19-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (3)

tilda swinton - young adam.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (middag)

[‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende (min of meer) acht notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.]

Grapes of Wrath.jpeg

Dat bemoedigend gevoel als je op zoek bent naar een woord, het ligt op het tipje van je tong, en je partner, vriend of vriendin vindt het voor jou! Mij overkwam het nog een keer tijdens een gesprek met Ever M. Ik kon maar niet op het woord ‘…’ komen. ‘Carter’* zei Ever bijna meteen. Ik was al een paar dagen in ‘The Grapes Of Wrath’ aan het lezen en vertelde Ever over een passage uit dat boek omdat hij het over auto’s en motoren had. Zo was er iets wat we konden delen. Ik ken helemaal niets van auto’s, van motoren, van machines, ook de terminologie (waar Steinbeck duidelijk wel vertrouwd mee was) is me vreemd. Voor Ever zal het een koud kunstje geweest zijn om het woord voor me uit zijn geheugen op te diepen. Auto’s en vooral oldtimers zijn z’n passie. Het is een passie die ik niet deel maar die me ook niet onverschillig laat, want veel van die oldtimers zijn zulke mooie auto’s. Alleen al voor de elegante wagens die erin rondgereden worden vind ik Hitchcocks ‘Vertigo’ en ‘Psycho’ meesterwerken. Het gebeurt wel eens dat ik alleen maar naar een film van Nicholas Ray of om het even welke film uit de jaren vijftig kijk voor de auto’s. Wat een verschil in stijl met de gedrochten die ik dagelijks in onze straat zie geparkeerd staan. Maar Ever bewonder ik vooral als tekenaar. Hij is een van de originelen. Velen, vooral jonge tekenaars, kopiëren zijn stijl, maar niemand kan zijn vakkundigheid evenaren, en zijn verbeeldingskracht nog minder.

psycho car 2.png

Ik had in metrostation Veeweide zitten lezen. Opeens stond Ever voor me. Ik had hem al jaren niet meer gezien en schrok even, hoewel hij daar toch vriendelijk voor me stond te glimlachen. O, Eddie, zei ik, ik had je bijna niet herkend. Dat zal door mijn pet komen, zei hij bescheiden, normaal draag ik een hoedje. We hebben nooit veel tegen elkaar gezegd, waarschijnlijk omdat we allebei schuchter zijn, in onszelf gekeerd. Maar nu kwam het opeens allemaal vanzelf. We herkenden elkaar als mensen die nog veel willen doen maar die beseffen dat ze zo weinig tijd hebben. Je ontbijt, drinkt een tweede kop koffie en het is alweer tijd voor de lunch. Je hebt een uur naar onzin op de radio zitten luisteren, wachtend op een interessant onderwerp. Je kunt nog beter wachten op de dode god (die je het eeuwige leven zal schenken). Ik praatte met Ever over mijn passies, op dat ogenblik Steinbeck en de Depressie, en hij over die van hem, het werken aan die mooie oude auto’s dus, maar ook over de eenzaamheid van een tekenaar, dagenlang alleen op zijn kamer. Ik begreep dat er overeenkomsten tussen ons bestaan die ik vroeger nooit gezien had. Maar ik was zoveel ouder toen… Wat jammer dat ik aan Beekkant de metro verlaten moest en zo noodgedwongen het gesprek afbreken.

ever-meulen-40.jpg

Wat kom ik hier toch graag, zei ik. Maar dat zal wel niet de bedoeling zijn van de therapie, neem ik aan. Ach, zei ze ad rem, dan kom je nog eens buiten. Het was een grappig antwoord, maar het maakte me ook triest. Was de ondertoon van haar opmerking niet dat er binnen afzienbare tijd wel eens een einde zou kunnen komen aan onze wekelijkse gesprekken – of veeleer monologen? Sinds 1997 ga ik – met twee onderbrekingen – op visite bij deze begripvolle, empathische vrouw. Een veertigtal minuten in haar elegant gezelschap maakt me niet gelukkig maar geeft me meestal wel voldoende kracht om weer een tijdje met mezelf en mijn kleine wereld om te gaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er niets anders bestaat dan “ikzelf en mijn kleine wereld”. Ik voel het aan zoals Walt Whitman: ik ben een kosmos, ik omvat veel dingen. Daar maak jij ook deel van uit, lieve vriendin, lieve vriend, lieve lezer. Maar ook de verwoesting van Aleppo en Mosul en veel van het andere vreselijke dat zich voordoet. Waarom kom ik toch zo graag bij jou, vroeg ik. Omdat je hier helemaal vrij bent, antwoordde ze. Ik zweeg even maar vond dan toch de moed om iets over met haar vrijen te mompelen. Normaal zou zoiets nooit in mijn hoofd opkomen, daar ben ik veel te schuchter voor. Maar nu had ik het gezegd, ook al was het maar een woordspeling. Ik bedoel wel vrij om te zeggen wat je wilt, zei ze, na een korte stilte. Ik schoot in de lach, zij ook. Natuurlijk, zei ik, ik maakte een flauwe grap. Ik vind ‘The Leftovers’ een geweldige serie, zei ik. Heb je daar al iets van gezien? Meestal als ik naar boeken of films verwijs en haar vraag of ze die gelezen of gezien heeft is het antwoord negatief. Dan ben ik altijd enigszins teleurgesteld. Ik weet zo weinig over haar, zo weinig. Op een keer, toen ze in een vertrouwelijke bui was, zei ze me dat ze van Trixie Whitley hield. Wat een ontgoocheling! Maar ik geloof niet dat ze dat heeft gemerkt. Meestal vertel ik haar alles wat er in mijn hoofd opduikt, maar er zijn grenzen. Ik twijfel niet aan haar intelligentie ook al heeft ze Daniel Menaker’s ‘De behandeling’ niet gelezen of ‘Het rijk der zinnen’ niet gezien. Meermaals probeer ik haar duidelijk te maken dat ik onmogelijk ‘neen’ kan zeggen, waarop zij steevast antwoordt dat ik dat wel kan. Jij kunt heel goed 'neen' zeggen, zegt ze dan. Waarop ik me telkens moet bedwingen om niet de slappe lach te krijgen, vraag me niet waarom. Op een gegeven moment dacht ik dat ik haar zag slapen. Je bent niet aan het luisteren, zei ik. Jawel, zei ze, en ze herhaalde de laatste zinnen die ik uitgesproken had.

SanFranciscoErdbeben1906.jpg

Daarna stond ik opnieuw in de lelijke straat met de lelijke flatgebouwen waar de onbereikbare mensen lopen en de vreselijke auto’s voorbijrazen. Met mijn hoofd nog in een soort van mistig gebergte stak ik de straat over naar de bushalte. Ik was gehaast want een half uur later zou ik na drie maanden ontbering nog een keer mijn hartsvriendin zien. We hadden al heel wat afspraken moeten afzeggen wegens ziekte van een van ons beiden, hevige regens, hittegolven, gijzelingen en een aardbeving met een magnitude van zes op de schaal van Richter. Daarover gaat mijn volgend verslag. Nog één of twee keer slapen. En vooral wakker blijven, want het leven is kort.

