17-09-13

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

searchers.jpg

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind - The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

paris-texas-1984.jpg

...

Foto's: 'The Searchers', John Ford en 'Paris, Texas', Wim Wenders.

21-08-13

WAS VROEGER ALLES BETER?

valdez léal.jpg

Mijn vriend R. heeft een scherpe blik op de tijd en de maatschappij waar wij in leven. Maar zodra hij beweert dat het leven vroeger ‘beter’ was ga ik twijfelen, niet aan zijn oordeelskracht in het algemeen, maar aan die ene heel specifieke bewering (die je wel vaker hoort, en niet zelden uit de mond van intelligente en sensitieve mensen). Of het leven - en alles wat dat woord omvat - vroeger beter was weet ik hoegenaamd niet: ik ben helaas al wat te oud om me nog helder te herinneren hoe ellendig het werkelijk was toen ik jong en wild was, en vol hoge verwachtingen en verwarde verlangens door het leven stapte. Of hoe werkelijk ellendig het was. Of nog anders uitgedrukt: een mens herinnert zich vooral graag de mooiste en kleurrijkste momenten.

Ik heb in al die jaren veel geleerd, hoe vaak ik ook denk dat het maar bitter weinig is. Wellicht is een van de belangrijkste (en meest voor de hand liggende) inzichten die ik heb verworven dit: dat alles komt en gaat, zoals eb en vloed, zoals de volle maan, zoals de vier seizoenen. Dat heeft het dagelijks leven mij geleerd, maar zeker ook alle noemenswaardige kunst, literatuur en muziek.

Ja, er bestaat ongetwijfeld waardevolle kunst, literatuur, muziek, noem maar op. Ars longa, maar niets van wat wij mensen maken is hier voor eeuwig. We weten niet eens wat eeuwigheid betekent. Niets is hier eeuwig voorhanden en weinig is van blijvende waarde. Maar wat van blijvende waarde is komt zeker terug, ook al vergeten we dat graag, op zoek als we zijn naar het ‘altijd nieuwe’. Het nieuwe dat toch ook zo vlug gaat vervelen, zoals dat bij kinderen -  en kinderlijke volwassenen -  met hun speeltjes gaat. Waarschijnlijk gaat het ‘altijd nieuwe’ gauw tegensteken omdat het niet van blijvende waarde is. Misschien is het ‘altijd nieuwe’ al uitgehold, betekenisloos en zinloos, als het op de markt wordt aangeboden.

Omdat wat van blijvende waarde is ooit terugkeert, zelfs als wij er niet meer zijn, wanhoop ik niet. Zolang er mensen zijn zullen sommigen van hen, van ons, zich door die hoogtepunten laten beïnvloeden. Een klein aantal mensen zal nieuwe hoogtepunten blijven creëren. Als ik de zaken op deze manier beschouw kan ik onmogelijk beweren dat het vroeger beter was. Maar was het daarom slechter? Dat weet ik evenmin.

En wie in de toekomst dat kleine aantal exemplarische individuen – een elite die geen elite is - zal ontdekken is een vraag die me op dit ogenblik niet bezighoudt. Toch ben ik treurig telkens als ik eraan denk dat een deel van dat al kleine aantal definitief vergeten wordt. Een klein aantal? Niet echt; ze zijn al met velen: bezielde kunstenaars van alle slag - die niet voor het geld of de roem werken, maar omdat ze niet anders kunnen – die weinig of helemaal geen bijval, erkenning en waardering krijgen. Als ik eraan denk dat zovelen al vergeten zijn; dat ze niet terugkeren, zoals eb en vloed, de seizoenen, zoals de volle maan.



Beeld:  
Juan de Valdés Leal, In ictu oculi, 1672.

04-02-13

SUSPICIOUS MINDS

Hillary_and_tenzing.jpg

Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay.

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui - dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of - mogelijk - niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig - afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

03-12-12

AURORA - EEN VERGETEN RUIMTE?

aurora.jpg
Onze kinderen in Ruimte Aurora, Antwerpen 1980.
Foto: Martin Pulaski.

Ik vind het nog altijd vreemd en onterecht dat je via google of andere zoekmachines zo weinig aan de weet komt over het in veel opzichten baanbrekende tijdschrift Aurora, van de gelijknamige filosofische kring. Aan een min of meer objectief artikel daarover waag ik mij niet: het is allemaal te lang geleden en ik ben maar een viertal jaar lid geweest van de redactie. Aurora zag het daglicht in 1976 aan de VUB, toen die universiteit nog geen eigen campus had, wat ik heerlijk vond. De stichter van het tijdschrift was de enigszins controversiële filosoof Leopold Flam, schrijver van talloze filosofische werken, die nog altijd zeer het lezen waard zijn. Stuwende kracht was de eigenzinnige schilder en schrijver Paul Rigaumont. Mijn vrienden en ik zijn Leopold Flam altijd als een mentor blijven beschouwen. 

