04-06-16

ZERO DE CONDUITE: MONEY IS KING

money.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in het universum. Stem af op 106.7 FM.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

radio,zéro de conduite,radio centraal,antwerpen,juni 2016,muziekgeschiedenis,money,geld,money is king,kapitalisme,country,soul,rock,blues,punk,pop,popcultuur,verhalen,bouwwerk,perfectie,perfectionisme,obsessie


If a man have money and things going nice
Any woman will call him honey and spice
But if he can't buy a dress or a new pair of shoes
She will say she's got no uses for you
If you try to caress her, she will tell you "stop!"
"I can't carry love in the grocery shop"
So most of you will agree it's true
If you haven't money, dog is better than you

Money Is King - Neville Marcano (The Growling Tiger)

radio,zéro de conduite,radio centraal,antwerpen,juni 2016,muziekgeschiedenis,money,geld,money is king,kapitalisme,country,soul,rock,blues,punk,pop,popcultuur,verhalen,bouwwerk,perfectie,perfectionisme,obsessie

Begon het met de uitvinding van het geld de verkeerde kant op te gaan met de mens? Geld betekent voornamelijk ellende en toch draait heel ons leven er rond. Hoewel geld al lang geen feitelijke waarde meer heeft hebben we het met zijn allen nodig. Geld is abstract, zoals god: als je er niet in gelooft bestaat het niet meer. Maar zonder de nietigheid van het geld zijn we zelf niets en betekenen we niets.

Altijd al vermijd ik het gebruik van het woord muziekindustrie, maar daarom verdwijnt ze nog niet. De muziekindustrie is een feit. Wat sommigen de muziek van de duivel noemen is in werkelijkheid de muziek van het geld. Niet kunst, schoonheid of zelfs muziek is de essentie van de muziekindustrie, maar geld. Sommige vormen van volksmuziek onttrekken zich daar enigszins aan, bijvoorbeeld gospel, folk en authentieke punk. Tamla-Motown is een prototype van de muziekindustrie. De eerste hit die in de Hitsville U.S.A.-fabriek werd geproduceerd heette ‘Money (That’s What I Want)’. Berry Gordy, de oprichter van het label, schreef deze beginselverklaring samen met Janie Bradford. Het nummer werd in 1959 een hit voor Barrett Strong, die later samen met Norman Whitfield op zijn beurt hits zou schrijven voor onder meer the Temptations. ‘Money (That’s What I Want)’ is het begin van een helse, meeslepende sound, zelfs op straat kun je niet anders dan erop dansen. Als je een Motown-single op de radio hoort is het gedaan met ‘noli me tangere’. Je haast je meteen naar de dansvloer of, voor Berry Gordy nog beter, naar de platenwinkel. Het zal wel geen toeval zijn dat ‘Money (That’s What I Want)’ door zowel the Rolling Stones als the Beatles werd gecoverd. En door heel wat mindere goden, zoals the Sonics en the Flying Lizards. Evenmin is het een toeval dat we vandaag in Zéro de conduite kiezen voor ‘geld’. Twee uur lang verkopen we onze ziel aan de duivel. Of was die al van in het begin bezit van Satan?

De playlist is zoals altijd helemaal af. Maar voor een keer wil ik verrassend uit de hoek komen en houd hem daarom nog tot morgen of overmorgen achter de hand. Dat het startschot Barrett Strong’s ‘Money (That’s What I Want)' is kan ik wel al verklappen.

muhammad ali.jpg



In memoriam Merle Haggard, Guy Clark, Lonnie Mack en Mohammed Ali.

Veel luisterplezier.
Gillian Welch-Dave-Rawlings-Machine.jpeg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

[Nu met correcties]

28-02-16

VRIJE RADICALEN: ROBERT BRESSON, SAMUEL FULLER, MARGARETHE VON TROTTA

balthazar1.jpg
Vlucht ik weg in films of ga ik op zoek naar aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, naar verbeeldingswerelden die mijn ‘geestelijke’ woestijn vruchtbaarder zouden kunnen maken? Aan de groei van woestijnen valt evenwel niet te ontsnappen. Je brengt water naar de zee. De beelden die in je geheugen zitten opgeslagen, herinneringen, worden vervangen door die van filmkunstenaars als Robert Bresson, Samuel Fuller en Margarethe Von Trotta. Niet de verhalen blijven je bij (die vergeet je bijna meteen weer) maar de welsprekende beelden, en soms ook de associaties die ze oproepen, zoals de ogen van de ezel in Bressons ‘Au Hasard, Balthazar’ die van Jezus in ‘Het evangelie volgens Matteüs’ van Pasolini oproepen, en de verschijning van het meisje Marie, vertolkt door een betoverende Anne Wiazemsky, de verschijning in mijn leven van mijn jeugdvriendinnetje Henrietta. Zelden heb ik een fictief personage gezien dat meer indruk op me maakte. Twee personages eigenlijk: Balthazar de ezel en Marie het boerinnetje. Hoe is het mogelijk dat een film over niet veel meer dan een ezel zo mooi kan zijn, zo krachtig, ontroerend en ‘menselijk’ dat ik hem al na een eerste keer meteen een tweede keer wil zien?

