17-03-16

MET HET OOG OP VORST, BRUSSEL, BELGIË

IMG_9928.JPG

Je vroeg me hoe het met me gaat. Als ik door het raam van mijn werkkamer kijk zie ik rechts van me Altitude 100, in Vorst. Vorst... Nog niet zo lang geleden dacht ik bij de naam van die Brusselse deelgemeente onwillekeurig aan onvergetelijke concerten: the Who, Bob Marley & the Wailers, Neil Young, Talking Heads, Bob Dylan. Nu echter ziet mijn geestesoog meteen een beeld van zwaar bewapende en gemaskerde soldaten op een dak, het geweer in de aanslag. Shoot To Kill. Wie had dit tien, vijf jaar geleden kunnen denken? Zelfs vorig jaar, na de aanslag op Charlie Hebdo? Wat is er met België, met Brussel gebeurd? What’s happening, brother? What’s going on? Ik hoor de stem van Marvin Gaye, maar vandaag biedt ze geen troost.

Een soort van ‘vaderlandse trots’ – waarmee ik iets helemaal anders dan nationalisme bedoel - is in dit land haast ondenkbaar geworden. Je land is verbrokkeld, versplinterd, zijn inwoners zijn wanhopig, onverschillig, lethargisch. Of zo lijkt het toch vaak. Gelooft nog iemand dat de diversiteit, de schat aan invloeden van bevolkingsgroepen die ons uit de vier windstreken tegemoet komen, onze gemeenschappelijke cultuur zou kunnen verrijken? Nochtans hebben wij zo’n mooie leuze: eendracht maakt macht / l’union fait la force. Hoewel ik ‘macht’ liever zou vervangen door ‘solidariteit’ of ‘democratie’. Gelooft iemand nog in die eendracht? Ik heb niet de indruk. Jarenlang hebben zowel Vlaamse nationalisten als Franstalige taalpuristen het streven naar een gemeenschappelijke culturele identiteit tegengewerkt. Ze hebben er alles voor gedaan om dat ‘eenheidsideaal’ te bestrijden, belachelijk te maken. Het werd ouderwets, voorbijgestreefd, inefficiënt genoemd. Een kleine groep fanatici van ‘nationalisten’ heeft hard (of is het ‘noest’?) gewerkt. Hun aanhoudende strijd voor een eigen volk, een eigen stuk grond heeft resultaten geboekt. Egoïsme en haat zijn aanstekelijk. Kortzichtigheid is van alle tijden. Het ziet er werkelijk naar uit dat het separatisme, de ideologie van het ‘eigen volk eerst’, het heeft gehaald. Een ideologie die de richting ingeslagen is van een almaar grotere verschraling, op elk gebied. Verwarring, domheid, platheid, vijandigheid, intolerantie steken overal de kop op, meest van al op televisie en in de fora. Alles wat uit de band springt wordt met argusogen bekeken. Het ‘andere’ en ‘de vreemdeling’ worden verafschuwd. De ‘vluchteling’ wordt gevreesd, opgesloten, bestolen.

De Belgische identiteit is een niet te verwezenlijken utopie geworden. ‘Schone kunsten’ zijn er voor een elite. Voor de massa is er VTM en RTL en erger. Voor het Vlaamse volk is er ‘Het Laatste Nieuws’ en moord en doodslag; de schone zielen dromen weg bij de culturele en culinaire bijlagen van de ‘kwaliteitskranten’. Bijna iedereen vindt het normaal dat we in aparte werelden leven.
België heeft geen eigen gezicht. Pralines, wafels, chocolade, wielrenners, Rode Duivels, taalstrijd en nu jihadi’s. Veel meer weten buitenlanders over ons niet. Nee, van België is niets terechtgekomen.
Wat nu gedaan?

