11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

20-11-14

HISTORISCHE STAD, HISTORISCHE ONTMOETING 2

baudelaire-nadar_68.jpg

Voor Geerten Meijsing

Omdat ik tijdens het verblijf in Sicilië een luchtwegontsteking had, heb ik toen helemaal niets genoteerd, ook niet de dagen na de ontmoeting met Geerten Meijsing. Toch herinner ik me nog veel van die nacht, zij het niet chronologisch. Wat ik nu ga doen lijkt een beetje op het neerschrijven van een droom, kort na het ontwaken, maar ik heb wel eerst al koffie gedronken.

Ik ben geen beroemdheid, alsjeblieft. Ik ben ook schuchter. Als het weer het toelaat zit ik buiten. Waarschijnlijk kennen we elkaars innerlijk al te goed om nog een compromisloos gesprek te kunnen voeren, maar who cares. Nee, ik ga nooit meer uit, en drink eigenlijk ook geen alcohol meer.

De dag van de ontmoeting bleef ik in bed, hopend dat ik me nog voor zonsondergang beter zou voelen. Mijn vrouw vond dat ik de afspraak niet kon afzeggen, en uiteindelijk vond ik dat zelf ook. Suf van de halfslaap en vage, verontrustende dromen verliet ik het hotel. In de buurt van de Fontana Aretusa, “waarin dikke karpers zwermen en witte eenden tussen de papyrus zwemmen”, aten we wat vis met weer van die zo verfrissende Siciliaanse wijn. Wijn combineren met cortisone en antibiotica beveel ik niet aan, maar ik hervond wel wat van mijn krachten en kon me  met voldoende zelfvertrouwen naar de Piazza San Rocco begeven. Het was inmiddels bijna half negen.

Hoewel ik de schrijver nog maar een keer had gezien en hij met de rug naar me toe was gekeerd, herkende ik hem meteen. Hij zat aan een tafeltje buiten, met een glas whisky en rookte een sigaar. Alsof hij aanvoelde dat ik er was draaide hij zich naar me om en stond op. Na de eerste warme handdruk beseften we beiden dat er altijd al een diepe vriendschap was geweest tussen ons, ook al hadden we elkaar nooit ontmoet.

De dagen die voorafgaan aan een ontmoeting, zelfs met de beste vrienden, ben ik altijd erg gespannen. Ik heb er geen idee van wat er in zulke periodes in mijn hoofd gebeurt. Waarschijnlijk houdt het verband met de verlatingsangst waar ik sinds mijn achtste onder gebukt ga. Ondanks jaren van psychoanalyse en andere therapieën raak ik daar niet van verlost. Zodra we echter samen zijn valt die stress van me af: ik verander in iemand anders, in iemand die ik altijd zou willen maar niet kan zijn, enthousiast, empathisch en sociaal. Dat was nu niet anders. Ik voelde me meteen goed. Hoe beschrijf je dat? Alsof je wegzinkt in een zachte wereld, alsof niets je nog pijn kan doen of van streek kan brengen.

Geerten bestelde wat antipasti voor hem en voor mij een Nastro Azzurro. Aan whisky waagde ik me niet, de volgende dag zou ik vroeg naar Taormina vertrekken. We praatten wat over mijn reis, over het hotel waar ik logeerde, over Syracuse, over gewone dingen. Ik vertelde hem van de cortisone. Dan is het einde nabij, zei hij. Hij wilde me graag wat bloed zien ophoesten. Als ik je blog lees stel ik me voor dat het bij jou op het huis van Usher lijkt. Ziekte, pijn, bleke vrouwen, gitaarimpromptu’s. Hij reciteerde de openingszinnen van dat mooie verhaal van Edgar Allan Poe. De schrijver die mijn allereerste leermeester was. Ik had hem ontdekt in ‘Zoek het eens op’, een jeugdencyclopedie uit de vroege jaren zestig. Of al die verschrikkelijke dingen die hij in ‘Tussen mes en keel’ beschrijft werkelijk gebeurd waren? Het is allemaal waar, zei hij. De depressie, de zelfmoordpogingen, de opname, de antidepressiva. Nu zag Geerten er echter goed uit, wat opgewonden, maar vooral vrolijk. Wel wat gebogen lopend, net als ik. Hij had veel last van reuma. Normaal dronk hij niet, maar nu kon hij het niet laten. Hij treurde nog erg om Doeschka, van wie hij veel meer houdt dan hij in ‘Moord & Doodslag’ wil toegeven. Tussen de regels kun je dat wel lezen, natuurlijk. Ze was nog maar kort tevoren overleden, in januari 2012. Over zijn vader, zijn broers, het huis in Haarlem. De boeken in dozen in dat huis. Ik had graag voor jou en je vrouw gekookt, zei hij, maar dat lukte niet meer.

We praatten over boeken en schrijvers. Hou je echt van Paul Auster, vroeg hij, met wat teleurstelling in zijn stem. Ik heb al zijn boeken gelezen, zei ik. Mijn favorieten zijn ‘Moon Palace’ en ‘The Book Of Illusions’, heel filmisch. En al die popmuziek van jou? The Rolling Stones, die jongens zijn toch zielig nu? Ik ben bevriend met George Kooijmans van the Golden Earrings, zei hij. Fijne man. Ik vermoed dat Mazzy Star je wel zal liggen. Met een ontzettend zwoele zangeres, Hope Sandoval. Ze heeft de stem van een muze, een heroïnenimf. Dat zoek ik morgen op, zei hij. Soms kan ik zomaar verliefd worden op een meisje dat ik heel vluchtig zie. Ja, dat heb ik ook wel. Baudelaire heeft daar over geschreven, ‘A une passante’, geloof ik. En als je ze dan aanspreekt lachen ze je uit. Wat wil die oude man van me? We hebben bijna dezelfde leeftijd, Geerten is twee maanden jonger dan ik. Ben je al in Catania geweest? De vrouwen van Catania zijn de mooiste van de wereld. Ik was er al geweest, maar dat was me toen niet opgevallen. Een week later keerde ik er terug en wilde er heel graag blijven: de mooiste meisjes van de wereld, maar alleen ’s avonds, als de toeristen in bed lagen.

Als je één van mijn boeken herleest raad ik je Cecilia aan, daar ben ik het meest tevreden over. Ik wil al je boeken herlezen. Nee, niet doen, je zal teleurgesteld zijn. Ik vertelde hem uitgebreid over mijn ervaringen met ‘Erwin’, waar ik hier eerder al over heb geschreven.

Landschappen, daar kan ik zo van genieten. Het blauw van de zee is goed tegen depressie. Ik leid hier een eenzaam leven. Maar gelukkig komt mijn dochter nogal eens op bezoek. Weet je wat je moet lezen? James Salter, ‘All That Is’. En ‘Eight White Nights’ van André Aciman. Geweldig, heel sensueel. Ken je Pascal Quignard, vroeg hij. Nee, die kende ik net zomin als Aciman en Salter. (James Salter’s ‘All That Is’ heb ik inmiddels gelezen, een schitterende roman.) Pascal Quignard is vooral bekend van ‘Tous les matins du monde’, dat in 1991 door Alain Corneau verfilmd werd. En van ‘Villa Amalia’. Ach, al die prachtige Franse films. Ik werk aan een boek over actrices, vooral Franse. Dat vond ik interessant. Vooral omdat ik niet wist dat Geerten zo van film hield. Isabelle Adjani, zegt hij. Isabelle Huppert. En hoe heet ze ook alweer, die andere Franse actrice. Bulle Ogier, zeg ik. Precies, zegt hij, Bulle Ogier. Hoe kon je mijn gedachten lezen? Dat weet ik ook niet, zei ik. Het was alleszins een magisch moment én grappig.

Was het niet een teken van boven dat ik je wilde vertellen over Bulle Ogier, niet op de naam kon komen, jij wist die wel en wist mij vervolgens veel meer over haar te vertellen dan ik al wist. Nu ben ik bezig deze lacune in mijn kennis in te halen, en heb op YouTube al veel stukjes met de geweldig geile Bulle, die ook een groot actrice en een groot kunstenaar is, gezien, o.a. de gehele film La maîtresse, in het Russisch nagesproken, maar je kon het Frans er nog net doorheen ontwaren. Jezus, wat een film; die zouden ze nu niet meer ongeknipt in de bioscoop durven uitbrengen.
bulle ogier (3).jpg

Nog maar wat bier en whisky. Binnen mag je geen sigaren roken, Geerten. We gingen naar een andere bar. Alleen om daar naar een meisje te kijken. Het werd al gauw rustiger, bijna stil in de omgeving van Piazza San Rocco. Ondanks al de whisky’s werd mijn nieuwe vriend niet dronken, en ik werd almaar nuchterder van de pils. De minuten duurden lang, de uren kort. Ik vertelde hem over mijn kinderjaren op het schip. De vreselijke tijd in de kinderkolonie, het altijd afscheid moeten nemen en de verlatingsangst die daar het gevolg van is. Geerten luisterde aandachtig, mededogen in zijn blik. Hij die zelf zoveel pijn voelt, niet alleen de pijn van de melancholie maar ook die van de liefde en van het hart. En die film van Chabrol, hoe heet die toch ook al weer? Dat wist ik helaas niet. Achteraf bleek dat hij ‘Que la bête meure’ bedoelde.

Ik moet mijzelf hier in bescherming nemen tegen de nachtelijke verleidingen, want anders loopt het heel snel heel slecht met mij af. Dat zal sowieso wel het geval zijn, maar ik moet nog minimaal vier grote romans schrijven. Dat zal je zeker lukken, Geerten, je ziet er goed uit, en energiek. Ach, op onze leeftijd verliezen we zoveel mensen. We denken dat we jong blijven, maar als we dan in de spiegel kijken… Ja, zoals in ‘The Picture Of Dorian Gray’. Je denkt heel lang dat de meeste mensen ouder zijn dan jij, en dan opeens… Veel vrienden van vroeger zijn al weggerukt. Kees Snel, wat een tragische geschiedenis... (Kees Snel maakte deel uit van het schrijverscollectief Joyce & Co.) Nog één broer en één zus heb ik. Na Doeschka’s dood ben ik gestopt met whisky drinken. Nu ja, vanavond maak ik een uitzondering. Laat mij maar Baudelaire zijn, dan ben jij Edgar Allan Poe. Goed, zeg ik, dat betekent dan dat jij me in het Frans hebt vertaald.