shockcorridor12.jpg
Samuel Fullers ‘Shock Corridor’ is zowat het tegenovergestelde van een verhaal over een ezel. Bij hem ook de kracht van beelden, van licht en donker, al is zijn donker veel zwarter dan dat van Robert Bresson*. Fuller brengt het slagveld dat de Amerikaanse samenleving is in beeld. Een journalist die bereid is catatonisch te worden als hij maar de Pulitzerprijs wint; zijn geliefde, een prostituee, die in zijn verbeelding zijn zuster moet worden, om op die manier aan zijn incestverlangens tegemoet te komen; een blanke jongen uit het Zuiden, die in Korea verlokt wordt door het communisme maar zich daarna opnieuw ‘bekeert’ tot het kapitalisme en ten gevolge van die verwarring in een psychose terecht komt, waarin hij een Zuidelijke generaal is tijdens de Amerikaanse burgeroorlog; een psychotische zwarte man die denkt lid te zijn van de Ku Klux Klan en haatpropaganda tegen de zwarten verspreidt; een kernfysicus die zich gedraagt als een klein bang kind van zes; een bende nimfomanen die de ambitieuze journalist willen verslinden. Dwangbuizen, elektroshocks. En geen happy end.
bleierne-zeit1.jpg
Ook ‘Die bleierne Zeit’ van Margarethe von Trotta loopt niet goed af. Ook bij haar zijn de beelden belangrijker dan het verhaal. ‘Die bleierne Zeit’ vertelt een aantal episodes uit het leven van Gudrun Ensslin, nauwelijks gefictionaliseerd. Als ‘Balthazar’ ‘de idioot’ is, dan is dit ‘schuld en boete’. De film begint met een huiselijk tafereel, maar meteen daarop volgt de zelfmoord van Werner (in werkelijkheid Ensslins echtgenoot, Bernward Vesper, auteur van het verontrustende romanessay ‘Die Reise’). Vanaf dan zit je tot het einde, met de zelfmoord van Marianne Klein (in werkelijkheid Gudrun Ensslin) middenin de paranoia en de grauwheid van het Duitsland van midden de jaren zeventig en de terreur van de Rote Armee Fraktion. Die paranoia wordt niet op een hysterische manier getoond. Wat je ziet zijn sobere beelden. “De personages staan onbeschermd in een wereld die kaal is”, schreef Joyce Roodnat over ‘Die bleierne Zeit’. De terreur en de wraakroepende reactie daarop van de kleinburgerlijke Duitse politiek en media worden niet getoond. Je voelt die spanning in het dagelijks leven van Juliane Klein (vertolkt door een geweldige Jutta Lampe), de zus van Marianne, en zeker als de zusters elkaar ontmoeten in de streng bewaakte Stammheim-gevangenis.

Tijdens en na het zien van ‘Die bleierne Zeit’ zat ik te denken hoe moedig, sterk, waarachtig die twee vrouwen waren. In hun daden, in hun historisch bewustzijn, in hun woorden. Ongetwijfeld waren er veel meer zoals zij, ook mannen. Het werd me droef te moede dat er van al dat idealisme van die dagen – helaas soms verkeerd aangewend – zo weinig is overgebleven. Alleen al de kleinigheid dat de vrouwen het vanzelfsprekend vonden geen beha te dragen was in zekere zin revolutionair. Zeker bekeken met de ogen van iemand die in het heden leeft, tijd van de nieuwe preutsheid, de nieuwe zedigheid en de afschuw voor alles wat radicaal is.

Ja, films blijven ongetwijfeld aanvullingen van mijn kleine werkelijkheid, zoals mijn dromen correcties zijn van mijn dagen die ik abusievelijk kleurloos en vaak vervelend noem. Wat geschreven is,- ook door mij, die mezelf soms zo minacht, minderwaardig vind - is rijk, betekenisvol, zit vol lagen, verwijzingen, connotaties. Elk woord is een universum. Het komt erop aan het zien te schitteren in zijn tekstveld, in zijn tuin van tekens, veelkleurig of in de talloze nuances van zwart en wit en schuld en boete en verlossing.