En Brussel? Brussel, hoofdstad van dit land en van Europa, wordt vooral door zowat iedereen gehaat. Het is een olievlek, zeggen de mensen. Een oord des verderfs. Misdaad en terrorisme tieren er welig. Het nieuwe onkruid. De Vlamingen zijn bang voor Brussel en de Walen voelen zich er niet thuis. Iedereen die het zich kan veroorloven vertrekt naar de rand of verder. Dat proces is al lang aan de gang. Vanaf de jaren zeventig zijn hele wijken leeg komen te staan. Daar kregen gangsters, afpersers, corrupte politici en politiecommissarissen vrij spel. Daar maakte eendracht wel macht. Daar bevond zich de val voor immigranten die nergens anders welkom waren. Daar ontstonden de getto’s. Terwijl andere Europese steden, denk aan Kopenhagen, Stockholm, Amsterdam, Berlijn, zich vernieuwden, open en speelse plekken werden, werd Brussel een – bewust gecreëerde - ruïne. Met de Grote Markt, de Zavel en de Louizalaan voor de toeristen en de Dansaertstraat voor de vooruitstrevende shoppers. Ach, ach, ach.

En nu kijk ik door het raam en zie daar Altitude 100 in de mist liggen. De terreur van het geld, van de bankiers en van de onverschilligheid zal niet blijven duren. Over tien jaar is ook Brussel een welvarende, speelse en innovatieve stad. Ik geloof dat echt. Ik zie het in de cafés waar jonge mensen zitten te praten en na te denken en plannen te smeden. Revolutie, de vreedzame variant, hangt op zulke plekken in de lucht. Daar geloof ik in. Maar België? Dat weet ik werkelijk niet.

[Uiteraard komt hier nog een vervolg op. Het leven in de hoofdstad is niet alleen maar kommer en kwel. De innovatie is al volop bezig. Er worden bewonderenswaardige initiatieven genomen. Meestal gaan die van individuen en kleine groepjes uit. Jammer genoeg krijgen zulke projecten te weinig aandacht. En het gaat ook traag. Op de tijd die uitgetrokken wordt om de Anspachlaan te verfraaien wordt in China een nieuwe miljoenenstad gebouwd.]

IMG_9957.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Vorst, 2014.

 

11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

10-12-15

BRUCE SPRINGSTEEN 26 APRIL 1981

BRUCE SPRINGSTEEN-2-23-81.jpg

Ik zag Bruce Springsteen & the E-Street Band maar één keer, op zondag 26 april 1981. Samen met mijn levensgezellin, mijn beste vriend Jos Dorissen, zijn broer Luc en zijn vriend. Onderweg van Antwerpen naar Brussel, op ongeveer twintig kilometer van onze bestemming, kregen we pech met de auto. We moesten hem achterlaten en in de gietende regen liftend Vorst zien te bereiken. We hadden al gauw een lift tot het Meiserplein en van daar namen we de taxi. Zo kwamen we nog net op tijd voor het begin, om stipt half negen. Natuurlijk waren we zeer onder de indruk. Een van de beste optredens die we ooit hadden meegemaakt, vonden we. Hoogtepunten waren ‘This Land Is Your Land’, ‘Badlands’ en ‘Independence Day’. (Dat laatste vind ik in mijn dagboeknotities terug.)

Na het concert was het te laat voor de laatste trein. Jos, Agnes en ik brachten de nacht door in De Dolle Mol in de Spoormakersstraat. Helemaal niet moe, integendeel, boordevol energie van het wellicht meest geestdriftige concert dat ik ooit bijwoonde.

Vandaag vond ik de setlist terug.

Follow That Dream
Prove It All Night
Out in the Street
The Ties That Bind
Darkness on the Edge of Town
Independence Day
Who'll Stop the Rain
Two Hearts
The Promised Land
This Land Is Your Land
The River
Badlands
Thunder Road
Cadillac Ranch
Sherry Darling
Hungry Heart
Because the Night
You Can Look (But You Better Not Touch)
Fire
Stolen Car
Racing in the Street
Backstreets
Ramrod
Rosalita (Come Out Tonight)

Encore:
Born to Run
Detroit Medley
Rockin' All Over the World



Nu verbaast mijn toenmalige opwinding me helemaal niet meer. If I could turn back the hands of time

BRUCE SPRINGSTEEN-2.jpg
Foto's: boven:onbekend; onder: Frank Stefanko (?).