***

*Carter: niet president Jimmy Carter maar “omhulsel, huis waarin de kruk of –excentriekas van een motor ligt, genoemd naar J.H. Carter (geen lid van the Carter Family).

Afbeeldingen: 'Young Adam', David McKenzie; 'The Grapes Of Wrath', John Ford; 'Pscho', Alfred Hitchcock; Tekening Ever Meulen; Aardbeving San Francisco, 1906.

 

08-06-16

LE BONHEUR VAN AGNES VARDA

bonheur 1.jpg

Ongeveer vijfenveertig jaar geleden zag ik ‘Le bonheur’ (1965) een eerste keer. De pastorale, idyllische beelden zijn me altijd bijgebleven. En ook de zekerheid dat in het paradijs van Agnès Varda, in het gelukkige kerngezinnetje dat zij ons in zijn dagelijks reilen en zeilen laat zien, niet alles pluis is. Gisteren zag ik de film opnieuw, in een magistraal gerestaureerde versie. ‘Le bonheur’ was de eerste kleurenfilm van Varda en dat zie je eraan. Het lijkt wel of de regisseuse al doende kleuren opnieuw uitvindt. De beelden zijn betoverend mooi, maar je zou ze net zo goed kitsch kunnen noemen.

Het verhaal wil ik hier niet uit de doeken doen. Het is te mooi en te verschrikkelijk om waar te zijn. Ik denk dat het over een man gaat die zo gelukkig is dat hij nog meer geluk wil. Wat impliceert dat hij ongelukkig is en het ook zal blijven. Je kunt hier ‘geluk’ door ‘seks’ of ‘bevrediging’ vervangen.

Ik weet niet wat destijds mijn conclusie was. Gisteren besefte ik dat ‘le bonheur’ hetzelfde is als ‘le malheur’ – in de context van Agnès Varda’s film dan toch. En ook in het algemeen: hoe kan een mens gelukkig zijn als zijn hunker en zijn begeerte altijd maar aan hem (of haar) blijven knagen? Als hij nooit volkomen bevredigd is? Zelfs als de zon volop schijnt en de zonnebloemen in volle bloei staan.

bonheur2.jpg

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

 

19-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN ii

0Rimbaud Henri_Fantin-Latour_005.jpg

In De witte raaf een interessant essay van Alain Badiou gelezen, ‘Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse cultuur’, een soort van vervolg op ‘Het onbehagen in de cultuur’ van Freud. Badiou heeft het onder meer over de initiatie van de zonen, waarin hij drie mogelijkheden of perspectieven ontwaart: het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam. Geen van de drie mogelijkheden biedt een uitweg. Er vindt geen initiatie plaats (in de zin van een overgang, een aflossing, een wording). “Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen.”
Alain Badiou is zelf, uiteraard, geen nihilist. Hij ziet een uitweg, een toekomst. “Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van de wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.” Volgens Badiou had Rimbaud, ondanks zijn keuze voor de wereld van de handel, reeds een voorgevoel van die uitweg, hij wist dat er een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam, dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en en conformisme onttrok.
(Alain Badiou wijst er terloops op dat het de taak van de filosoof is om de jeugd te bederven. Terwijl ik altijd heb gedacht dat die opdracht was weggelegd voor rocksterren.)

0mick-jagger-performance2.jpg

Nog een koude, grijze dag, nu met winterse neerslag. Na lange tijd heb ik nog eens een dagboeknotitie publiek gemaakt. Mijn bedoeling is het om dit voortaan met regelmaat te gaan doen, ook als er niets te zeggen valt. Maar valt er niet altijd iets te zeggen – in een wereld die aan nietszeggendheid lijkt ten onder te gaan? Is dat voornemen een symptoom van wanhoop, van ontreddering? Zal het om een therapeutische werkzaamheid gaan? Ik denk het niet. Ik denk dat ik alleen maar wil zeggen: ik ben een mens, ik besta, ik leef. Mijn diepste verlangen is het dit mee te delen, niet alleen dat ik een mens ben, maar zeker ook de manier waarop ik dat ben. Hoe ik van de nood een deugd probeer te maken. Het is mogelijk dat ik mij afzonder om die opdracht, als ik het zo mag noemen, beter aan te kunnen. Misschien gaat het om een strategie, hoewel ik nooit geloofd heb in strategisch denken en handelen.

Het is altijd een lange tocht naar IVD. Voor haar kom ik nog graag buiten, ook al kost zij me redelijk veel geld. In oktober 2012 heeft ze mogelijk mijn leven gered. Neen, dat heb ik zelf gedaan; nog voor het te laat was heb ik haar gebeld. Of ik mocht komen? Alleen door ja te zeggen heeft ze mijn leven gered. Hoewel ik helemaal geen zin had in zelfmoord en het waarschijnlijk ook zonder haar niet zou hebben gedaan. In Brussel gebruik maken van het openbaar vervoer is weer gewoon geworden. Je denkt al een tijdje niet meer aan gevaar, aan mogelijke aanslagen. De politie in je straat patrouilleert omdat er vanavond een voetbalmatch wordt gespeeld, niets om over naar huis te schrijven. Aan Simonis moet je in de koude wind op bus 13 wachten, de ongeluksbus. Van de verhoogde frequentie die was beloofd merk je niet veel. Dan veertig minuten praten, meestal met de ogen toe. Nu en dan kijk je haar aan. Wil je je ervan verzekeren dat ze niet ingedut is?

Al een paar dagen slaap ik diep en lang. ’s Morgens is het moeilijk om uit bed te komen. Ik zit slaperig en met een ochtendhumeur aan het ontbijt. Dat is nieuw. Tot voor kort werd ik voor dag en dauw wakker en stond dan meteen op. Het had geen enkele zin om te blijven liggen. Het vreemde is dat die lange en diep slaap de vermoeidheid niet wegneemt, integendeel. Maar ik wil er niet te veel belang aan hechten. Het is iets waar je mee moet leven. De ene slaapt zus, de andere zo. Er is geen enkele theorie daarover die deugt.
0thebraineaters.jpg

Ik moet het nog hebben over hoe ik ertoe gekomen ben om opnieuw dagboeknotities te gaan publiceren. Maar dat gaat nog niet. Het houdt verband met wat me in 2011 is overkomen, hoe die gebeurtenissen mijn leven voor altijd hebben veranderd. Dat heb ik pas enkele dagen geleden ten volle ingezien. Het heeft met die veertien dagen coma te maken. Het heeft lang geduurd eer ik weer kon denken, mijn gedachten formuleren, woorden vinden, zinnen maken. Ik heb nooit goed kunnen denken (en wat is goed denken eigenlijk?), maar sinds 24 mei 2011 is het heel lastig geworden. Er zijn geloof ik dagen dat ik helemaal niet denk. Lege dagen, noem ik ze. Maar natuurlijk zijn ze helemaal niet leeg. Er gebeurt gigantisch veel, doodgewone dingen, catastrofale dingen.

