08-12-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (7)

bowwowwow1.jpg

Dag 4: 5 november 2016 (Het wilde denken*)

Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free
Wild, go wild, go wild in the country
Where snakes in the grass are absolutely free

Bow Wow Wow – Go Wild in the Country


Wie heeft als kind nooit verlangd naar een wild en grenzeloos leven? Wie droomde niet van avonturen in de woestijn, in de jungle; van een gevecht op leven en dood met slangen, wolven, leeuwen, holbewoners, heidenen? Het leven dat voor een deel beschreven wordt in ‘Lord of the Flies’ van William Golding, in de gruwelijke romans van David Vann en in de avonturenboeken van Jack London (wie zou hem nog lezen?).
Volwassenen kennen dat verlangen net zo goed,  al zal het bij hen, bij ons, minder uitgesproken zijn. Ik bedoel ‘wild’ in elke betekenis van het woord. Ja, ik ben er wel zeker van dat wij in ons hart, in datgene wat wij ons hart noemen, allemaal wild zijn, wat David Lynch en Sigmund Freud heel goed weten/wisten. Sommigen onder ons houden het wilde kind een hele leven in bedwang, anderen zijn er de slaaf van. Het ene uiterste is de ‘edele wilde’ (of noem hem of haar de ‘gesublimeerde wilde’, dat mag ook), het andere de kannibaal of de massamoordenaar. Cultuur, techniek en beschaving zijn, zoals iedereen goed weet, dunne lagen, waaronder de chaos woekert. Vaker dan ons lief is krijgt onze wildheid de bovenhand, onze woestheid, ons geweld, onze buitensporige verlangens. We verlangen naar rust en vrede maar verzetten ons tegen conformisme, wetten, taboes. Rondom ons zien we het theater van de wreedheid opgevoerd worden, waar we als consumenten of toeschouwers gretig aan deelnemen.

tarzan.jpg

Al van in het begin trekt de wildernis ons aan, maar zij blijft voor de meesten van ons een lokroep, een mysterieuze, angstaanjagende duisternis in een zee van verblindend licht. Vaak stellen we ons tevreden met een gesymboliseerde wildheid, zoals die ons in films, romans, liedjes wordt aangereikt. Denk aan ‘Darkness On the Edge Of Town’, denk aan ‘Alien’, denk aan de romans van Stephen King. Maar dat doen we lang niet altijd. Heel wat kunstenaars, bohémiens, borderliners hebben op zijn minst voor een deel een wild leven geleid. Zij begaven zich naar de overzijde, de donkere kant van de stad, zij kozen voor een ‘walk on the wild side’, om het met een titel van een roman van Nelson Algren en van een lied van Lou Reed te zeggen.

Bijna gaf ik me helemaal over aan een wild en associatief denken. Maar ik moest een radioprogramma maken, en wel over het wilde leven. Het was de eerste zaterdag van de maand, tijd voor Zéro de conduite. Zodoende zochten mijn voeten weer vaste grond en nam ik de trein naar Antwerpen (dus toch niet zo’n vaste grond). Ik maakte mij geen zorgen over de eeuwige gauwdieven en ander gespuis maar bestudeerde nog een keer mijn playlist en plaatste hier en daar wat aantekeningen, waarbij ik eens te meer vaststelde hoezeer mijn geheugen erop achteruit gaat.

Ik weet niet hoe het met de luisteraars zat, maar zelf vond ik deze aflevering een succes, een van de beste programma’s die ik de voorbije tien jaar heb gemaakt. Ik genoot van elke seconde en ook lang daarna, op restaurant en in de trein met Laura was ik opgewekt en soms zelfs gelukkig. Maar ook onder die momenten van geluk stroomde de duistere stroom van de tijd. De tijd waar we nu in leven, de zeer nabije en weinig goeds voorspellende toekomst. De verkiezingen in de Verenigde Staten, de bombardementen in Syrië en elders, de nieuwe martelaars, de nieuwe heidenen. Zo kwam het dat mijn euforische buien soms moesten plaatsmaken voor grote bezorgdheid. Niet alleen over mijn vrienden in Amerika en over de hele Amerikaanse cultuur, waar ik zo aan verknocht ben (waar mijn radioprogramma een uitdrukking van is), maar voor de hele menselijke werkelijkheid en voor de aarde zelf