06-10-14

ECHOLALIA: ANA TORFS

IMG_9952.JPG

Ja, ik ben verslingerd aan echolalie. Aan het woord en aan wat het woord betekent. Sinds ik de tentoonstelling  ‘Echolalia’ van Ana Torfs in Wiels heb gezien is de ziekte nog erger geworden, als het al een ziekte is. Indien wel dan smaakt ze eerder zoet, zoals de jaloezie bij Patricia Highsmith. Freud schrijft dat de neurose verdwijnt als de neuroticus zich bewust wordt van wat tevoren onbewust was. In mijn geval van die echolalie; maar ik ben niet genezen, en dat vind ik een goede zaak.

‘Echolalia’ van Ana Torfs is werkelijk interessant als je er je tijd voor neemt. Vanuit het Zuidstation ga je best te voet naar Wiels, via de industriezone in Anderlecht. Onderweg kun je een blik werpen op de Zenne, een rivier die een nogal schimmig bestaan leidt. Als je niet van woorden en van taal houdt blijf je beter thuis.

IMG_9934.JPG

Eén afdeling van de tentoonstelling heet ‘TXT (Engine Of Wandering Words)’. Het gaat om zes prachtige wandtapijten waarin telkens vijfentwintig beelden verwerkt zijn die verband houden met gember, saffraan, suiker, koffie, tabak en chocolade. Wat de zes wandtapijten met elkaar verbindt is een fragment uit Swift’s ‘Gulliver’s Travels’, dat verbluffend geestige boek (waarvan nog vaak wordt verondersteld dat het voor kinderen werd geschreven); met name een paragraaf uit ‘A Voyage To Laputa’ waarin onder meer deze merkwaardige zin voorkomt: “The first project was to shorten discourse by cutting polysyllables into one, and leaving out verbs and particles, because in reality all things imaginable are but nouns.” Maar, hoe kan het anders, ook deze zin: “The other project was a scheme for entirely abolishing all words whatsoever; and this was urged as a great advantage in point of health as well as brevity.” Omdat woorden slechts benamingen zijn voor dingen, is het beter voor de gezondheid en de communicatie dat mensen rechtstreeks gebruik maken van de dingen om met elkaar te ‘praten’. Personen die over diverse dingen willen praten moeten natuurlijk een veel zwaarder gewicht torsen dan degenen die maar weinig te vertellen hebben. Maar enkele slaven lossen dat dan wel op. Een van de (honderdvijftig) illustraties op een tapijt van Ana Torfs is trouwens een advertentie voor een slavenverkoop. Ondanks hun vele verwijzingen naar lang vervlogen tijden en gebruiken zien de tapijten er hedendaags uit: de honderdvijftig prenten lijken op icoontjes op internet. Dat je er niet op kunt klikken is een bijkomend voordeel: het zet je tot denken en lezen aan, de beelden maken je nieuwsgierig. Als je thuiskomt neem je toch zeker al ‘Gulliver’s Travels’ uit het boekenrek. En dat is slechts het begin van een nieuwe aanval van echolalie.

Een tweede deel, ‘Family Plot’ is al net zo boeiend. Het gaat ook weer over classificaties, met als lichtend voorbeeld Carl Linnaeus, de Zweedse natuuronderzoeker en taxonoom. ‘Family Plot’ is een imaginaire stamboom, een grillige maar tegelijk zeer ordelijke encyclopedie van ontdekkingsreizigers, botanici, bloemen, vruchten, wereldkaarten, gebieden. Dit gedeelte is wellicht het vermoeiendste. Je hebt er goede ogen voor nodig.