In verband met de arrestatie van El Chapo beweert Roberto Saviano het volgende. “… de criminele economie is de winnaar, de totale opbrengst van de drugseconomie bedraagt ongeveer 300 miljard dollar. Als we over de bosses spreken, hebben we het dus niet over randfiguren, maar over de hoofdrolspelers van de wereldeconomie.” Joaquin ‘El Chapo’ Guzman, dat is pas een verdienstelijk lichaam.

“En toen werd ik verdrietig omdat het tot me doordrong dat je mensen nooit meer kunt repareren als ze eenmaal kapot zijn, en dat niemand je dat ooit vertelt als je jong bent en dat je er altijd weer door wordt verrast naarmate je ouder wordt en je ziet dat de mensen in je leven één voor één kapot gaan. Je vraagt je af wanneer je zelf aan de beurt bent, en of dat misschien al gebeurd is.” Dat las ik in Douglas Couplands ‘Leven na God’, uit 1994. Zou ik dat boek niet eens herlezen (maar dan in het Engels)?

 

17-08-15

HET BOEK ASTRID

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J'irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

...

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto's:
Boven: Mijn broer en ik.
Onder: gemaskerd ga ik door het leven.

04-05-15

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

 

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

 

Voor Paul Rigaumont


1. BEAT GENERATION

"I've got every reason on earth to be mad", zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze 'minderheidswording' noem.

Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren '70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het 'platvloerse' als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).
Thelonious-Monk.jpg

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen - maar uiteraard van nog veel meer -  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).

Het verlangen en het lichaam zijn twee thema's die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in 'Anekdota VIII': "Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)" (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: "Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality".
burroughs-kerouac.jpg

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

2. TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren '60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema's van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van 'Surfin' Bird') weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.
patti-smith-by-judy-linn-7.jpg

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie - of toch ook weer element van een minderheidswording.

Voor mezelf was rock 'n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She's Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.


Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.) 
Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen ("I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix...")

gilles-Deleuze.jpeg

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

3. P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren '50 en '60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.

Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.
my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over "een eiland worden". Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden "subterraneans" om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.

Paul Rigaumont heeft het daarover in 'Anekdota VIII' als hij Aurora beschrijft als een "plaats van een minderheidswording. (...) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden 'stotteren' in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen." 'Anekdota VIII' (p.81).

Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie - met haar akelige leuze 'alles is voltooid' - volhardden we met Ernst Bloch in het 'principe van de hoop' en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon - alweer John Lennon - had het daarover in 'Instant Karma', een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma 'instant' zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in 'L'amour fou':

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

'Anekdota VIII' is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

 

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997,  naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.

Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

 

30-04-15

DE CARIBISCHE DRUMMERS

saul-leiter-barbara-or-margaret-1955.png

Hoe het verhaal begon kan ik me niet herinneren. Vorige vrijdag lag Annabelle hier lui op de chaise longue met alleen nog haar zwarte Suède laarsjes aan. Ik zat aan mijn oude kersenhouten tafel, net niet helemaal met mijn rug naar haar toegekeerd. Waarschijnlijk probeerde ik neer te schrijven wat ik zag als ik, bijna tersluiks, naar haar keek. Hoe zij daar lag, haar lange benen, de kleur van haar huid, de lome blik in haar ogen. Op een computerscherm, links van me, begon een drumband te spelen. De muzikanten marcheerden door een Caribisch stadje, hun getrommel even kleurrijk als de gevels van de oude huizen. Als de klank luider werd leek wat ze speelden een kakofonie, maar altijd hoorde je toch ook structuur in hun opwindende muziek. Wat je hoorde en onderging was een combinatie van emotie, woede, verleidingstechniek en wiskunde. Soms, als het volume afnam, vreesde ik dat de muzikanten al gauw uit het gezichtsveld zouden verdwijnen.

Onze postbode kwam de kamer binnen met een pakje. “Uit Amerika”, zei hij. Hij wierp een nieuwsgierige blik op Annabelle, haar ogen nu op het computerscherm gericht, maar haar lichaam nog altijd in volstrekte rust. Heel even maar bekeek de postbode haar en dan werd zijn aandacht getrokken door de straatdrummers. Natuurlijk moest hij zijn ronde doen, maar ik zag dat hij het moeilijk had om zich uit de uitgelaten sfeer van de muziek los te rukken. Tenslotte zei hij “geweldig” en vertrok. Mij leek het alsof hij op die paar minuten een andere mens was geworden. Wat later moest Annabelle ook de deur uit, ik geloof naar haar werk.

Een paar dagen nadien liep ik met mijn vrouw naar de winkel. We passeerden de postbode. “Wat was dat toch magisch, dat uitzinnig getrommel dat ik daar bij jou hoorde,” zei hij. Ik wist niet wat te antwoorden. Ik knikte en maakte me zo gauw mogelijk uit de voeten. Mijn vrouw vond dat maar vreemd. Wat was er aan de hand? En pas nu zag ik dat ze niet langer blond was: ze had haar haren zwart laten verven.

Eergisteren lag ik in bed met een zwartharig meisje, dat ik vaag van ergens kende. Een actrice misschien. Ik herinner me haar naam niet. Ze was omstreeks elf uur komen aanbellen en vroeg meteen, de voordeur was nog niet toe, of ze bij me mocht komen liggen. Om vier uur kwam mijn vrouw thuis, nu weer met blonde haren. Het zwartharige meisje vertrok, ik viel opnieuw in slaap. ’s Avonds zag ik een in cadeaupapier ingepakte fles op mijn nachtkastje staan. In de lege whiskyfles zat een brief van mijn vrouw. Harde woorden van afscheid. Ze nam mijn gedrag niet langer, ze was voorgoed vertrokken. Ik kwam uit bed, mijn hart gebroken. In de keuken, waar het nu donker was, zag ik haar silhouet, niet meer dan een vage schim was het – ik wist dat ze weg was.

muziek, drummers, caribische trommelaars, meisjes, vrouwen, lust, visite, erotiek, verlangen, wellust, genot, kijken, annabelle, bed, luiheid, cadeau, jaloezie, huwelijk, verlaten, alleen, eenzaamheid, postbode, "the postman always rings twice"

...

Foto: Saul Leiter, 'Barbara or Margret',  1955; Tay Garnet, 'The Postman Always Rings Twice', 1946.