2015-08-06-brusselkermis 062.JPG

Om middernacht staan we in het Zuidstation te wachten op tram 81. Achter me zie ik de daklozen in rijen naast elkaar liggen. Aangespoelde drenkelingen lijken ze wel, in de altijd naar urine ruikende, slecht verlichte tunnel – de schande van Brussel. Mijn blijdschap slaat om in verdriet en woede. Wat zijn wij voor mensen dat we onze soortgenoten toestaan zo af te zien? En waarom staat de stad Brussel dit toe? Waarom wordt er niet gezorgd voor deze arme, hongerige mensen – mensen zoals jij en ik. Dit is een wild leven waar niemand ooit naar heeft verlangd. Geen mens op aarde. Dit is zelfs geen wild leven. Dit is nood. De hoogste nood.

*Zie: Claude Lévi-Strauss, La pensée sauvage, 1962

Afbeeldingen: Bow Wow Wow; Johnny Weissmuller & Maureen O'Sullivan in 'Tarzan and his Mate'; Brussel Zuid, Martin Pulaski.

19-03-14

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.
1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”
aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat). 

1977-verona 001.jpg

 

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte - voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

 

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

12-04-12

ARCHEOLOGIE VAN DE ONWETENDHEID

Memling mystiek huwlijk (2).jpg

Hans Memling, Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina.

 

O wat duurt dit levenslied lang als ik op je wacht. Lang als het leven van de gevreesde en geliefde vader. Die van mij twintig jaar dood, die van jou levend als de zomerregen. Vertelde ik al hoe hij  in zijn zwarte Consul de smalle wegen bereed nog lang voor de verlichting? Met een dunne sigaret tussen z’n dunne lippen. Een man van die mensheid nog die ondanks loopgraven en vliegende bommen, die ondanks prevelen en knielen voor valse goden niet moe was. Ook niet van blootshoofds op het veld in hete zon te ploegen (sommige mannen en vrouwen met een strooien hoed op, dat wel). Of hoe ze na elke vervelende eredienst biljartten en kaartten, hun bier geel als graan, het schuim zacht als de huid van hun vrouwen?


Was het een wonder dat vrouwen zo zongen en lachten? Ik vergelijk dat maar niet met iets wat van voorbijgaande aard is. Het zou vals klinken, of buitensporig. Zo’n gezang past in geen register. Zoek er maar naar in het Latijn of het slang van San Diego:  er blijft geen spoor van over, niets daar dan overbelichte ruïnes van badhuizen, Korintische zuilen, mean streets, gehuil, moordlust in de ogen, schel hondengeblaf, uitputting. Niets dan prikkeldraad, do not cross, woede, afgunst, woeker en de illusies die weelde levert.

In Brussel stap ik op de trein naar Brugge, maar kom in Tienen aan. Waar mijn vriend J. verbleef voor hij zich aan eeuwig zwijgen overgaf. Onderweg ontmoet ik de man die zijn haar kort liet knippen. Onvermijdelijk op een trein der traagheid die zich van richting vergist. Suikerstad in plaats van die van de mistige dood, van de zingende Memlinc-meisjes. De man die mijn kaartje knipt heeft een vetvlek op zijn kraag. Als hij zich omdraait zie ik een zeepspoor achter zijn oor. Wordt hij daarom doodgeschoten? Nee, dat nog niet, dat nog niet.

O wat duurt dit levenslied kort als je van me weggaat. En kort wat wij tussen begin en einde doen: trappen op en af gaan, ons vasthouden aan zilveren balustrades en dansen op India Song van Marguérite Duras, in zwijgen  erop los dromen, ons elkaars vaderland en moederland herinneren. (Dezelfde regen die op Strawberry Fields viel valt nu op de mijnen van destijds, in de omgeving de mijnwerkers onrustig in hun exotische graven, onmogelijk dat ze denken aan hun vaderland van stof en as, fijn stof dat ik nu inadem, of zijn het vaderdeeltjes die jij zo diep inademt tot je dauwachtige druppels bloed ophoest?) Een neonlicht bar binnenstappen waar de pianist achterover is gevallen van teveel gin-tonic of een beroerte, weten we veel. Het koper klinkt alsof het achterstevoren wordt afgespeeld, wat niet ongewoon was toen ik mij nog tegen de heerschappij van mijn vader verzette: mijn ziel was van koper. Ik weet niet van wat jouw ziel was, nu is ze een merel. Die van mij is een zalm die de Hudson opzwemt richting Central Park, waar engelen nog steeds Give Peace A Chance zingen en Power To The People. In Penn Station – helemaal uit woorden opgetrokken - nemen onze troebele ogen en tintelende handen afscheid, na die zo korte dag.