GUDRUN ENSSLIN2.jpg

 

* Schitterend camerawerk van de Belgische cinematograaf Ghislain Clocquet

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

28-11-13

JASON ISBELL & AMANDA SHIRES

amandashires & jason isbell.jpg

Ik had al een tijdje het gevoel dat Americana dood was. Maar ik zal me vergist hebben. Gisteren zag ik de toekomst van Americana, en tegelijk veel meer dan dat – want zelfs al mocht Americana dood zijn, dan zou Jason Isbell nog altijd een van de beste songschrijvers van zijn generatie zijn. Dat bewees hij gisteren met zijn no-nonsense concert in de ongezellige Witloof Bar van de Botanique, waar de helft van het publiek tegen bakstenen zuilen moet opkijken. Isbells Texaanse vriendin (of echtgenote, mocht je dat liever horen) Amanda Shires speelde het mooie openingsconcertje, zichzelf begeleidend op ukulele en viool. In de metro naar huis las ik haar teksten: helemaal anders dan die van haar vriend, minder verhalend, maar erg goed geschreven. Het poëtische en prozaïsche vullen elkaar hier uitstekend aan. Dat hoor je ook in het felle gitaarspel van Jason Isbell en de lyrische viool van Amanda Shires. Ik ben voor altijd gewonnen.

 

amanda shires,jason isbell,americana,country,pop,folk,singer-songwriter,verhalen,poëzie

03-12-12

DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg
Hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

 
Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige grafzerk, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, zeggen de media - keert hij naar zijn woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met al die dronken matrozen aan boord die zo graag weer naar huis willen. Een pijnlijk bericht ligt op hem te wachten in de brievenbus. De inhoud ervan kennen we niet. We zien het verkrampte gezicht van de man. Je hebt het al gezien in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten bijna niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:


Van de eenzaamheid en de regen genieten.
In parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets van belang. Niets om over naar huis te schrijven.

Maar dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervangen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

Dit is een bewerking van een eerdere tekst, 'Quelle joie d'avoir...' 

~~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.

19-12-10

VERTEL ME SPROOKJES


Dit gedicht in prozavorm is grotendeels ontstaan uit de film Les regrets van Cédric Kahn, met Valeria Bruni Tedeschi en Yvan Attal.

1.

Het koude klimaat wordt een situatie waar we moeilijker mee kunnen omgaan dan ooit tevoren. We weten niet waarom we er minder tegen opgewassen zijn dan bijvoorbeeld twee of drie jaar geleden. Ooit is het kouder geweest; ik hoor mijn vader nog vertellen over lange, koude winters, de kanalen waren toegevroren en hij kon niet anders dan zich, als nauwelijks geletterd man, tot de kunst van het houtsnijden wenden. Tijd moest worden gedood als het zo koud was. Nu is het anders: wij snijden geen hout, wij doden geen tijd, en wij kunnen ons alleen aan elkaar verwarmen. Wat missen we in onze levens?

1958.jpg
Vader (rechts), 1958. Fotograaf onbekend.

 Ik kijk je in de ogen. Je huivert even en daarna huil je. Het is geen spelletje, je huichelt niet. Het is koud. Je bloedt in mijn kamer. Je bloedt mijn aders vol en je rood loopt nu door mijn ogen. Wat zullen de mensen straks denken? The walking wounded, opening their veins and bleeding in public. Je bloedt in mijn haren en je bloedt op de stoel. De bloedstoel. Ik sta verstomd, vergeet je bloed te drinken, word zienderogen ouder. Een vermolmde vampier.

catherine_the hunger.jpg

Cathérine Deneuve, The Hunger.

Tranen bestaan niet in een betoverde wereld. Beelden van tranen bestaan en - misschien klinkt dit vreemd – idioten die onze levens aan banden willen leggen. Beelden van beelden van ons gemis en van wat liefde heet en dood. Een wurger in een scène wurgt je niet, en een pyromaan steekt je huis niet in brand. We praten over films. Waarom? Omdat de werkelijkheid zich in die films aan ons voordoet, veel meer dan in onze eigen woorden, schijnen we te denken.

Maar wie neemt je blik weg? Er is geen beeld, geen metafoor voor je ogen, voor je uitzinnige tranen van geluk en verdriet. Voor iets tragisch dat niemand anders kent. Alleen enkele dichters en zangers, misschien. Je zegt geen gebenedijd woord. Ik probeer te raden wat je denkt, maar ik zit er ongetwijfeld naast, zoals ik naast je zit en dan één met je word. Dat is het mooie van waanzin, dat ze geen zin heeft en dat ze chaotisch noch gestructureerd is.

Je zegt dat je structuur nodig hebt en ik beaam. Maar onze zinnen ontregelen we, als ezels die een wedstrijd lopen, vooral die twee ezels met goud en zilver. Ja, zeg je. Ja, zeg ik. We praten door elkaar, omdat we elkaars woorden zijn. Heeft free jazz structuur nodig? Is het niet mooi als een orgasme stelselmatig wordt opgebouwd, als een vergelijking in de analytische meetkunde?  Is het niet subliem hoe je de weg aflegt naar dronkenschap, ook al zwerf je ernaartoe, zonder vooropgezet plan? Waar we zeker van zijn: alles keert terug, plan, structuur, chaos, orgasme, waanzin, zin, verrukking.