Het meest oogstrelende deel draagt de titel ‘Stain’. Dit is een echolalie-encyclopedie van bijzondere kleuren: mauve, Bismarckbruin, Pruisisch blauw, Bengaals roze, malachietgroen, Aurantia (een kleur die ik niet kende; in de Webster vond ik dit: “a poisonous red-brown crystalline alcohol-soluble dye C12H8N8O12 used in biological staining, in desensitizing photographic plates, and in colored photographic filters —the ammonium salt of hexanitrodiphenylamine”); Indisch geel. Over ‘Stain’ kan het moeilijkst worden gepraat of geschreven, je moet het zien en horen. Bij Mauve hoor je bijvoorbeeld een vrouwenstem iets uit Oscar Wilde’s ‘The Picture Of Oscar Wilde’ citeren: “Never trust a woman who wears mauve, whatever her age may be, or a woman over thirty-five who is fond of pink ribbons. It always means they have a history”.

 oscar1-wilde.jpg

Een voor mij wat minder boeiend gedeelte, ‘Legend’, behandelt de geschiedenis van het Canarisch eiland La Gomera. Het eiland kent voor mij nog maar weinig geheimen: ik heb vier keer als het hier koud was vrij lang rondgehangen, vooral in het idyllische hippiedorp Valle Gran Rey. Geen spoor van de generalissimo daar.

Bij ‘Displacement’ schrok ik toch wel even. De beelden riepen herinneringen op aan een film van Chantal Akerman. Dezelfde leegte en zinloosheid, veel ongemakkelijke stiltes, verveling, vervreemding. Maar het verhaal dat erbij verteld wordt... Opeens wist ik het: het was dat van het meesterwerk van Roberto Rosselini, ‘Viaggio in Italia’. De film spreekt me meer aan, de beelden van Rosselini doen me meer. En je hebt de geweldige rol van Ingrid Bergman.

viaggio-in-italia_2.jpg

Voor het laatste gedeelte, ‘The Parrot & The Nightingale, a Phantasmagoria’ was ik te moe. Zeker, het is een vermoeiende tentoonstelling. Maar je wordt er als gezegd op een prettige manier ziek van. De echo’s brengen andere echo’s voort, die op hun beurt voor weer nieuwe echo’s zorgen: mijn kamer is een volmaakte echokamer geworden; uit al mijn boeken stijgen stemmen op. Ik heb me voorgenomen voor lange tijd niet meer buiten te komen, zelfs niet om een reis naar La Puta of La Gomera te maken.

23-04-09

BOB DYLAN IN BRUSSEL


Dit schreef ik gisteren omstreeks middernacht op facebook:
I enjoyed Bob Dylan so much tonight. A young man in an old man's clothes. An eternal voice I heard once more. It will be forever among our children and their children. Bob Dylan, Bob Dylan, Bob Dylan, they will sing. And they will sing Masters Of War, and Like A Rolling Stone. In the 22nd century and on and on.

Laat dat mijn recensie van het werkelijk onvergetelijke concert van Bob Dylan & Band in Vorst op 22 april 2009 zijn. Uitgebreide analyses en ander gezeur kun je morgen in de kranten lezen (meestal steeds dezelfde nonsens) en vandaag wellicht op de blogs van Dylan-fans en Dylan-haters. Niet dat het allemaal slecht is, wat ze schrijven. Maar hoe evoceer je een mystieke ervaring? Alleen iemand als Tarkovski was daartoe in staat, zij het niet met woorden. Een goed idee: als je wil weten hoe een Bob Dylan-concert ‘overkomt’, wat het voor de aanwezigen betekent, kijk dan een keer naar Tarkovski’s Andrej Rublev.

Dit is de setlist:

 

 

1.

The Wicked Messenger

2.

It's All Over Now, Baby Blue

3.

Man In The Long Black Coat

4.

Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again

5.

Blind Willie McTell

6.

Desolation Row

7.

Honest With Me

8.

Sugar Baby  

9.

