25-07-16

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

***

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

27-04-09

WOESTIJN, WINDSTILTE, WERVELWIND


Ik heb niets te vertellen. Alsof ik een woestijn ben waar nooit een wind waait. Hoe lang gaat dit nog duren? Maar mijn hoofd zit vol beelden en muziek. De melodieën lossen elkaar af, als een wervelwind, een vuurzee. Een voorbeeld: 'That Teenage Feeling' van Neko Case.

17-09-07

NAAR DE NEFZAOUA


just married

Een flashback naar februari 1999 - fragment van een huwelijksreis.

De donkere wolken voorspellen regen. De mensen van hier voorspellen ook regen. Nu heb ik wel graag dat het eens een keer regent, maar het mag natuurlijk niet blijven duren. We gaan een hele dag weg, naar de woestijn. Eerst naar Douz, voor de donderdagmarkt. Daarna naar Zaafrane voor een uurtje op de dromedarissen, echt de woestijn in. Tijdens de rit naar Douz (en de hele dag) zitten we achter in de 4x4, heel ongemakkelijk voor de benen. En je ziet de hele tijd je vijf medereizigers (vier toeristen en een chauffeur). Gelukkig zijn het vrij stille mensen. De man voorin is de hele tijd met zijn videocamera in de weer. Zo heeft hij gelukkig geen aandacht voor ons. Onderweg, in de Chott-el-Jerid, een uniek natuurfenomeen, stappen we even uit. De gids vertelt ons over wat we gaan doen en waar we nu zijn en wat dit allemaal is. Dat wil ik hier niet herhalen. Zie de reisgidsen. Het is erbarmelijk koud en ik wil zo vlug mogelijk weer in de 4x4. Ik denk wel: als het weer mooier wordt huren we een fiets en komen we helemaal alleen naar hier. Dit landschap is gewoon te gek. Je moet je er op je eentje of met zijn tweetjes in onderdompelen. Tijdens een huwelijksreis bijvoorbeeld. Niemand moet daar getuige van zijn. Een paar Tunesische herders mogen ons vanuit de verte wel zien aan komen rijden en hun god mag ons zijn zegen geven. Maar meer niet. Geen Fransen met hun hoogdravende commentaren, met hun duizenden woorden om te zeggen dat ze mooi vinden wat ze zien. Je moet niets zeggen. Woorden breken alleen maar af. Zelfs met poëzie moet je voorzichtig zijn, heel voorzichtig of je breekt met je vergezochte beelden stukjes van de wereld af. Het komt erop aan heel kleine stukjes te bevestigen. Te doen bestaan. Iets nieuws is niet nodig. Of een zwart plastiek zakje misschien? Of zo’n zilveren schijfje misschien, omdat ik er toevallig aan verslaafd ben? Dat alle zilveren schijfjes meteen verdwijnen! Daar lig ik niet van wakker. Als er geen schijfjes meer zijn om naar te luisteren is er nog altijd een huilende hond. Natuurlijk zal ik dan nooit meer naar Donna Summer kunnen luisteren, en dat zal ik toch wel erg vinden. Oooooh, love to love you baby (x100)…

In Douz zijn de straten, vandaag niet veel meer dan modderwegen eigenlijk, koud en vuil en krachtig van geur. Bruine kleuren zoals je ze nooit hebt gezien. Talloze bruinen. Beige, zandkleur. Lichtbruin nat zand. Grijsbruine ezelkeutels. Roestbruine stront van kamelen, van dromedarissen. Schapen die in hun omgeving opgaan. Hun wit stelt niets meer voor. Plotseling de verrassing van de beestenmarkt, wat lager gelegen dan de rest van het stadje. Je kunt het geen schok noemen, wat je daar voor je ziet. Je ziet meteen dat dit er altijd al geweest is. Het is een zacht en tegelijk brutaal visioen, maar dan reëel. Mannen in bruine dekens gewikkeld. Je ziet nauwelijks iets anders dan bruin. Het is zo spooky dat je er geen foto van durft maken. Toch lopen er zeker wel twintig toeristen rond op de beestenmarkt en ze maken foto’s. Hun camera’s zijn zo lelijk. Niet bruin, maar zilverkleurig, net hetzelfde gevloek als dat van jouw Minolta.