2.
Vertel me sprookjes. Vertel me over kinderen – ik weet niet wat kinderen zijn omdat ik als ik bij jou ben zelf een kind ben. Ik word dom en stekelig als je je even van me afwendt om iets in een mobiele telefoon te fluisteren of om wat bloed te gaan uitstorten in een vreemde cel. En dan zit ik me af te vragen wie je werkelijk bent, beantwoord ongestelde vragen, word stil, blijf gespannen zitten wachten tot het gefluister ophoudt en het bloeden is gestelpt.

Vertel me over je kleine dingen. Over het licht dat door je gordijnen dringt om je lichaam te belichten, hoe je met je borstel je haren in de war brengt, over het vuil in je auto dat schittert in de nacht, over de plannen die ik in je ogen zie ontstaan, over wat je me verzwijgt, vertel me de geheimen die je met me wilt delen (maar niet je geheime geheimen). Vertel me je hartgeklop en hoe je de nagels van je vingers en je tenen knipt, en waar. Vertel me je geheime naam. Vertel me waar je in je dromen woont en hoe slangen en schorpioenen je daar bedreigen en roodborstjes en koolmeesjes je met hun kleuren wakker maken en bevrijden van alle beklemming van de nacht.

salmahayek.jpg

Salma Hayek

Vertel me alles wat je me kunt vertellen. In mij verdwijnt niets van jou. Ik draag je hart in mij.

Je bent mijn hart, zoals ik het jouwe ben. In de koudste nachten en de hitte van midzomer. Zeg me hoe het moet met jou en mij en met de harde wereld waarin we leven. Zeg me iets over onze waanzin, over onze schoonheid, over onze tranen, zeg me waarom je zo moet lachen en waarom ik zo moet lachen. Zeg me waarom je je handen vol hebt aan mij en ze toch leeg lijken te blijven en blijven verlangen naar iemand in Mexico of nog verder weg, een ander ik, dat niet kan bestaan, nooit zal bestaan. Zeg me wat de wereld is voor jou en wie ik ben in jouw wereld. Vertel me over je kleur, je bomen, je vogels, je kogels, je liefdevol gewurg, hoe je op je paard reed, op je fiets, wie je vriendjes waren, en waar je van droomde toen je zes was en in bed wachtte op zoete slaap.

3.
Ik draag je hart naar een verre plek waar ogenschijnlijk niets bestaat. Ik breng je naar de rand van de tijd. Naar de rand van de afgrond. Waar liefde heerst als een slaaf. Waar alles in elkaar stort en weer wordt opgericht, als een stad, als een geslacht, als een als. Ik voer je mee in mijn zegewagen naar de rand van alles, waar niets de plak zwaait. Taal valt weg, ook die van jou en mij. Er is geen tussen meer. Geen verschil, geen huid, geen schil. 

02-03-10

EEN KORT VERHAAL OVER DE LIEFDE


munch sick child lithograph

Je ligt ongeveer vier uur per dag op je canapé. Niet uit luiheid, dat zou ook kunnen, maar nu is het om te herstellen van wat een ernstige ziekte wordt genoemd. Je moet nieuwe krachten opdoen, zodat je als de lente er aankomt weer je oude vertrouwde zelf bent. Alleen wil je niet oud zijn, en vertrouwen doe je je zelf evenmin, gewoonweg omdat je er niet vertrouwd mee bent, met dat veelarmige ‘zelf’. Schiet het als ongedierte in een vochtige lade niet meermaals alle kanten op? De vier windstreken, andere dimensies opzoekend… Het is een oude geschiedenis, die al zo vaak is verteld – het verhaal van de dubbelganger, de gespleten persoonlijkheid, het ambiguë, de schone en het beest, honderden voorbeelden. Het mooiste vind je nog altijd Edgar Allan Poe's ‘William Wilson’. Poe maakt het zeer duidelijk dat je voor je zelf, voor je dubbelganger op je hoede moet zijn. De kans is groot dat hij je op een donkere hoek in je eigen stad staat op te wachten, het mes klaar om toe te steken.

Je ligt daar dan en bedenkt verhalen. Of liever: je bedenkt het begin van verhalen. Realistische verhalen, romantische verhalen, postmoderne verhalen, surrealistische verhalen. Prachtig, denk je. Dit is het. Op de achtergrond klinkt iets van Bach, van the Low Anthem, van Charlotte Gainsbourg. Waar is dat verdomde notitieboekje? Niet binnen handbereik. En alleen maar een potlood met een gebroken loodstift, je kunt er alleen nog kruisjes mee vormen, of een zo goed als onleesbaar laatste testament. Niet dus. Het verhaal zal voor morgen zijn. Je draait je om, je gezicht zo diep mogelijk in de kussens, je rug naar het raam, je ogen afschermend voor het binnenvallende vroege lentelicht. Je wilt verdwijnen in de rugzijde van je canapé. Daar is het een mooie wereld, dat weet je, maar de toegang is moeilijk. Er zijn veel wachtenden voor je. Misschien staat de muziek van Glenn Gould te luid? Misschien heb je te weinig pillen geslikt? Teveel koffie gedronken? Waarom ben je zo onrustig? Je moet net heel rustig zijn om er binnen te kunnen. Om je zelf te ruilen voor de geheime formule die je toegang verschaft tot dat ‘verboden’rijk’.

