17-03-16

MET HET OOG OP VORST, BRUSSEL, BELGIË

IMG_9928.JPG

Je vroeg me hoe het met me gaat. Als ik door het raam van mijn werkkamer kijk zie ik rechts van me Altitude 100, in Vorst. Vorst... Nog niet zo lang geleden dacht ik bij de naam van die Brusselse deelgemeente onwillekeurig aan onvergetelijke concerten: the Who, Bob Marley & the Wailers, Neil Young, Talking Heads, Bob Dylan. Nu echter ziet mijn geestesoog meteen een beeld van zwaar bewapende en gemaskerde soldaten op een dak, het geweer in de aanslag. Shoot To Kill. Wie had dit tien, vijf jaar geleden kunnen denken? Zelfs vorig jaar, na de aanslag op Charlie Hebdo? Wat is er met België, met Brussel gebeurd? What’s happening, brother? What’s going on? Ik hoor de stem van Marvin Gaye, maar vandaag biedt ze geen troost.

Een soort van ‘vaderlandse trots’ – waarmee ik iets helemaal anders dan nationalisme bedoel - is in dit land haast ondenkbaar geworden. Je land is verbrokkeld, versplinterd, zijn inwoners zijn wanhopig, onverschillig, lethargisch. Of zo lijkt het toch vaak. Gelooft nog iemand dat de diversiteit, de schat aan invloeden van bevolkingsgroepen die ons uit de vier windstreken tegemoet komen, onze gemeenschappelijke cultuur zou kunnen verrijken? Nochtans hebben wij zo’n mooie leuze: eendracht maakt macht / l’union fait la force. Hoewel ik ‘macht’ liever zou vervangen door ‘solidariteit’ of ‘democratie’. Gelooft iemand nog in die eendracht? Ik heb niet de indruk. Jarenlang hebben zowel Vlaamse nationalisten als Franstalige taalpuristen het streven naar een gemeenschappelijke culturele identiteit tegengewerkt. Ze hebben er alles voor gedaan om dat ‘eenheidsideaal’ te bestrijden, belachelijk te maken. Het werd ouderwets, voorbijgestreefd, inefficiënt genoemd. Een kleine groep fanatici van ‘nationalisten’ heeft hard (of is het ‘noest’?) gewerkt. Hun aanhoudende strijd voor een eigen volk, een eigen stuk grond heeft resultaten geboekt. Egoïsme en haat zijn aanstekelijk. Kortzichtigheid is van alle tijden. Het ziet er werkelijk naar uit dat het separatisme, de ideologie van het ‘eigen volk eerst’, het heeft gehaald. Een ideologie die de richting ingeslagen is van een almaar grotere verschraling, op elk gebied. Verwarring, domheid, platheid, vijandigheid, intolerantie steken overal de kop op, meest van al op televisie en in de fora. Alles wat uit de band springt wordt met argusogen bekeken. Het ‘andere’ en ‘de vreemdeling’ worden verafschuwd. De ‘vluchteling’ wordt gevreesd, opgesloten, bestolen.

De Belgische identiteit is een niet te verwezenlijken utopie geworden. ‘Schone kunsten’ zijn er voor een elite. Voor de massa is er VTM en RTL en erger. Voor het Vlaamse volk is er ‘Het Laatste Nieuws’ en moord en doodslag; de schone zielen dromen weg bij de culturele en culinaire bijlagen van de ‘kwaliteitskranten’. Bijna iedereen vindt het normaal dat we in aparte werelden leven.
België heeft geen eigen gezicht. Pralines, wafels, chocolade, wielrenners, Rode Duivels, taalstrijd en nu jihadi’s. Veel meer weten buitenlanders over ons niet. Nee, van België is niets terechtgekomen.
Wat nu gedaan?

En Brussel? Brussel, hoofdstad van dit land en van Europa, wordt vooral door zowat iedereen gehaat. Het is een olievlek, zeggen de mensen. Een oord des verderfs. Misdaad en terrorisme tieren er welig. Het nieuwe onkruid. De Vlamingen zijn bang voor Brussel en de Walen voelen zich er niet thuis. Iedereen die het zich kan veroorloven vertrekt naar de rand of verder. Dat proces is al lang aan de gang. Vanaf de jaren zeventig zijn hele wijken leeg komen te staan. Daar kregen gangsters, afpersers, corrupte politici en politiecommissarissen vrij spel. Daar maakte eendracht wel macht. Daar bevond zich de val voor immigranten die nergens anders welkom waren. Daar ontstonden de getto’s. Terwijl andere Europese steden, denk aan Kopenhagen, Stockholm, Amsterdam, Berlijn, zich vernieuwden, open en speelse plekken werden, werd Brussel een – bewust gecreëerde - ruïne. Met de Grote Markt, de Zavel en de Louizalaan voor de toeristen en de Dansaertstraat voor de vooruitstrevende shoppers. Ach, ach, ach.

