01-08-15

ZERO DE CONDUITE: HELLO, IT'S ME

la notte 1.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in de kosmos. Stem af op 106.7 FM. Je kunt Zéro eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Net zoals in pop kan in Zéro de conduite heel veel, traagheid, onzin, slecht gedrag, liefdesverdriet, vals gezang, wiskunde, zelfs psychoanalyse. Hoewel ik zelf geen discipel ben van Sigmund Freud, en al evenmin van Jacques Lacan, heb ik toch niet zo’n diepe afkeer van deze stroming in de psychologie en filosofie als Vladimir Nabokov. ‘Ik’, ‘zelf’ en ‘zelfs’: we komen al in de buurt van het nieuwe thema, waar we maar geen Nederlands woord voor vinden: het Franse ‘moi’ en het Engelse ‘me’. Er is natuurlijk altijd ‘ik’, om het met Elvis te zeggen (‘There’s Always Me’), maar dat is toch nog een ander ding. ‘Ik’ volstaat niet. ‘Je est un autre’. Is it ‘me’? Laten we voorlopig maar niet verloren lopen in woorden en spielereien en laten we ons evenmin door spiegelbeelden en dubbelgangers laten bedriegen. Laten we als uitgangspunt het liedje ‘I Me Mine’ van The Beatles nemen:

All I can hear I me mine, I me mine, I me mine,
Even those tears I me mine, I me mine, I me mine,
No-one's frightened of playing it,
Everyone's saying it,
Flowing more freely than wine,
All through the day I me mine.


Deze woorden van George Harrison duiden het complexe probleem op een eenvoudige manier aan. Vanavond komen heel wat eigenschappen van het ‘zelf’, om het ‘ik’ zo maar een keer te noemen, aan bod. In een dertigtal songs, gekozen uit een preselectie van ongeveer vijf uur muziek. Met pijn in het hart heeft de man in mij – of is het een beest? - tientallen zelven het spreken ontzegd. Desondanks is twee uur voor één psychoanalytische sessie bijzonder lang. Maar jullie, luisteraars, zijn bijzondere patiënten, die deze DJ gaarne verwent. Geniet van de tranen en het gelach van het ego.

bobdylan_dougsahm.jpg

Hello It's Me - Todd Rundgren - Something/Anything? (1972)

The Darker Days Of Me & Him - PJ Harvey - Uh Huh Her (2004)

Why did I come here?
Please tell me again
Why did you ask me?
Don't say you forget

The Age Of Self - Robert Wyatt – Old Rottenhat (1985)

Give Me Back My Name - Talking Heads - Little Creatures (1985)

The Selfishness In Man (Leon Payne) - Buddy & Julie Miller - Written In Chalk (2009)

And Me - Ian Matthews & Matthews' Southern Comfort - Later That Same Year (1970)

Less Of Me - The Everly Brothers – Roots (1968)

A Picture Of Me (Without You) - George Jones - Columbia Country Classics - A Picture Of Me (Without You)

The Beast In Me - Johnny Cash - American Recordings  I (1994)

Up To Me - Roger McGuinn – ‘Dylan Uncovered’ (Mojo 2005)

Hey Mister, That's Me Up On The Jukebox - James Taylor - Mud Slide Slim And The Blue Horizon (1971)

You Turn Me On I'm A Radio - Joni Mitchell - For The Roses (1972)

A Brand New Me - Aretha Franklin – Young, Gifted And Black (1972)

All Of Me - Billie Holiday With Eddie Heywood & His Orchestra - Lady Day: The Best Of Billie Holiday

I Want Everyone To Like Me - Randy Newman - Bad Love (1999)

I want everyone - to like me.
That's one thing I know for sure.
I want everyone - to like me.
'Cause I'm a little insecure.

aretha-franklin.jpg

I Said Goodbye To Me - Harry Nilsson - Aerial Ballet (1968)

Don't Think It's Me - Smokey Robinson & The Miracles - Make It Happen (1967)

I Can't Be Me - Eddie Hinton - Country Got Soul Volume Two (2004)

Just Like Me - Paul Revere & The Raiders – Just Like Us (1966)

Call Me Animal - MC5 - Back In The USA (1970, produced by Jon Landau)

The Real Me - The Who – Quadrophenia (1973)

Poor Poor Pitiful Me - Warren Zevon - Warren Zevon (1976, produced by Jackson Browne)

Why Am I So Short? - Soft Machine - The Soft Machine Volume One (1968)

Am I What I Was Or Am I What I Am - Traffic - Here We Go 'Round The Mulberry Bush (1968)

I Me Mine - The Beatles - Let It Be (1970)

That's Not Me - The Beach Boys - Pet Sounds (1966)

I went through all kinds of changes
Took a look at myself and said that's not me
I miss my pad and the places I've known
And every night as I lay there alone I will dream


I Am A Child - Buffalo Springfield - Last Time Around (1968)

Who Am I - Country Joe & the Fish - I-Feel-Like-I'm-Fixin'-To-Die (1967)

Did She Mention My Name - Gordon Lightfoot - Did She Mention My Name (1968)

It Ain't Me Babe - Bob Dylan - Another Side Of Bob Dylan (1964)

Me And My Destiny - Sir Douglas Quintet - The Return Of Doug Saldana (1971)

Nancy And Me - Lee Hazlewood - Poet, Fool Or Bum (1973)

Creeps Like Me - Lyle Lovett - I Love Everybody (1994)

Where I Lead Me - Townes Van Zandt - Delta Momma Blues (1971)

Ask the boys down in the gutter
Now they won't lie cause you don't matter
The street's just fine if you're good and blind
But it ain't where you belong

Things That Scare Me - Neko Case – Blacklisted (2002)

Bittersweet Me - R.E.M. - New Adventures In Hi-Fi (1996)

Heart Of Darkness - Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot (1995)

Not Me (Colin Newman) - This Mortal Coil - It'll End in Tears (1984)
morgan-a-suitable-case-for-treatment-1966-001-david-warner-vanessa-redgrave-00m-vnq.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski & Me.

01-11-13

MIJN NAAM IS NIET MIJN NAAM

2013MATTI_JAC 001.jpg

 Tekening: Jan Van den Eynden 

Tijd voor echte genealogie, heel wat moeilijker en delicater om over te schrijven dan over ‘geestelijke verwantschappen’. Mijn naam is mijn naam niet. Ik heb het daar al eerder over gehad, niet in de zin van Rimbaud dat ik een ander(e) ben, of van Fernando Pessoa met zijn vele heteroniemen. Wat ik bedoel is dat ik - vaak - niet de naam van de ‘vader’ draag.  Voor een deel is mijn reële afstamming matrilineair: mijn vaders naam was niet de naam van zijn vader maar van zijn moeder. Mijn vader heette Mathieu Brouns, met zoals in Russische romans veel variaties op zijn voornaam. Brouns was de familienaam van zijn ongehuwde moeder. Ondanks veel navragen en opzoeken heb ik nooit kunnen achterhalen wie zijn vader - en mijn grootvader - was. Misschien een boer, misschien een soldaat, misschien een baron. Dat laatste is zeker een mogelijkheid omdat mijn grootmoeder – die al overleden was toen ik geboren ben – als dienstbode op een kasteel heeft gewerkt. Maar het kan net zo goed een stalknecht zijn geweest. Dat een man nooit weet of hij wel de echte vader van zijn kinderen is, was al een belangrijk thema in de toneelstukken van August Strindberg. Sindsdien is er inzake vaderschap wel een en ander veranderd.  


Aanvankelijk heette ik net zoals mijn vader Mathieu Brouns. Sinds de jaren des onderscheids heb ik het bijna altijd moeilijk gehad met zowel de voornaam als de familienaam. Waarom toch had ik dezelfde naam? Toen ik ontdekte dat mijn vader een ‘natuurlijk’ kind was, werd het voor mij nog ingewikkelder. Toch is er ook een korte periode geweest dat ik trots was op die afstamming, en wel in de periode dat ik een voorstander was van het matriarchaat, een feminist zo je wilt.

2013vader 001 (3).jpg
Kaart van krijgsgevangene van mijn vader, Mathieu Brouns.