Je bent herstellende. Je doet wat oefeningen. Armen strekken, bukken, de bijna dode planten water geven. Je kunt ademhalen. Je voelt onbekende krachten sluimeren in je lichaam. Je gaat eens op het verwaarloosde terras kijken. Een plant die je niet herkent vormt scheuten, felgroen in de late middagzon. Weer binnen kijk je naar de foto van Charlotte Gainsbourg op IRM. Overdrijft ze niet een beetje? Zo vaak haar sensuele foto afdrukken op de hoes van haar cd. Het is een mooie foto, maar gaat het niet om de muziek van Beck, om haar stem, om rock & roll? Nee, zegt ze, hier ben ik – ik leef en ik ben blij dat ik leef. Ik had er ook niet kunnen zijn. Charlotte Gainsbourg bevestigt wat ik ook wil bevestigen. Het leven, het verlangen naar ander leven, het plezier, in weerwil van droefheid, van ziekte, van gevaar. Heaven can wait. Charlotte’s zelf is nu even Beckachtig. Terwijl haar persona in I’m not there ongetwijfeld een geïdealiseerde Sara / Suze was. Een personage dat me betoverd heeft, vooral als je haar in het licht van Bob Dylans ‘I Want You’ ziet vrijen – pure lust.

Zo gaan je gedachten al of niet naar het verleden, een romantische pudding, het heden, een giftig spinnenweb, en de toekomst, een geslaagd verhaal, een gelukkige Michael Kohlhaas, een Gregor Samsa die niet van gedaante verandert, maar in de armen ontwaakt van zijn fictieve Felice, die uiteindelijk een vrouw van vlees en bloed blijkt te zijn. Je beseft dat je zelf een echt zelf is. Je kunt je niet achter alter ego’s verbergen. Je bent de mens die je – maar korte tijd – bent.  Als je liefhebt moet je liefhebben, jij bent de dader, als je haat moet je maar haten, het zij zo. Elke mens schijnt vijanden te hebben. Jij niet? Natuurlijk wel. Maar maak je gewoon geen zorgen. De liefde en de tijd schuiven die domme geschiedenissen allemaal aan de kant. Verhalen komen vanzelf. Om je heen ontstaan ze, in de levens van onbekenden, van vrienden, van kunstenaars, van geliefden, van degene om wie je leven draait als een cirkel rond de zon.

En hij zoekt zijn andere zij op, zijn ogen naar het licht van de zon. En hij luistert. Naar Bach, naar Charlotte Gainsbourg, naar I Want You. Naar zijn eigen stem. En als hij zijn oren spitst hoort hij de stem van zijn geliefde. Het gaat niet om het geluk, zegt ze. Het gaat om hoe we zijn. Het gaat om onze diepe verwantschap. Het gaat om iets waar we nog geen verhaal voor hebben, zegt ze. Het gaat om de intense warmte die we voelen als we elkaar omhelzen, zegt ze. Wat betekent dat vuur? Ik weet het niet, zeg ze. Laten we het vooral niet doven, zegt hij. Misschien moet de hele wereld branden zoals wij?

Afbeelding: Edvard Munch, Het zieke kind, litho.

 

01-09-09

GIN HOUSE BLUES


meisjes in archiduc2


Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds - mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d
 
Foto's: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

15-07-09

A LA RECHERCHE DE SOPHIE CALLE

katja stonewood,paleis voor schone kunsten,biografie,verhalen,originaliteit,authenticite,zomer,brussel,14 juli,autobiografie,sophie calle,verwondering,bewondering,parijs,new york,kunst,schrijven

Sophie Calle houdt van verhalen. Haar hele leven en haar kunstwerk, een echt werk, is een doorlopend verhaal. Elk detail van haar werk is een verhaal. Val haar niet lastig als je geen verhaal kent. Zij richtte bovenop de Eiffeltoren een slaapkamer in en iedereen die een verhaal van minstens vijf minuten in zijn of haar lijf had dat enigszins boeiend was, mocht net zo lang bij haar blijven. Als het vreselijk boeiend was mocht de uitverkorene zelfs zeven minuten blijven. Iemand die niets had te vertellen en alleen maar een nieuwsgierig kijkje wilde nemen mocht niet bij haar binnen in haar Eiffeltorenslaapkamer.