Edgar_Allan_Poe_daguerreotype_crop.png

Mijn vrouw belde me, ze was ongerust. Zou ik wel uit bed kunnen voor de trein naar Taormina? Geerten stelde voor dat ik terugkeerde naar mijn hotel, maar ik wilde nog wat blijven, kon geen afscheid nemen. Nu we daar eenmaal waren, op die plaats waar ik zo zelden kom. Je mag ook Félicien Rops zijn, zei hij. We hadden het over de vrouwen en de verliefdheden in ons leven. Een verslaving die je te gronde kan richten. Maar die willen we toch niet opgeven? We willen toch verliefd kunnen worden, kunnen blijven, tot de laatste snik?

Op de terugweg naar het hotel, bijna vier uur was het, wankelde ik wat. Toch had ik alleen Italiaans bier gedronken. Ik zal met je meelopen, zei Geerten. Op straat,  die er helemaal verlaten bijlag, ondersteunde hij me, of dat probeerde hij. Maar hij wankelde al net zo als ik, zodat ik op mijn beurt hem moest ondersteunen. Aan de Duomo in nachtlicht en volstrekte stilte gehuld, op dat gracieus plein in Syracuse, hebben we afscheid genomen.

Vanmorgen was ik natuurlijk nog altijd ziek. Maar we zijn toch in Taormina geraakt, met veel medicatie en wilskracht. Ik heb al heimwee naar Syracusa. Taormina is ooit mooi geweest, maar de voorbije twintig, dertig jaar is het ten prooi gevallen aan massatoerisme. En er waait een frisse wind, maar het is niet koud. Heerlijke zon, en de Middellandse zee zo groenblauwachtig. Wat heb ik een prachtige ervaring, een onvergetelijke ontmoeting, achter de rug. We wilden de nacht niet laten eindigen, maar ja... Mijn leven is veranderd.

Ik voelde mij meteen zéér nauw aan je verwant, en had het idee dat ik je al mijn hele leven heb gekend. Wees voorzichtig met je gezondheid, zodat we elkaar in de toekomst nog vaker kunnen ontmoeten. Hope Sandoval zal ik bekijken.

Ik ben gisteravond, op jouw aanraden, opnieuw begonnen in 'Cecilia'. Zevenentwintig jaar geleden verschenen. Wat een fijnzinnig, ontroerend, met hart en ziel geschreven boek. En zo overvloeiend van voorgevoelens. Ik herken je in het boek, zoals je nu bent, niet helemaal, maar toch. En ik herken ook iets van mezelf. Je voelde kennelijk al heel goed aan hoe je dertig jaar later ongeveer zou denken en leven. Toch schrijf je dit: "Met deze boeken heb ik door de jaren heen een geestelijke barrière opgeworpen tussen mijzelf en de wereld die zo moeilijk te nemen is dat ik geen contacten meer met de ander kant onderhoud en slechts met spijt dit papieren universum kan verlaten." Zo zag ik jou helemaal niet: boeken, films, muziek, leken net verbindingen, koppelingen, bruggen tussen ons. Ik mag je natuurlijk niet vereenzelvigen met je personages.

Buiten is de regen opgehouden. De zon breekt door de novemberwolken, de donkerste. Blauwe lucht, een rusteloze merel voor mijn raam. Wees niet boos en niet bedroefd. Ik zet iTunes aan. ‘Blue Mountains’ van Sam Amidon. Tadadada Tadadada Tadadada Dadada.

 

felicienropsmaturiteit-c-1886.jpg

 

08-07-13

VERFRAAIDE HERINNERINGEN

ny-onthebeach.jpg

Te warm om te denken, zong David McComb. Te warm om te schrijven. Maar dat is geen reden om te gaan klagen: we kunnen nog bier en koude wijn drinken en we kunnen nog lezen, zeker van die volstrekt gekke en enigszins geniale boeken, zoals ‘Waging Heavy Peace’ van Neil Young. Je moet er niet veel inspanning voor doen; alleen maar bewonderen, heel vaak in de lach schieten en doorlezen.  Het helpt ook dat Neil Young geen moeilijke woorden gebruikt, maar eenvoudige. Zijn eenvoud is echter niet banaal en wijkt sterk af van de onnozele ‘eenvoud’ van ondingen als ‘FC De Kampioenen’. Neil Young’s eenvoud is niet beledigend maar respectvol en dwingt daarom ook respect af.

Tussen twee korte slaapsessies in – even niet doorgelezen - las ik dit:

“Old memories are wonderful things and should be held on to as long as possible, shared with others, and embellished if need be.”

Heel eenvoudig, inderdaad. Maar er staat wel: “and embellished if need be”. Dat is minder simpel dan het lijkt. Er zit een ander levensverhaal achter, het verhaal – of een van de vele verhalen – die onze held niet vertelt. Onze herinneringen zijn altijd verfraaiingen, verdraaiingen, verzinsels, maar ze zijn dat (we maken ze zo) altijd of toch bijna altijd met de beste bedoelingen. Wij willen niemand kwetsen en voor onszelf willen wij ons de mensen die we hebben gekend (en vaak nog kennen) op de best mogelijke manier herinneren. 

22-02-13

HERINNERINGEN AAN KEVIN AYERS

kevin1.jpg

Kevin Ayers is dood. Hoewel ik hem maar enkele keren heb ontmoet – het waren intense, onvergetelijke uren – beschouwde ik hem in mijn verbeelding als een ware vriend en in werkelijkheid als een lange afstandsvriend. ‘I have a friend I’ve never seen, he hides his head inside a dream’ zingt Neil Young in ‘Only Love Can Break Your Heart’. Het zou over Kevin Ayers kunnen gaan, en een klein beetje over mezelf.

Ik hield van zijn songs, zijn stem, zijn elegantie, zijn merkwaardige schoonheid, zijn speelsheid, zijn intelligentie. Toen ik hem ontmoette was ik nog naïef. Hij vertelde me waar the Soft Machine vandaan kwam. Van William Burroughs. Net zoals Steely Dan. Kevin Ayers vertelde me dat er logica in dromen zit. Kijk naar de bananen op zijn schaakbord (op de hoes van ‘Bananamour’).

Kevin Ayers was een muzikant met een ziel, geen showman. Dat zie je meteen op het livemateriaal dat er op YouTube voorhanden is.  Hij hield van Nico, beschouwde haar als een vrouw met talent en niet als een freak. Over haar heeft hij het mooie ‘Decadence’ geschreven. Op Ayers’ meesterwerk, ‘The Confessions Of Dr Dream And Other Stories’ uit 1974, zingt Nico mee (op ‘Irreversable Neural Damage’, een titel waar ik destijds weinig van begreep, geestelijk gezond als ik was). Op zijn platen liet hij zich begeleiden door voortreffelijke muzikanten zoals David Bedford, zijn oude vriend van the Soft Machine Robert Wyatt, de jonge Mike Oldfield, Steve Hillage, Ollie Halsall en Lol Coxhill. Niet voor niets heette zijn band ‘The Whole World’.

Syd Barrett, die hij wellicht nooit goed gekend heeft, zag hij als een ‘soulmate’ en een vriend. Voor hem zette hij het sprookjesachtige ‘Oh! Wot A Dream!’ op plaat. Een van mijn lievelingsnummers. Eens gehoord vergeet je het nooit en het is zeer geschikt als slaapliedje voor de kinderen.

Op een avond zaten we samen aan tafel. Kevin Ayers had meer aandacht voor de wijn dan voor het eten. Maar niet alleen voor de wijn. Tussen ons in stond een vaas met een warmrode roos erin; van een van haar bladeren viel een vochtdruppel in mijn glas . “Look”, zei hij, “the rose is crying in your wine”. Weinigen zien zoiets kleins, en als ze het zien zeggen ze het niet. Zeker mannen doen dat niet. Ik kende in die dagen niets van wijn. Hij vertelde me dat hij graag Gewurztraminer dronk. Daarna heb ik die vrij fruitige wijn nog jaren geregeld gedronken, tot ik me door bourbon en tequila heb laten verleiden, dranken die ik al lang weer heb afgezworen: nu is er opnieuw plaats voor wijn in mijn leven. En zeker ook voor Gewurztraminer.

Soms hoor ik Kevin Ayers in mijn dromen zingen. Why are you sleeping, zingt hij. Va pisser dans un violon, zingt hij. Stranger in blue suede shoes, zingt hij. Colores para Dolores, zing hij. Puis-je, vraag ik hem dan. En vervolgens word ik wakker, ontbijt, de zon schijnt, ik maak een lange wandeling, loop voorbij een café waar een mooie vrouw alleen aan een tafel thee zit te drinken. Zou ik haar durven vragen of ik dicht bij haar mag komen zitten? Nee dat durf ik niet, zeg ik tegen mijn spiegelbeeld.

Nog zoiets: mede dank zij Kevin Ayers ben ik nooit oud geworden. Hij was een van die kunstenaars die me hebben leren dromen, dagdromen, mijmeren… Kevin Ayers heeft me geholpen om van het leven een feest te maken, ook al krijg je soms alleen maar een naakte lunch.

Kevin Ayers is dood. Maar hij blijft mijn heel bijzondere gezel, tot het einde. Ik zal hem elke dag missen.

---

Op 25 juni 2006 schreef ik nog over Kevin Ayers in De roos van Kevin Ayers en op 27 juni 2006 in Gesprek met Christa Pfaffgen.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

11-12-12

MELANCHOLISCHE WARMTE IN PORTO EN ELDERS

porto,vriendschap,gesprek,restaurant,eten,drinken,wijn,lezen,schrijven,nederlands,portugees,guimarães,taal,kafka,joyce,hölderlin,pessoa,horror,western,aki kaurismäki,tavern man,humanisme,zwarte humor,mededogen

Matti Pellonpää in 'La Vie de Bohème', Aki Kaurismäki.