10-08-14

ARCHIPEL VAN HET VERDRIET

La-Comtesse-perverse-1974.jpg

Ik lag in bed, ernstig ziek. In een kleiner en lager bed naast het mijne mijn moeder, om over me te waken. Soms, in mijn koorts, verbeeldde ik me dat ze een agent was die me in de gaten hield. Dan voelde ik me meer een gevangene dan een zieke. Alleszins had ze altijd ten minste een oog wijd open, voortdurend op mij gericht, op mijn gezicht, mijn magere handen.

Je bracht me een bezoek. Het viel me op dat je anders was dan anders, afstandelijker, ziellozer, je huid kleurlozer; je ogen hadden weinig van hun gebruikelijke schittering. Ik lag in bed met alleen een T-shirt en onderbroek aan en schaamde me daar voor, want zeker voor jou wilde ik mooi gekleed zijn. Mijn kleren, zelfs mijn pyjama, lagen onder mijn matras, een vochtige warboel.
Je maakte aanstalten om te vertrekken, wat me, ondanks je teleurstellende verschijning, erg bedroefde. Ik vreesde dat ik gauw zou sterven, of dat je nooit meer zou terugkeren. Van mijn moeder mocht ik niet uit bed komen, je niet omhelzen, geen afscheid van je nemen. Waar vond ik de kracht om zo lang en heftig bij haar aan te dringen? Uiteindelijk stond ze toch een vluchtig afscheid toe, als ik maar niet te dicht bij je kwam. Vliegensvlug haalde ik mijn pyjama onder de matras uit en trok hem aan, zij het met het jasje verkeerd toegeknoopt. Ik was nog niet helemaal aangekleed en schaamde me ook daar weer voor, toen jij al voor de deur stond, met je rug naar me toegekeerd. Je wilde me niet omhelzen, volgens jou omdat het niet mocht. Plotseling zei ik, tegen moeders verbod in (of was het dat van de agent?), met een moed die alleen maar kan voortvloeien uit teugelloze liefde, dat ik met je mee zou gaan tot aan de Oude Bareel. Maar je was al bijna buiten. Wellicht had je mijn woorden, vol verlangen uitgesproken, niet eens gehoord. De droefheid die me daarop overviel was immens. Ik geloof niet dat ik me ooit triester heb gevoeld, niet in een droom en niet in het wakend leven. Toch keek je, net voor je de deur achter je toetrok, nog even om, met tederheid en liefde in je ogen. Die droefheid, omdat je vertrok en omdat je omkeek, was zo ondraaglijk dat ik huilend wakker werd.

Eens wakker besefte ik dat Bob  Dylan het helemaal verkeerd had: “She’s an artist, she don’t look back…” Het is net omgekeerd. Als je een kunstenaar bent, een kunstenaar die liefheeft, kijk je gedurig terug, denk maar aan Orpheus.

Ik viel opnieuw in slaap. Nog dezelfde droefheid  torsend kwam ik op een eiland aan dat deel uitmaakte van een grijze en bloedrode, geërodeerde archipel. Na een half uur op het eerste eiland wilde ik naar het tweede, en zo verder. Maar het was moeilijk om van het ene naar het andere eiland te reizen. Er voer slechts één ferry per dag uit, op een onduidelijk uur. In het huis waar ik voorlopig verbleef, mijn kaartje voor de overtocht steeds binnen handbereik, gebeurden allerlei bizarre dingen. Zo was het op sommige dagen een komen en gaan van bedelaars, goochelaars en beschimmelde figuren. Er werd gehoest, gerocheld, gefloten, maar niemand zei een verstaanbaar woord. Troost kon je van geen levende noch van een dode ziel verwachten. Grote aarden potten waren gevuld met oude suikerklontjes en graan dat een muffe geur had. Elke kamer had op zijn minst zes deuren die met zes verschillende sleutels moesten worden geopend en gesloten.

Ondanks de waanzin wilde ik in die droom niet in slaap vallen, omdat ik bij jou wilde zijn, jij die je nu op een van de andere eilanden van de archipel bevond. Als dat niet ging zou ik wachten tot jij bij mij zou komen. Daarom slikte ik pillen, pillen tegen de slaap. De dagen en nachten vlogen voorbij. Mijn voorraad pillen en water om ze mee in te slikken slonk. Ik hoopte, maar tegelijk voelde ik wanhoop: nooit zou er een ferry voor me komen, nooit zou er een ferry voor jou komen. En als we elkaar dan toch zouden vinden, zou onze ontmoeting maar kortstondig zijn, een oogwenk, niet langer.

Het was een heel eind tot de aanmeerkade en het was donker en alles was grijs, de lucht, de zee, de aarde, de wegen, de kamers. Op een dag belde mijn broer aan, dronken, met een nieuwe voorraad capsules, hun houdbaarheidsdatum lang overschreden. Hij zei dat ik me aanstelde en lachte me uit. Onze liefde bevuilde hij met een resem schunnige uitspraken. Ik bleef ernstig, zal er heel boos hebben uitgezien. Hij begreep niets van onze liefde, zei ik.

Later, op een van de kleinste eilanden, in een vertrek vol grillige schaduwen, zei je me dat je zwanger was. Ik wilde je vragen of het van mij was, maar realiseerde me dan dat we al weken niet meer gevrijd hadden en zei niets. Ik wist meteen dat het van een andere man was. Toch nam ik het je niet kwalijk, omdat ik zo blij was dat we even samen waren. Ik vond je buik zo mooi, mooier nog dan in de dagen van onze warmste liefde. Wat was ik triest! Meest van al nog omdat ik wist dat we maar een poos samen zouden zijn en elkaar nu ook weer niet zouden omhelzen. Moest ik ook niet vechten tegen de slaap en waren de antislaappillen niet op? En was mijn broer niet aan het grinniken en ons in ons gezicht aan het uitlachen? En moesten we ons niet haasten vanwege het nakende vertrek van de ferry? En verbood mijn moeder me niet ten strengste om ook maar één woord met jou te wisselen?

De kamers waarin we elkaar zo vluchtig zagen veranderden gedurig van vorm. Soms waren ze opgetrokken uit bamboe, soms uit drijfhout, soms uit beton. Nooit waren ze weelderig, nooit licht en luchtig. Meermaals werd ik midden in een scène - want hoe kan ik deze situaties anders noemen? – wakker, altijd als een romantische, sentimentele vrouw met tranen in de ogen, moeizaam ademhalend. Vreemd was dat ik toch meteen weer wilde slapen, om verder te kunnen dromen, hoe triest het ook allemaal was. Alleen maar, denk ik, omdat ik dan af en toe toch bij je was. Onze toestand, zoals ik hem beleefde, was ondraaglijk, die wirwar van moeilijk bereikbare eilanden - in het azuur in het wilde weg gespatte donkerbruine verfvlekken, drip drip drip - en hoe jij daar en ik hier was, en dat er dan plotseling op een landkaart toch autosnelwegen zichtbaar werden die de eilanden met elkaar verbonden. Op luchtfoto’s kon je ze duidelijk ontwaren. Lange bruggen, een beetje zoals de Seven Miles Bridge in Florida of de Rio–Niterói Brug in Brazilië. Maar geen van die bruggen bracht ons weer bij elkaar. De pillen die mij geholpen hadden om wakker te blijven en, vooral, om de hoop niet op te geven, waren op. Van de toekomst viel niets meer te verwachten, geen geluk, geen ongeluk, geen pijn, geen verdriet, niets. Er viel niets meer te verwachten in deze archipel van het verdriet.