Highway 61 Revisited

10.

Ballad Of A Thin Man

11.

I Don't Believe You (She Acts Like We Never Have Met)

12.

Ain't Talkin'

13.

Thunder On The Mountain

14.

Like A Rolling Stone

 

 Encore

15.

All Along The Watchtower

16.

Spirit On The Water

17.

Blowin' In The Wind

  

 

 

 


"Dylan's public, his fans and followers, create him in their own image. They expect him to be who they interpret him to be. The very mention of his name invokes his myth and unleashes an insurmountable amount of minutae about the meaning of every word he ever uttered, wrote or sang."
Suze Rotolo, A Freewheelin' Time.

freewheel

22-12-08

2008: BOB DYLAN EN NEIL YOUNG


theme time 2

Wat ben ik toch lui. Mijn vorige notitie – over een aantal van mijn favoriete platen uit 2008 – dateert alweer van vorige vrijdag. Maar het is niet alleen luiheid die me parten speel. Het is ook twijfel. Wat zijn nu toch die beste nieuwe platen! En ik ken er zo weinig. Nog niet zo lang geleden dacht ik dat ik een goed ‘beeld’ had van ongeveer alles wat op de ‘markt’ kwam, maar dat is al lang niet meer het geval. Ik koop nog steeds zeer veel muziek. Bijgevolg gaat een heel groot deel van mijn budget naar cd’s. En toch is dat maar een bijzonder kleine selectie van wat er allemaal verschijnt. In andere muziekblogs (Roen, Peerke) is het al vaker geopperd: er worden teveel platen uitgebracht. Het is onmogelijk te overzien, zeker niet als je een vrij brede smaak hebt.

Twijfels. Daarom duurt het zo lang eer ik mijn definitieve keuze kenbaar maak. Maar ik ben ermee bezig. Ik beluister alle elpees die ik dit jaar heb aangekocht. Hoeveel er dat precies zijn weet ik niet, maar het zijn er echt wel veel. Iemand heeft me ooit gezegd dat ik een huis had kunnen kopen met het geld dat ik in muziek heb geïnvesteerd. Misschien had ik dat beter gedaan. Maar naar een huis kun je niet luisteren. Huizen zijn meer iets voor slakken.

Een ding wil ik meteen duidelijk maken. Noch Bob Dylans ‘Tell Tale Signs’, noch de Ace-compilatie met nummers uit Dylans 'Theme Time Radio Hour’, noch de werkelijk verbluffende live-elpee van Neil Young, ‘Sugar Mountain. Live At Canterbury House 1968’ stonden in mijn lijstje(s) van vorige vrijdag. Ik kon die buitengewoon mooie platen daar niet in onderbrengen. Ze vormen een categorie apart. Of twee categorieën: Bob Dylan en Neil Young.

De Ace-compilatie ‘Theme Time Radio Hour With Your Host Bob Dylan’, heeft eigenlijk weinig met de meester te maken. Of toch wel: hij heeft uiteraard alle vijftig zeer gevarieerde songs in zijn show gedraaid. Zijn presentatie moet je er wel bij fantaseren. Met een beetje zoeken vind je de programma’s trouwens online. Je moet er dan wel een aantal dagen voor uittrekken want er zijn al veel afleveringen. Ik houd bijzonder veel van het programma, niet alleen omdat ik zelf al meer dan vijfentwintig jaar een thematische radioprogramma maak, maar vooral door de buitengewone songs, met zoveel kennis van zaken en gevoel voor humor samengebracht, in een geheel geplaatst waar ze pas echt tot hun recht komen. Overigens is deze compilatie reeds de aanschaf waard voor alleen al de lange versie van Aretha Franklins ‘Chain Of Fools’ en zeker ook voor ‘I Ain’t Drunk’ van Lonnie “The Cat” (waar Ike Turner op meespeelt). Er zit een uitstekend boekje bij de dubbel-cd: uitvoerige informatie over alle songs en hun uitvoerders, en hele mooie illustraties.