De familienaam kon ik niet zomaar verwerpen; voor alles wat officieel is gebruik ik hem nog altijd. Mijn voornaam pasten mijn ouders zelf aan: al gauw gingen ze mij Mathi noemen in plaats van Mathieu, om toch een onderscheid te maken. Waarom hadden ze me dan niet meteen bij mijn geboorte een andere voornaam gegeven? Marcel, Arthur of Gustave, of iets dergelijks?
Ik was als kind wel al tevreden met die ‘nieuwe’ voornaam, maar omstreeks mijn vijftiende veranderde dat. Eerst ging ik me Matty noemen, omdat dat Engelser klonk – Engels, de taal waar ik verliefd op geworden was door de popmuziek, vooral door de teksten van Neil Sedaka en Bob Dylan. Later veranderde ik hem om mij nu onbekende redenen in Matti. Ik vermoed dat ik de y achteraan meer bij een hond vond passen – of hield het verband met mijn toenemende afkeer van wiskunde met de eeuwige x en y?  Maar Matti… Wat een originele voornaam, vond ik! De familienaam liet ik zoveel als mogelijk achterwege. Toen ik ongeveer twintig was ontmoette ik een Fin die ook Matti heette. In Finland heten alle mannen Matti, zei hij. Ik was een beetje teleurgesteld, maar treurde niet want in dezelfde periode ontdekte ik het stuk van Brecht, ‘Herr Puntilla und sein Knecht Matti’. Fijn dat ik een ‘held’ was, maar ik was nog liever een heer geweest dan een knecht. Later, op reis in Finland, stelde ik vast dat maar de helft van de mannelijke bevolking Matti heette. Er waren ook nogal wat Aki’s e Henri’s en dergelijke. Matti had me maar de halve waarheid verteld.

In 1995 na heel veel twijfel aan mezelf en zelfhaat (vervlochten met de afkeer van die vreselijke naam) koos ik resoluut voor een pseudoniem: Martin Pulaski. Het probleem was echter dat al mijn vrienden, kennissen en collega’s me als Matti Brouns kenden. Hoe kon ik hen ertoe brengen me voortaan als Martin Pulaski te begroeten? Onbegonnen werk.
Zo komt het dat ik sindsdien twee namen heb, een officiële en een ondergrondse – de eerste zoals ik al schreef toebehorend aan de bureaucratie, de tweede aan mijn verbeelding en aan alles wat artistiek is in mijn bestaan. Sinds internet en vooral de sociale netwerken, mijn blog, flickr, myspace, facebook en zo meer, is Martin Pulaski een openbaar bestaan gaan leiden, terwijl Brouns alleen nog maar voorkomt op allerlei documenten (belastingbrief, rekeninguittreksels, et cetera). Matti zonder meer ben ik voor mijn vrienden en dat zal nu wel nog een tijd zo blijven.

Ongetwijfeld is dit bijzonder interessant materiaal voor psychoanalytici en wellicht nog veel meer voor mensen die overal op zoek gaan naar onthullingen. Aangezien heel mijn leven in mist gehuld is en het - zoals vandaag in deze streken - altijd stormt om mij heen en overal waar ik kom de bliksem inslaat, aangezien ik overal waar ik vertrek verschroeide aarde achterlaat, aangezien ik toch ook meestal onzichtbaar ben, en aangezien zeker wat en wie ik ben voor velen een raadsel is, betekenen deze woorden weinig, en is er nog steeds even weinig onthuld. Of heb jij, lezer, geen geheimen dan?

long live the king 2.jpg

15-10-13

DE MUZIEKKAMER

IMG_4657.JPG

Aan ‘De muziekkamer’ – uitgebracht in 1958 maar tijdloos - van Satyajit Ray zou je je toch één keer in je leven moeten overgeven: alles loslaten en je laten betoveren door het wit en het zwart, door de vermoeide, verdoofde, zich van al het aardse loswekende aangezichten (vooral dat van het hoofdpersonage, de zamindar* Roy) en ledematen.  Je laten hypnotiseren door de onwereldse muziek, die uit het verval lijkt te ontstaan, zoals sommige bloemen uit giftige grond - en heel af en toe schoonheid uit lijden. Je maakt dan een mysterieuze reis diep in jezelf naar een ander zelf,  naar ‘iets’ wat je nog niet kende maar er al lang moet hebben liggen sluimeren, in een of ander bloedvat of in een hersencel die met geen enkele scan kan worden opgespoord, en tegelijk zover van jezelf weg als mogelijk is, naar eindeloze ruimte, waar je ook de geur van het Mogolrijk achter je laat, en uiteindelijk het hermetisch wit vindt van Ahabs walvis en van het poeder, op as gelijkend, dat neervalt op de kano van Arthur Gordon Pym.

Als je daarna, weer tot jezelf gekomen, in de spiegel kijkt zie je dat je gelaat de volkomen blankheid van sneeuw vertoont. Dan doe je er best aan een glas rode wijn te drinken en wat met je lijf te bewegen op ‘The Fire Of Love’ van The Gun Club, de songs zacht meeprevelend alsof het duivelse gebeden zijn (wat ze in werkelijkheid ook zijn).  

IMG_4651.JPG

*Samindar: adellijke grootgrondbezitter.

 

05-08-13

OOIT WAS ER EEN TIJD*

Angela_Winkler_Wald_Vermummt.jpg

Opgedragen aan Def Jam (Rick Rubin & Russell Simmons) en ‘Renaldo & Clara’.

1.

“"I need a radio inside my head", zei Kate Moss (in een blauw niemendalletje)."Vanop een redelijke afstand lijk je op Kate Moss”, zei Zazie, haar beste vriendin. Zo werd me verteld, zonder dat me evenwel bewijsmateriaal werd overhandigd.”

“Veertig jaar geleden nu wandel ik in een Luxemburgs bos of lig ik, dat is ook heel goed mogelijk, neer tussen of onder varens en braam. Opgelet voor de tekens, hoor ik Zazie nog roepen.”

“Je zag me nooit in een rode Cadillac, geeft maar toe, maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak in Firenze gekocht, zonder een cent op zak. Een voorschot met hasjiesj als rente.”

“Aldaar, in Albergo Firenze, een wat wordt genoemd luizig hotel, geen al te grote en schone kleerkast, een kleine houten notenhouten tafel en een watermanpen om Dante’s grote voeten te tekenen. Nog niet in het bezit van het wit linnen pak.”

“In 1970 werd ik in een Germaanse wei wakker met honderd gram Rode Libanon onder m’n slaapzak.  Ik had er pijn in de rug van gekregen. Jongen wat werd ik ziek van dat spul.”

“Weet je nog: de sleutels van onze cel weggegooid, bang voor de nieuwe gestapo? Onze weg naar huis geschooid. Die vreselijke grens over. Door de Duitse nacht. Huiverend van elk geluid, bv. het ademen van koeien. Je huid nog niet leer gelooid door de bleierne zeit."

"Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen. Of ben je gek of wat? Ofwel is het te veel ofwel te weinig. Een rebel, je moet wel dwaas zijn, een rebel in een beschaving waar iedereen zegt, ik ben ik, aan mij valt niets te schaven."

“Ach zo, Zazie, wat doen ze dan met hun billen en borsten en buiken en kinnen en schaamlippen en…”

“Wat maakt het allemaal uit! Drink beter tequila als een Alfredo Garcia.  Drink absint als Van Gogh en August Strindberg. Drink whisky als Warren Oates. Maar fuck al die andere shit. Vroeger was je misschien wit. Nu ben je zwart als de Borinage in de ogen van de jonge Van Gogh en schrik je in je spiegel van een vleeurmuisneus. Nu schrik je van je naamval. Nu schrik je van een apenfamilie op je rug. A tight unit, dat wel. Drink beter Jägermeister in botervlootjes  met op de onderzijde het stempel van Meissenporcelein, mijn liefste.”

“Terminator”, zegt ze. “Ik word al spoedig een Terminator, gonna clean up this town, Pussycat, al die lavabogestapo’s ga ik de keel oversnijden.”

Saint_Anastasia_of_Sirmium.jpg

2.