oude barreel3.jpg

28-01-14

MADAME BOVARY IN DE CAMARGUE

2012_09_ALGARVEpanasonic 080.JPG

Laten we een korte reis maken naar Les Saintes-Maries-de-la-Mer in de Camargue. In dat stadje bevindt zich de Zwarte Madonna, die Sara wordt genoemd. Het is een belangrijke bedevaartplaats voor zigeuners. Bob Dylan ontmoette er een zigeunerkoning, of zo leert ons toch de legende. Inderdaad, Bob Dylan bestaat niet echt: hij is een legendarische figuur, een mythische held. Uit een andere legende leren we dat hij er enkele maanden in een tent leefde samen met zijn vrouw Sara en hun kinderen, waaronder Jesse en Jakob. Voor de song & dance man was het een vruchtbare tijd.

Op het uitgestrekte grondgebied van Les Saintes-Maries-de-la-Mer, woont Emma Bovary met haar oudere echtgenoot in een riante villa. Zover het oog reikt niets dan moerassen en in de verte de Middellandse Zee. Madame Bovary leidt een eenzaam bestaan: vanwege zijn doktersberoep is haar echtgenoot vaak uithuizig. Haar enige gezelschap zijn dan haar zes witte paarden. Vaak, als ze een rit maakt om de flamingo’s te gaan begroeten, of gewoon maar voor het plezier, waant ze zich een edele vrouw uit de Middeleeuwen: Madame Bovary heeft veel historische romans gelezen.

Op een zomerdag komt de jonge reiziger Mathieu F. in het stadje aan. Op het terras van een café ontwaart hij Madame Bovary en wordt meteen smoorverliefd. Zij echter lijkt hem niet eens op te merken. Mathieu F. verneemt dat Emma Bovary niet alleen paardrijdt maar ook veel tijd doorbrengt op het strand. Het is daar, gezeten onder een parasol, dat ze haar romans verslindt. Mathieu F., hoewel een reiziger in hart en ziel, kan niet weg uit de streek: de vrouw, van een uitzonderlijke schoonheid, rode haren, vurige ogen, lange benen en sierlijk in al haar bewegingen, heeft hem betoverd. Hij moet en zal in haar buurt blijven.

Hoewel hij niet van het leven op het strand houdt brengt hij daar nu elke dag ettelijke uren door. Mathieu heeft het gevoel dat hij en Madame Bovary elkaar al eerder hebben gekend, misschien wel in een vorig leven. Later pas ontdekt hij dat ze sterk gelijkt op zijn jeugdliefde, toevallig een Sarah, die hij hartstochtelijk liefhad maar helaas in een kaartspel – tijdens een dronken nacht - verloor aan een andere man. Hij weet echter dat het niet het spel was dat hen heeft gescheiden, maar het noodlot.

Nu hij in Madame Bovary’s nabijheid vertoeft, heeft hij nog maar één wens: haar liefde te winnen en voor altijd zijn leven met haar te delen. Haar te beminnen zoals geen enkele andere sterveling dat kan. Wat kan hij doen opdat die wens, zelfs maar gedeeltelijk, in vervulling zou gaan?

Soms zit hij met zijn nieuwe vrienden kaart te spelen in een van de bars in het van hitte zinderende stadje. Zijn hoofd is echter elders, zelfs als hij nuchter is. Zo verliest hij een groot deel van zijn geld en zal hij al gauw zijn hotelkamer niet meer kunnen betalen.

Emma Bovary is niet zo wereldvreemd dat ze Mathieu nog niet heeft opgemerkt. Op straat wordt er over hem en over zijn smachtende liefde gepraat en velen vinden hem een sentimentele dwaas. De zigeuners hebben al enkele liedjes over zijn onbeantwoorde, tragische liefde geschreven.  Een van die liederen zal Bob Dylan inspireren voor zijn ballade ‘Sara’, terug te vinden op zijn meest liefdevolle, zijn enige van werkelijk mededogen getuigende elpee, ‘Desire’. Wel wat vreemd dat hij de song ‘Sara’ heeft genoemd en niet ‘Emma’, maar ongewoon is het nu ook weer niet.

Als Mathieu’s laatste avond in Les Saintes-Maries-de-la-Mer aanbreekt komt Madame Bovary hem opzoeken. Ze drinken champagne in de lobby van zijn hotel en vertellen elkaar over hun leven van eenzaamheid en verlangen. Emma’s begeerte, om niet te zeggen haar lustgevoelens, wint het al gauw van haar schuchtere gereserveerdheid. Ze valt voor de charmes van Mathieu, die in haar ogen iets heeft van de desperado’s waar ze al zoveel over heeft gelezen. Het verhaal van die nacht wordt bezongen door Gram Parsons en Emmylou Harris in We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning’. Het is best mogelijk dat Parsons het verhaal heeft opgevangen toen hij in de villa van Keith Richards in Villefranche-sur-Mer verbleef, waar the Rolling Stones ‘Exile On Main Street’ opnamen.

Als Mathieu ontwaakt smeulen de assen nog na in de open haard, maar Emma Bovary is weg. In een korte brief schrijft ze, niet zonder passie, dat ze haar man niet aan zijn lot kan overlaten, dat hij haar meer nodig heeft dan Mathieu; Mathieu is nog jong, haar man is oud, maar dat ze hem, Mathieu, nooit zal vergeten, dat ze altijd van hem zal blijven houden. Maar nee, ze kan hem niet vergezellen naar het vreemde land dat zijn bestemming is. Ze moet in Les-Saintes-Maries blijven, bij haar man, haar zes witte paarden, de flamingo’s en bij Sara, de Zwarte Madonna.

...

Foto: Martin Pulaski, Santa Luzia, 18 september 2012.

08-01-14

ALLE LUST WIL EEUWIGHEID: LARS VON TRIER EN JIMI HENDRIX

nymphomaniac-appetizer-chapter-5_-the-little-organ-school.jpg

Eergisteren zag ik eerst, in de bioscoop, deel 1 van ‘Nymphomaniac’ van Lars von Trier en daarna, op  televisie, de documentaire ‘Hear My Train’ (2013) over Jimi Hendrix. Beide films gaan over verlangen, lust, seks, eenzaamheid en muziek. Dat moest ik toch wel even laten bezinken. Een halve nacht met Jonathan Littell’s* ‘Triptych’, een meesterlijk boekje over Francis Bacon, heeft voor wat afleiding gezorgd, hoewel zeker lust, seks en eenzaamheid ook bijna altijd aanwezig zijn in Bacon’s werk.