Op een frisse novemberavond in Porto zat ik met mijn goede vriendin Cristina in restaurant Vitoria. Een rustige, aangename plek, die ik op mijn eentje nooit had gevonden. Ik had een immens bord vol lamskoteletten, waar ik niet bijzonder veel zin in had. Maar je kunt toch niet elke dag twee keer vis eten? Het was mij meer om de rode wijn te doen, een lekkere Dialogo – en nog veel meer om het gesprek. Een dialoog met Cristina is altijd een vrolijke gebeurtenis, zelfs al is de ondertoon melancholisch, soms bijna fatalistisch. Alleen al om dat te kunnen meemaken reis ik graag naar Porto. We houden van heel uiteenlopende dingen, maar zijn denk ik toch zielsverwanten. We praten graag over kwalen en ziektes, maar doen dat niet zonder zelfspot en bevrijdend lachen.
Onze gesprekken zijn associatief: zo heb ik ze het liefst. Zowel Cristina als ik lezen weinig auteurs van ‘eigen bodem’.  Welke Portugese auteurs moet ik lezen, vraagt ze zich af. Welke Nederlandstalige auteurs moet ik lezen, vraag ik me af? Wat hebben ze ons te vertellen? Maar verarmt onze woordenschat daardoor niet? En door zoveel Engels te lezen, want dat doen we beiden, ontspoort onze syntaxis misschien wel? Misschien wel, ja. Maar is een arme woordenschat een ramp? Ik heb altijd van de magere taal van iemand als Kafka gehouden. Zijn wereld spreekt me veel meer aan dan die van bijvoorbeeld James Joyce in ‘Finnegans Wake’. En Hölderlins ontspoorde syntaxis, wellicht te wijten aan zijn vertalingen uit het Grieks, maakt zijn poëzie net zo uitzonderlijk.

Door ons niet te verdiepen in de ‘eigen’ literatuur blijft onze taal authentiek; we worden niet beïnvloed door geografisch bepaalde trends en hypes, zielige opflakkeringen van bijna uitgedoofde geesten. Desondanks zullen we altijd beïnvloed worden door wat dieper stroomt, door filosofische ideeën, door globale ‘evenementen’, door gesprekken, door wat ons uit sociale netwerken tegemoet komt. Het zijn onvermijdelijke en misschien wel noodzakelijke invloeden. Tegelijk onderhevig aan de fenomenen die onze tijd bepalen en oneigentijds (“unzeitgemäss”, bij Nietzsche) zijn, daar is het ons om te doen, denk ik.

Tijdens ons lang, intens gesprek hadden we het over angstaanvallen, astma, paniek, horror (‘The Shining’, ‘Rosemary’s Baby’), poezen, hoe je een kat kunt oproken, allergieën, William Burroughs en de beat generation, mijn liefde voor westerns, het verschil tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ westerns (Fred Zinnemans ‘High Noon’ tegenover John Fords ‘The Searchers’: de revolutionaire Jean Luc Godard had een zwak voor de republikeinse, soms racistische John Ford), over geesten, werkelijke en onwerkelijke spoken, de vraag ‘wat is realiteit’, Paul Auster (zijn werk verschijnt eerder in het Nederlands dan in het Engels, zo ben ik gedwongen een meestal niet erg elegante Nederlandse vertaling te lezen), Haruki Murakami (‘Kafka On The Shore’, ‘Norwegian Wood’), ‘Le Rouge et le Noir’, vakanties, reizen, vliegangst, ziekenhuizen, hallucinaties, openbaringen, onthullingen, liefde en het verdriet dat daarmee gepaard gaat, mensen die zich willen dooddrinken (dachten we aan Fernando Pessoa?), hedendaagse kunst, onafhankelijke platenlabels, boeken aanschaffen via internet, de onbetrouwbaarheid van de Brusselse post en Guust Flater.

Cristina vertelde me dat Guimarães, de geboortestad van haar vriend José, culturele hoofdstad van Europa 2012 is. Ze zei dat ze nog niet zo lang geleden de kans had gehad om met Aki Kaurismäki, wiens werk we beiden bewonderen, te praten in een bar in Guimarães. Maar ze heeft het niet gedaan, wellicht uit schuchterheid. Of was het er te druk?
Samen met Manoel de Oliveira, Pedro Costa en Victor Erice was de Finse filmregisseur door de Stichting Cidade de Guimarães gevraagd om een film te maken over het collectieve, historische, geheugen van Portugal (onder de gemeenschappelijke noemer ‘Centro Historico’). Kaurismäki’s bijdrage, ‘Tavern Man’, vertelt het verhaal van een eenzame barman in het historische centrum van de stad. Een typisch onderwerp voor de zwarthumoristische Fin, lijkt me.
Ik heb de film nog niet gezien. Variety schrijft er dit over: “and humanity spreads to every corner of the frame with compassionate, melancholy warmth.” Meer verwacht ik van Kaurismäki niet. Evenmin verwacht ik meer van mijn vrienden, in Portugal, in België, waar dan ook.

 

17-10-11

GEPARFUMEERD GENIE

 

perfume-genius-learning.jpg

Perfume Genius.

 

Opeens sloeg de bliksem in.
Waarom was je niet bij me toen de bliksem insloeg, vroeg hij. Waarom was je niet bij me toen ik zo bang was?
Er vielen vier doden, tientallen gewonden.
Waarom was ik niet bij je, zei ze.
Ze liep naar de keuken, dan naar het terras, rookte een sigaret.
Hij vulde zijn glas bij.
Deze wijn smaakt giftig, zei hij. Vuile wijn. Zeker Franse?
Geen idee, zei ze, het is wijn zoals we die altijd hebben gekend.
 

Ze moesten roepen om elkaar te kunnen verstaan. De cd van Perfume Genius stond luid. En van de eetkamer tot het terras is een hele afstand, tenzij je met de snelheid van licht loopt. Hij dacht, hoe luid roep ik nu toch. Wat zullen de buren denken van die luide piano? Misschien begeven de luidsprekers het wel. Klinken de zwarte toetsen het luidst? Een piano met alleen maar witte toetsen, dat is een idee.
 

Een piano met witte toetsen, is dat geen goed idee, zei hij.
Heeft John Lennon vast bedacht in zijn tijd, zei zij.
Ja, John Lennon, dat is mogelijk. Hij heeft zelfs "Occupy Wall Street" bedacht, zei hij.
"Power to the people", zei zij.
Maar als het van mij afhangt George Harrison, zei zij.

Negenennegentig procent van de people, zei hij.
Wat maakt het ook allemaal uit, zei zij. We gaan allemaal dood, vroeg of laat. Leven en laten leven, zei ze.
Je bent gek, zei hij. Rijp voor het gekkenhuis.
Ik ben helemaal gek, zei ze.
Vind je die Perfume Genius nog altijd zo goed, zei hij.
Heel mooi, maar zo droef, zei ze. En zo gek.
Die piano klinkt wit, zei hij.
Met wit wis je alle verdriet uit, zei zij. Zoals op het witte doek de dromen je helpen vergeten, zei ze.
Dat de zon alweer niet schijnt, zei hij.
Dat vind ik overigens de beste elpee van the Doors, Waiting For the Sun, zei hij.
De enige mooie plaat die ze hebben gemaakt, zei zij. "Summer's Almost Gone", zo melancholiek.
Toen ik met die plaat aan de kassa stond, heb ik in mijn broek gepist, zei hij.
Echt, zei zij.
Was ik toen zeventien of achttien, dacht hij. Ik had een blaasontsteking, mijn moeder had me lindenthee laten drinken.
Ja, zei hij, en zo moest ik vijf kilometer lopen. Met die elpee in een zakje van De Harp onder mijn arm.
Er is zoveel met je gebeurd waar ik geen weet van heb, zei ze.
Maar toen de bliksem insloeg, zei hij.
Maar toen de bliksem insloeg, zei zij.

23-04-10

DAT HEET DAN GELUKKIG ZIJN

 

JaneBirkin

Hoe goed je het hebt in dit onvriendelijke, ongastvrije land, waar niemand nog tevreden schijnt te zijn. Gisteren stond je in Antwerpen heel even naar de Schelde te kijken, stromend onder een zelfs schijnbaar gelukkige mensen troostende zon. Je wilde in het koude water springen, niet om je leven te beëindigen, maar eerder integendeel, om je leven te vernieuwen zoals de natuur in de lente, om je op een heidense manier wederom te dopen. Maar natuurlijk sprong je niet, met zo’n helder hoofd en omgeven door zoveel onuitgesproken schoonheid en in de ban van zoveel nog in het verschiet liggend geluk. Met zoveel zoveel. Als je er drie dagen eerder had gestaan was je misschien in dezelfde rivier, hetzelfde water,  gesprongen uit wanhoop, ontreddering, uitzichtloosheid. Nee, je zou het vast niet hebben gedaan, maar toch… En waarom? Stilte. Er is geen antwoord.

Gisteren praatte je met je vriendin over het geluk. Niet alleen over het geluk maar ook over Straw Dogs van Sam Peckinpah en de boeken van George Pelicanos, onder meer. Geen small talk, dat niet. Daar zijn jullie niet goed in. Het thema ‘geluk’ sprong er uit. Wat is geluk, wat maakt een mens gelukkig? Hoe lang duurt geluk? Je bent maar zelden gelukkig, het zijn uitzonderlijke en extreme momenten, die je de indruk kunnen geven dat ze een eeuwigheid duren. Als jij terugkijkt op je leven zie je dat je zulke momenten nooit zelf hebt gekozen. Dat is onmogelijk: ze moeten je overvallen, zoals een misdadiger dat in een heldere straat kan doen om je geld en waardevolle voorwerpen te stelen. Je hebt lange tijd  gedacht dat je geluk voorgoed tot het verleden behoorde, wat je lusteloos en ontevreden maakte, zoals zoveel andere inwoners van dit land. Maar gisteravond, bij een lekker glas Greco di Tufo, kon je je vriendin met zekerheid vertellen dat er je zonder enige twijfel nog heel wat momenten van geluk te wachten stonden. De mogelijkheid tot geluk, tot tevredenheid, tot genot, was je om de hals gevlogen. Was je te beurt gevallen. Had je overweldigd. Het viel je moeilijk om niet in bijna extatische woorden te spreken. Maar je hield je wat in, omdat je zag dat je vriendin er wat ongemakkelijk van werd, misschien zelfs wat jaloers – terwijl jullie elkaar al sinds 1982 kennen en er nooit van liefde of zelfs maar verlangen sprake is geweest (al kan dat verlangen er natuurlijk wel geweest zijn, dat weet je gewoonweg niet). Jullie vriendschap is er een zoals tussen broer en zus. Jullie zouden in eenzelfde bed kunnen slapen en elkaar een kuise nachtzoen geven voor het snurken begint. Maar zelfs dat hebben jullie nooit gedaan. Er was alleen de troost van de vriendschap tussen een man en een vrouw.