Het secretariaat van ‘Aurora’ bevond zich niet in Brussel maar in Antwerpen. Spoedig werden in het pand aan de Lange Leemstraat allerlei boeiende activiteiten georganiseerd. Voor mij was dat een aansporing om na het behalen van mijn filosofiediploma en enkele mislukte experimenten met door Antonin Artaud geïnspireerd theater – in ons appartement in Sint-Joost-Ten-Node en in ‘Doorndal’ – naar mijn geboortestad terug te keren. In Ruimte Aurora werd werk tentoongesteld van toen nog onbekende kunstenaars (onder meer Ria Pacquée*, Guillaume Bijl, Guy Rombouts), er werden lezingen gehouden over poëzie, literatuur en uiteraard filosofie; er werden poëzienamiddagen georganiseerd, soms werd er zelfs gedanst.
Wat evenmin zou mogen vergeten worden zijn de talloze gesprekken, vaak een dialoog van kunst en filosofie. Naast het driemaandelijks tijdschrift publiceerde Aurora werk van Leopold Flam, Annie Reniers, Eldert Willems, Eric Min en anderen.


In het tijdschrift verschenen essays, beschouwingen, gedichten, experimentele teksten van bekende en minder bekende auteurs. Ik heb een sterk vermoeden dat er tussen decenniaoud kaf nog heel veel koren aan te treffen valt. Het is de hoogste tijd dat dit werk wordt ontsloten. Het is tevens de hoogste tijd dat Aurora als unieke experimentele ruimte de aandacht krijgt die ze verdient in de cultuurgeschiedenis van dat deel van België dat zich Vlaanderen noemt en zo begaan is met zijn cultureel erfgoed.