‘Nymphomaniac’ is een soort van voorlichtingsfilm, in hoge mate educatief. Althans: ik heb er veel van opgestoken. Onder meer, maar niet alleen, over muziek. Over natuurkunde, fauna en flora. Over Edgar Allan Poe, zijn ‘The Fall Of The House Of Usher’, alcoholisme, delirum tremens. Over vliegvissen (en het gedrag van de vis in het algemeen). Over getallenmystiek en wiskunde. Over jaloezie. Over het eten van taartjes met of zonder vork en het belang hiervan in de klassenstrijd. Over verslavingen. Over verdriet. Over doodgaan.

De Middeleeuwse polyfonisten introduceerden de hoge en lage contratenor, een tweede en derde stem, naast de bestaande melodielijn van de gregoriaanse tenor, de cantus firmus. Vaak zingen de contratenoren in de eigen taal, terwijl de cantus firmus in het Latijn zingt.

In ‘Nymphomaniac’ legt Seligman (Stellan Skarsgård) dit compositorisch principe -  zoals Bach het heeft toegepast in zijn Orgelbüchlein  - uit aan Joe (Charlotte Gainsbourg), die er op haar beurt drie voorbeelden van vindt in haar drukke seksleven. Terwijl in het katholicisme en in de meeste andere religies het seksuele en het lichamelijke meestal als zondig en vuil worden beschouwd, ziet von Trier het lichaam en de verstrengelingen en penetraties net als sacraal en muzikaal. Bestaat er voor de mens iets mooiers, iets intensers, iets verheveners dan erotische gebaren en handelingen? Ach voor vissers is het misschien weer helemaal anders. Je mag nooit absoluut zijn, en dat is von Trier ook niet. Humor, relativeringsvermogen, ironie zijn zeer geschikte middelen om de metafysica van ballast te ontdoen.

Op het orgel zie je de stemmen van de voet en de twee handen, als gaat het om these, antithese en synthese in de Hegeliaanse dialectiek. De derde stem, fluisterend, geheimzinnig, de stem van de liefde. Cunnilingus en fellatio, penetratie, kussen (of klopt die volgorde niet?)

jimi-hendrix_2.jpg

De Jimi Hendrix-documentaire zag ik daarna geheel toevallig. ‘Nymphomaniac’ had veel indruk op me gemaakt. Weer thuis wist ik niet goed wat te doen. Lenin lezen leek me geen goed idee. Even kijken dan maar wat ik de voorbije maanden van televisie heb opgenomen, iets over muziek misschien? Voilà, daar heb je hem al: man van gitaren en alle vrouwen van de regenboog.

Klankingenieur en producer Eddie Kramer, die nagenoeg alle materiaal van Jimi Hendrix geremasterd heeft, komt in ‘Hear My Train’ uitgebreid aan het woord. Zo laat hij ook de gitaarpartijen uit ‘Little Wing’ horen, een kleine parel op ‘Axis: Bold As Love’; het zijn drie lijnen, of drie stemmen, afkomstig van drie afzonderlijk opgenomen gitaarpartijen, de eerste zuiver, de tweede lichtjes vervormd, de derde met veel effecten. Die worden dan samengevoegd en zo krijg je dat muzikale hoogtepunt. Geheim ontsluierd? Toch niet. Want bij Jimi weet je niet welke klank de liefde heeft. Of liever: het is allemaal liefde, cunnilingus, fellatio, penetratie, excuse me while I kiss the sky. Een immens maar veel te kort orgasme.

film, muziek, erotiek, seks, lust, verlangen, eezaamheid, orgasme, filosofie, religie, ethica, dialectiek, lars von trier, jimi hendrix, eddie kramer, bach, orgelbüchlein, wiskunde, theorie

...

*Bij de genitief gebruik ik veel liever de apostrof dan aaneen te schrijven.

 

04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

25-08-13

VERZINSELS OMTRENT VERONICA

La double vie de Véronique (1991).jpg

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn aanbid ik nog liefst een denkbeeld, een verzinsel. Laat het maar beginnen met een verrukkelijke sopraan die niet echt bestaat. Alleen al de tong die trilt in haar open mond wijst op de onwezenlijkheid van haar wezen.

Als zij zingt, verwijder ik me van een donker meer waar weduwen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik enigszins gelaten, wat mij achteraf verbaast, over de hoge toppen van een pijnboomwoud, ergens in Centraal-Europa. Slavonië? Ik ben niet zeker.

Dat aanbidden van verzinsels en zinnebeelden – en het verzinnen en verzinnebeelden van de aanbidding - gebeurt meestal in het donker. Zonder omzien, genadeloos haast, stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst. Wat klinkt hun polyfonie opeens koortsachtig, vermetel!

Misschien leeft zij in een droom die telkens terugkeert, een beetje zoals die van Adolfo Bioy Casares? Een droom gedroomd door haar langdurig evenbeeld. Ik bedoel dat het evenbeeld langer duurt dan zijzelf. Hoewel je natuurlijk vaak zelfs niet weet wie de ‘echte’ is en wie de ‘dubbelganger’.

Van het donkere meer ben ik naar een rivier gelopen. Het is - tegen heel wat verwachtingen in - volop lente geworden. In het klaterende water was ik de slaap uit mijn meestal verbaasde ogen. Aan een baadster, die wat op Veronica lijkt, vraag ik over het woud. Nee, zegt de vrouw, in Slavonië is er geen pijnboomwoud. Ik had het moeten weten, zeg ik: ooit stond ik in Osijek op een nagenoeg verlaten landweg te liften, zonder resultaat, waarna ik me genoodzaakt zag mijn laatste geld uit te geven aan een treinkaartje naar Boedapest. Arme man, zegt ze. Helemaal niet zeg ik, ik was zelden gelukkiger.

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn, duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars en oppervlakkigs binnen handbereik, zoveel zenuwslopende beelden, zoveel voedingsstof voor de verbeelding.

...
Foto: La double vie de Véronique (1991)
, van Krzystof Kieslowski, met Irène Jacob.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

31-05-13

CONFIDENCE TO KILL

valeria-bruni-tedeschi4.jpg

Valeria Bruni Tedeschi

Lange zenuwslopende omzwervingen in een labyrint van onderaardse gangen, tunnels.  Het lijkt op een bijzonder ingewikkeld metrosysteem dat soms ook aan catacomben doet denken. De stad boven de grond, die immens moet zijn, heet Tir-Le-Mont. Ik loop in het voetspoor van Valeria, een mooie, fascinerende vrouw. Ze is aan het werk, een administratieve missie, waarbij ze een zware last moet dragen en op diverse plekken pakjes afleveren. Ze mag haar opdracht geen moment uit het oog verliezen. Ik zou haar elk moment in mijn armen kunnen nemen, omhelzen, kussen, maar haar obsessie voor haar opdracht irriteert me mateloos. Wanneer schenkt ze eindelijk eens wat aandacht aan mij, ik loop toch al uren achter haar aan? Zeven uren, als ik goed geteld heb. Af en toe hoor ik op de achtergrond een gids in gebroken Engels bezoekers op vervallen altaren wijzen, waar de heilige Agata, de heilige Lucìa en de heilige Paulus hebben gebeden of gepredikt.


