweest. Ze vertelde me een paar ditjes en datjes, over universiteiten, over collega’s, hoe goed ze met hen kan opschieten.

“Een collega van me vertrekt binnenkort naar…”

Op dat ogenblik schoot de naam Paramaribo me te binnen.

“Paramaribo”, zei ze.

Tussen mijn gedacht en haar uitgesproken ‘Paramaribo’ was geen tijd verlopen. Haar ‘Paramaribo’ en dat van mij vielen volkomen samen.

Al gauw zouden we weer afscheid moeten nemen, zou ik alleen in mijn hospitaalbed liggen, mijn lichaam aangesloten op een machine.

Vandaag heb ik nog wat vrouwen gekocht. Maar degene die ik echt wil bezitten is onbetaalbaar. Het schrijven zit me vandaag trouwens niet in het bloed. En geld regenen doet het ook al niet. Wat een man die ouder wordt niet allemaal moet meemaken!

07-03-07

HET HEIMLICH MANEUVER


Gisteravond had ik het met mijn huisdokter over het Heimlich-maneuver. Hij vertelde me dat hij op een keer toen hij alleen thuis was een stukje voedsel in zijn keel had zitten en dreigde te verstikken. Het Heimlich-maneuver op zichzelf toepassen was onmogelijk. In een moment van helder denken heeft hij dan met alle macht zijn buik tegen een kast gedrukt, waardoor hij van de brok bevrijd werd. Anders had ik het niet overleefd, zei mijn huisdokter. Maar we mogen niet doemdenken, voegde hij eraan toe.

Vorige zaterdag in een Antwerps restaurant, na de radio en de witte blues, heb ik het Heimlich-maneuver moeten toepassen. Laura had een brokje vlees in de keel gekregen en kon nog maar moeilijk ademhalen. Onze vriendin Sofia zat ongerust toe te kijken. Kennelijk ben ik toch niet zo goed in zulke maneuvers, want het had geen resultaat.
Op dat ogenblik kwam mijn vriend Snaporaz net het restaurant binnen. Hij zou alleen maar iets komen drinken. Bij het zien van Laura’s toestand stelde hij meteen voor om ons naar het Sint-Vincentius Ziekenhuis te voeren. Op de spoedafdeling werden we bijzonder vriendelijk ontvangen, ook al had niemand van ons een identiteitskaart bij. Wij laten die thuis omdat we in Brussel voortdurend worden bestolen en overvallen. Over dat hele identiteitskaartengedoe heb ik vorig jaar al voldoende geklaagd.
Er moest wel een dokter worden opgebeld, die helemaal uit Hove moest komen voor dat stukje vlees. Laura kreeg gelukkig nog geen blauwe kleur, wat op verstikking zou wijzen. Iedereen bleef er nogal kalm bij. De dokter was er al snel. Enige minuten later kon Laura weer opgelucht ademhalen. Als dit in een Brussels restaurant was gebeurd had Laura het misschien niet overleefd. Ik heb niet bepaalde prettige herinneringen aan Brusselse ziekenhuizen. Zij geven mij vooral de indruk dat ik voet aan de grond zet in een ontwikkelingsland.

Sinds vorige zaterdag weet ik dat het Heimlich-maneuver die naam heeft en dat ik het niet helemaal goed heb gedaan. Ik heb al wat geoefend voor een volgende keer. Maar we mogen niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. Ook al ben ik flink verkouden en vertrek ik zaterdag naar Portugal. Het is toch wel zeer eigenaardig, dat ik telkens voordat ik op reis vertrek ziek word. En het is geen ingebeelde ziekte, er zijn duidelijk waarneembare symptomen, een rode keel, hoesten, een lopende neus… Ik weet niet wat het vooruitzicht op reizen in mijn onbewuste teweegbrengt, maar het moet zeer onrustwekkend zijn. Mijn onbewuste wil kennelijk liefst van al braaf in zijn kamer blijven. Vorig jaar in april ben ik met een lichte verkoudheid naar La Palma vertrokken. Daar ben ik erg ziek geworden, bronchitis, een longontsteking. Aan mijn vakantie heb ik toen niets gehad, ik was al blij dat ik nog leefde toen ik weer thuiskwam. Dit mag nu niet gebeuren. Ik mag niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. En ik zeg het hem na.