*”Na zelf enkele performances te hebben geïnitieerd, solo of in groep, stelt ze in 1977 samen met Guillaume Bijl tentoon in de Filosofische Kring Aurora in Antwerpen. Pacquée presenteert er assemblages met goedkope spulletjes die ze in een supermarkt had gestolen.” Koen Brams, Dirk Püttau, in: De Witte Raaf.
~~~
Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012. 

DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg
Hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

 
Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige grafzerk, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, zeggen de media - keert hij naar zijn woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met al die dronken matrozen aan boord die zo graag weer naar huis willen. Een pijnlijk bericht ligt op hem te wachten in de brievenbus. De inhoud ervan kennen we niet. We zien het verkrampte gezicht van de man. Je hebt het al gezien in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten bijna niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:


Van de eenzaamheid en de regen genieten.
In parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets van belang. Niets om over naar huis te schrijven.

Maar dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervangen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

Dit is een bewerking van een eerdere tekst, 'Quelle joie d'avoir...' 

~~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.

21-08-12

STOCKHOLM ii

 

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.


Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de 'illusie van het nieuwe' te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het 'nieuwe' Vandaar de nood - dat zeg ik - van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Mijn antwoord:

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

 

14-12-11

CYDIA POMONELLA

Voor Amy Winehouse

 

Sap van appels in je appelboom,
groen in de boom van de buren.
Rijp voor de oogst in late zomer
ongeplukt, geur en smaak in de lucht
als huid van onbegrepen vrouwen.
Na Belgische zomer in oktober
rotten ze op te weinig bezongen gras
elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

Je denkt meteen aan David Lynch

en trage escapades, een laat weerzien:
wat woorden over vader, moeder
en stoppen met roken en dit en dat.
Omdat wat familie volhardt, ver verwant.

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,
binnenrijm, tel ik afgunstig voeten
als waren het Dantes of van m'n zestien?

Wat essentie zou blijven bestaan,
niet van appels, van vrouwen, maar
van woorden wordt gezegd. Essentie
van de essentie als het je lukt
met het sap van de wereld
op goede voet te staan als gewervelde.
Dan blijven die kleine druppels nog even
tegen slechte spijsvertering, oorlogen,
tegen schrik en beven en tegen vergeten.

08-10-11

DE LEVENDEN EN DE DODEN

 

DODENDANS.gif

Dodendans.

De levenden waren op het ogenblik dat ik het onderstaande schreef - naar aanleiding van de dood van Bert Jansch - degenen aan wie ik met tederheid denk. Zeer zeker zijn zij (nog) niet dood. Het zijn over-levenden noch overledenen. Ik vermoed dat zij lijden, zoals de meeste mensen, maar ik heb niet de indruk dat zij overdrijven in hun lijden.

De echte doden blijven in mij aanwezig. Misschien is het door hun dodendans in mij dat ik soms vergeet dat zij dood zijn. Zo levendig kunnen de herinneringen aan hen zijn.

07-10-11

DE DOOD VAN ELIZABETH TAYLOR, VERGETEN

ElizabethTaylor2.jpeg

Gisteravond aan tafel, vermoeid van ik weet niet wat, vroeg ik A. of Elizabeth Taylor al dood was. Richard Burton is dood, dat weet ik, zei ik. En van Michael Jackson weet ik het heel zeker. A. was er stellig van overtuigd dat Elizabeth Taylor niet meer onder ons was. Je hebt er zelfs een In Memoriam voor geschreven, zei ze. Natuurlijk was ik dat ook vergeten. En nu vind ik het hier terug. Vreemd, en een beetje beangstigend. Ook het feit dat ik "niet buitensporig lang" meer dacht te zullen leven, klinkt nu verontrustend.

Bert_jansch2.png

Inmiddels zijn er wellicht al miljoenen mensen gestorven, waaronder enkele die me dierbaar waren, zoals eergisteren nog Bert Jansch. Voor hem heb ik geen In Memoriam geschreven. Dat doe ik niet meer. Ik moet me nu met de levenden bezighouden. Wel heb ik die dag veel muziek van Bert Jansch beluisterd. Hij was een begenadigd gitarist en songschrijver.


01-09-09

GIN HOUSE BLUES


meisjes in archiduc2


Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds - mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d
 
Foto's: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

02-12-08

EEN UITZONDERLIJK LEVEN


Het is weer de tijd van de kalkoenen, de drie flessen wijn en een gratis, de duizenden reclamefolders vol overbodige technische snufjes, bijna gratis maar wat doe je er mee, Phil Spectors ‘A Christmas Gift For You’, de cd- en dvd-boxen, meestal dingen die je al hebt, maar desondanks koopt voor de mooie doos, en de drie extra-tracks, en de lijstjes, natuurlijk, de eeuwige lijstjes. De eeuwige lijstjes die maar een week of twee meegaan: beste boeken, beste films, beste dvd’s, beste cd’s, beste songs, mooiste vrouwen, minst vervuilende auto’s, beste momenten. In februari is iedereen die onzin weer allemaal vergeten, mede dank zij de massa’s drank tijdens de feesten en nieuwjaarsrecepties. (Tenzij, wat mij betreft, de mooiste vrouw.) Dan beginnen we aan nieuwe lijstjes, gaan we opnieuw sparen voor nieuwe overbodige technische snufjes (die nu nog moeten uitgevonden worden, maar het moet snel gaan, snel, snel).