In New York liep ik haar net niet tegen het lijf, maar het had gekund, ik was op zoek naar een bed, en zij had een telefooncel (en een bed, ze had veel bedden, denk ik). 

Sophie Calle maakt 'gebruik' van een biechtstoel. Tot mijn dertiende was ik gelovig, katholiek, ging ik te  biechten en ontving ik uw bloed en uw lichaam in een stukje heel erg wit brood.

Nadien zat ik met mijn vriendjes landsschapsverdeling te spelen. Wij  dertienjarigen hadden om een of andere reden allemaal gevaarlijke messen op zak. Je moest op het kerkhof achter de kerk een stuk grond zien te bemachtigen in een vierkant van ongeveer twintig vierkante centimeter (ik ben geen goede landmeter).

Katja Stonewood heeft plaats genomen in de biechtstoel van Sophie Calle en nadien, buiten in het zonovergoten Warandepark, heeft ze gedaan alsof ze mij haar zonden opbiechtte, maar niet echt. Het was alsof. Van Sophie Calle's wereld kun je je afvragen of hij eveneens alsof is.

Sophie Calle is geobsedeerd door de dood, door kerkhoven, door begrafenisrituelen. Na de dood van haar moeder bracht ze sommige van haar juwelen en een foto (van haar moeder) naar de Noordpool. Sophie's moeder was er nooit naartoe kunnen gaan, maar nu zorgde de dochter ervoor dat dierbare bijna-relikwieën daar ceremonieel werden weggeborgen, als in een hokje op een moderne begrafenisplaats, maar dan wel helemaal tegenovergesteld aan dat soort instituties. Gehoopt wordt dat de kostbare diamant nooit wordt gevonden. Meteen werd ook duidelijk hoe weinig nog overblijft van die Noordpool. Hoe weinig nog overblijft van de toekomst van de aarde (of van mensen zoals Sophie Calle en jij en ik).

Ik heb Sophie Calle altijd een aantrekkelijke, mysterieuze vrouw gevonden. Ze mag honderd, tweehonderd worden, of ouder... 

Ik was eens in New York met vier vriendinnen, en daar hebben we met zijn vijven - voor het eerst vol verbazing en verwondering - staan kijken naar een agenda, naar foto’s in hotelkamers, naar spionage, naar ongehoorde dingen die een zekere Sophie Calle deed. Zo schandalig dat ik mij er niet meer kon van loskoppelen, als je dat zo mag noemen als het over psychische en estethische processen gaat.

Sophie Calle heeft me meer doen lachen dan om het even wie (met uitzondering van Jorge Luis Borges en the Marx Brothers).

Sophie Calle is een fictief personage van Paul Auster.

Later vraagt ze aan Auster om een echt personage te mogen worden en opdrachten uit te voeren. Auster schrikt terug voor de verstrekkende gevolgen van die vraag. Hij draagt haar niets op. Maar zou zij van New York een aangenamere stad kunnen maken? Sophie doet het. Je kunt het lezen in het ‘Gotham Handbook’.

De dochter van Paul Auster heet Sophie, maakt platen en speelt in (zijn) films.

Een van Sophie Calle’s mooiste verhalen vind ik haar relaas over haar treinreis van Moskou naar Vladivostok, met een zekere Anatoli. Acht koffers, waarvan zes met voedingswaren en vodka gevuld. Anatoli noemde haar, dank zij een mistverstand, Saphir.

Ik houd van Sophie Calle om deze en andere, toevallige redenen. Ik zou graag hebben dat zij me zou zeggen wat ik moet doen. Dat zij mijn meesteres zou worden, in zekere zin. Maar iemand die even fijngevoelig is als zij, mag ook mijn meesteres zijn. Ik kan niet tegen pijn en ik wil door niemand in de steek worden gelaten. Bovendien wil ik mezelf blijven en iedereen die ik liefheb blijven liefhebben.

sophie-calle
 
Afbeeldingen:
Katja Stonewood in de biechtstoel van Sophie Calle (foto: Martin Pulaski)
Sophie Calle, catalogus Centre Pompidou, M'as tu vue. (foto copyright Sophie Calle).

01-03-09

HOOGTEPUNT: EEN KIP DIE ACHTERSTEVOREN LOOPT


oconnor


"When I was six I had a chicken that walked backward and was in the Pathe News. I was in it too with the chicken. I was just there to assist the chicken but it was the high point in my life. Everything since has been anticlimax.”