En nu kijk ik door het raam en zie daar Altitude 100 in de mist liggen. De terreur van het geld, van de bankiers en van de onverschilligheid zal niet blijven duren. Over tien jaar is ook Brussel een welvarende, speelse en innovatieve stad. Ik geloof dat echt. Ik zie het in de cafés waar jonge mensen zitten te praten en na te denken en plannen te smeden. Revolutie, de vreedzame variant, hangt op zulke plekken in de lucht. Daar geloof ik in. Maar België? Dat weet ik werkelijk niet.

[Uiteraard komt hier nog een vervolg op. Het leven in de hoofdstad is niet alleen maar kommer en kwel. De innovatie is al volop bezig. Er worden bewonderenswaardige initiatieven genomen. Meestal gaan die van individuen en kleine groepjes uit. Jammer genoeg krijgen zulke projecten te weinig aandacht. En het gaat ook traag. Op de tijd die uitgetrokken wordt om de Anspachlaan te verfraaien wordt in China een nieuwe miljoenenstad gebouwd.]

IMG_9957.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Vorst, 2014.

 

07-01-09

LANGE HETE ZOMER VAN LIEFDE


LucasVanLeyden

“We’re all stars but some of us are looking at the gutter” las ik ergens, een uitspraak van Oscar Wilde, gelezen door een dwarsligger. Ik wilde er eerst nog “gutter twins” van maken, maar ging dat niet wat te ver? Was de oorspronkelijke omkering niet voldoende om duidelijk te maken hoe groot mijn afkeer is van gevonden uitspraken, ook al doe ik het zelf meer dan me lief is? Ik stel vast, en ik ben ervan overtuigd dat jullie dat ook doen, dat we intellectueel en qua imaginatie erg lui geworden zijn. Altijd maar herkauwen als koeien, ja, als verdomde koeien, of ligt die vergelijking niet voor de hand? Niet is wat het lijkt, maar door verwijzingen, citaten, gekende en minder gekende grappen, doen we alsof alles wel is zoals het is. We doen bijvoorbeeld alsof het koud is buiten, terwijl het eigenlijk warm is in vergelijking met de nucleaire winter die we ons dertig of twintig jaar geleden hadden voorgesteld, toen we met honderdduizenden op straat kwamen om onszelf tegen die vreselijke kou te verweren, om te pogen het tij nog te keren.

Het tij  is niet gekeerd. Het mag dan warm zijn buiten, maar de meesten van ons liggen nog altijd in de goot en kijken naar domgemaakte sterren. Nucleaire energie wordt opnieuw als een nobele bron van warmte gepropageerd. Grenzen worden gesloten; aan mensen zoals jij en ik wordt  geweigerd  in een goed uitgerust ziekenhuis te sterven. Niet dat het een feest is om op een westerse operatietafel de geest te geven, maar zonder morfine of water doodgaan in een brokkelige woestijnstad lijkt me veel erger.

Ik heb geen nieuwjaarswensen, behalve deze: dat iedereen overal welkom zou zijn, dat we allemaal zouden kunnen inzien dat we af en toe naar dezelfde volle maan kijken. En dat iedereen, en dat is helaas een verwijzing, zonder paspoort de grenzen over zou kunnen gaan. Dat je de ene dag zonder schoenen aan je voeten de sneeuw in moet, of het schroeiende zand, en de volgende dag over groen gras in een gematigd klimaat je weg kan zoeken, omringd door vriendelijke en begripvolle soortgenoten. Dat we allemaal menschen worden, zo snel mogelijk, en liefde weer veel meer gaat betekenen dan seks en Sodom en Gomorra. Ik geloof namelijk dat er niets is waartoe de mensen niet in staat zijn. Dat kan gewoonweg niet, als je een nucleaire winter kunt bedenken en verwezenlijken. Laat het daarom nu eens een lange hete zomer van liefde worden. Een jarenlange zomer, zonder soldaten, politie, wapens, uitbuiting en verdrukking. En een Orpheus die niet omkijkt, ook al denkt hij aan de vreselijke mogelijkheid dat Euridike in de goot ligt. Mag dat? Ja, het mag.

Afbeelding: Lucas Van Leyden, Lot en zijn dochters, 1530