Stop! Stop de tijd, drink een glas water. Maak een wandeling in het Zoniënwoud. Lees Don Quichot, Finnegans Wake of Ivanhoe. Leer koken. Hoe maak je goed stoofvlees? Echte kippensoep zoals grootmoeder ze bereidde? Of luister naar een trein, een vogel, het gieren van de wind. Open het raam bij volle maan. Wuif naar je geliefde. Zing een lied van Schubert of van de Zangeres Zonder Naam. Heb vertrouwen in de toekomst. Schud het cynisme, waar de media je mee vergiftigen, van je af, als een langharige hond in de zomer het water van de Zuid-Willemsvaart. Leef een uitzonderlijk leven. Word dik, vermager, dans elke dag. En vergeet vooral niet dat wij allemaal zullen sterven. Het leven is geen pretje. Het leven is een feest, als je hart sterft van het lachen of je ziel van het verdriet.

08-10-08

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces

The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now,
You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich

Afbeelding: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

05-10-08

ANDERE BOEKEN


Ik vergat hier tijdig mee te delen dat ik gisteravond geen radioprogramma zou maken. Gelukkig wist ik dat zelf al een tijdje, zodat ik niet voor niets de lange reis naar het verre Antwerpen heb moeten maken. In plaats van Zéro de conduite werd er rechtstreeks uitgezonden vanop Het Andere Boek. Ik ben daar niet tegen: zo kon ik wat langer slapen. Bovendien ben ik erg voor boeken. Alleen weet ik nog altijd niet wat andere boeken zijn. Voor mij is Het Andere Boek een boekenbeurs zoals een andere, waar overigens niets mis mee is.

Lang geleden dacht ik dat een boek als 'The Journal Of Albion Moonlight' van Kenneth Patchen een 'ander boek was'. Er waren er zo nog, maar dit was toen (eind jaren zestig) een van de meest andere boeken die ik kende. Nog een ander 'ander boek', en bijzonder geestig, was Richard Brautigans 'Trout Fishing In America'. Voor degenen die het niet gelezen hebben: 'Trout Fishing In America' was de held van het gelijknamige boek. Als dat niet anders was! Maar sinds Richard Brautigan zich een kogel door de kop schoot denk ik daar anders over. Het geestige was bittere ernst, het lint van Brautigans schrijfmachine was met alcohol en gif doordrenkt - een soort schrijven dat al snel postmodern werd gedoopt. Maar net zomin als ik weet wat 'het andere boek' is, weet ik wat postmodern is. Ik heb alleen onthouden dat je zo modern mogelijk moet zijn, meer nog, dat je absoluut modern moet zijn.

Dit allemaal om te zeggen dat ik gisteravond naar een film van David Lynch heb zitten kijken in plaats van in Antwerpen naar de donkere wolken boven de Schelde.

brautigan

Foto: Richard Brautigan

25-01-08

GEDICHT IN EEN DROOM

Ik zit met de handen in het (vettige) haar. Vorige nacht droomde ik een lang gedicht, een soort vervolg op ‘Het zwijgen van mijn vrienden’. In de droom was ik zeer tevreden over het gedicht, bovendien was het helemaal af. Bij het ontwaken nam ik niet de moeite om het te noteren. Als ik morgen helemaal wakker ben zal ik het mij nog herinneren, dacht ik. Maar dat was niet het geval. Ik herinnerde mij alleen nog een paar regels, en zelfs daarvan was ik niet zeker of het de gedroomde regels waren. Ik herinner me nog dat het gedicht geïnspireerd was door Sad Eyed Lady Of The Lowlands van Bob Dylan – en dat ik me op het einde realiseerde dat het gericht was aan een vriendin van vroeger, die al een hele tijd geleden overleden is, Renée heette ze, een vrouw die me zeer dierbaar was. Dit is alles wat van het gedicht overblijft:


Met haar ogen van zand van de evenaar en soms schaduw van gebladerte

Met haar stem van kermissen , keukenromans en weelderige tuinen

Met haar wierook van gewijde woorden en zeer kleine gebaren

Met haar zwart satijn en haar leer en het blonde on blonde van haar haren

Met haar lippen van Franse actrices in donkere films vol regen en hagel

Met haar borsten van zijdige huid, door mij nooit aangeraakt, zelfs niet haar tepels

Met haar liederen aan Venus, vurig als de zon in het Westen.


Misschien droom ik later wel eens een vervolg?

19-11-05

OVER DE ANGST VOOR HET VERGETEN

angst,once upon a time in america,vergeten,funes,samenvatten,schrijven,romanpersonages,er was eens,nietzsche


Op Andere Woorden las ik net in fragment iets over de angst voor het vergeten. Het is een angst die bij mij heel sterk aanwezig is. Wat vaak de ziel wordt genoemd is misschien wel het geheugen. Wat is een mensenleven waard zonder geheugen en zonder herinneringen? Woorden betekenen dan niets, beelden al evenmin. Misschien kun je nog naar muziek luisteren en van de melodie of van het ritme genieten. Misschien kun je de lekkere wijn nog proeven. Maar kan de wijn lekker zijn als je niet weet wat het is en er niets over kunt zeggen? Mijn moeder is oud geworden, maar de laatste jaren van haar leven heeft ze in een soort van mentale duisternis doorgebracht. Op het einde herkende ze mij niet meer. Ze herkende niemand meer, wist niets meer. Misschien zag ze nog wel het verschil tussen de dag en de nacht, maar veel meer was er niet in haar leven, denk ik.