“Verschil je van een reptiel,  op dit moment dat twee uur duurt, op dit moment waarop je  zomaar in het wilde weg een vrouw in scharlaken wilt kussen, alleen maar om te kussen. Wie ben je als je staat te wachten in een druk of verlaten station. Te wachten op een trein naar Frankfurt, Bradbury,  Bombay, een trein naar Trst. Wie ben je als je zegt, "ik word nooit oud, ik heb daar het vel niet voor"? Wie ben je eigenlijk, Martin Pulaski?  Wat doe je met je ziel, wat doe je met je leven? Als je vrienden sterven, als je vrienden weggaan voor goed, of op bedevaart naar graven van geplagieerde schrijvers en leeggezogen muzikanten. (Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)”

(Het was een dag dat het voor altijd regende. Een dag van de triffids. Van de bodysnatchers.)

“Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde. Een kort jurkje, een doorkijkbloes. Begeerde je alleen haar kleine borsten, haar roze lippen? Zij was goed opgevoed. Spuwde niet op de grond maar in je gezicht. Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat. "Ben ik Shaft?", zei je? "Dirty Harry?" "Ben ik Captain America, Julien Sorel"? Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt, een scheiding aan de linkerzijde?”

“Je vader was in het verzet, zat in een kamp in Oostenrijk, een boerderij waar veel gelachen werd. Over de donkere grens."

“In Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters, Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Angela Winkler, Drafi Deutscher en al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen in een gedicht. In een gedicht over onder andere mijn aangezicht.  Dat ik bijvoorbeeld van Umbrië houd, zeg ik niet eens.”

“Je bent eenvoud. Een punk met drie akkoorden & the truth.  Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker, iemand die bij Financiën werkt, of subsidies toekent aan mannen met revolvers en zieke kinderen in winderige steden aan zee, bijvoorbeeld in Trst, waar iedereen alles vergeet altijd. Je hebt de champagne en het feest begint. Iedereen heeft respect voor je. Anders slaan je wilde jongens je wel op je smoel. Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen wilde jongens. Ze zijn goed opgevoed. Gingen naar de beste scholen.)”

“Je roept namen om. Je kunt het niet laten, aan omroepen verslaafde. Robert Musil, Van Zandt, Umberto D., Lighntin’ Hopkins, Robert Guidry, Rainer Ptaceck, Grimm, Max Beckmann, Jacques Vaché, Lucia Bosé, Lord Byron. Je bent nauwelijks wantrouwig  jegens wie je omroept. Als ze maar Jägermeister drinken. Een goedgelovige omroeper, een punk ben je. Je kent maar enige beroepen en eigennamen die iets betekenen. Schippers, zwaardvechters, glasblazers, galeiboven (die kunnen ontsnappen), Michel Simons, Barbara Lodens, Brandon DeWildes, Anastasia’s van Sirmium.”

“De mensen zien je dronken en zeggen: “Hij is weer zat.”  Ze zien niet dat je weder opstaat. Nadat je vuistslagen krijgt van engelen op zoek naar geld voor crack. Ze zien niet dat je weer opstaat en terugkeert naar je leeg landschap, niets dan zand met in de verte een mysterieuze wachttoren. Altijd komen uit de poort, komen over de valbrug twee pratende blauwe vrouwen in niets onthullende brokaten gewaden gehuld. Wat had je anders verwacht?”

dirty harry.jpg

 

*Nieuwe versie van: REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF (27-02-09)

...

Foto's:
1. Angela Winkler
2. Anastasia van Sirmium
3. Dirty Harry 

03-05-12

VAN REGEN WORD JE NIET ZIEK

 

antwerpenstation1.jpg

Je hebt gelijk. Van regen, ook niet van de grillige en wrede van eind april, word je niet ziek. Zelfs niet als je uit een beschimmeld katholiek klooster naar buiten stapt, met je hoed op, het vilt al gauw stinkend door de beenderlijm die nat wordt, en je een doolhof betreedt van vrome chassidische straten. Niemand buiten zijn huis, buiten zijn kamer. It’s a wide open road, denk je. Maar dat is slechts schijn. Je kunt niet zomaar kiezen waar je gaat. Er zijn de beperkingen die je lichaam je oplegt. Je ontmoette een paar uur geleden nog een man die je meedeelde, van elke drie van onze leeftijdgenoten heeft er nu een kanker. Dat zei hij, dat mocht, het was tijdens een nacht van de poëzie, in dat klooster.

De bloem die me werd toegeworpen nam me de biecht af. Niet dat het een echte biecht was: ik vertelde dat ik toen ik nog gelovig was nooit had gezondigd. Ik moest elke keer – hoe vaak was dat? – mijn zonden verzinnen: ongehoorzaam, onoplettend, slordig; uiteindelijk ten prooi gevallen aan onkuise gedachten. Die onkuise gedachten hebben mij op het slechte pad gebracht, wat ik nu een goed pad vind, want dat rechte pad ging helemaal in de verkeerde richting, hemelwaarts, waar de leugens heersen van degenen die ons eeuwenlang hebben onderdrukt. In grotten, holen, labyrinten, tussen varens, op heirbanen, snelwegen, in donkere en vals verlichte steden.

Had ik toen ik zo jong was maar geweten dat het goed is te zondigen. Maar je weet nooit iets, tenzij het al laat is, donker wordt, in de herfst, als je moeder en vader begraven zijn en veel van je vrienden je de rug hebben toegekeerd.  Maar kijk, dat heb ik de waterlelie, nat waren haar voeten, opgebiecht. Waarna ik op straat stond, zoals ik al zei, tussen de schimmen, de afwezige chassidim. Waar zijn ze toch allemaal naartoe? Tien jaar heb ik in die buurt gewoond, voor hen op de bel gedrukt, in de keuken het gasvuur gedoofd, hen in het Stadspark geobserveerd, waar ze nu ook niet zijn, alleen wat joggers - en goudvissen in het water. Vreemd. Ik heb het niet zo voor Zionisten, degenen die Palestina koloniseren, maar toen in mijn straat een bom ontplofte in een bus vol joodse kinderen, heb ik begrepen dat de vijand van elke kant komt. Maar waarom komt de vijand van elke kant? Waarom is er een vijand? Dat heb ik nooit begrepen en misschien wil ik het niet begrijpen.
Wat ik nu wel begrepen heb is dat de regen niet ziek maakt, want ik ben nu al drie dagen thuis en ik ben nog altijd niet ziek. Nochtans heb ik er veel voor gedaan om het te worden.

Met natte kleren aan en mijn hoed druipend van de aprilregen zat ik bier te drinken bij een Libanees. Daarna lag ik mij te masturberen in een kleine kamer in de Diamantwijk, tot ik bijna blind werd van het licht. En dat zonder muziek! Ik streelde mezelf om de geur van de stad te vergeten, de geur van het vergaan, van afwezigheid, van riolen en donkere moerassen. Het vochtige land waarop de kathedraal, de Boerentoren en alle huizen die zich binnen de grens van de Eroev bevinden, werden gebouwd. Ik streelde mezelf om mezelf terug te vinden, en jou, die ik altijd overal zoek.

 

 

21-02-12

BEWOGEN DAGEN 2.

 

IMG_3184.JPG

Martin Pulaski, Landschapsbureau, mei 2006.

Dit is het tweede deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

11.

Ik weet niet of ik een mooie – in de ethische betekenis - en goede mens ben. Ik doe mijn best, maar heb mijn gebreken. Ik ben egotistisch – een begrip van Stendhal - en misschien wel egoïstisch. Met psychologie loop ik niet bijzonder hoog op. Iemand als Carl Gustav Jung heeft mij nooit geboeid, het collectief onbewuste, de hele mikmak, dat vond ik te zweverig, te metafysisch. Ik ben meer geïnteresseerd in de realiteit, in wat zichtbaar is, in wat mensen – enigszins paradoxaal - in een soort van verblinding met elkaar doen, in wat toevallig gebeurt. Maar teveel realiteit kan je dan weer gek maken.

12.

Ik zou graag weer aan gymnastiek doen, of liever nog: zwemmen, maar het komt er nooit van. Nog niet zo heel lang geleden ging ik twee keer per week zwemmen, nu doe ik niets meer. Ik blijf bij de pakken zitten. Tijd om de pakken uit te pakken.

12.

Waarom ik in nogal wat autobiografische teksten de namen verander? Deels omdat ik me afvraag of de mensen die ik opvoer wel graag hebben dat ik ze opvoer. Deels omdat ik graag namen geef, zo kan ik toch een beetje voor god spelen. Ik verzin namen of laat me beïnvloeden door film, toneel, muziek, literatuur. Er zit geen logica in. X heet in het ene geval Y en in het andere Z. Ik laat me ook wat dat betreft leiden door het toeval.