01-02-06

LAURA'S EPILEPSIE

epilepsie,rousseau,ziekenhuis,stendhal,parma,mazzy star,belgie,ziel,psychoanalyse,val,beth orton,geliefde,verlangen

Agnes Anquinet door Martin Pulaski


Het eerste lied dat iTunes vanavond voor me selecteert is Give You My Loving van Mazzy Star. Het gaat over absolute liefde, liefde tegen beter weten in. Toeval? Ik wil niet meer geloven in toevalligheden. Ik wil nergens in geloven. Ook niet in de val, en evenmin in de hoogmoed die voor de val komt. Ik ben niet hoogmoedig, maar ik zal toch wel vallen, zoals iedereen. Maar ik geloof niet in de val, in die verdomde metafoor. In mijn hoofd dwarrelt alles. Alles dwarrelende zwarte sneeuw. Alsof het van de honger zou zijn. Maar dat hebben we niet, honger. Een kap op je hoofd, tegen beter weten in. Ja, want geen kap is tegen fijne stofdeeltjes bestand. Geen kap tegen de alledaagse dramady. Devil Was An Angel is ook niet slecht gekozen. Dat is het tweede lied dat voor me wordt gespeeld. Zelf kies ik niet meer. Ik laat het aan automaten over om mijn val door gepaste muziek te laten begeleiden. Beth Orton is dat. I’ll take the plane to Madrid. Dat zou ik ook willen doen, met mijn geliefde, die nu te slapen ligt. Mijn engel en duivel. Kon ik maar alles vertellen! Maar dat wil ik niet. Ik wil mijn ziel niet blootleggen. Of toch wel, die van mij wel, in navolging van Rousseau, dat heb ik hier al gezegd. Maar ik wil de zielen van degenen die ik liefheb niet blootleggen. 

Wat vandaag gebeurd is, is al vaker gebeurd. Een medische val. Onderzoeken, scans, medicatie. Afwezige ogen waar ik mij in spiegel, alsof ze vijvers zijn en ik Narcissus. De dokter een jonge Duitse vrouw, met een stevige handdruk. Een fijne vrouw, met veel karakter en gezonde medische twijfels. Meer onderzoeken? Ja, meer onderzoeken. Vallende ziekte? Niets is zeker. Het lichaam bestaat uit veel water, veel bloed, en organen, en onzekerheid, geheimen. Geheimen, daar kan ik niet mee leven. Ik wil het lichaam en de geest en alles, in wiskundige formules. Alles zoals het is, zonder poespas. In duidelijke, heldere woorden. Een stevige handdruk.


Vanochtend, toen ik afscheid nam van de gravin uit Parma, dacht ik dat ik zelf het slachtoffer zou zijn. De lucht die wij hebben verwoest, zou mij op haar beurt verwoesten. De gassen. Het vergif dat in de groote oorlog miljoenen soldaten verwoestte. Hetzelfde gif, maar een andere soort. Ik dacht, ik haal het niet. Maar een mens is sterk. Ik probeer nu mijn verwarring te boven te komen en duidelijke taal te spreken. De wirwar weg te jagen. Spinnenwebben, tentakels, spiralen, geknoei met woorden, gesukkel met taal. Mijn grootste geliefde. Ik zou deze tekst al kunnen indelen in paragrafen, bijvoorbeeld.

Doch! Wil ik dat wel? Wil ik helderheid als niets helder is? De Vlamingen zijn gek, dat wel. De koning van België. Laten we er niet over beginnen. Mijn geliefde viel nog eens een keer. Nee, ze struikelde niet over metaforen. Over zichzelf struikelde ze, over haar verwarde jaren. Te veel gevoelens, te veel pijn overgehouden, te dicht bij het schroeiende kwaad gestaan. Onlangs vergeleek iemand haar met Gwyneth Paltrow. Gisteren zag ik, glunderend, The Royal Tenenbaums, en ik zag dat het waar was. Onder andere heeft ze dezelfde tenen. Dat heb ik deze middag in het hospitaal nog kunnen observeren, in zo’n spoedgevallenkamertje waar iedereen voorbijloopt en even binnenkijkt.
En dat lied van Mazzy Star? Je moet je er natuurlijk de stem van Hope Sandoval bij voorstellen. Dit zijn alleen maar de woorden:

Give you my lovin’,
Seven days a week
I’ll be a honey,
If you’ll be sweet
I know I’m the only one for you
I know that you think this is not true
Man says it’s rainin’, rainin’ outside
I’ll be out there in a little while,
Cause you see rain reminds me of you,
And everything has turned to you
See you in places,
I’m following you
You’ll be upstairs,
And I’ll be there too
Everywhere you go I will follow
I know it won’t be the same tomorrow
People give me warnings,
Stay away from you
They say you’ll hurt me,
I don’t think that’s true
Discomfort arouses when I speak of you
As if you’ve been sayin’ something bad
About me
When I see you,
I want to kiss you
But I know that ain’t right
So I ask if I can hold you
Oh babe I need you so bad
Oh babe I only want to make you
Glad