Flannery O'Connor, schrijfster van 'Wise Blood' , The 'Violent Bear It Away' en twee uitstekende verhalenbundels, 'A Good Man Is Hard To Find' en 'Everything That Rises Must Converge'. John Huston maakte een onvergetelijke film van'Wise Blood'.



wiseblood

02-11-08

HET LEVEN EENVOUDIG

 

reizen,warm,portugal,eenvoudig,afscheid,verhalen,vliegtuigen,ellende,lezers,lissabon,bussen,zuiden,donovan,exotica,taag,tavira,treienen

Een korte nacht slapen of wakker liggen en ik zit weer in een vliegtuig naar Portugal. Alsof een mysterieuze macht me naar dat land lokt. Ik kan nog heel moeilijk ergens anders naartoe, Nashville, Chicago, Londen, Sri Lanka, Kenya, Ierland, Shangai – alles wat nu in de mode is lijkt me zelf ook aantrekkelijk. Als je maar weg bent uit je dagelijks bestaan, die verdomde ellende. Maar die en andere exotische oorden en geliefde steden kunnen mij niet meer bekoren. Het moet Portugal zijn, Porto, Lissabon, de Taag, en dieper naar het Zuiden, waar het warmer is en het leven eenvoudig.

Ik neem gaarne afscheid van mijn lezers omdat ik over veertien dagen een beetje een nieuwe mens zal zijn, met nieuwe verhalen. Dat weet ik, zelfs als ik de verhalen voorlopig misschien niet zal vertellen. Ik heb mijn tijd nodig. Maar altijd is er dat elegische gevoel: de dingen blijven, wij niet. Daarom moet ik mijn tijd ook weer niet te lang rekken. Ik heb wat tijd nodig, maar wachten tot het te laat is, nee! Op dit ogenblik hoor ik na jaren ‘Colours’ van Donovan, hoe mooi dat is, een juist moment om afscheid te nemen. “That’s the time I love the best.”

Tot zestien november.

17-10-08

WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

mes,slapen,verwarring,dyslexie,vertellen,werk,woorden,jezus,bob dylan,hoer,obsessie,koffie,rock and roll,verhalen,landschap,wakker,nachtmerrie,rug,stoel,behoefte,muur,leugens,rum,wapen,acteren,paul auster,heiligen,werkplek,kast,lunchpauze,metamorfose,shakespeare,jeroen bosch,james joyce,heilig,voorwerpen,tafereel,anna,jan arends,taalspel,finnegans wake,landschapsschilders,echolalie,eulalie,punaise,deerne,hubert selby jr,windstreken,lady macbeth,moeder gods

Jane Fonda in 'Klute'.

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds - van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I'm changing
Laughing behind their backs, I think they're strange
People running everywhere, running through my life
I couldn't give a care because they'll never see
All that I can see with my mind's eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

12-09-08

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


mb 1968


Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging - in plaats van filosofie te studeren - leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! 
moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Foto: copyright Martin Pulaski.

25-10-07

DE TECHNIEK VAN GUY CLARK

guy clark,townes van zandt,steve earle,techne,emmylou harris,muziek,country,instrumenten,tehcniek,pop,folk,texas,verhalen,kunst

Gisteravond zat ik nog een keer te luisteren naar ‘Better Days’ van Guy Clark, de singer-songwriter uit Texas die over enkele dagen 66 wordt en in ons land nog steeds even weinig bekend is als bij het verschijnen van ‘Old No. 1’, zijn verrassend debuut uit 1975.  Maar liefhebbers van americana noemen hem meestal in één adem met Townes Van Zandt en Steve Earle. Townes is inmiddels dood en een legende en Steve Earle berucht en (bijna) beroemd. Waarom vallen de liedjes van Guy Clark dan zo weinig in de smaak? In België houden maar weinig melomanen van countrymuziek; soms wordt over het genre zelfs met afgrijzen gesproken en geschreven. Waarschijnlijk te wijten aan de nasale stemmen, de realistische teksten - en in sommige gevallen aan de sentimentaliteit en de kitscherige kostuums.

Maar Guy Clark een typische countryzanger noemen zou verkeerd zijn. Zijn stijl leunt meer aan bij folk; zijn songs zijn verhalen, soms gedichten. Sentimentaliteit is hem vreemd. Hij heeft het over zeilboten, tomaten, de mandoline van Picasso, spullen die werken (“stuff you don’t hang on the wall”), gitaarsnaren, de Texaanse keuken, whisky, de laatste revolverhelden, instantkoffie, daklozen, hotelkamers, timmerlieden, enz. Je hoort op zijn platen veel plezier en bezieling, zowel in zijn warme stem als in het verfijnde spel van de muzikanten die hem begeleiden. Voor hen is het een eer erbij te mogen zijn. Je voelt aan dat ze houden van zijn levensechte songs, van zijn warme persoonlijkheid. Jammer toch dat niet wat meer muziekliefhebbers Guy Clark’s parels uit het duister tevoorschijn halen. Bij ons wordt het zelfs moeilijk om nog platen van de man te vinden. Maar de liedjesschrijver uit Texas volhardt. Zijn liefde voor het vak is groot. Ja, net als een timmerman of een meubelmaker is hij een vakman, wat hetzelfde is als een kunstenaar, zeker als je kunst als τέχνη (techné) beschouwt, wat de oude Grieken deden. Toch wordt techniek vaak als het tegenovergestelde van kunst beschouwd. Kunstenaars mogen in dat geval geen vuile handen hebben, zangers geen rauwe stem, gitaristen geen bloedende vingers. Op de hoezen van Guy Clark’s platen zie je wel eens mooie afbeeldingen van instrumenten, zelfs van schaafsel. Dat is geen toeval: de liedjesschrijver is ook ‘luthier’, hij herstelt en maakt gitaren. Is dat de reden waarom in de opnamestudio zoveel zorg wordt besteed aan de klank van gitaren, violen, mandolines, en andere snaarinstrumenten? Voor de ‘crafstman’ naar de studio trekt schaaft hij lang aan zijn teksten, dat hoor je al bij een eerste beluistering. Toch is het eindresultaat niet klinisch, niet ‘perfect'. De songs zijn ruwe diamanten, om de titel van een elpee van John Prine aan te halen.