13.

Ik weet veel over populaire muziek (blues, rhythm and blues, country, soul, rock, enzovoort), maar weinig over de liefde. Een zweep, die je volgens Nietzsche nodig hebt als je bij de vrouwen gaat, bezit ik niet. Ik ben radicaal tegen geweld.

14.

Met een auto rijden? Dan wel ergens waar er weinig auto’s zijn. In de woestijn. Of over the blue highways. Ik heb vandaag veel te veel auto’s ingeademd. De oude wagens waren zo mooi. Als kind droomde ik van Cadillacs en Oldsmobiles en zo. En het Straatsburgdok, en de gebouwen van Le Corbusier (die ik nu verafschuw). Le Corbusier was – misschien onvrijwillig – een fascist.

15.

Waarom zou ik niet twijfelen? Hoochiekoochie en eigenlijk alles wat ik schrijf en meedeel is op twijfel gebaseerd. Twijfelen is bijna hetzelfde als ademhalen. Ben ik onduidelijk? Misschien wel. Ik aanvaard chaos, hoewel ik mij er soms tegen verzet. De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn chaotische, twijfelachtige liefde.

16.

Blijkbaar kennen anderen mij beter dan ik mezelf ken. Maar waarom zou ik mezelf moeten kennen? Is dat geen onzinnige eis? Ik probeer mij te concentreren, maar het gaat niet. Ik ben ziek. Zie je, alweer geklaag… Vandaag kan ik helemaal niets schrijven. Er zijn zo van die dagen, weken soms. Alleen maar van die korte zinnetjes, die nergens naar leiden. Van die korte zinnetjes, waar ik vroeger zoveel omwegen voor maakte, als het moest zelfs via 'gevaarlijke' cafés aan de Midi, waar Albanese misdadigers met elkaar afrekenden, of reizen in Amerika in oncomfortabele greyhoundbussen.

17.

Ben ik een rare meneer? Ik vind mezelf geheel normaal. Sommige andere mensen vinden mij waarschijnlijk nogal bizar. Ik kan zelfs niet meepraten over den Anderlecht of Het Eiland... Ik zou wel willen, maar ik kan niet.

 

18.

Ben ik een goed opgevoede, beleefde man? Misschien ben ik wat vreemd, hoewel ik dat betwijfel, maar ik ben er nogal zeker van dat ik beleefd, zelfs hoffelijk ben, hoewel dat door m'n schuchterheid soms niet wordt opgemerkt. Bovendien heb ik het gevoel dat goede manieren nu geen rol meer spelen. Maar ik schud ze ook niet zo maar van me af, zoals Patti Smith dat kan, die soms op de grond spuwt. Ze doet dat overigens sierlijk, elegant bijna.

19.

Ik drink nu een tweetal liter water per dag. Je moet dat water natuurlijk ook weer kwijt, en wij zitten in een landschapsbureau, wat als ik me niet vergis een eiland wordt genoemd. Ik heb gelezen dat het idee voor zulke kantoorruimtes van Le Corbusier komt. Waar ik werk gaat zowat iedereen die het kan weg. Het is er niet vrolijk. Maar ik heb geen ambities wat dat betreft en blijf dan maar tot het bittere einde (2010).

Als gevolg van dat werken in een landschapsbureau slapeloze nachten, of slaapgestoorde nachten, met als gevolg het opgebruiken van reserves. Nu ook tot juli een 'moeilijke' periode op het werk. Dat gaat daar met golven. Soms is er bijna niets te doen, en dan opeens moet alles tegelijk gebeuren.

 

20.

De liefde is mijn grootste taal.

20-02-12

BEWOGEN DAGEN 1.

 

gedachten,autobiografie,herinneringen,aforismen,2005,2006,internet,blogs,flickr,hoochiekoochie,schrijven,spreken,eenzaamheid,lezen,zelf,ego,egoïsme,egotisme,troost,vriendschap,huwelijk,liefde,werk,ministerie,chaos,literatuur,kunst,ziekte,gezeur,drinken,feest,zelfbeeld,anderen

Martin Pulaski, Zelfportret met Jack Nicholson, 2006.

Dit is het eerste deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

1.

 Ik lees nog maar weinig boeken. Er was een tijd dat ik bijna onophoudelijk las, maar nu zijn er zoveel meer dingen die om aandacht vragen. Ik bedoel voornamelijk het sirenengezang van het vermaak, maar niet alleen dat. We moeten onze schaarse tijd nuttig, zinvol en gevarieerd besteden, want hij vliegt, voor we het weten is alles voorbij.  Kon ik maar van dat gevoel af dat de tijd een vijand is, een dief. Kon ik maar in het nu leven. Van ogenblik tot ogenblik. En me er niet druk over maken of ik al dan niet lees, al dan niet reis, al dan niet liefheb of haat.

2.

Er bestaan twee soorten eenzaamheid. De positieve eenzaamheid die je rust brengt en je terugschenkt aan jezelf. Hoewel je in die toestand alleen bent met en in jezelf is hij toch niet mogelijk zonder gesprek, dialoog, vriendschap, etcetera. Uit de positieve eenzaamheid kan veel goeds ontstaan; ze is goed voor je geestelijke en fysieke gezondheid. Van ijdel gepraat krijg je hoofdpijn of oorontstekingen.

Je hebt eveneens negatieve eenzaamheid. Wanneer je je afgezonderd, geïsoleerd, buitengesloten voelt. Als er niemand is om mee te spreken, om mee te lachen. De andere, degene met wie je het gewicht van de wereld van je af kan schudden. Het feest van het samen-zijn. Als je dat allemaal mist. Dan is de eenzaamheid verlammend. Als je geen verwante zielen vindt. Als je het gevoel hebt dat de wereld er niet voor jou is. En het paradijs al helemaal niet.

In het paradijs is iedereen iedereens spiegelbeeld, niemand heeft er een eigen gedachte, een eigen woord. Maar natuurlijk bestaat er geen paradijs. Eenzame mensen zoals Dante en Milton hebben dat bedacht als troost. Ik heb Dante al lang niet meer gelezen, maar ik weet dat hij een eenzame mens was.

3.

Over de donkerte in mij kan ik weinig zeggen. Ik denk dat ik te weinig oog heb voor de mogelijkheden die het leven biedt. Ik denk dat ik me te veel bezig houd met het negatieve, met gemiste kansen. Maar een zwaar leven? Dat geloof ik niet. Af en toe zak ik nog eens door, en dan voel ik me een paar dagen ellendig, maar dat veroorzaakt geen ware donkerte. Want als ik doorzak – wat een lelijk woord - ontmoet ik nogal eens verwante zielen, en dat biedt troost. De troost van vreemden, zoals Tennessee Williams zei.

4.

Vaak blijf ik op allerlei vragen het antwoord schuldig. Laat mij nadenken, waarna ik hopelijk mijn gedachten op papier zal kunnen zetten. Het gaat niet om een paar lichtvoetige danspasjes. Ik wil tijdgebrek niet als excuus gebruiken. Maar ik doe het toch even. Ik werk nu enkele dagen thuis, waardoor mijn verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van mijn baan toeneemt. Ik werk op een laptop die geen internetaansluiting heeft, beneden in de eetkamer, en niet hier in mijn werkkamer, waar de kans om ‘afgeleid’ te worden door boeken en sirenengezang te groot is. (Ik ben de inhoud van iTunes kwijt, meer dan zesduizend liederen; ik probeer dat al twee dagen te herstellen. Kleine problemen, het dagelijks leven…).

5.

Mijn gedachten zijn chaotisch. Ik zit met beleidsnota’s in mijn hoofd die ik moet analyseren en beoordelen. Maar ook met mijn verslaving aan mijn weblog (hoochiekoochie) en flickr. Is het wel een verslaving? Ik weet het niet. Alleszins heb ik er bewust voor gekozen om met een blog te beginnen. Ik had me uit de wereld van de ‘literaire mededeling’ teruggetrokken. Schrijven deed ik nog wel, maar de resultaten bleven in de la liggen. Af en toe deed ik eens mee aan een poëziemanifestatie of zo. Mijn laatste ontgoocheling was het einde van een literair tijdschrift hier in Brussel waar ik aan meewerkte. Brutaal heette het, voor een deel mijn geesteskind. Maar sinds mei vorig jaar heb ik me op die nieuwe vorm van mededelen gestort. Laat ik het een milde verslaving noemen.

