09-04-17

UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg


“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.


Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

... 

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

10-07-06

MUIZENISSEN IN VERBAND MET SLAVOJ ZIZEK

zizek,jan temmerman,selectie,kick,antwerpen,voorlezen,poezie,uitstel,gedichten,voorbereiden

Jan Van Veen en ik. 

Ik beloof dat ik spoedig wat meer vertel over mijn lectuur van ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’ van Slavoj Zizek en over het gesprek met hem in Magazine Littéraire. Ik weet dat ik al vaker zulke dingen heb beloofd, en het dan niet heb gedaan (ik ben goed in iets niet kunnen afwerken of beëindigen), maar nu zal ik me aan mijn belofte houden. Eerst heb ik echter andere dingen aan mijn hoofd. Volgende donderdag 13 juli lees ik voor in de Muzeval in Antwerpen. Voorlezen heb ik al een hele tijd niet gedaan. Het is een uitdaging waar ik een heilige schrik voor heb. Zodra ik op het ‘podium’ sta valt die plankenkoorts gelukkig van me af. Het zijn vooral de dagen en uren die eraan voorafgaan die me parten spelen. Het voorlezen zelf geeft me meestal een kick. Nu moet ik teksten selecteren die thematisch en stilistisch enigszins samenhangen en dat is een hele klus. Niets is zo erg als je oude werk herlezen. Je weet dat jij het hebt geschreven, maar het is in heel veel opzichten niet meer van jou. Je bent iemand anders geworden. 

Na de ultieme selectie moet ik ze luidop leren lezen. Ik mag niet over de woorden struikelen, ik mag niet te veel zingen, ik mag niet mompelen, enzovoort. Wat mag ik eigenlijk wel? Zulke praktische beslommeringen zitten een kleine beschouwing, enkele woorden maar, over Zizek in de weg. Ik kan alvast zeggen dat hij een filosoof naar mijn hart is: hij is tegendraads en hij houdt van westerns – en van film in het algemeen – en heeft er boeiende en zinnige dingen over te zeggen. Dingen die je bij een Jan Temmerman nooit zult lezen. Maar wie is Jan Temmerman?