Gedaan met de lange en de korte duur, met de uren en de dagen, de jaren. Opnieuw in mezelf op zoek naar de verloren tijd gaan. Was dat toen John Sebastian dat lied zong, Oh Darling Be Home Soon? Het lied dat hij maar zingen blijft, en jij die maar niet naar huis komt. En wat te denken van deze tijd van misnoegdheid, wat van deze dagen van dode zalm en stille merel, aan de bomen de bladeren met tegenzin groen?

 

01-10-08

IT'S ALL IN THE MIND, MAN

pop,vriendschap,droom,licht,autobiografie,cannabis,revolver,gitaar,elpees,rolling stones,wapen,the band,the beatles,nostalgia,led zeppelin,treinreis,1970,mondharmonica,1969,shangri-las,yellow submarine,der amerikanische freund,wim wenders,peter handke,voetnoot,middellandse zee,falsche bewegung,crosby stills nash   young

Blue Meanies.

Vorige nacht, ergens in een kleine stad aan de Middellandse Zee, zag ik E. terug, een oude vriend uit de tijd toen de Karmelietenstraat in Brussel nog niet was afgebroken. Hij deelde gedurende enkele maanden mijn kamer daar. We luisterden elke dag naar The Band, A Whole Lotte Love, Dèja Vu en Let It Bleed. We spraken niet veel, maar schreven gedichten. Als we toch iets zegden was het: It’s all in the mind, man. Dat kwam uit Yellow Submarine. In 1970 werd E. vanwege het schrijven over cannabis in de gevangenis gestopt. Toen hij weer vrij was, was hij zijn verstand kwijt. Kort nadien werd hij  in een instelling geplaatst. Terug in de ‘normale’ wereld heeft hij ons in 1977 van Brussel naar Antwerpen helpen verhuizen. Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht.

Ik herkende E. meteen. Hij was nog helemaal dezelfde: jong, speels, een beetje onbezonnen, onberekenbaar. Hij leefde in een krotwoning en stal zijn eten op de markt. Van een louche handelaar kocht ik twee revolvers, een alarmpistool en een Lüger. E. wilde die wapens graag een tijdje houden. Dan kreeg ik zijn gitaar.  Maar ik kon niet meteen afstand doen van die aantrekkelijke gebruiksvoorwerpen, die ik nog maar pas had aangeschaft.

We brachten enkele dagen samen door. Dagen van onbezorgdheid, honger en dorst. Voor we afscheid namen wisselden we adressen uit. Ik maakte me er zorgen over dat ik het zijne zou verliezen. Ik wilde mijn oude vriend niet nog eens kwijtraken.

Terug naar ‘huis’ stapte ik op de eerste trein die het station binnenreed Het kon me tegelijk niet en wel schelen of hij in de goede richting reed. Ik verlangde naar mijn gitaar en mijn mondharmonica thuis. Het was overvloedig licht in de trein. De reis mocht dagen, weken duren.

Daarna werd alles weer alledaags en onwerkelijk.

19-02-07

HET SPOOR GEVONDEN


Ik droomde van een reis en vooral van de terugkeer. Op de terugreis naar de hoofdstad moesten we onverwacht ergens overstappen. In the middle of nowhere zoals sommige mensen zeggen. Er viel nauwelijks een station te bespeuren. Wel was het landschap rondom van een intense schoonheid. Duizenden klaprozen in de zonovergoten velden naast de sporen. Blauwe korenbloemen in de wilde velden. Jonge sparren erachter. Geen wolk in de lucht. Ik wist dat we op spoor twee moesten zijn. Nergens was een richting aangegeven. Geen pijl, geen nummer, geen naam. Na lang zoeken, via overwoekerde paden en ondergrondse doorgangen, had ik het juiste spoor gevonden. Ik voelde iets van een triomf. Veel later kwamen de medereizigers aan. Eerst deden zij net of ze me niet zagen. Ze wilden niet toegeven dat ik lang voor hen het juiste spoor had gevonden. Na een tijdje zei een van hen: o, ben jij hier ook al? In een droom.