Toch nog dit: ik denk niet dat ik vanuit een soort exhibitionisme foto’s op flickr zet. Het is eigenlijk een getuigenis, een autobiografie. Elke foto is een onderdeel van dat lange verhaal dat mijn leven is. Een verhaal met lacunes, met een subtekst, vulgair en subtiel tegelijk – en alles daartussenin.

6.

Ik ben ziek geweest, gisteren de hele dag in bed, donderdag te losgelaten feest gevierd, hybris, denken dat je alles aankunt, maar het lichaam... dat zit ook vandaag nog vol gif. En straks vertrek ik voor een personeelsfeestje naar Brugge. Alweer een feest, ik heb er geen zin meer in, kan er niet tegen. Ik zou veel liever hier alleen zijn en het gif uitzweten. Maar het zij zo.

7.

Ik ben degene die jij je voorstelt, niet degene die ik ben. Jij bent degene die ik me voorstel.

8.

Zijn we vanwege onze woorden al niet verantwoordelijk voor elkaar?

9.

Ik denk dat je kunt zweven én hier blijven, met je voeten op de grond.

10.

Het is goed dat je vrienden hebt, vrienden die je kunt vertrouwen. En: waarom geen vrienden die je niet kunt vertrouwen?

26-12-11

IN EENZAAMHEID EN STILTE

 cadiz2011.jpg

Cadiz, februari 2011. Foto: Martin Pulaski.

“Thuis, in eenzaamheid en stilte, hervond ik mijzelf, hulde mij in mijn eigen geestelijke atmosfeer waarin ik me op mijn gemak voelde als in goedzittende kleren. Na een uurtje gemediteerd te hebben  zonk ik weg in de vergetelheid van de slaap, los van verlangens, wensen, begeertes.” August Strindberg, Eenzaam, 1903.

 

Er is meer droeve muziek dan vrolijke, tragedies raken je veel dieper dan komedies: het leven is geen pretje. Vaak maakt een boek je nog eenzamer dan je je al voelt nog voor je er in begint te lezen. Sterke of zwakke personages leiden sterke of zwakke levens. Maar ze bestaan, ze handelen, ze eigenen zich een plaats toe in de wereld, ze worden door anderen omringd, liefgehad, bemind, bedrogen, bestolen, bekroond, van de troon gestoten. 'Eenzaam' van August Strindberg is anders. Als je dat leest valt de eenzaamheid van je af. Een heel dun boekje, maar dik inzake inzichten, en daardoor groothartig inzake troost.

Met eenzaamheid leren omgaan, er leren van houden - dat doe je niet alleen door gedichten van Fernando Pessoa te lezen, films van John Cassavetes te zien, stukken van Sofokles te analyseren, maar vooral door te oefenen. Noem het schrijven, schilderen, iets maken. Je creëert je ingebeeld gezelschap, dat voor jou reële vormen aanneemt. Maar meer dan eens lukt dat niet. Wanhoop, miserie, innerlijke leegte komen je gezelschap houden. In zo’n geval is er nog altijd vergetelheid in melancholische muziek (voor de gevaarlijke gevolgen waarvan Thomas Mann al waarschuwde in De Toverberg), alcohol of drugs.  Kortstondig, als de blik in de ogen van een betaalde gazelle.

Een jongen of meisje gaat op zoek naar zichzelf, ontdekt vervolgens dat dat niet bestaat. Ai, geen zelf, wat nu? Werken maar. Beelden, woorden, het hele gedoe. Denkbeeldige armen van Venus of een andere godin.

De kleine dingen – en dieren - om je heen, vooral de mus of een andere minuscule vogel, kunnen je teruggeven aan jezelf, een zelf dat inmiddels wellicht veranderd is. Een mens blijft zichzelf herhalen, maar wordt om de zoveel jaren ook een andere mens, iemand anders. Waarom wordt dan zo vaak gezegd: je bent niets veranderd?

In februari dit jaar was ik twee weken alleen in Andalusië. Ik voelde me daar zelden eenzaam, met altijd de oceaan in de buurt, en die aangename afwisseling van dagenlang regen en dan langere periodes van heldere lucht, dromerige zon. Het deed me inderdaad goed om die bepaalde eenzaamheid te doorbreken met een praatje. Met iemand die op de bus naar Sanlucar de Barrameda  stond te wachten of met een of andere vriendelijke barman, zoals die van de Woodstock Bar in Cadiz. Wat is het goed als er niets van je gewild wordt en als jij zelf ook niets bepaalds wilt.

Het is toch vreemd dat je onzichtbaar kunt worden voor jezelf. Dat je jezelf helemaal niet meer ziet. Soms heb ik een hele tijd in de spiegel gekeken, me geschoren en dergelijke, zonder te beseffen dat ik mezelf zag. En dan loop ik soms boos op straat omdat ik het gevoel heb dat de mensen mij niet zien. Besta ik dan niet, vraag ik me af? Ik had het – wat langer geleden - soms ook op mijn werk, vooral tijdens vergaderingen: zagen de aanwezigen mij niet? Bestond ik wel echt? Waarschijnlijk had ik mij teveel geoefend in het mezelf onzichtbaar maken, geoefend in mijn eigen afwezigheid.

Dat schijn ik nog altijd te doen. Wil ik eigenlijk wel graag dat de anderen mij zien? Nochtans was mijn jongensdroom toneelspeler worden. Ik heb het een tijdje gedaan als avant-gardistische amateur. Maar het wilde niet goed lukken: ik was bijna altijd te zeer mezelf. Ik was een jongen die niet meteen besefte dat hij niet 'voor goed' bestond. Een jongen die op zijn minst twintig jaar moest slapen om dan, na het ontwaken, in de spiegel te kijken en zich af te vragen: wie is die man van middelbare leeftijd met die stoppelbaard? Hoe lang loopt hij hier al rond? Hoe lang zal zijn liedje nog duren?

Als je lang niet meer met iemand hebt gepraat kan alles beginnen te duizelen. Je bent van niets meer zeker. Er is nauwelijks nog een overgang tussen je huid en de kamer waarin je je bevindt. Geen kosmische ervaring in dit geval, maar een soort van identiteitsverbrijzeling. Je kunt je best wel behaaglijk voelen in je eenzaamheid. Maar het mag niet te lang duren.

 

05-10-11

ECHTE EN ONECHTE VRIENDSCHAPPEN

vriendschap,vrienden,betekenis,zelf,aristoteles,filosofie,baltasar gracian

 Ik schrijf veel over vrienden en vriendschap, maar weet ik wel wat die woorden betekenen? Een vriend is een ander zelf, zoals Aristoteles al zei. En het woord 'vriend' is ongetwijfeld vaak een metafoor. Vriendschap en liefde liggen in elkaars verlengde, betekenen soms hetzelfde. Als je het over vrienden hebt moet je tegen wil en dank een onderscheid maken tussen 'echte' en 'onechte', zoals Baltasar Gracian doet. Ik heb heel weinig echte vrienden en heb daar geen behoefte aan. Op facebook heb ik meer dan duizend vrienden, waarvan velen alleen maar namen zijn en een profielfoto. Van de meesten weet ik niet eens of ze echt bestaan, of ze ooit geboren zijn. Hun geboortejaar verzwijgen ze angstvallig. Ik denk dat ze, net als ik, bang zijn voor de ouderdom, voor de dood. Ik ben in 1950 geboren.

Nee, enkele vrienden volstaan, enkele vrienden en een geliefde vrouw. Mijn echte vrienden kennen me en noemen me bij mijn naam. Zij weten dat ik, net als god meerdere namen heb, zij het nog altijd geen 99.

n zijn 'Handorakel en kunst van de voorzichtigheid' schrijft Baltasar over de vriendschap onder meer dit: "Er zijn echte en onechte vriendschappen. De eerste onderhouden wij voor ons genoegen, de tweede om ons succes in het leven te bevorderen. Weinigen zijn vrienden van uzelf, de meesten zijn het van uw positie. Begrip van een enkele vriend is van meer nut dan veel sympathie van de buitenwereld."

Vrienden van de eerste soort, die mijn succes in het leven zouden bevorderen, heb ik niet. Ik heb dan ook geen succes.