Ja, en gisteravond kreeg ik nog een keer tranen in de ogen bij ‘Randall Knife’, het lied dat Guy Clark schreef naar aanleiding van de dood van zijn vader. Zonder sentimenteel te zijn weet de zanger met die song toch keer op keer het hart te raken. ‘Better Days’ is waarschijnlijk zijn beste langspeelplaat, maar heel zijn oeuvre verdient bestaansrecht. Schitterend is ook ‘I Don’t Love You Much Do I’, terug te vinden op ‘Boats To Build’ en op de pas verschenen ‘Songbird’-box van Emmylou Harris. En er is nog veel meer moois. Zal ik nog eens een lijstje maken?

24-02-06

MET AMPHIONIE DE STAD DOORKRUISEN


AMPHIONIE 2


Bij Apollinaire (in Ketterpaus en Cie., een verzameling verhalen vertaald door Rein Bloem) las ik over een ‘nieuwe kunst’ gefundeerd op de peripatetische filosofie van Arisoteles. Deze kunstvorm heet ‘amphionie’, naar Amphion, de zoon van Zeus en de echtgenoot van Nioba. Bij de bouw van de muur rondom Thebe speelde Amphion zijn lier zo mooi dat de stenen zich uit eigen beweging samenvoegden. Maar is ‘amphionie’ nu eigenlijk?

“Het instrument van deze kunst én zijn materiaal , is een stad, waarbij het erom gaat een gedeelte van die stad te doorlopen, en wel zo, dat in de ziel van een amphion of een beginneling gevoelens worden opgewekt, die behoren tot het schone en het sublieme, zoals de muziek, de poëzie, etc. dat doen.
Om de stukken die door de amphion gecomponeerd worden voor het nageslacht te behouden, en opdat ze opnieuw kunnen worden uitgevoerd, noteert hij ze op een kaart van de stad door middel van een lijn die heel precies aangeeft welke weg men moet volgen.”

Dit is zeker een originele manier om door een stad te wandelen. Ik denk ook dat het al veel gedaan wordt, maar wie doet het écht amphionisch, door er ook nog een partituur bij te schrijven door middel van een aantal willekeurige - of wellicht onwillekeurige - lijnen?

31-10-05

TERUG UIT ANDALOUSIE


jaen


We zijn weer thuis. Terug uit het land waar de sinaasappels bloeien. De spannende avonturen die ik in Andalousië heb beleefd, kan ik nog niet uit de doeken doen. Later misschien? Nu ben ik moe, moe, moe. Moe van die avonturen natuurlijk (voornamelijk luisteren, praten, eten, drinken, weinig slapen), moe van ritten met taxi’s, wachten in luchthavens, turbulente vluchten, club sandwiches en Heineken pils, late aankomsten, Brussels by night en koffers uitpakken. Andalousië is een betoverende regio, vriendelijk en gastvrij, met een geschiedenis die wellicht nog rijker is dan de onze, en, belangrijkst van al, de mooiste vrouwen van de wereld. Maar wat hebben die Spanjaarden – of alleen maar de Andalousiërs? - een slechte smaak op gebied van populaire muziek! Hun verteltalent is dan weer ongeëvenaard; als ik in hun gezelschap ben schaam ik me telkens weer om mijn schraalheid. Ik ken geen enkel verhaal, tenzij dat ene, narcistische, het mijne. Wat dat betreft lijk ik op Rousseau en Montaigne. Maar dan zonder hun uitzonderlijke, bijna bovenmenselijke begaafdheid en gracieuze stijl, zonder hun grote geest.

Hoe zoet en leerrijk een reis ook is, het is nog zoeter om weer thuis te komen, bij de geliefde, en bij de boeken en de muziek. "Gee, it's great to be back home!"

Foto: Martin Pulaski