TellTaleSigns

In de Bootleg Series van Bob Dylan verscheen dit jaar volume 8: ‘Tell Tale Signs. Rare and Unreleased 1989-2006’. Er is al zoveel over geschreven – ik heb daar weinig aan toe te voegen. De dubbele cd, meer dan twee uur muziek, is over het algemeen goed ontvangen. Alleen is er veel kritiek geuit op de prijs van de luxe-uitgave, waar een twaalftal bijkomende nummers op staat. Er werd vastgesteld dat oudere mensen, minder begoede Dylan-fans die misschien van een klein pensioentje moeten leven, die nog nooit iets hadden gedownload, nu ook de weg naar de piraten hebben gevonden. Een slechte zaak voor jonge muzikanten die royalties letterlijk broodnodig hebben. Ik vraag me af of Dylan zich bewust is van deze vreemde strategie. Maar het zij zo. De dubbel-cd bevat voldoende schoonheid en de rest, dat zien we later wel.

Aanvankelijk vond ik de plaat niet zo goed. Maar nu heb ik ze toch al zo’n twintig keer gehoord, en ze wordt almaar beter. ‘Tell Tale Signs’ lijkt door de grote eenheid wel een gewone elpee en geen compilatie. Ik vind ze ook stukken beter dan zijn jongste sudioplaat, ‘Modern Times’, waar ik niet van houd. Het hoogtepunt van ‘Tell Tale Signs’ is ‘Most Of the Time’, al bijzonder mooi op ‘Oh Mercy’, maar hier zonder de Daniel Lanois-behandeling, en met de intensiteit van iets uit ‘Blood On the Tracks. ‘Someday Baby’ overtreft de versie op ‘Modern Times’. De gospel ‘Marchin’ to the City’ is een juweel. Dylan bewijst hier nog een keer hoe bijzonder zijn pianospel is.

neil young2

Voor mij hoort ‘Tell Tale Signs’ tot de beste platen van 2008. En hetzelfde geldt voor de nieuwe live-plaat van Neil Young. ‘Sugar Mountain’ is een tijdscapsule die je meeneemt naar 1968. Neil Young, jong, onschuldig, kwetsbaar, grappig: er was niemand zoals hij, er is nog altijd niemand zoals hij. Sommige mensen zijn van mening dat er teveel gepraat staat op de plaat. Maar dat vind ik er net zo mooi aan. Daardoor is het niet een tijdloze opname, maar geeft ze ook uitdrukking aan de tijdsgeest, toen lang haar, stoned worden, utopische idealen werkelijk iets betekenden, heel anders dan het postmoderne escapisme. Bij mij roept de plaat talloos veel herinneringen op. Aan Buffalo Springfield, aan Amsterdam (waar ik bij Onno en Cees voor het eerste een elpee van Neil Young hoorde), aan mijn studentenkamer in de Karmelietenstraat, waar Neils eerste elpee en ‘Everybody Knows this Is Nowhere’ dagelijks werden gedraaid. Ik herinner me ook nog hoe gelukkig ik was toen ik de single ‘Sugar Mountain’ voor vijf frank in de Pêle-Mêle vond. Ja, in die dagen was zelfs Neil Young nog goedkoop.

Nog meer goed nieuws is dat Bob Dylan op 22 april naar Brussel komt. Nu heb ik al een eerste datum om naar uit te kijken.

28-06-07

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD


Vandaag laat ik met plezier eens iemand anders aan het woord. Dames en Heren, uit Oostenrijk, de onovertroffen mensenkenner Thomas Bernhard:

“Is het u nooit opgevallen dat de mensen kerkhoven bewonen? Dat grote steden grote kerkhoven zijn? Kleine steden kleine kerkhoven? Dorpen nog kleinere? Dat het bed een lijkkist is? Kleren doodskleden zijn? Allemaal voorbereidende oefeningen voor de dood? Het hele bestaan is een eeuwig beproeven van het opgebaard-liggen en begraven-worden.”