07-04-11

BOEKEN, DOODSKISTEN, BEGRAAFPLAATSEN

beach.JPG
Martin Pulaski, Portugal, 2010.

Ik was mijn boeken van de ene stapel naar de andere aan het verplaatsen. De boekenrekken hier in de kamer lijken op een file op de van diepe putten voorziene Vlaamse wegen. Af en toe glipt er nog eens iets, iemand tussen, maar met grote risico's (beschadigde kaft, niet meer terug te vinden, bloedsporen in de sneeuw...). Veel stapels worden het. Die accumulatie van woorden en zinnen doet me aan mijn sterfelijkheid denken - dat weet je al. Sartre noemde boeken ooit kleine doodskisten. Wat gebeurt er met al die boeken als ik sterf, als mijn levensgezellin sterft? Mijn zoon in Parijs heeft er geen plaats voor. Liefde misschien wel. Maar we hebben er nog nooit over gepraat. Praat je over zulke dingen met je zoon? Ik zou hem kunnen vertellen dat ik graag op Montparnasse begraven wil worden. Maar daar is nog minder plaats dan in mijn rekken. Alleszins wil ik onder de grond, mijn zoon, zodat ik niet geheel nutteloos uit de wereld verdwijn. De wormen zullen mij wel lekker vinden. Denk je niet? Ik drink graag porto, dus dat moeten ze al niet aan het sausje toevoegen.

Versta me niet verkeerd. Ik ben atheïst, wat niet hetzelfde is als ongelovig. Maar ik wil zeker geen 'begrafenis', geen plechtigheid in een katholieke kerk. Ik wil nog minder een plechtigheid in een crematorium. Dat vind ik het ergste van het ergste. Niet alleen vanwege de afgrijselijke muziek, maar ook en vooral vanwege de aard van die oorden, dat lege, dat miserabele, die sfeer die aanzet tot haastige spoed, laat het hier maar gauw gedaan zijn, zodat we pinten kunnen gaan drinken en over onze toekomstplannen praten, of, in het slechtste geval, over het verleden.

Begraaf mij ergens in de grond, in Haspengouw, in de provincie Luxemburg, of ergens dichtbij de Schelde. Want in New Orleans of op een andere  begraafplaats aan de Mississippi zal wel niet kunnen en niet mogen. En evenmin zal het mogen in de vruchtbare Umbrische aarde, of ergens in een witte dorpsbegraafplaats in Andalusië of in het westen van Ierland.
En zing liedjes. Draai geen liedjes op een of ander apparaat. Zing liedjes. Speel ze. Dans. Een lijst heb ik nog niet. Maar ik zal er rekening mee houden dat het eenvoudige songs moeten zijn, zodat iedereen mee kan spelen en zingen. Matty Groves zou ik wel op prijs stellen, niet dan, maar nu.

Tijdens mijn onzinnige werkzaamheid sloeg ik een boek van een van mijn geliefde hedendaagse schrijvers, Hanif Kureishi, open en las dit: "It reminded me of our society's implausible commitment to optimism, and how much the depressed are hated". Dat staat in zijn 'Something To Tell You', een geestig boek dat zich tot mijn generatie richt en de generatie die na mij is gekomen. Ik herinner me nog heel goed hoe ik instemmend knikte toen ik deze zin voor de eerste keer las. Ik voelde me ellendig op mijn werk. Dacht dat iedereen me haatte en dat ik niets meer waard was. Natuurlijk is dat subjectief - ik betwijfel het zeer dat iemand met haatte. De kans is veel groter dat men onverschillig was. Maar dat opgefokte optimisme, daar vergis ik me niet in. Iedereen had plannen en over alles (en ik bedoel echt alles) werden plannen gemaakt. Niets werd aan het toeval overgelaten. De plannen waren waterdicht. Iedereen was veilig en ingedekt. 's Avonds zat iedereen voor het scherm, en van de prins geen kwaad. Iedereen ging met zo'n vooruitzicht voor ogen tevreden naar huis. Wie had een linkerbeen? Wie doffe ogen 's morgens. Maar na vijf vuile koffies begonnen de plannen weer wild in het rond te zoemen. En ik wachtte af in mijn web, tot het aan mij was om een fijne plaats te krijgen in een van hun perfecte plannen.  Helaas was ik een perfectionist, waren de plannen niet perfect, en was ik nog minder perfect. Een perfectionist is bijna per definitie voortdurend ongelukkig, en maakt de anderen ook vaak ongelukkig omdat hij zoveel van ze verwacht. Een perfectionist bereikt nooit de top, dat kan hij niet. Meestal wordt hij omhoog geduwd, naar een plaats waar hij onschadelijk is. Zodat de anderen hun zin kunnen doen. Een luie perfectionist? Een luie perfectionist, zoals ik meen te zijn, is een beetje zoals een schizofreen. Of als een autist. Hij weet alles maar je kunt er niets mee doen. Een luie perfectionist wordt uiteindelijk naar het strand verbannen. Daar ligt hij met pijn in de ogen in de zon, niet in staat om zelfs nog maar een regel van Rimbaud te lezen.

Ja, ja, en dan heb ik mijn boeken maar laten liggen en ben ik op het terras gaan zitten om naar de zonsondergang te kijken en een glas lekkere Portugese wijn te drinken. Op uw gezondheid, en op die van jou en van mij.

dood,begraafplaatsen,zelf,boeken,kamer,werk,depressie,hanif kureishi,songs,plannen,plannen maken,paaldanseressen,perfectionisme,luiheid,katholicisme,atheïsme,optimisme,pessimisme,computer

Martin Pulaski, Agnes A., Deborah A, Oostduinkerke 1982.

15-04-09

SPELEN IN VIRTUELE RUIMTES


glissements-progressifs-du_plaisir 2

Sommige lezers van mijn weblog, evenals vrienden en kennissen die ik in het ‘gewone’ leven ontmoet stellen me vragen over mijn ‘zwerftochten’ op Facebook. Ze lijken zich zorgen te maken over mijn geestelijke gezondheid (of mijn gezond verstand, maar dat heb ik gelukkig nooit gehad). Dat begrijp ik niet goed. Ik ben nooit een zogeheten ‘nerd’ geweest. Ik heb bij wijze van spreken talloze interesses: liefde, eros, literatuur, kunst, muziek, film, theater, etcetera. Miljoenen zijn gek op voetbal, tennis, wielrennen, racen en weet ik veel wat nog allemaal. Waarom ook niet? Dat zijn gewoonweg mijn zaken niet (behalve dat racen de lucht vervuilt en veel lawaai maakt). Hoewel een aantal personen lijkt te denken dat het een uitvinding van de duivel is, vind ik wat ik op Facebook doe een fijne en prettige tijdsbesteding. Misschien is er helemaal niets mis met duivel. Hij danst alleszins rock ‘n’ roll, zoals je op ‘Goat’s Head Soup’ van The Rolling Stones kunt horen.

Vanmorgen in de metro las ik toevallig een interessante ‘verdediging’ van het spelen in virtuele ruimten:

“Playing in virtual spaces enables individuals to discover new aspects of ‘self’, a wealth of shifting identities, and thus to experience the ideological mechanism of the production of self, the immanent violence and arbitrariness of this production/construction.”

Slavoj Zizek, Interrogating the real, p. 99.

A wealth of shifting identities, inderdaad. Ik kan het zelf niet beter en juister uitdrukken.

Afbeelding: Glissements progressifs du plaisir, Alain Robbe-Grillet.

08-10-08

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces

The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now,
You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich

Afbeelding: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

26-09-08

HET ZELF EN MIJN POPULAIRE MUZIEK


In verband met mijn vorige twee stukjes, niet veel meer dan lijsten eigenlijk, en de interessante commentaren daarop wil ik een aantal dingen verduidelijken.

Richard Rorty wijdt in ’Contingentie, ironie en solidariteit’ een hoofdstuk aan wat hij noemt de contingentie van het zelf. Ik wil hier niet de hele argumentatie herhalen; Nietzsche en Freud zijn wat dit betreft zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Hij sluit het hoofdstuk af met deze woorden:


“We zullen de bewuste behoefte van de sterke dichter om te demonstreren dat hij geen kopie of replica is zien als louter een speciale vorm van een onbewuste behoefte om te leren leven met de onzichtbare afdruk die het toeval hem heeft gegeven, om voor zichzelf een zelf te maken door het opnieuw te beschrijven van die afdruk in bewoordingen die, misschien slechts marginaal, de zijne zijn.”