Overigens hoort het ook niet als je met een dame bent te praten over het geluk dat iemand anders je schenkt. Maar waar het hart vol van is. Je komt ‘gelukkig’, dank zij een stel extremistische idioten, al gauw op een ander gespreksonderwerp. Je geliefde moederland,  je geliefde vaderland. Het paranoïde gewauwel dat je elke dag op de radio hoort, alsof de media met de nationalistische extremisten en separatisten samenspannen. Voor de Vlaams-nationale radio en televisie (VRT) is dat heel goed mogelijk: zij eten het brood van de separatisten. Maar daar wil je nu niet op doorgaan. Er zijn andere akkoorden, andere koren en gezangen die moeten gezongen worden dan die van vetzakken en profiteurs. Wilhelm Reich vroeg het zich al af: waarom kiezen wij ervoor om geregeerd te worden door onderdrukkers, profiteurs, parasieten, kinderverkrachters, intellectueel en seksueel imbecielen? Waarom verkiezen wij zulke mensen om ons te vertegenwoordigen in een klein zaaltje, parlement heet het, waar alleen nog maar rauwe kost wordt gevreten en niemand mekaar lust noch kust. Waarom verkiezen wij mensen die ons liefst van al dood willen, zodat zij de enige overlevenden zouden zijn, na de oorlog die zij zelf hebben ontketend.

Nu word ik ik, of toch een beetje.

Ik doe niet meer mee. Ik wil nergens meer bij horen. Ik wil bij de goede mensen horen die het goed bedoelen. Die de wereld willen veranderen in een tuin, in een park, waar we elkaar kunnen ontmoeten als vrienden, kameraden, geliefden, vrije en verantwoordelijke mensen, als vaders en moeders, als geliefden die elkaar overal waar ze willen kunnen kussen en strelen, in alle talen van de wereld en de niet-wereld. Een wereld waar alle utopieën met elkaar verzoend worden, als een parfum waarin de essentie van de beste bloemen samengebracht wordt. En wat ik hiermee bedoel is dat in elke mens een beste bloem aanwezig is. Je moet alleen voetstappen zetten en snuiven en ruiken en ruikt er voor ons mensen iets lekkerder dan het geslacht van vrouwen, van mannen, van witte, van zwarte, van gele, van bruine, van violette, van indigo, van markante mij onbekende kleuren? Jullie ruiken allemaal zo lekker. Maar het liefst ruik ik toch nog altijd de geur van mijn geliefde. Omdat er niet een enkele reden voor is. De geur van mijn geliefde geeft mij de woorden om dit te schrijven en op die wijze niet aan ontevredenheid ten onder te gaan. De huid van mijn geliefde maakt van mij een mens die qua huid niet verschilt van andere mensen en dieren. De tong van mijn geliefde kent geen enkele afzonderlijke taal maar kent duizend of meer talen als een mooie man of een mooie vrouw ze zingt of in haar oren fluistert. Een man of een vrouw is mooi als hij of zij in die talen liederen maakt, ze zingt of in haar oren fluistert. De ogen van mijn geliefde kijken ongerust maar tegelijk met vertrouwen naar onze toekomst, de onzekerheid die ons allen te wachten staat. Het lichaam van mijn geliefde heeft nieuwe levens geschonken, en daarmee wereld, toekomst, liefde en haat, oorlog en vrede.

Ik vertel haar over mijn leven. Een leven van droefheid, geluk, verdriet, haat, weerzin, afkeer, tederheid, woorden, beelden, gebaren, stellingen en strelingen, afzondering en verlangen, begane en onbegane wegen, vriendschap, tederheid, warmte in de winter en koude kussen in de hete zomer. Ik vertel haar over bergen en wijn, over de zee en sommige steden. Zij vertelt me haar leven. Stapje voor stapje. Dan is er muziek die alles wat we zeggen overstijgt. Dan kussen we elkaar en nemen we scherpe messen om ons los te snijden van elkaar. De straten worden rivieren van bloed. Ik vergeet mijn bril in de auto van mijn geliefde. Ik denk dat zij niet wenst dat ik over die bloedrivieren schrijf, terwijl wij elkaar net zo lief hebben en bloed een metafoor is voor de verbondenheid. Net op tijd herinner ik me mijn bril. Ze stopt even, ik zie haar als een aardse godin, als ze me die kleine glazen in de handen stopt. En dan rijdt ze weg, naakt onder een dun stofje. Alsof ze een personage is uit een film van Russ Meyer. Al zijn actrices zijn sexy en hun borsten overweldigen je. Dat ze sexy zijn en humoristisch heb ik altijd fijn gevonden, maar ik ben gek op de borsten van mijn geliefde. Ik ben gek op de borsten van  Charlotte Rampling en Jane Birkin. Je zou kunnen zeggen: ik ben de anti-Russ Meyer. Ik ben doodgewoon gek. Iemand die liefheeft is altijd gek. Iemand die de wereld liefheeft is het gekst van al. Freud zei dat het doel van het leven de dood is. Ik denk dat het doel van de dood het leven is.

 

08-12-08

LEVEN EN DOOD VAN EEN CACTUS



umberto d

Met pijn in het hart heb ik een meer dan twintig jaar oude cactus in kleine stukken gezaagd; een levend wezen dat ik tot levenloosheid heb herleid. De cactus nam geen water meer op, en verschrompelde. Ook zonder mijn ingreep was hij ten dode opgeschreven. Het onderste gedeelte van de plant, die bijna dezelfde lengte had als ik, was zwart geworden en krom getrokken, maar de bovenkant was (en is) nog mooi groen. Misschien kan ik die groene stukken opnieuw aan het groeien krijgen.
Het is vreemd dat een voorwerp, een ding, je emoties zo sterk kan raken. Natuurlijk houdt dat verband met het verdwijnen, met het sterven en de ontbinding. Een cactus opruimen is misschien wel netjes, maar je beseft tegelijk dat alle leven eindig is en moet verdwijnen. De meeste dingen rondom ons blijven echter langer dan wij, de boeken, de beelden, muziek. Het huis waarin ik woon is in geen al te beste staat, maar ik twijfel er niet aan dat het hier nog zal staan als ik al lang vergeten zal zijn. Er zullen ooit, liever laat dan vroeg, nieuwe huurders komen die niets over me weten, over de gelukkige momenten, over het verdriet, over de honderden teksten die ik hier schreef en de zogenaamd onvergetelijke boeken die ik hier las. Het is goed mogelijk dat die nieuwe huurders niet meer zullen lezen, niet meer geïnteresseerd in film zullen zijn, en ook de zachtheid van de huid zullen hebben afgezworen. Want liefde is niet nuttig en brengt weinig op, tenzij in de prostitutie, zullen zij misschien zeggen. Ik mag hier niet te lang over nadenken, of er zit meteen al een alien in mijn kamer, een slijmerig wezen met scherpe tanden en kleine, lelijke ogen.

Enkele dagen geleden zag ik ‘Umberto D.’ van Vittorio De Sica. Dat had ik beter niet gedaan. Het is een onuitstaanbaar droeve film, met slechts enkele lichtpunten in – en de louterende schoonheid van de beelden, gelukkig. Een gepensioneerde ambtenaar komt niet rond met zijn pensioen en kan de huur van zijn kamer niet meer betalen. In heel Rome is er geen mens die hem kan of wil helpen. Hij heeft maar een vriend, zijn hond Flike, een buitengewoon welopgevoed beest. Er is ook nog het hulpje van de hospita: kennelijk heeft zij enige compassie met de oude Umberto D. Maar zij komt vooral af en toe in zijn kamer omdat ze door zijn raam naar de soldaten aan de overkant kan gluren. Twee van die jonge mannen zijn haar minnaars. Van welke van de twee ze zwanger is weet ze niet, maar ze maakt er zich weinig zorgen over. Op het einde van de film wil de hopeloze, gebroken Umberto D. samen met zijn hond onder een trein springen, maar Flike’s levenslust is te groot: hij doet de poging mislukken. Hoe het dan verder zal aflopen met die twee zullen we nooit weten.

Ik weet niet waarom ik die twee voorvallen hier vertel. Het zullen de donkere dagen zijn, de melancholie die me maar niet los wil laten. En melancholie voedt zich met melancholie, zwartgalligheid wil meer zwartgalligheid, geestespijn wil de donkere wijn van het verdriet drinken. Ik vermoed dat zelfs enkele bloemen van het kwaad me nu zouden kunnen bevallen.

Maar dit is slechts een winter. Er komen altijd weer mooie dagen. Spoedig zal het weer lente zijn en voor het zover is zal ik vrienden en geliefden ontmoeten. Ik zal de wijn drinken van het plezier en me laten ontroeren door de mooiste muziek die ik ken, zoals nu al door Neil Youngs in 1968 opgenomen ‘Sugar Mountain’. En ik zal terugdenken aan de mooie momenten van 2008. Ik leg me nog niet neer in de sneeuw en ben evenmin zinnens een paard te omhelzen in de straten van Turijn.

umberto d 2

Afbeeldingen uit Umberto D., een absoluut meesterwerk van Vittorio De Sica

11-09-08

HEEFT ARNON GRUNBERG ZWEETVOETEN?


Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn? Er zijn gaten in mijn geheugen, dat is niets nieuws, tenzij de nieuwe gaten. Ik probeer te ontwaken uit een lange nachtmerrie; ik wil mijn helse tocht een halt toeroepen. Ik liep vaak door lange donkere gangen, bevond mij in huizen zonder kamers, grote ruimtes volgestouwd met ongeveer alles wat ik in mijn leven ooit heb gezien of in mijn handen heb gehad. Vrouwen wilden mij verleiden, en ik zou geen enkele weerstand hebben geboden, maar ze veranderden van de weeromstuit  in brandende toortsen. Ik sloeg weer op de vlucht, mannen met slechte bedoelingen zaten achter me aan. Messen, revolvers reflecteren een flauwe zon. De stralende kleuren van surreële parken, waar rust heerst. Gezichtsbedrog. Om mij heen stort de wereld in. Ik kijk in de spiegel en zie mezelf snel verouderen. Mijn stervende vader kijkt me met droeve ogen aan.