Uit: Vorst, vertaling van Thomas Graftdijk.

Tot daar mijn gastspreker van vandaag. Ik heb hier volstrekt niets aan toe te voegen.

07-04-07

BOB DYLAN'S NEVER-ENDING-TOUR : BRUSSEL 2007


Wat we gisteravond te horen kregen:

1. Tweedle Dee & Tweedle Dum
2. It Ain't Me, Babe
3. Just Like Tom Thumb's Blues
4. It's Alright, Ma (I'm Only Bleeding)
5. When The Deal Goes Down
6. Stuck Inside Of Mobile With The Memphis Blues Again
7. This Wheel's On Fire
8. Rollin' And Tumblin'
9. Boots Of Spanish Leather
10. Highway 61 Revisited
11. Spirit On The Water
12. Desolation Row
13. Nettie Moore
14. Summer Days
15. Like A Rolling Stone
16. Thunder On The Mountain
17. All Along The Watchtower

Helaas geen Blind Willie McTell en geen Positively 4th Street, maar wel een prachtig Just Like Tom Thumb’s Blues. Ik vond zowat alles uitstekend, behalve de uitvoering van afsluiter All Along The Watchtower. Daar was iets mis mee, al weet ik niet goed wat. Bob Dylan was goed bij stem en zong vooral de nieuwe nummers met veel kracht en overtuiging. This Wheel’s On Fire was niet slecht, maar het klonk een beetje bizar. Ik heb in jaren niet meer zo gedanst als gisteravond op de rockabilly van Summer Days. De enige wat zwakke schakel in deze band is gitarist Denny Freeman, die zonder enige verbeelding lijkt te spelen. Vooral bij Desolation Row en All Along the Watchtower viel dat op en stoorde het me. Maar het was een heuglijke avond. Bob Dylan had een mooie witte hoed op. De rode hoed van Tony Garnier viel net zo goed in de smaak. Alleen Donnie Herron was blootshoofds. Ik begrijp niet dat Dylan zulke afwijking toestaat. Bij mij zou het niet waar zijn, zeker niet op goede vrijdag! How does it feel to be out on your own?

Die onuitstaanbare ijdeltuit Serge Simonart beweert in Humo dat bloggers mislukte popjournalisten zijn. Hij zegt ook dat Lou Reed met ideeën van hem gaat lopen. De man is niet goed wijs. Destijds had hij het over Ornette Coleman, een van de grootste jazzmuzikanten. Simonart ging er echter van uit dat Coleman een vrouw was. Op dat ogenblik wist ik genoeg over dat heerschap, ook al is hij ‘een goede vriend van David’. Bah!

04-11-05

WAT IS DEZE SHIT?


Dylan

Natuurlijk lees ik al lang niet meer de rechts-liberale krant de Morgen – die zelfs de vakbond schoffeert die hem in tijden van nood met veel inzet mee van de ondergang heeft gered. Mijn levensgezellin zat vanavond echter op me te wachten in café de Monk, om van daaruit samen naar de KVS te gaan, waar we Onze Lieve Vrouw Van Vlaanderen zouden gaan zien, waarover morgen misschien enige woorden meer. Bettye Lavette moet overigens ook nog aan de beurt komen. Dat was, ik zeg het nu al meteen, een van de beste concerten die ik de voorbije maanden - of jaren - heb mogen bijwonen, beleven, ondergaan, en ik ben wat dat betreft allerminst een debutant. 