Ik haal dit hier aan omdat ik evenmin aanneem dat wij onszelf hebben gemaakt, noch dat we alles wat we op dit ogenblik boeiend, interessant, mooi vinden, zelf hebben gekozen. Dat is gewoonweg niet zo. Wat wellicht wel mogelijk is, is dat we met wat het toeval ons heeft gegeven een nieuwe combinatie maken en indien mogelijk en wenselijk ‘ons zelf’ heruitvinden.

Om wat ik wil verduidelijken heb ik een jaar nodig, want er komt zoveel bij kijken dat ik er op zijn minst een boek aan zou moeten wijden. Maar ik zal het kort proberen te houden. En daarna zien we dan wel weer.

Ik ben opgegroeid, eerst op een binnenvaartschip, later in internaten en oubollige scholen in een nog grotendeels godvrezend Limburg. Mijn ouders waren zoals dat wordt genoemd eenvoudige mensen. Ze hadden niet eens de basisschool kunnen beëindigen. Toch sprak en schreef mijn moeder voortreffelijk Frans en was ze geïnteresseerd in boeken. Zij heeft me leren lezen toen ik vijf was. Toen ik nog jong was kon mijn vader heel goed en boeiend vertellen. Dat had hij tijdens de oorlog geleerd, in krijgsgevangenschap en daarna in het verzet. Beiden hielden van eenvoudige liedjes, ik herinner me vooral ‘J’attendrais’ (het enige liedje dat mijn vader op zijn mooie gele accordeon kon spelen), Dalida, Mario Lanza, Edith Piaf, Bobbejaan Schoepen, en zo meer. Zulke liedjes, minderwaardig dan chansons, hoorde je ook wel op de radio. Al dat brave en sentimentele gekweel heeft mijn jonge oortjes geteisterd en gevleid. Wat ik mij er nu nog van herinner is de sfeer, het gevoel – iets zachts, fluweligs, eigenschappen die David Lynch in ‘Blue Velvet’ binnenstebuiten keert. Zo was toevallig een basis gelegd voor mijn latere muzikale smaak. Sentimenteel vermaak, tranerig gekweel. Ik bedoel dit geenszins negatief. Op  de lagere school werden zulke schlagers afkeurend straatliedjes genoemd. Vreemd, want ze waren zo onschuldig. Hoewel ze bij Fassbinder iets zeer subversiefs krijgen. Maar Fassbinder kende ik toen natuurlijk nog niet. De man had zelfs nog geen films gemaakt.

MARIAO LANZA


Toevallig had ik niet alleen ouders maar ook nog een zes jaar oudere broer, die al gauw in de ban raakte van de muziek van de duivel: rock and roll. Ik was zes toen ik Elvis Presley ontdekte, en met Elvis Presley alle Verenigde Staten. Dat had ik aan mijn opstandige broer te danken. Een nozem, zo werd luidkeels gefluisterd. Het zou nooit goed komen met hem. En dan die rock and roll, dat vreselijk lawaai. Elvis, Fats Domino, Little Richard, Wanda Jackson en Brenda Lee. Al begreep ik niets van de seksualiteit van die nieuwe muziekcultuur, toch was ik er van in de ban. Ik hield ook veel van de twist, bij ons bekend geworden dankzij Chubby Checker, die veel braver was dan Hank Ballard, de man die de twist had ‘uitgevonden’. Er ontstond een hele nieuwe cultuur van rock and roll, expo 58, broodroosters, milkshakes, honden die Laïka werden genoemd, jukeboxen, elke maand een andere dansrage, ‘scoobidoo’ en ‘hoola hoop’. Toen Elvis naar het leger moest, Chuck Berry in de gevangenis zat en Little Richard een predikant was geworden, was het einde van de rock and roll in zicht. Brylcreemkoppen als Fabian, Bobby Vee en Frankie Avalon werden nu populair. Bij ons had je vele Franse sterretjes die Amerikaanse songs in het Frans vertaalden, onder meer Johnny Hallyday en Richard Anthony.

LITTLE RICHARD 2

Vanaf mijn twaalfde beschouwde ik mezelf als een volwassene. Ik droeg een lange broek en had een polshorloge. Af en toe rookte ik stiekem een sigaret van het merk Peter Stuyvesant. Met mijn ouders en broer mocht ik zaterdags mee naar de ‘dancings’, de Orchidee en de Congo Bar. Ik kreeg dan repen chocolade of dronk Coca Cola. In een van die dansgelegenheden hoorde ik ‘Twist And Shout’ van The Beatles. Dat het een nummer van de zwarte Isley Brothers was, heb ik pas veel later ontdekt, en zelfs dat is niet de originele versie. Maar ‘Twist And Shout’ van the Beatles! Dat was mijn Damascus. De adrenaline als elektrische stroom door mijn jonge lijf. Die overrompelende stemmen, vooral die van John Lennon. Dit was niet langer de muziek van mijn broer, dit was mijn muziek.

BEATLES TWIST AND SHOUT

Een van de volgende dagen ging ik naar de plaatselijke platenzaak (ze verkochten er vooral stofzuigers en radio’s) en vond er de single ‘She Loves You’. Dat nummer heb ik wel duizend keer gedraaid. Ik veranderde mijn haarstijl, ging me anders kleden. Vooral de schoenen waren belangrijk. Nog wat later hoorde ik op onze transistorradio ‘Tell Me’ van the Rolling Stones. Dat was het! De heilige graal. Dat geluid, dat ritme, die gitaren, die stem gingen voor mij nog veel verder dan die liedjes van The Beatles. Hoe dat kwam kan ik niet verklaren, maar ik werd er veel dieper door geraakt. Ik kan het alleen maar euforie noemen. Zo begon mijn zelf zich af te tekenen door wat ik toevallig hoorde, en waaruit ik dan een keuze maakte. Zo werd mijn toekomst voor een groot deel bepaald. In 1965 gaf Bob Dylan met ‘Like A Rolling Stone’ mij volledige zekerheid dat ik had gevonden wat van mij was.

LIKE A ROLLING STONE 2

Daardoor luister ik nu nog steeds naar Engelstalige, vaak op blues gebaseerde muziek, vooral rock & roll en alles wat daar mee verwant is, of eraan is vooraf gegaan, zoals blues, rhythm and blues en country. En daardoor heb ik weinig affiniteit met klassieke muziek of muziek uit Azië, Afrika en de Slavische landen. Soms hoor ik iets in een film, zoals in het meesterwerk ‘De Muziekkamer’ van Satyajit Ray, en word ik diep ontroerd. Maar daarna grijp ik toch weer terug naar Bob Dylan of Lucinda Williams.

 

Over de crisis van de rock en de Westerse populaire muziek wil ik het in een volgend stukje hebben. Ik zal daarin mijn 'liefde' voor de Amerikaanse cultuur en subculteren onder de loep nemen.

 
OUT OF OUR HEADS

12-07-07

VRIENDSCHAP EN TEGENSPRAAK


poe 1

Hoe vertaal je opposition in de volgende uitspraak van William Blake: ‘Opposition is true Friendship?” Is het tegenstand, tegenstelling, oppositie, tegenspraak? Of zijn de vier vertalingen geldig? Ik denk het, omdat ze alle vier van toepassing zijn op ware vriendschap. Mensen die over alles hetzelfde denken kunnen moeilijk vrienden zijn. Wat zouden ze van elkaar leren? Wat zouden ze elkaar vertellen? Een vriendschap heeft verhalen nodig. Het verhaal is het ‘andere’, datgene wat de vriendschap spannend houdt. Het verhaal is de cement die de vrienden bijeen houdt. Vrienden kennen elkaars verhalen niet. Geleidelijk aan leren ze ze kennen. Is die ontdekkingsreis niet de kern van elke vriendschap. In ‘The Marriage Of Heaven and Hell’ schreef William Blake ook dit nog: ‘This Angel, who is now become a Devil, is my particular friend; we often read the Bible together in its infernal or diabolical sense, which the world shall have if they behave well’.