Valeria maakt me een verwijt over een zwaar gewicht dat ze torsen moet. Het is niet duidelijk wat het is, een bronzen borstbeeld vermoed ik. Waarom help ik haar niet even? Zie ik dan niet hoe ze gebukt gaat onder haar last? Denk ik alleen maar aan mezelf? Ik besef dat ik inderdaad voornamelijk aan plezier denk. Plezier met deze mooie, lastige vrouw (die nooit van plezier of genot lijkt te hebben gehoord). Ik wil graag met haar gaan eten - verderop in de stad is er feest, met culinaire hapjes - en drinken en dansen, en dingen doen die ik me nauwelijks durf voorstellen. Stel je voor dat ik er haar iets over zou zeggen, hoe boos zou ze dan wel niet zijn. Zou ze mij dan niet helemaal als een egoïst zien en voor goed wegsturen? Ik besluit haar te helpen met het dragen van dat zware voorwerp.

We overnachten in een luxueus hotel, ergens boven de grond. Er gebeurt helemaal niets tussen ons in Tir-Le-Mont. Ik wil alleen maar slapen in het heerlijke bed in de elegante kamer die, hoewel groot, als een cocon is. Maar ik lig wakker. Rudolf Ebenezer, de eigenaar van het hotel, lijkt er ’s morgens van overtuigd dat ik een verkwikkende nachtrust heb gehad. Ik weet niet goed wat te zeggen, wil niet liegen, maar wil hem ook niet teleurstellen. Ik zeg dat ik nauwelijks een oog heb dichtgedaan, dat zijn hotelkamer daar echter voor niets tussen zit. Het zijn de gedachten in mijn hoofd, die mij maar niet met rust willen laten, zeg ik. Hij begrijpt het, zegt hij, en hij heeft er ook een verklaring en misschien zelfs een remedie voor. Maar dan zwijgt hij en ik kom helemaal niets te weten. We moeten weer vertrekken, voor het vervolg van de mysterieuze administratieve opdracht in het ondergrondse gangensysteem.

Nog steeds irriteert Valeria mij, die nochtans met de minuut aantrekkelijker, sensueler wordt. Wat bezielt haar toch? Beseft ze dan niet hoe ik naar haar verlang?  Wellicht niet. Weer eindeloze tochten door de soms donkere, soms helderverlichte gangen. Weer talloze bezoekers die allemaal op elkaar lijken, weer gidsen die heiligenlevens uit de doeken doen en verkleurde ikonen belichten met hun te zwakke zaklantaarns.

Op een kruispunt, daar waar veel gangen uitgeven op een centrale plek, hoor ik ‘Confidence To Kill’ van Mink DeVille weerklinken. Het lijkt of de muziek ergens diep binnen in mij ontstaat, in mijn hart, in mijn schuldige ziel. De venijnige muziek zwelt aan, overweldigt me, vervult me met hartstocht en zelfvertrouwen. Ik voel me buitengewoon sterk worden. Uit de lichte en de donkere gangen komen mannen op me toegestapt, de meesten in leder gehuld, macho’s, een beetje in de stijl van ‘The Wanderers’. Ze zijn extreem gevaarlijk. Maar ik heb confidence to kill. Een voor een sla ik ze tegen de grond. Niet een van hen kan zijn lot ontlopen. Mijn geweld lijkt op een wervelwind. Mijn lichaam is lenig en licht, mijn spieren sterker dan die van een Muhammad Ali. Het duurt niet eens een minuut eer ik de macho’s stuk voor stuk gevloerd heb. Of ze dood zijn weet ik niet, maar ik vermoed het. En opeens, terwijl ik nog altijd dat lied in mijn diepste wezen hoor, word ik overmeesterd door een mengeling van mateloze gelukzaligheid en schrijnend verdriet. Nu weet ik hoe oneindig veel ik van je houd, zeg ik. Nu pas weet ik het. Weet je het nu ook?

30-04-13

WILDE DAGEN

4-29-2013_066.JPG

Martin Pulaski, Antwerpen, 1980.

Alles stroomt in mij en alles bruist. Elke nacht neem ik een duik in mijn eigen rivier, de rivier die ik ben, de rivier die mijn leven is, mijn verleden. Beelden dringen mijn slaperig maar wakker hoofd binnen, beelden en woorden. Woorden die uiteenvallen in letters, in klanken. Geschreeuw, gefluister, gemurmel, sensuele stemmen, het bars getier van wat veel mensen Barbaren noemen maar geen Barbaren zijn. Mijn verleden dringt zich als een immense chaos aan me op. Heb ik er binnenkort weer vat op? Kan ik het geweld van de taal in mij, en van het onzegbare in mij nog aan banden leggen, er vorm aan geven, er een mooi en integer geschenk voor jou van maken? Vooralsnog niet. Vooralsnog moet ik de chaos die ik ben aanvaarden, in de chaos vertoeven. Maar op een dag, niet te ver weg, moet ik zeggen dat het genoeg is geweest. Tijd om weer aan de slag te gaan. Het verlangen naar een zin ombuigen in werk. Want al deze dingen gebeuren in mij op weg naar een werk dat noodzakelijk is.

 

11-04-13

LIVORNO

NU zou ik met jou naar Livorno kunnen vliegen.
Of  in mei, juni, juli. Voor een uur of twee, drie.
Elk jaar opnieuw Livorno, tussen lente en winter.

We liggen daar bloedend in het tragische hotel.
Zinderend rood en open, elkaar tergend met lust.
Woedend, waanzinnig van bezeten liefde, Livorno.

De lakens daar klam van schaamte, goedgelovig.
Een gevecht van engelen en heidense goden
Tussen hun wit en het karmijn dat wij daar storten.

Zacht je huid daar als veren van een lentezwaluw
De haartjes, honderd, duizend, nee - hoeveel?
Je lippen scharlaken, naar ver weg vertrokken.

Tussen onze tenen zand van wanhoop en het vuur
van twijfel die blijft zwijgen, zwijgen, zwijgen.
Is dat de prijs van de kamer, daar op de muur?

Geef mij nog maar een glas bier, mijn liefste.
Geef mij een lied van vroeger, een lied van thuis -
Waar wij in deze barre dagen schaduwleven.