Ik ging geregeld naar de Delhaize, kocht er zongedroogde tomaten, brood, wijn. Aan de kassa’s waren de meisjes vriendelijk, onvriendelijk, onverschillig. Ik scheer me niet. Weer zo’n schooier, denken ze. Nochtans koop ik geen Duvels, geen trappisten, alleen rode wijn om mijn bloed sterker te maken. Fruit eet ik niet, ik drink het. En elke morgen een flesje Omnivit Tonic. Daarna spoel ik met een glas water een Pharmaton caplet door. Als ik niet moet gaan werken lig ik enkele uren later weer uitgeput op de sofa.

Op de linkeroever, lang na middernacht, kijk ik naar de Antwerpse skyline. Bijna vullen tranen mijn ogen om alles wat ik gemist heb, alles wat aan mij is voorbijgegaan. Zeventien jaar ben ik nu lijfelijk weg uit mijn geboortestad, maar zowat alles in mij is daar nog verankerd, in die zinnelijke havenstad. Van het Antwerpen uit mijn kinderjaren blijft niets over. Maar daar maak ik me niet druk over. De wereld moet veranderen, zoals de talen. Elke dag komen er woorden bij, de oude verdwijnen in woordenboeken, of worden anders uitgesproken. Onze taal wordt de taal van Vondel genoemd, maar gebruikt iemand van ons nog een woord dat Vondel gebruikte? Welke wereld zag Vermeer? Je kunt het je niet voorstellen. Rothko kon dat misschien, of de waanzinnig Jackson Pollock, als al het bestaande (en voorbije) door zijn lichaam trok, een immense, eindeloze parade. Misschien zag John Coltrane of Albert Ayler die wereld. Misschien hoorden zij de eeuwenoude stemmen.

Van de Delhaize tot thuis is een wandeling van een kwartier. Ik kan dan ongeveer vijf songs beluisteren op mijn iPod. De rest van de dag luister ik niet veel naar muziek. Ik koop cd’s en leg ze op stapels, in mijn rekken is geen plaats meer. Is het mooie muziek? Ik weet het niet. Brian Wilson’s ‘That Lucky Old Sun’ bijvoorbeeld. Is het geen sentimentele, kinderachtige onzin? Oxygen to the brain, zingt hij. En hij gaat stemmen voor McCain. Want McCain heeft eerlijke ogen, godverdomme. Kan ik iemand die zulke domme uitspraken doet nog waarderen? Ja, ik weet het, je moet een onderscheid maken tussen de maker van een kunstwerk en het werk zelf. De vraag is of ik dat wil. Knut Hamsuns ‘Honger’ is duidelijk een meesterwerk, maar ik kan het boek niet onbevangen lezen omdat ik weet dat de schrijver vriend aan huis was bij de familie Goebbels. Hamsun was dan al oud en seniel, zegt men. Zal ik dan over een tiental jaar de voeten van Filip Dewinter kussen?

Van voeten gesproken, ik las in Humo een geestig, maar veel te kort stukje van Arnon Grunberg over couchsurfing. Ik heb een jonge vriendin, Deborah, die me enkele jaren geleden al op die mogelijkheid heeft gewezen. Maar het tijdperk van liften en wildslapen is voor mij definitief voorbij. Ik wil niet meer op andermans sofa. Ik ben te asociaal geworden en te traag ook. Ik wil als het enigszins kan een kamer in een palazzo. Lang geleden deden wij al aan couchsurfing, maar dat heette toen anders. Je belde gewoon bij iemand aan die op een gestencilde lijst stond en dan kon je daar op de vloer slapen. Bij ons thuis aan het kerkhof van Elsene hebben destijds veel mensen geslapen en brood gegeten: uit Finland, Frankrijk, de Verenigde Staten, Portugal, Nederland vooral. De meeste slapers kwamen uit Amsterdam. Zij hadden altijd honger, alsof de hongerwinter nog niet lang voorbij was. Arnon Grunberg merkt terecht op dat couchsurfing een hippiefenomeen is. De woorden, de mode, de trends veranderen, maar verandert de wereld? Wat ik me echter vooral afvraag is of Arnon Grunberg zweetvoeten heeft. En ook nog dit: waarom heb ik niets over dat indrukwekkend concert van Conor Oberst geschreven? En over enkele gedenkwaardige ontmoetingen met fijne vrienden? Ik weet het niet. Wat heb ik toch uitgespookt de voorbije weken, sinds ik terug ben uit Berlijn?

22-06-08

HET MEISJE IN CAFE MAJESTIC


MEISJE IN MAJESTIC

Je zat met je vrouw in café Majestic in de Rua de Santa Catarina in Porto. Café Majestic is een van die plaatsen waarvan je zegt, er bestaat niets mooiers dan dit. Als je jonger was zou je er uren doorbrengen, de ene koffie na de andere bestellen, de plaatselijke krant lezen. Maar nu heb je de tijd niet meer. Je moet je haasten om nog iets anders van de wereld te zien, en om je bestaan hier alsnog zin te geven. Je dronk wat van de koele witte wijn uit de Douro en keek afwezig om je heen. Je voelde je ziek, de nacht in het hotel - een en al vergane glorie - was moeilijk geweest. Waarschijnlijk had je iets giftigs gegeten, schelpen of intkvis. Of kwam het door de wijn, die al zoveel van je geestverwanten heeft vernietigd? Toch wilde je de pijn en de vermoeidheid niet voelen; je wilde de vruchten van de wijn proeven en licht in het hoofd zijn. Je wilde maar een ding: leven.

Een blond meisje in een donkerroze jurk kwam voorbijgelopen, heel dicht bij, je had haar aan kunnen raken. Maar nu was ze al uit het zicht verdwenen, de trap af. Je bleef kijken tot ze terugkwam. Tranen vulden je ogen toen je haar gezicht zag, haar lichtroze lichaam in de donkerroze jurk, haar blonde haren die aan Botticelli deden denken.
(Schrijf ik nu opeens met de pen van een reclameschrijver? Verheerlijk ik nu rode rozen en pralines? Ben ik in een val getrapt? Schoonschrijverij, leugens?)
Nee, je zat in café Majestic en werd diep geraakt door de schoonheid van dat meisje, een bloem die nog maar net was ontloken. Ze kondigt mijn dood aan, dacht je. Maar desondanks kon je je ogen niet van haar afwenden. Ze was weer aan haar tafeltje gaan zitten en las in een boek. Haar mooie blote rug.

Je vrouw ging de camera halen: er moest een foto worden gemaakt. Nooit eerder in je leven had je je aan voyeurisme overgeleverd. Maar nu moest het, het kon niet anders. Een demon had je dronken gemaakt. Je mocht geen tijd verliezen. Terwijl je vrouw zich naar het Grande Hotel do Porto haastte, aan de overkant van de straat, dacht je opeens aan Aschenbach en Tadzio, aan de dood in Venetië, je hoorde Thomas Manns stem het einde van het verhaal voorlezen, je zag de beelden van Visconti, je hoorde het adagietto uit Gustav Mahlers 5de symfonie. Je voelde je even pathetisch als Aschenbach. Je vrouw kwam terug en maakte enkele foto’s vanuit de deuropening van het café. Wat later zat je met je camera in je handen te wachten op het meisje, maar toen ze nogmaals voorbijkwam kon je geen foto maken, je handen beefden. In dit meisje – dat je je verbeeldde – was alle schoonheid van de wereld bijeengebracht. Je kon niet langer blijven. Laten we gaan, zei je. Je moest naar de kamer om vergetelheid te zoeken in je slaap.

14-05-07

JUNKIES EN HET VERLOREN PARADIJS


madredeus

Vroeger hield ik me veel op nabij rivieren en vooral op de groene oevers van de Zuid-Willemsvaart. Ik hield van de bedwelmende, mysterieuze geur die daar hing, alsof daar de echte wereld begon, ver weg van leugens en volwassenenmaskerades. Ook nu ga ik nog wel eens fietsen aan het kanaal naar Charleroi, van Anderlecht tot Halle, verder geraken mijn stramme spieren niet meer. De geur die daar hangt is er een van chemische producten en rottende matrassen, het einde van de echte wereld, het einde van ongeveer alles. Hier en daar staat nog wel een boom en groeit wat gras; er zitten vissers giftige vis te vangen, op het vuile kanaalwater varen roeiers in hun rode en gele kano’s. Op het voordek van een aak ligt een vrouw topless te zonnebaden in de gevaarlijke zon. Ik spoed me terug naar huis, waar ik wat ik zag zo snel mogelijk probeer te vergeten. Ik blader wat in een boek over François Truffaut, drink een glas Chardonnay, leg wat muziek op. Maar niets schijnt te helpen, de onrust blijft, ik word er moe van en doe een dutje op de sofa. In Nederland wordt het woord ‘bank’ gebruikt, maar dat is voor mij iets wat in een park staat, van hard hout gemaakt. Er zijn nog andere banken maar daar wil ik het nu zeker niet over hebben. Ik lig op de sofa, terwijl de muziek van Madredeus de kamer vult. O Paraiso, altijd hetzelfde ritueel. Vlucht naar het paradijs van de muziek en de slaap, broer van de dood.

 Later zit ik bij de televisie en bekijk achtereenvolgens Clean van Olivier Assayas en Drugstore Cowboy van Gus Van Sant, twee uitstekende no-bullshit films over druggebruikers. Clean heeft een open einde, je weet niet wat er met Maggie Cheung zal gebeuren. Op het einde opent ze een deur en kijkt uit over de magistrale baai van San Francisco; op de soundtrack hoor je haar zingen, begeleid door de narcotische gitaarsound van David Roback. In Clean heb je personages die beweren dat mensen niet veranderen. Dat zijn degenen die niemand een kans geven. Je hebt tevens degenen die van mening zijn dat mensen wel (kunnen) veranderen. Zij geven je een kans. En nog een kans. Ik denk dat zowel Olivier Assayas als Gus van Sant tot die tweede categorie behoren. In Drugstore Cowboy wordt het gebruik van drugs niet verheerlijkt, maar ook niet veroordeeld. William Burroughs speelt erin mee, dat zegt al genoeg. De junkies in Drugstore Cowboy zijn mooie jonge mensen. Sommigen worden blauw en sterven een gruwelijke dood. Het hoofdpersonage stopt met het gevaarlijk leven, vindt een job als arbeider en geeft zijn drugs aan Burroughs. Dan wordt hij in zijn miezerig kamertje in Portland, Oregon – op dit ogenblik de hipste stad van de VS - neergeschoten door nog jongere kerels, speedfreaks met maskers op. Ook hier een open einde. Je hoopt dat de voormalige junkie (Matt Dillon) zal overleven, maar dat weet je niet. Je zou hem zo graag een nieuw leven zien opbouwen. Je zou zelf zo graag een nieuw leven opbouwen. Maar om nu nog naar Portland te verhuizen is het te laat. Naar Halle misschien?