Nu ik dit gelezen en geschreven heb twijfel ik toch weer. Want hoe zit het dan met de vrienden die elkaars spiegelbeeld of dubbelganger zijn? En met de diepzinnige uitspraak van Aristoteles (en van Pythagoras), veel later overgenomen door Borges, dat een vriend een ander zelf is? De vriend als dubbelganger. Maar ogenschijnlijk staat daar dan weer de lange traditie van rampzalige ontmoetingen met dubbelgangers tegenover, traditie die het best tot uitdrukking komt in ‘William Wilson’ van Edgar Allan Poe. In het verhaal van Poe is de dubbelganger het geweten van de held. Als hij de dubbelganger doodt, sterft hij zelf. En zo kom ik toch terug bij het begin uit, want wie zijn dubbelganger doodt is er ongetwijfeld in oppositie mee.

14-02-07

ZELFPORTRET MET TWEE DODEN


small mountain boy

Ik zag mezelf zeven keer op zeven verschillende leeftijden. Het was een warme junidag. We zaten wat te af te zweten in een prefabklasje. Ik werd telkens opnieuw naar voren geroepen om plaats te nemen in een van de brandweerwagenrode zetels die naast elkaar op een klein podium stonden. De eerste ‘ik’ was een jongetje van een jaar of zeven. Degene die naast hem ging zitten was de tienerversie van mezelf, en vervolgens nog vijf versies tot aan de door het leven verbitterde vijftigplusser die ik nu ben. Ik stond erbij en keek ernaar en was niet tevreden. Als een bol wol bij het breien zag ik de mij toegemeten hoeveelheid leven snel slinken. Het gedeelte dat achter de rug lag was een exact meetbare hoeveelheid, die snel toenam. Intussen waren nog anderen, vrienden en kennissen zo te zien, tussen mijn zeven zelven komen zitten. Ze waren heel wat jonger dan mijn oudste ik, mijn galspuwende spiegelbeeld. Dat vond ik allerminst rechtvaardig. "Zo oud al!" riep ik wanhopig uit. "Zo vreselijk oud!" brulde ik.
En ik schrok wakker, bevend en zwetend, met krampen in de hartstreek. Marc en Rom zijn dood, dacht ik onmiddellijk, geboren uit de geest van rock & roll, gestorven van een vermoeid, gebroken hart.

Illustratie: de kunstenaar als jonge bergbeklimmer. Foto: François Brouns.

21-12-06

IDENTITEIT EN MASKERADE : SLAVOJ ZIZEK

namen,spelen,zizek,cyberspace,zelf,filosofie,psychoanalyse,hitchcock

Bij Slavoj Zizek, las ik een interessant stuk over cyberspace en identiteit. Het citaat kan gelezen worden als een – a priori – commentaar op de hele discussie die hier een paar dagen geleden werd gevoerd over onder meer authenticiteit, jezelf zijn, het ego en de maskerade:


“Bovendien bepleit een hele school van cyberspace-theoretici de notie dat cyberspace-verschijnselen in onze alledaagse ervaringswerkelijkheid het deconstructionistische ‘gedecentreerde subject’ tastbaar maken: men moet beamen dat er sprake is van een ‘uitzaaiing’ van het unieke Zelf in een veelvoud van met elkaar wedijverende aspecten, in een ‘collectieve geest’, in talloze zelfbeelden zonder globaal coördinatiecentrum die werkzaam zijn in de virtuele werkelijkheid en die het zelf losmaken van pathologische traumata – door in virtuele ruimten te spelen kan ik nieuwe aspecten van ‘mijzelf’ ontdekken, een rijkdom aan verschuivende identiteiten, aan maskers zonder ‘werkelijke’ persoon erachter.”

Overigens wijs ik er graag op dat Zizek een filosoof is die er duidelijk veel plezier aan beleeft om – met kennis van zaken – naar talloos veel films, schrijvers, kunstenaars, psychoanalytici en andere filosofen te verwijzen. Zo komen op één pagina van het boek ‘Geloof’, waarin ik het bovenstaande citaat aantrof, Pontius Pilatus en het personage Judy / Madeleine uit Hitchcocks Vertigo voor. En zo geeft hij me meteen de kans om zelf ook weer wat namen te noemen. Maar ben ik dat zelf wel, die zo graag aan namedropping noemt?

18-09-06

IN DE MIST VAN HET HOOFD

ik,munchhausen,individu,zelf,ego,yo la tengo,dostojewski,lacan,groddeck,nietzsche,freud

De vraag naar wie ik ben en wat ik ben laat me niet met rust. Niet dat ik er in deze context voortdurend op wil terugkomen. Want wie van jullie heeft er iets aan? Aan het feit dat ik deze vraag stel. Aan het feit dat er geen antwoord op is. Je stelt een probleem maar je weet vooraf dat er geen oplossing voor is. Er is al zoveel over geschreven, Nietzsche, Freud, Lacan, Groddeck, etcetera. Vooral etcetera. We bevinden ons nog steeds in de mist. In de mist van de stad en de mist van het platteland. In die van het communisme en in die van het liberalisme. In die van het individu en in die van de gemeenschap. In die van de liefde en die van de haat. Mist, modder, oersoep. En daaruit moet je jezelf oproepen, opwekken, oprichten, optrekken. Als een baron von Münchhausen. Of jullie, moeten jullie het doen? Want jullie zijn een deel van het probleem en een deel van de oplossing die er geen is. Zonder jullie ben ik er niet, ontsta ik niet. Zonder jullie blijven alle plooien gladgestreken. 


Ik ben min of meer de antipode van het hoofdpersonage uit Dostojewski’s Aantekeningen uit het ondergrondse, en toch voel ik me ook verwant met deze voormalige ambtenaar. Als afsluiter van deze korte aantekening uit mijn ‘eigen’ ondergrondse wil ik de eerste vijf zinnen uit deze korte, krachtige roman citeren: “Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man. Een onaantrekkelijk man ben ik. Ik geloof dat ik aan een leverkwaal lijd. Ik begrijp trouwens geen lor van mijn ziekte en weet niet eens precies wàt mij zeer doet.” Ik had er ook zes kunnen citeren, het hele boek zelfs, maar vijf moeten volstaan.

Nu kan ik me opnieuw wat verdiepen in de vraag naar wie ik ben en wat ik ben. En wat luisteren naar Yo La Tengo’s I Am Not Afraid Of You And I Will Beat Your Ass. Als het me lukt die twee dingen te combineren…

20-01-06

LIEFDE VOOR DE VER VERWIJDERDEN

sam talylor-wood,filsofie,nietzsche,seventies,citeren,zarathoestra,lichaam,zelf,denken,ik,kleist

Af en toe keren, zonder dat het te voorzien valt, periodes in mijn leven terug tijdens dewelke ik een groot genoegen beleef aan de lectuur van Nietzsche. Waarschijnlijk is er weer zo een aangebroken; maar de bliksemende intensiteit van de jaren ’70 zal ze niet meer hebben. Toen was ik jong, vol van lentekoorts en grootse plannen, nu ben ik ouder en wacht gedwee op het einde van de wereld. In die tijd had ik voortdurend zin om hem te citeren. Alsof ik wilde zeggen, zie je wel. Dat ik heb ik nu toch ook weer een beetje. "De verder verwijderden zijn het, die uw liefde tot de naaste betalen; en reeds wanneer gij met uw vijven bij elkaar zijt, moet er altijd een zesde sterven." (Zarathoestra, 61). De christelijke naastenliefde was niets voor Nietzsche. Volgens Nietzsche is onze naaste niets anders dan een beeld. Wij zijn zelf ook een beeld. Ons zelf, waarvan wij ons bewust zijn, is dat ook geen beeld? Iets wat buiten ons bestaat? Wij raken niets anders aan dan dat beeld, niet ons zelf. De term 'zelf' betekent voor Nietzsche het lichaam zoals het in werkelijkheid is (waarvan het 'ik' slechts een aspect is, een product; het lichaam creëert het 'ik', als een instrument dat voor de samenhang moet zorgen). De gespletenheid die wij nu kennen zou moeten worden overwonnen: lichaam en denken zouden opnieuw samen moeten vallen.


Die gedachte is ook al bij Heinrich von Kleist terug te vinden, vooral in het zeer moderne essay ‘Uber das Marionettentheater'.

Beschouw dit als een voetnoot bij mijn vorige notitie. En het einde van de wereld mag nog wat uitblijven. Het gras mag nog wat blijven groeien, de tulpen en andere bloemen blijven bloeien.

De foto is een werk van Sam Taylor-Wood.