11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

01-08-12

GESCHAAFDE KNIE (reflecties iv)

mythologie,muze,vrouw,jurk,reflectie,kleuren,noorden,rendieren,metamorfose,liefde,verlangen,fotografie,schilderen,knie,rohmer

Cindy Sherman

Wie niet te gehaast voorbijliep ving een glimp op van de muze in haar zijden jurk. Een o zo verfijnd niemendalletje dat ik graag in mijn hand had genomen, want ik denk dat dat ging. De kleuren sloegen alvast die richting in: die van het kleine vurige vuurwerk van weer een zonsondergang (wie zei ooit dat die groots was), van speeksel dat uit elkaar spat in haar laatste lage stralen, van gedoogde handtastelijkheden.

Die zag tevens hoe ze haar knie waste in een witte porseleinen kom, haar alweer geschaafde knie. Haar knie die tot bidden noopt ook al keren de goden zich van ons af, al slapen ze en dromen ze van andere werelden, andere dieren, al zeggen ze zonder dat wij het horen, een muze bestaat niet, een muze is ook maar een dier, met oogjes en pootjes en een hart dat sneller gaat kloppen als de zon schijnt.

Ik droomde van haar, van de muze. Ze was een rendier in het hoge Noorden. We liepen over witte velden, stoom gul uit onze monden spuwend, zij ver voor me uit, ik achter haar aan met mijn camera. Ze was bang voor me, voor onthulling, ik was bang voor wat zou komen, of wat niet zou komen, ik voelde haar hart kloppen, mijn hart kloppen. In haar keel, haar kleine keel, in mijn keel. Ik staakte de achtervolging, ik hield op met rennen. De sneeuwvlokken spatten uiteen in de laatste zonnestralen. Ik werd het rendier, ik rende weg van haar die mij achtervolgde. Ik rende tot ik aan het einde van de wereld kwam. Daar greep ze me bij de hals en liet me niet meer los. Daar beet ze mij mijn oor af. Nu ben je mijn Van Gogh, zei ze. Schilder mij nu maar, een vlucht kraaien boven een gouden veld.

07-01-12

OPEN DE DEUREN

 

fernand_khnopff_-_i_lock_my_door_upon_myself.jpg

Fernad Khnopff -  J'ai fermé la porte sur moi-même. 

Dagen van niets of bijna niets wegen toch zwaar en belasten vooral het gemoed. Als je te lang in stilte zit te denken hoor je in je hoofd alleen nog maar lawaai. Er bestaat geen zachte achtergrondmuziek meer. Als je niet aandachtig luistert is het lawaai. Films worden niet uitgekeken, kleine meesterwerken noch klassiekers. Zelfs geen Pulp Fiction. Overmand door slaap, een broertje waar je altijd zo bang voor was en dat je zoveel mogelijk uit de weg ging. Zelfs een lichte handdruk gunde je hem niet.

I’ve closed my books, I read no more. Een regel uit een gedicht van James Joyce. Ook zijn zo volstrekt open eindigend boek is gesloten. Stress, zeggen kennissen, buren, dokters. Stress. Als je dat woord zo ziet staan word je een beetje misselijk. Niets is dommer dan stress, het woord en de toestand die het aanduidt. Of niet soms?

De donkerste dagen doen je verlangen naar witte zeilen, zoals je je die voorstelde toen je als kleine jongen avonturenromans las. De geur van schepen, van de zoute oceaan. Naar de blik in de ogen van een matroos. Naar een lied dat zachter is dan water, en even hard en genadeloos. Zou het er een van the Velvet Underground kunnen zijn? Pale Blue Eyes, bijvoorbeeld. Ze doen je verlangen naar een engel, gevallen en weer opgestaan. De engel is een vrouw die als een pre-rafaëlitische schoonheid door groene velden zweeft. Vlinders zijn er niet, alleen zucht de wind wat om haar dunne zijden jurk. Daffodils, denk je. Is dat niet het woord dat stress kan uitwissen? Of entelechie? Entelecheia. Zoals een duif een duivel. Je gelooft echter niet in magie, witte noch zwarte. Black Magic Woman is een lied, meer niet. Maar de woorden dan? Ja, de woorden. De miljarden woorden die als zandkorrels zijn, onuitgesproken, ongeteld. En zijn de boeken van zand niet de mooiste? De boeken die je niet openslaat, die je met donkere ogen en blootsvoets leest. Hun myriaden betekenissen zitten voor enkele uren tussen je tenen. Daarna spoel je ze weg. Ruimte voor het nieuwe. Altijd het nieuwe: zoals ongeziene sterren, en de maan en het vuur.

10-10-11

HET GEWICHT VAN DE DAGEN

indiana-robert-love-.jpg

Veel soortgenoten lopen gebukt onder het gewicht van de dagen. Sommigen lijken geen last te hebben van de dagelijkse sleur van hun arbeid, ze lijken energie in overvloed te hebben.Ik heb er zelf zo gekend op het werk. Misschien zien zij niet dat er naast het werk het 'echte' leven is. Ik begrijp dat iemand zijn werk graag kan doen, maar ook dat het je uitput en je vaak belet je 'echte' leven te leven. Je 'echte' leven is geen hersenschim, maar is alles wat je graag doet, alles waar je naar verlangt. 

Als ik aan die grote vermoeidheid denk, waar zovelen in dreigen te verzinken, schaam ik me voor mijn zelfbeklag. Hoe kan ik soms zo blind zijn voor de zorgen van anderen, hoe kan ik zo opgesloten zitten in mijn begeerte, in mijn verlangen? Misschien werd ik als kind, als jongeman te zeer verwend, misschien kreeg ik te veel aandacht en te veel liefde en is er daardoor gewenning opgetreden, waardoor ik niet meer zonder grote hoeveelheden kan. Ja, ik geloof dat mijn honger te groot is, mijn zelf-honger, daar komt het wellicht op neer.  

Zal ik nog kunnen veranderen? Ik blijf me aan het onmogelijke vastklampen, als ik dat niet zou doen, zou ik niet graag meer leven, denk ik. Ik moet sterk zijn, oefenen. Echt zwak voel ik me niet, alleen ergert het mij dat ik sommige dingen niet aankan, dat mijn lichaam zo veranderd is sinds 25 mei, dat mijn geheugen niet meer even goed werkt.

Veel te vaak voel ik me eenzaam.En als ik me eenzaam voel, komt dat door de gewenning waar ik het hierboven over had. Ik ben eenzaam als ik mij schitterende dagen herinner, alleen doorgebracht, of met een vriend of een geliefde. Ik kan heel goed alleen zijn, als ik maar weet dat er ergens iemand is die misschien met tederheid aan me denkt. Als ik weet dat er ergens iemand is die om me geeft. 

Ik ben ongeduldig. Ik wil nu al sterk zijn. Ik wil kunnen dansen, reizen, mijn 'echte' leven leiden (zelfs ik doe dat niet, ook al werk ik niet). Schrijven wil ik, lezen, luisteren, spreken, mezelf geven, mezelf verliezen, je in mijn armen houden, je de adem benemen. Zo sterk zijn dat ik me niet meer voor mijn zwakte hoef te schamen.