Koud dat het is. In een groezelig café drinken we heerlijke thee. We kopen een tapijtje, misschien omdat het met zijn rode kleuren veel warmte uitstraalt. De thee is zoet en warm. En zo rechtstaan in dat café met dat warme glas in je hand, dat verwarmt je hart. Alsof je een romantische ziel bent, in de 19de eeuw verdwaald. De man in het café zegt: maak een foto van mij. Ik ben pittoresk. Hij is bruiner dan om het even wat in deze omgeving. Je zou bijna zeggen: een zwarte man.

Daarna op die dromedarissen. Laura is de eerste. Zij zit al op haar dromedaris nog voor ik goed weet waar ik aan begonnen ben. Dan zit ik ook op mijn beest. Een wild gevaarte dat niet echt tevreden is met zijn last. Ik voel dat hij me van zijn rug af wil. De dromedaris maakt een vreemd brulgeluid, een beetje zoals het geloei van een koe, maar dan psychedelisch. De tong ziet er ook uit of je aan het trippen bent. Je weet wel hoe een echte tong eruitziet, dit is slechts een triptong. Straks word je weer normaal en zie je opnieuw de tong zoals ze is. Maar neen hoor, dit is een of ander ding in de mond van de dromedaris. En nu is er geen gids om je te vertellen wat dat eigenlijk is. Zo’n dromedaris zit vol water, je voelt dat volume tussen je benen. Je voelt dat er allerlei dingen gebeuren in dat vaste lijf. Een heel ander gevoel dan op een fiets. Pas na een tijd zie je ook de woestijn. De woestijn is niet bruin maar geel. Een klein beetje bruin is met je meegekomen: de dromedaris.

Maak nu toch eens een foto, zegt Laura. Maar ik houd me stevig vast, met mijn twee handen, aan het houten spul waar je je aan vast kunt houden. Met roestige ijzerdraad vastgemaakt. Opgelet, denk ik, ik ben niet ingeënt tegen tetanus, en als je dat ergens van kunt krijgen, dan is het wel van kamelen (dromedarissen ook natuurlijk). Kijk ik heb al een schram op de muis van mijn hand. En me toch stevig vast houden. Als ik hier afval is mijn rug gebroken. Jongen, kijk, daar is de woestijn, daar, kijk. De vreselijke woestijn. De absurde woestijn. Zou je er niet eens een keer in willen verdwalen? Een beetje maar? Echt niet? Diep in je hart?

Maar je gedachten dwalen weer af, je waarneming wordt ondermijnd door angsten. Door de geur van je kledingstuk (boernoes of djellaba), doordrenkt van het zweet van zoveel voorgangers-dromedarisberijders. Vergeven van de mijten, van de mijten hun uitwerpselen. Je krijgt er ademnood van, hier in deze zuivere lucht.

Ergens een oponthoud. Het is duidelijk: de dromedaris wil je kwellen. Hoe hij gaat zitten, dat is zeker niet met goede bedoelingen. Die dromedaris van Laura deed dat zo elegant en met veel aandacht voor zijn berijdster.

Nog een tochtje met de 4x4’s door de duinen naar een soort van Hollywoodkastelen, midden in de woestijn. Ze worden gebruikt als filmdecor. We mogen er niet binnen. Dat doet me denken aan Cinécitta. Daar mochten we ook niet binnen. Ik ben nochtans filmstudent, zei ik toen. Ik ben een bewonderaar van Fellini. Ik zou eens een kijkje willen nemen in deze gerenommeerde studio, waar de meester al zijn meesterwerken heeft gemaakt. Het mocht niet baten. De poort bleef gesloten.

Een vrij stevige wind steekt op, je ziet niets meer. Die wind heeft iets uitdagends. Je zou er wel willen in opgaan, een worden met het geheel. Dat is weer typisch natuurlijk. Dat verlangen naar een roes, je onderdompelen. Verdwijnen in iets. Een korreltje zand worden. Maar alle korreltjes zand zijn geteld en jij bent toevallig (of niet zo toevallig) die mens, Martin Pulaski.

Foto: Martin Pulaski.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.