 Foto: Madredeus.

21-04-07

EEN OUD EINDE EN EEN NIEUW BEGIN

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film


Donderdagavond, op ‘ontdekkingsreis’ in het circus genaamd Art Brussels, waar ik heel wat fake extravagante – oranje shirt, groene broek, purperen sokken - en talloze gestropdaste heren, die ongetwijfeld net hun Lamborghini’s hadden geparkeerd, zag rondwaren (de dames laat ik even buiten beschouwing, al zagen zij er voor het merendeel even lachwekkend uit), dacht ik bij het drinken van een glas wijn opeens terug aan een andere avond in april, zeven jaar geleden. We hadden op dat ogenblik de schrik voor de milleniumbug al behoorlijk verwerkt, een lachertje in vergelijking met de hindernissen die we nu op ons pad vinden.

Het was al avond toen we buitenkwamen en tot onze verrassing was de lente begonnen. We namen de metro tot aan de Naamse Poort, dronken een glas bier op een terrasje, maakten een wandeling en gingen daarna naar The End Of The Affair met Julianne Moore, Ralph Fiennes en Stephen Rea. Ik heb destijds erg genoten van Graham Greene's The End Of The Affair, evenals van zijn andere romans; ik geloof dat ik ze allemaal heb gelezen, en het zijn er veel. De film had zijn eigen kwaliteiten, maar iedereen weet dat de film nooit beter is dan het boek. Voor de roman The End Of The Affair baseerde Greene zich op zijn verhouding met Catherine Walston, die een "Marie-Antoinette in blue jeans" werd genoemd. Over het stel werd geschreven dat ze overspel pleegden "behind every high altar in Italy". Ik weet niet goed hoe Graham Greene dat aan zijn biechtvader opbiechtte. Overigens heb ik nooit goed begrepen waarom de schrijver zich tot het katholicisme heeft bekeerd. Normaal gezien doet een intelligent man zoiets niet. Het moet zo’n typische Britse excentriciteit geweest zijn. Ik kan het alleen op die manier begrijpen. Ik houd wel van excentrieke mensen, maar niet van fake extravagante schatrijke ‘kunstminnaars’ zoals hierboven beschreven.


De hoofdthema's van het boek en de film zijn jaloezie en haat. De schrijver Maurice Bendrix is jaloers op Sarah. Hij verdenkt haar van ontrouw aan haar echtgenoot Harry en ‘dus’ ook aan Bendrix zelf. Uit haar dagboek blijkt echter dat ze altijd van Bendrix is blijven houden. Zijn enige rivaal is God, die hij dan ook hartsgrondig haat. Na haar dood zorgt hij ervoor dat Sarah wordt gecremeerd. Op die manier zal God het wel heel moeilijk hebben met haar verrijzenis. Waarom ik dit nu noteer weet ik niet goed. Misschien heb ik er vorige nacht over gedroomd, of verdenk ik mijn vrouw – een minnares heb ik helaas niet, of moet ik ‘gelukkig’ zeggen? –onbewust van overspel? Het zijn herinneringen die zich opdringen, zoals die aan mijn uren met Else, waar ik zeker nog meer over ga schrijven.

Deze morgen las ik een interview met Mary Weiss, leadzangeres van de beste girl-group ooit, the Shangri-Las. Naar hen heb ik destijds mijn radioprogramma genoemd en als eindtune gebruikte ik altijd hun song ‘Past, Present and Future’. Na veertig jaar stilte heeft Mary Weiss nu een nieuwe cd uitgebracht, op een klein label, waardoor het schijfje hier waarschijnlijk nooit in de rekken zal belanden. De wereld zit vreemd in elkaar. George ‘Shadow’ Morton, de door velen zeer bewonderde producer van the Shangri-Las en later van the New York Dolls, was eerst een ijsjesverkoper. Een beetje zoals Colonel Tom Parker, die voor hij manager van Elvis werd kippen deed ‘dansen’ op elektrisch verwarmde platen. Gaia bestond toen nog niet. Hoe het ook zij, ik ben blij dat Mary Weiss haar muze opnieuw ontmoet heeft.

 

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film

10-03-07

WAAR HET WATER SMAAKT ALS WIJN

portugal,lissabon,woody guthrie,folk,reizen,wijn,verkoudheid,evora,coimbra,aveiro

Over enkele uurtjes vliegen we naar Lissabon. We blijven twee weken in Portugal en bezoeken uiteraard Lissabon, maar ook Evora, Coïmbra en Aveiro. En wie weet wat nog allemaal? Ik ben ziek, maar dat ben ik altijd voor ik op reis vertrek. No big deal. Maar onwillekeurig dacht ik aan het lied van Woody Guthrie, Goin’ Down The Road Feeling Bad:

I'm blowin' down this old dusty road,
I'm a-blowin' down this old dusty road,
I'm a-blowin' down this old dusty road, Lord, Lord,
An' I ain't a-gonna be treated this a-way.

I'm a-goin' where the water taste like wine,
I'm a-goin' where the water taste like wine,
I'm a-goin' where the water taste like wine, Lord,
An' I ain't a-gonna be treated this way.

I'm a-goin' where the dust storms never blow,
I'm a-goin' where them dust storms never blow,
I'm a-goin' where them dust storms never blow, blow, blow,
An' I ain't a-gonna be treated this way.

Woody Guthrie, Goin’ Down The Road Feeling Bad


Het vooruitzicht dat het water als wijn zal smaken is alvast goed. Misschien raak ik zo van mijn verkoudheid af. Ik heb mijn hart en ziel verloren in Portugal. Zal ik ze terug mee naar huis brengen over veertien dagen? We zullen wel zien. Ik moet me eerst nog scheren. Tot over veertien dagen, stekelige egels en zachte slakken. Ik wens jullie allen veel zon en liefde.

22-01-07

NATTIGHEID

hotel,feest,spa,treinreis,gesprek,landschap,winter,wijn,duvel,boudewijn de groot,brussel,muziek,soul,regen,lezen,boeken,conversatie,luc sante,dansen,james brown,pop

Ik ben dan toch als dezelfde man uit Spa teruggekeerd. Niets veranderd. De treinreis erheen was aangenaam en vooral zeer goedkoop. Ik heb geen Simenon gelezen, evenmin iets anders. We hebben gepraat over reizen, over New York, Chicago, Nashville. Over Lissabon, waar we in maart naartoe gaan. Over allerlei bestemmingen, maar niet over Spa. Ik heb veel naar de winterse landschappen gekeken en zitten mijmeren. Sommige vergezichten deden me aan Breughel denken. In Verviers gingen mijn gedachten naar Luc Sante en zijn schitterend boek over – onder meer - deze streek, ‘De feitenfabriek’.
In Spa regende het hard, en het was een heel eind naar het hotel. Druipnat worden in de nabijheid van de thermen, dat was weer eens iets anders. Aangezien het hotel maar niet in zicht kwam hebben we in een toeristisch informatiecentrum een taxi laten bellen. Het stadje telt er drie. Drie taxi's.

Dat ik ondanks de goede nachtrust niet zou veranderen, daar had ik al een vermoeden van, ik had me dan ook wijselijk ingedekt.

Over het verblijf in het hotel en het feest heb ik weinig te melden. Het was een personeelsfeest zoals er twaalf in een dozijn zijn. Drinken, eten, speeches, muziek en dansen op oubollige muziek. Af en toe wat praten over wat je nog te binnen wil schieten. Laat op de avond vroeg iemand me, wat heb je graag gelezen in 2006? Ik kon geen antwoord geven, ik wist niets meer, geen enkele titel, geen enkele naam. Na een paar minuten of zo hebben we het over Borges gehad, en nog wat later over Paul Auster en Ian McEwan. Ik zei dat ik die hedendaagse schrijvers zeer bewonderde. Mijn hersens hadden zich kennelijk helemaal op het oppervlakkige ingesteld en waren niet meer soepel en scherp genoeg om dieper te graven. Na al de wijn moest ik dringend een Duvel drinken om weer wat op gang te komen. Maar zoals Boudewijn De Groot al zong, we zijn niet meer als toen.

En zo ben ik nu weer thuis in Brussel, dezelfde man voor het raam, de man die zichzelf moet aanvaarden, die geen vat heeft op de dagen en het klimaat. De man die zich afzondert en vanuit de verte bewondert en liefheeft.
Neen, het was geen gewoon feest, het was een mooi feest. Ik heb fijne mensen ontmoet, lekker gegeten en gedronken, fijn gepraat, mezelf vergeten. Ook heb ik op muziek van James Brown gedanst. Een in memoriam dans.

20-01-07

SPA IN HET VOORUITZICHT


De wind is gaan liggen, het is opgehouden met regenen. Over enkele uren vertrekken we naar Spa. Met de trein natuurlijk. Het belooft een mooie reis te worden, want ze duurt twee uur, mogelijke vertragingen niet meegerekend. Op die tijd kan ik waarschijnlijk wel een romannetje van Georges Simenon uitlezen en zelfs nog wat van het winterse landschap genieten. In een chic hotel, betaald door het bedrijf, een multinational, waar Laura ten koste van veel inspanningen haar dagelijks brood ‘verdient’, neem ik een heerlijk bad in het water van Spa, waar vroeger hertoginnen en prinsessen kwamen (toen ze nog hoofden haddden).