24-01-07

LARVATUS PRODEO

descartes,schrijven,nutteloosheid,raymond carver,treinreis,sin city

In de trein lees ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Zich herinneren doet teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer zeer genuanceerd en helder wat ik zelf soms voel.


Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de zoveelste verdieping van een oud neo-klassiek gebouw in Sin City. Niemand in mijn omgeving mag het zien, mag het weten: dat ik teksten voor niets of niemand schrijf. Het is volkomen nutteloze energieverspilling. Iets onnoemelijks, lijkt het wel, een ‘tijdverdrijf’ waar zware straf op staat. Gemaskerd ga ik door het leven. Larvatus pro deo, noemde Descartes deze levenswijze. Het is tevens de naam van een Australische centrum-linkse groepsblog.

22-01-07

NATTIGHEID

hotel,feest,spa,treinreis,gesprek,landschap,winter,wijn,duvel,boudewijn de groot,brussel,muziek,soul,regen,lezen,boeken,conversatie,luc sante,dansen,james brown,pop

Ik ben dan toch als dezelfde man uit Spa teruggekeerd. Niets veranderd. De treinreis erheen was aangenaam en vooral zeer goedkoop. Ik heb geen Simenon gelezen, evenmin iets anders. We hebben gepraat over reizen, over New York, Chicago, Nashville. Over Lissabon, waar we in maart naartoe gaan. Over allerlei bestemmingen, maar niet over Spa. Ik heb veel naar de winterse landschappen gekeken en zitten mijmeren. Sommige vergezichten deden me aan Breughel denken. In Verviers gingen mijn gedachten naar Luc Sante en zijn schitterend boek over – onder meer - deze streek, ‘De feitenfabriek’.
In Spa regende het hard, en het was een heel eind naar het hotel. Druipnat worden in de nabijheid van de thermen, dat was weer eens iets anders. Aangezien het hotel maar niet in zicht kwam hebben we in een toeristisch informatiecentrum een taxi laten bellen. Het stadje telt er drie. Drie taxi's.

Dat ik ondanks de goede nachtrust niet zou veranderen, daar had ik al een vermoeden van, ik had me dan ook wijselijk ingedekt.

Over het verblijf in het hotel en het feest heb ik weinig te melden. Het was een personeelsfeest zoals er twaalf in een dozijn zijn. Drinken, eten, speeches, muziek en dansen op oubollige muziek. Af en toe wat praten over wat je nog te binnen wil schieten. Laat op de avond vroeg iemand me, wat heb je graag gelezen in 2006? Ik kon geen antwoord geven, ik wist niets meer, geen enkele titel, geen enkele naam. Na een paar minuten of zo hebben we het over Borges gehad, en nog wat later over Paul Auster en Ian McEwan. Ik zei dat ik die hedendaagse schrijvers zeer bewonderde. Mijn hersens hadden zich kennelijk helemaal op het oppervlakkige ingesteld en waren niet meer soepel en scherp genoeg om dieper te graven. Na al de wijn moest ik dringend een Duvel drinken om weer wat op gang te komen. Maar zoals Boudewijn De Groot al zong, we zijn niet meer als toen.

En zo ben ik nu weer thuis in Brussel, dezelfde man voor het raam, de man die zichzelf moet aanvaarden, die geen vat heeft op de dagen en het klimaat. De man die zich afzondert en vanuit de verte bewondert en liefheeft.
Neen, het was geen gewoon feest, het was een mooi feest. Ik heb fijne mensen ontmoet, lekker gegeten en gedronken, fijn gepraat, mezelf vergeten. Ook heb ik op muziek van James Brown gedanst. Een in memoriam dans.

04-12-05

ALL IS A PROCESSION / WALT WHITMAN


Die ode aan de grote beer is niet geschreven. Wel de ervaring van een treinreis, maar die tekst onthul ik vandaag nog niet. Er is nog werk aan. Gisteren op de trein heb ik niet alleen wat zitten schrijven maar ook gelezen in de nieuwe Nederlandse vertaling van Walt Whitman's Leaves Of Grass. Dit stukje wil ik toch even citeren, maar dan wel in het origineel:

The man's body is sacred and the woman's body is sacred... it is no matter who,
Is it a slave? Is it one of the dullfaced immigrants just landed on the wharf?

Each belongs here or anywhere just as much as the welloff... just as much as you,
Each has his or her place in the procession.

All is a procession,
The universe is a procession with measured and beautiful motion.