Mijn eigen geheugen gaat er eveneens op achteruit. Ik zou alle boeken die ik ooit heb gelezen (en goed vond) moeten herlezen, ik weet nauwelijks nog wat er in staat. De verhaallijnen herinner ik me niet meer; hetzelfde geldt voor de meeste personages. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals William Wilson, Madame Bovary, Julien Sorel, Leopold Bloom, en zo nog een aantal, waaronder een zekere Funes. Wat was ook weer de voornaam van die Funes? Duizenden personages zijn voorgoed verdwenen uit mijn leven. Van films herinner ik me de dag nadien al bijna niets meer, zeker niet als ik ze op televisie heb gezien. (De buitengewone films vormen hier weer een uitzondering op, zoals L’Atalante of Lost In Translation). Vraag aan mij niet om even een werk van Nietzsche of Kierkegaard samen te vatten, of er de grote lijnen van uiteen te zetten. Ik zou je sprakeloos aankijken. In een zoutzuil veranderen. Wat de laatste tijd lijkt toe te nemen is wat ik ‘naamverlies’ zal noemen. Ik had een goed geheugen voor namen en feiten. Nu gebeurt het vaak dat ik me de naam van een film, boek, schrijver, lied, etcetera, niet meer herinner, of dat ik een bepaald woord niet kan vinden. Ik moet dan hulp zoeken,in de Winkler Prins, via google, of boeken doorbladeren tot ik er hoofdpijn van krijg.

Er zit hoe dan ook immens veel informatie in ons geheugen opgeslagen. Het zal wel een biochemische noodzaak zijn dat daar geregeld in wordt gewist. Maar dat wissen hebben we helaas niet zelf in de hand. Dat is heel jammer, want heel vaak herinneren we ons wel onnozele dingen, maar zijn we de essentiële ‘levenslessen’ vergeten. Toch vergeten we gelukkig ook onaangename dingen en kunnen we op die manier pijnlijke of tragische gebeurtenissen die zich in ons leven of in onze tijd hebben voorgedaan verwerken. Nietzsche beschreef die voordelen van het vergeten in zijn mooi essay ‘Over het nut en nadeel van de historie voor het leven’, terug te vinden in de ‘Oneigentijdse beschouwingen’ Hij gaat er overigens van uit dat dieren geen geheugen hebben, wat onjuist is. Maar dat is in deze context niet belangrijk. Ik zou graag een paar fragmenten uit dit essay citeren:

“De mens vraagt het dier wel eens: waarom vertel je me niet over je geluk en kijk je me alleen maar aan? Het dier wil ook antwoorden en zeggen: dat komt doordat ik altijd meteen vergeet wat ik wilde zeggen – maar toen vergat het ook dit antwoord en zweeg: zodat de mens zich erover verwonderde.
Hij verwonderde zich echter ook over zichzelf: dat hij niet kon leren te vergeten en aldoor aan het voorbije bleef hechten: hij mag nog zo ver, nog zo snel weglopen, de ketting loopt mee. Het is een wonder: het moment, vliegensvlug aanwezig, vliegensvlug voorbij, ervoor een niets, erna een niets, komt toch als spook terug en verstoort de rust van een later moment. Voortdurend laat er een blad los uit de rol van de tijd, valt eruit, fladdert weg – en fladdert plotseling weer terug, in de schoot van de mens. Dan zegt de mens ‘ik herinner mij’ en benijdt het dier, dat onmiddellijk vergeet en ieder ogenblik werkelijk ziet sterven, in nevels en duisternis terugzinken en voor altijd uitdoven.”

Dat spook dat de rust verstoort is belangrijk. Ibsen heeft er een schitterend toneelstuk over geschreven. Het is een essentieel thema in de literatuur en zeker ook in de film, denk bijvoorbeeld maar aan Once Upon A Time In America, waar Noodles het spook genaamd verleden (en verraad) probeert te vergeten, maar waar het toch blijft opduiken ook al is het in een opiumroes.

Nietzsche heeft het wat verder over de gelukzaligheid van het kleine kind “dat nog geen enkel verleden hoeft te verloochenen en gelukzalig-blind tussen de heiningen van verleden en toekomst aan het spelen is. En toch moet het in zijn spel gestoord worden: maar al te vroeg wordt het uit de vergetelheid naar boven geroepen. Dan leert het de wending ‘er was’ te begrijpen, het wachtwoord waarmee strijd, lijden en verveling de mens naderkomen, om hem eraan te herinneren, wat zijn existentie in de grond van de zaak is- een nooit te voltooien imperfectum. Brengt de dood ten slotte het begeerde vergeten, dan verduister hij tevens het heden en het bestaan en drukt daarmee zijn stempel op het inzicht – dat het bestaan alleen een onafgebroken geweest-zijn is, iets dat leeft dank zij het feit dat het zichzelf afwijst en verteert, zichzelf tegenspreekt.”

Ik verontschuldig me voor dit uitgebreid citeren, maar deze woorden betekenen zoveel voor mij en voor mijn kijk op het leven dat ik ze graag met de lezers die tot hier geraken deel. Alleen al dat ‘er was’, er was eens, ‘once upon a time’. ‘Once upon a time you dressed so fine…’!
(Overigens, als je deze fragmenten van Nietzsche leest zou je al bijna blij worden dat je geheugen erop achteruit gaat.)

09-10-05

TEGEN HET VERGETEN


Ik probeer te genezen. Maar dat gaat zo maar niet. Het moet mij genezen en voorlopig lukt dat niet. Inmiddels vergeet ik niets en niemand. Dat moest ik toch even zeggen.