Ik heb nu weinig tijd om te schrijven, de koffer moet gepakt. Het is altijd een getwijfel: wat zal ik meenemen, welk pak, welk hemd, welke schoenen? Hoeveel medicijnen zal ik nodig hebben? Ik mag vooral mijn afstershave gel – van Issey Miyake – niet vergeten. Pen en papier moeten mee, een identiteitskaart (sinds ik de voorlopig laatste keer beroofd werd heb ik die nooit meer op zak; het vergt teveel van mijn zenuwen om een nieuwe vast te krijgen). Er moeten nog een paar andere boeken mee, voor het geval die Simenon niet weet te boeien. Dat lezen van detectives in de metro en de trein is overigens een nieuwigheid. Ik hoop op die manier een tijdelijk nirvana te bereiken. Maar een paar glazen wijn helpen soms ook wel. Vanavond zal vooral de wijn het moeten doen. Ik slaap vreselijk slecht behalve in dure hotels, ook daarom kijk ik uit naar de weekendtrip. Slapen! Morgen al zit hier een andere mens, maar toch dezelfde. De filosofie komt altijd weer om de hoek kijken.

11-12-06

FEESTZALEN, CAFES EN KAMERTJES

dagboek,cafes,ab,bed,films,vrienden,feest,wijn,townes van zandt,le coq,drinken,muziek,pop,fado,misia,collega,werk,vrt,dalida,sophie calle,beck,duivel,cirio,limburg,zingen,brussel,nachtleven,pp,euforie,receptie

Ik heb een duivels oorkussen voor je meegebracht, zei ze. Ja, dat kan ik wel gebruiken, zei ik, en nu nog een devil’s haircut. Er staat anders niet veel meer op, zei ze. Nee, er staat niet veel meer op, zei ik, maar een devil’s haircut behoort toch nog tot de mogelijkheden. Dat oorkussen mocht wel, want had ik mijn week niet in ledigheid doorgebracht? Oordeel zelf maar. Maar oordeel alleen over wat ik me er van herinner. Overigens, waarom zou je eigenlijk oordelen? Het is het leven zoals het is, daar valt niet veel anders over te zeggen. ’s Morgens sta je op en ’s avonds ga je in bed en voor niets gaat de zon op. 


Maandagavond, na de dagtaak, had ik met mijn Antwerpse vriend Theo afgesproken in café PP, waar we wat bier dronken. We aten kalfsvlees à la saltimbocca, lekker bereid, bij één van mijn favoriete Italianen, aan de Plattesteen. Daarna begaven we ons naar de AB voor het concert van Misia, de wonderlijke diva uit Porto. Begenadigde zangeres, begenadigde muzikanten. Het eerste deel was sobere fado gezongen door een in een lange zwarte jurk gehulde Misia, sereen en op blote voeten. Ze gaf veel uitleg bij de liederen, wat de verstaanbaarheid uiteraard ten goede kwam. Fado is droevige muziek, maar Misia heeft een bijzonder humoristische kant, waardoor een mooi evenwicht ontstaat tussen de zang en het gesproken woord. In dat opzicht deed ze me aan de diepbetreurde Townes Van Zandt denken, die de meest wanhopige songs, zoals Nothing en Waiting Around To Die, kon afwisselen met hilarische gesproken intermezzo’s. De beste galgenhumor die ik ooit heb gehoord, die van Townes.

Na de pauze keerde Misia terug in een elegant zwart mantelpakje, op hoge hakken en duidelijk bereid tot enige frivoliteit. Het publiek werd ten dans uitgenodigd in een hotelkamer in het Drama Box Hotel. Zo mochten we het ons voorstellen. Hulpmiddel: op de achtergrond een foto - in de stijl van Sophie Calle - van de hotelkamer; op het bed een ouderwetse, rode telefoon. Misia zong fado’s, bolero’s, tango’s, meestal in het Portugees, maar ook in de taal van haar moeder, het Spaans, en één keer, voor een lied van de tragische Dalida, in het Frans. Misia kreeg een staande ovatie. Nu, precies een week later hoor ik nog steeds haar pure en dramatische stem en het indringende, melancholische geluid van de Portugese gitaar.

Dinsdagmiddag hadden we een personeelsfeestje. Daar valt niet veel over te zeggen, behalve dat we een ‘studiebezoek’ brachten aan de VRT. Een gebouw waar ik in mijn jeugd voor werd klaargestoomd, maar waar ik om velerlei redenen aan verzaakt heb. Ik zag Kurt Van Eeghem door de gang schrijden. Laura luistert graag naar zijn programma. Zelf zet ik nooit de radio aan. Het hoogtepunt van het bezoek was de set van FC De Kampioenen. What a dump, zou Elizabeth Taylor zeggen. Ik kreeg er meteen een niesbui: het bed van Carmen was niet opgemaakt. Moet dit de smaak van de doorsnee Vlaming voorstellen? Ik vrees het een beetje. Gelukkig heb ik van de serie nog geen enkele aflevering gezien. Tot slot mochten we ook even de studio van de Rode Loper binnen. Er werd ons meegedeeld dat een blauwe achtergrond onzichtbaar werd gemaakt dank zij allerlei technologische snufjes, en dat de kijker thuis dan kleurige cirkels te zien krijgt. Je mag alleen geen blauwe kleren dragen, want dan word je onzichtbaar. Hello Jim! Ik zat te reikhalzen naar die rode loper, maar die viel niet te bespeuren. Ook dat programma heb ik nooit op televisie gezien, ook niet die psychedelische cirkels, ook niet de presentatrice, Jasmine of zo. De groep Clouseau, de Vlaamse Beatles, kan mij evenmin bekoren. Ik weet trouwens niet precies waarom ik een verband leg tussen een rode loper en de broertjes Wauters.

Dinsdagavond zat ik met mijn lieve vriendin Inge in café Cirio. Het is mijn geliefkoosde plek om af te spreken. Er wordt slechte wijn geschonken en nog slechtere half en half, maar er hangt altijd een soort van hartstocht in de lucht. Ik denk dat Misia zich er goed in haar vel zou voelen. In een hoek van het café was die avond een dame onwel geworden. Haar gezellin riep dat er een ambulance moest komen. Beide dames waren zeer dronken; ze leken een tragisch leven te leiden. Het was een aangrijpend, triestig tafereel, meer nog doordat nogal wat mensen in de Cirio met deze zielige mensen zaten te lachen, zij het niet al te luid. Ongeveer een half uur laten betraden de verplegers de gelagzaal. De oude vrouw, met felle rode lippen en een blik die gaten in de ziel brandde, werd op een brancard gelegd en naar buiten gedragen; de andere dame, waarschijnlijk haar dochter, liep er jammerend achter, mamie, mamie! In het café lachte niemand meer, de meeste klanten waren al vertrokken. Er hing een sterke geur van urine.

De rest van de avond verliep vrolijker. Inge en ik dronken witte wijn in de AB, waar nog maar eens feest werd gevierd. Ook aasden we op hapjes. Na een uur of zo dronk de witte wijn ons. Ik weet niet meer met wie we allemaal praatten, wie een glas stuk liet vallen en wie Nick Lowes I love the sound of breaking glass begon te declameren. Wel weet ik nog dat ik melancholisch werd toen we herinneringen aan Lucca oprakelden. Zulke mooie zomer zullen we nooit meer meemaken, zei ik. Ik voelde mij in de zieke melancholicus Leopardi veranderen en dat wilde ik voor geen geld van de wereld.
Toen Inge al naar huis was – zij houdt zich zeer stipt aan haar tijdschema’s, wijn of geen wijn - geraakte ik in gesprek met een stel jonge Limburgers. Limburg is de coolste plek van België, bleef het meisje zoooo lang herhalen tot ik haar gelijk moest geven, hoewel ik er sinds 2001 niet meer geweest ben. Vijf jaar, dat is een lange tijd. Maar ik vermoed dat het Limburgse meisje de waarheid sprak. Bovendien zijn er twee Limburgen, als de ene provincie tegenvalt, kun je het nog altijd in de andere proberen.
Van de AB begaf ik mij op een onbestemd uur met een groepje betrouwbare nachtraven naar Le Coq. Twee meisjes in het gezelschap zongen onophoudelijk. Ook een drankje bestellen deden ze al zingend. Het was alsof ik in Les parapluies de Cherbourg was beland. De situatie was bijna even mooi als in die film. Ze hielden echt niet op, behalve om af en toe een slokje van hun wijn te nemen. Toen ik in de taxi naar huis zat hoorde ik nog steeds hun jonge, vibrerende stemmen, Purple Rain, Yesterday, Nights In White Satin.

Woensdag heb ik in bed gelegen. Ik voelde me ziekjes. Sombere gedachten joegen als de wind buiten door mijn hoofd. Koortsige taferelen verjoegen schuldgevoelens en depressie en vice versa. Ik lag te woelen in mijn bed en piekerde over het ouder worden. Hoe je lijdzaam moet ondergaan dat je, vooral op het werk, stilaan wordt uitgesloten vanwege je leeftijd. Maar je wordt van alle kanten aangespoord om langer en harder te werken. Er moet een zilverfonds worden aangelegd! Oudere werknemers zijn waardevol, vanwege hun ervaring en hun inzicht. Dat is het officiële discours. In werkelijkheid zitten bepaalde jonge arrivisten ongeduldig te wachten tot je er eindelijk de brui aan geeft of de pijp uitgaat. Sommigen, vooral intelligente jongeren, respecteren je juist omdat je ouder bent, omdat je de meest verbluffende periode van de twintigste eeuw hebt meegemaakt, ze weten dat ze wat van je kunnen leren, voor hen is het duidelijk dat je niet opeens minderwaardig bent omdat je ouder wordt; anderen vinden dat dat allemaal niets te betekenen heeft en lachen je erom uit. Dit is de beste tijd die er geweest is, zeggen ze. Ik heb nooit een slechtere tijd gekend als deze. Maar ik ben na de oorlog geboren. Ongetwijfeld zijn er nog slechtere tijden geweest. De geschiedenis is een aaneenschakeling van schandalen en bloedbaden.