Ik had Laura opgebeld om haar te vragen of zij een dame met een poes kende - want een zodanige madam was toen ik thuis vertrok binnengekomen en meteen de trap opgelopen, een madam met een poes in een kooi. Ze had geantwoord dat ik me over die dame geen zorgen moest maken, “het zal wel een vriendin zijn van onze benedenbuur”, en zeker geen inbreekster… Ze vond dat ik beter maar eens dat artikel moest lezen van Dirk Steenhaut over Bob Dylan. Dat was wel wat erger dan potentiële inbrekers met een kat in een kooi. Als ik er nu over nadenk lijkt me mijn schrik ook helemaal absurd. Welke dief dringt een huis binnen met een kat om voor te zorgen? Maar het is een blijft en dwaze en onvoorspelbare wereld. Remember the diplomat who carried on his shoulder a siamese cat? 

Dirk Steenhaut, de naam zei me nog iets, of liever, ik voelde een soort van fantoompijn bij het horen van die lettergrepen. Was dat niet die ‘fantast’ die al tientallen jaren pagina’s vult in het hierbovengenoemde renegatenblaadje? Een ‘fantast’ zonder enige fantasie. Inderdaad. In de Monk aangekomen bestelde ik een koffie en las het stuk van de driewerf vermaledijde droogstoppel. Ik vermoed heel sterk dat de man niet in Vorst is geweest. Overigens zijn kerels die het over ‘Zijne Nasaliteit’ hebben hoe dan ook verdacht. Welke clichés verzinnen deze heren voor boter, of vis? Bob Dylans naam is Bob Dylan. Niet meer en niet minder. Van Zijne Steenhouterigheid mocht Bob Dylan geen toetsen beroeren. Dan zat hij daar niet goed zichtbaar op het podium. Hij moest van Zijne Steenhouterigheid goed zichtbaar vooraan op het podium staan, graag met een gitaar, en hij moest uit volle borst zingen, liefst van al met de stem van een 24-jarige held uit de jaren zestig, - of had hij een Pavarotti of een Bono in gedachten? - en iedereen in Vorst had hem langs alle kanten met zijn of haar blikken moeten kunnen penetreren. Wat een godverdomde onzin! Ik gebruik een uitroepteken. Een slecht teken! Zijne Steenhouterigheid heeft Bob Dylan niet gezien. Volgens de recensent zat Dylan ergens achter de drummer of de steelgitaarspeler. Nu, ik was wel wat dronken, maar ik heb Bob Dylan echt gezien. Hij stond daar aan zijn toetsenbord als een Ray Charles, soms, en als een Little Richard, zijn jeugdheld, vol oud vuur en ongebluste liefde voor de muziek die in zijn ziel huist, en in de ziel van degenen die zich onvoorwaardelijk voor hem openen. Hij had trouwens een heel mooi kostuum uitgekozen om zich aan ons te tonen.
Bob Dylan is de oudere ziel die ons eraan herinnert waar en hoe het allemaal begonnen is en dat het nog lang niet gedaan is, versleten stembanden of niet.

Wie heeft er ooit geklaagd over het gehuil van Howlin’ Wolf, het gejodel van Jimmie Rodgers, over Sonny Boy Williamson en zijn bolhoed en de act met het net niet inslikken van zijn mondharmonica, over de sentimentaliteit van Hank Williams (I’m So Lonesome I Could Cry!), over het stomdronken maar bijzonder sensueel rocken van Lucinda Williams, over de megalomanie van Elvis Costello, over het fake engagement van Elvis Presley’s In the Ghetto (een meesterwerk), over het onnozele kapsel van James Brown, over de zoeterigheid van Ray Charles (het ongeëvenaarde Born To Lose)? Of over het racisme van John Ford en het mysterieuze gezeik van Rainer Werner Fassbinder? Om het nog niet te hebben over de Trojanenfobie van Homerus en de Germanenhaat van Friedrich Nietzsche, en de oorlogszucht van John Fitzgerald Kennedy.
Zijne Steenhouterigheid schrijft dat het publiek verbazingwekkend mild was voor de ‘oude bard’. Vindt hij dan dat wij de oude zak een half uurtje hadden moesten staan uitschelden? Boe! Judas! Verrader! Enzovoort…

Met dank aan Klaas Debacker, die wel begrijpt waar het allemaal over gaat.