De rest van de week heb ik heb films zitten bekijken. Met The Big Lebowkski heb ik nog eens goed gelachen. In een gesprek met David Lynch op de VPRO werden hem vooral domme vragen gesteld. De monotonie van zijn antwoorden verbaasde me niet echt. In bijna elk antwoord kwam het woord ‘droom’ voor. Voor David Lynch is pas iets waardevol als het hem tot dromen aanzet. Een werk van Edward Hopper bijvoorbeeld, of Elvis Presley die in de Sun opnamestudio even op de canapé gaat liggen voor hij de rock & roll ‘uitvindt’ – alsof er daar een psychoanalyse moest gebeuren. Als Elvis weer opveert uit de canapé is de zaak voor elkaar: That’s Alright Mama! Buikschuddend heb ik gelachen met de onovertroffen antiheld WC Fields. Ossessione is een vroeg meesterwerk van de marxistische aristocraat Luchino Visconti. Het is een film waarin de mannelijke lichamelijkheid centraal staat, ook al gaat het over een femme fatale. De blik van de vrouw is een voorwendsel om het bijna tot dierlijkheid herleide lichaam van de man te tonen. Overigens is het verschil van Visconti’s versie van The Postman Always Rings Twice met de andere verfilmingen dat de man geen escapade maakt met een andere vrouw, maar met een intelligente, mooie jonge man. Die mooie, jonge man is een metafoor voor de vrijheid en voor het reddende gebaar. De femme fatale is de lokroep van de gebondenheid, de verzekering en de dood. Nog een meesterwerk is A Place In The Sun van George Stevens, met Elizabeth Taylor, Shelley Winters en Montgomery Clift. The Clash heeft erover gezongen in The Right Profile. Montgomery Clift was een beetje een held voor de punks. Zelfvernietiging stond hoog aangeschreven bij die generatie. Die young, stay pretty. Wellicht hadden zij het al zien aankomen dat ouder worden maar niets is in deze tijd. Joe Strummer heeft net op tijd de pijp aan Maarten gegeven. Wie meer wil weten over A Place In The Sun beveel ik de film zelf aan, en een boek over George Stevens. Het is een film die veel twijfel zaait aangaande goed en kwaad. Bijvoorbeeld: hoe kun je iemand juist beoordelen? En meer nog: hoe kun je iemand veroordelen?

Donderdag en vrijdag heb ik hard gewerkt. Werken is vermoeiend, zoals het leven zelf. Na een dergelijke dagtaak kan ik niet veel anders meer dan een film bekijken, en zelfs dat lukt me niet altijd. Soms raak ik niet veel verder dan eten en drinken. Maar dat maakt niet uit. Er komen wel weer andere dagen, voor nieuwe ernst en nieuwe vrolijkheid. Nog een beetje geduld en een paar kleine inspanningen, vrienden!

25-10-06

DE HERFST VAN SPARKLEHORSE

sparklehorse,mark linkous,herfst,popcultuur,beatles,pop,wijn,live,concert,ab,john lennon,medusa,metamorfose

Gisteren was er dat concert van Sparklehorse in de AB. Vonden jullie het ook zo ontzaglijk mooi en aangrijpend? Mark Linkous heeft een metamorfose ondergaan. Hij leek helemaal niet meer op de introverte, gedeprimeerde jongeman van vroeger dagen. Weg is zijn zonnebril, zijn boze blik, zijn als door de blik van Medusa uitgelokte verlamming (voor een deel in de letterlijke betekenis van het woord). Mark Linkous sprak ons toe, bedankte ons voor ons warm onthaal, stelde zijn muzikanten voor, maakte enkele danspasjes en nam twee keer duidelijk vanuit het hart afscheid van ons.

Als ultieme afsluiter stuurde hij ons - na ons anderhalf uur te hebben laten genieten van zijn, door onder meer John Lennons Strawberry Fields Forever geïnspireerde, weemoedige en gelukzalige melodieën en, eveneens vol vuur en verve, zijn surrealistische ‘natuurlyriek’(waarin paarden en de zon geregeld om aandacht vroegen) - met een flinke portie oorverdovende razernij naar huis, alsof hij er ons alsnog wilde aan herinneren dat hij geen gemakkelijke jongen was, geen huis-tuin-en-keuken poweet.

Gisteren was een dag van storm en goud. ’s Morgens dacht ik, dit is geen weer voor een melancholische geest. Om middernacht was ik van het tegendeel overtuigd. Of toch bijna. Ik denk dat de herfst het ideale seizoen is voor Sparklehorse. Dit lijken mij dagen te zijn waarop Mark Linkous zijn paarden lustig / lusteloos door de droevige mooie wereld kan laten draven, en blij kan zijn met de tranen op de laatste vruchten van het jaar. Ook kan hij volop verlangen naar de aantrekkelijkste weduwe in de stad. Waarschijnlijk is hij daar een glaasje wijn mee gaan drinken in een café dat ik nog niet heb ontdekt. Je kunt er alleen naartoe met een gasoline horsey en als je bij zonsopgang weer buiten komt zeg je: good morning spider. Een aantal lichtjaren doorbrengen in de buik van een berg lijkt me voorlopig geen slechte tijdsbesteding. Zeker niet als je er kunt liggen dromen van vers fruit, vruchtbare zomers en langoureuze vrouwen. Laat de wijn maar komen, vrienden.

10-10-06

ANNELIES BECK EN MY SUMMER OF LOVE

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Dat gezeur over politiek moet maar weer eens ophouden. Het is genoeg geweest, hier in dit logboek althans. Er is geen reden om feest te vieren in dit land. Alleen in Antwerpen en Gent en op nog een paar plaatsen. Een beetje feest. Festen. Een half glas lauwe witte wijn op de stasis. Een mooi Grieks woord, dat wel. Voorlopig kruip ik weer in mijn vroegere huid van apolitieke anarchist, of hoe zal ik mezelf in deze context definiëren? Toch wil ik eerst nog mijn verontschuldigingen aanbieden aan de zes dames die vorige zondag mijn stem kregen. Onrechtstreeks – en vooral onvrijwillig - heb ik getwijfeld aan hun intelligentie, door mijn ergernis over het feit dat wij niet kunnen stemmen op bekwame, intelligente, meertalige politici. Die ergernis blijft, maar ik wil graag duidelijk maken dat ik niet twijfel aan de bekwaamheid en de intelligentie van deze vrouwen. Ik twijfel niet maar ik ben ook niet zeker. Een verwarrende state of mind.


Een halfglas lauwe witte wijn, schrijf ik. Maar neem van me aan dat ik veel zin heb om na een lange, zelfgekozen ballingschap – sinds 1991 woon ik in Brussel – naar mijn geboortestad Antwerpen terug te keren, of anders naar het lieflijke Gent, waar het alle dagen feest lijkt te zijn, ook al duren de officiële Gentse Feesten maar een tiental dagen. Voorlopig blijf ik echter in deze oude woning mijn bitterheid koesteren en twijfelen en vragen stellen en plechtig doen.
Voorlopig zeur ik niet meer over politiek. Ik keer terug naar mijn oude thema’s, letteren, muziek, ziekte, dood, vriendschap, liefde en Bonanza.

Gisteren zag ik Joaquin Phoenix in de huid van Johnny Cash. I Walk the Line, geen meesterwerk, maar goed voor twee uur genieten van het acteertalent. Wat gaf die film me zin om mij vol te stoppen met amfetamine en als een jonge dwaas door de straten van mijn stad te rennen, zomaar, nergens heen, met in mijn hoofd de echo van Echo & the Bunnymen, come to my rescue!

Zondagavond laat, nog euforisch van mijn moreel verantwoord stemgedrag, genoot ik van My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski, een mij onbekende regisseur, met twee ook weer uitstekend acterende jonge actrices, mij even onbekend. Een film navertellen is niet mijn grootste gave en het heeft ook geen zin. Zeer indrukwekkende fotografie, dat kan ik wel gezegd krijgen, van de Poolse director of photography – ik gebruik bewust de Engelse term - Ryszard Lenczewski. De film is voor een groot deel in zonovergoten, glooiende landschappen gedraaid. Landschappen of niet, ik koester de kamertjeszonden, om het woord van Herman Heijermans nog maar eens een keer te gebruiken. Vanuit mijn kamer de weids uitgestrekte landouwen aanschouwen, dat is voor mij het tweede grootste - denkbare - genot.

 

feest,ballingschap,politiek,kamertjeszonden,film,fotografie,pawel pawlikowski,ryszard lenczewski,landschappen,herman heijermans,annelies beck,pop,gent,brussel,wijn,antwerpen,feesten,zomer,summer of love,bv

Nu rest mij alleen nog even de naam Annelies Beck te noemen. Dat schijnt zoekers aan te trekken. Dat heb ik op de blog dorstig gelezen, waarvoor mijn dank. Nu afwachten of deze strategie wat oplevert. Ik vrees echter dat mannen - of dames - die kicken op mevrouw Beck helemaal niets zullen voelen voor de mooie meisjes uit 'My Summer Of Love'.

---

Foto's uit: My Summer Of Love van Pawel Pawlikowski

16-09-06

IN AFWACHTING VAN HET FEEST


Een warme nazomeravond, in afwachting van visite. We zullen goed voor onze gasten zorgen. De Australische Chardonnay en de Crèmant de Limoux staan koud, de Argentijnse Malbec is op de juiste temperatuur. Over de gerechten schrijf ik nog niets, onze vrienden zouden dit nog maar eens gauw moeten lezen, dan is de verrassing eraf! Ik denk dat het een leuke avond zal worden. Ik ken de genodigden niet goed, er is een collega van A. bij, die ze heel graag ziet. Ik heb hen ook al wel eens ontmoet op een paar feestjes en toen voelde ik me goed bij hen. K. kwam ik nog eens alleen tegen in een Brussels café, hij leek me een zielsverwant. We konden meteen praten over Moby Grape en Alexander Spence. Dat gebeurt omzeggens nooit. Alleen met Patrick Riguelle is me dat ook een keer overkomen, die muzikale zielsverwantschap.
Ondanks de vrolijke vooruitzichten ben ik gespannen. Dat is altijd zo als er bezoek komt. Het is dezelfde spanning als wanneer ik op reis moet vertrekken. Soms is het zo erg dat ik ziek word. Alsof mijn lichaam me geen plezier gunt. Ik kom net van onder de douche, maar door de sterke koffie die ik daarna heb gedronken voel ik me alweer zweterig. Moet ik nu nog een keer onder de douche? Heerlijk natuurlijk, maar me afdrogen doe ik niet echt graag. Ik zou liever met mijn nat lijf door het huis lopen, warm als het is. Maar ik geloof dat dat verboden is. Het zou trouwens geen zicht zijn.