02-08-16

KOORZANG: DYAB ABOU JAHJAH

colin-wilson-in-sleeping-bag-1956-2.jpg

Leven we in een tragische tijd? De vele koorzangen die je op menige plek hoort zouden er op kunnen wijzen. Maar uit hun vaak weinigzeggend en repetitief karakter kun je net zo goed afleiden dat we een grote komedie bijwonen. Dat is geen nieuwe vaststelling. Een boek van Slavoj Zizek kreeg als titel mee ‘Eerst als tragedie, dan als klucht’, waar hij de inspiratie voor vond in ‘Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie’ van Karl Marx. Een moeilijke en onzekere tijd is dit zeker wel. Velen onder ons sluiten zich af, ontvluchten wat de realiteit wordt genoemd. We zoeken een vertrouwde omgeving op, reizen af naar die schaarse plekken waar we hopen nog wat schoonheid of sporen van iets pastoraals te zullen aantreffen. Of we blijven gewoonweg thuis, in een hoek met een boek, of troost zoekend in de vluchtigheid van muziek en film. Sommigen worden radeloos, een kleine minderheid gaat over tot brutaliteiten, in sommige gevallen tot geweld. Geweld dat we weigeren te begrijpen. Geweld dat we altijd zullen verwerpen, zelfs al zouden we bereid zijn het toch in een begrijpelijke context te plaatsen.

Kritiek op de zwakke plekken van anderen is alleen maar mogelijk als je in jezelf ook zulke plekken aantreft. Je weet bijvoorbeeld heel goed dat je net zo goed meedoet aan het vals zingende koor, zelfs al doe je je uiterste best om te zwijgen.  Je bent geen schone ziel, je hebt altijd op zijn minst een beetje vuile handen.

De voorbije dagen bezong het koor de wederwaardigheden van Dyab Abou Jahjah en zijn ondervrager Thomas Erdbrink. Ik wilde afzijdig blijven. Maar vind mijn zwijgen hoe langer hoe moeilijker vol te houden. Ik wilde me vooral afzijdig houden omdat ik Dyab Abou Jahjah eigenlijk niet zo ken. Ik bedoel: ik heb geen duidelijk idee van zijn politieke strijd en van zijn werk. Ik heb alleen maar enkele opiniestukken van hem gelezen, die ik meestal pertinent vond. Deze aflevering van Zomergasten nu was verrassend goed. Alleen de inquisitoire toon van debutant Thomas Erdrbrink werkte me danig op de zenuwen. Had de man last van plankenkoorts, zag hij in zijn gesprekspartner een vijand, had hij duidelijke instructies gekregen om zijn gast zoveel mogelijk te onderbreken en hem strak aan de leiband te houden? Kennelijk waren er nogal wat kijkers die zich hadden geërgerd aan het vooruitzicht drie uur lang naar deze ‘outsider’ te moeten luisteren (en kijken). Was het daarom dat de gast zo hard werd aangepakt? Erg hoffelijk was het allemaal niet.
zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

De aflevering van Zomergasten was desondanks verrassend goed dank zij Abou Jahjahs verhaal en de beelden die hij had meegebracht. Maar wanneer is iets goed? Voor mij is iets goed als ik er mij in kan herkennen, als er (ziels)verwantschap is. Dat begon al goed met Colin Wilson, een schrijver en mysticus die op mij als jonge knaap ook veel indruk heeft gemaakt. Wilson heeft mij helpen beseffen dat ik een outsider was; wat ik altijd ben gebleven. De kritiek op het zionisme leek mij behoorlijk onderbouwd. Abou Jajah wordt uitgescholden voor racist en antisemiet. Daar heb ik in deze aflevering van Zomergasten niets van gehoord. Er is toch een duidelijk onderscheid tussen de ideologische term ‘zionist’ en het woord ‘jood’? Hoewel ik extreem gevoelig ben voor antisemitisme, de joodse cultuur is voor mij bij wijze van spreken heilig, heb ik er niets van gemerkt. Ik geloof dat ik nochtans aandachtig geluisterd heb. Het hoofdstukje over de Black Panthers wordt wel vaker getoond. Maar dat mag en moet zelfs. De uitroeiing van de Black Panther-beweging toont de macht van de staat aan, een macht die zich als zuivere negativiteit kan manifesteren. Een ander voorbeeld van dergelijke negativiteit van de staat is het gedrag van de Belgische politie, dat in sommige gevallen ronduit racistisch is (zonder te willen veralgemenen). Ondanks de paniekerige, schreeuwerige en naar het mij leek wat emotioneel verwarde Erdbrink bleef Abou Jahjah rustig en beheerst. Zijn uitspraken waren weloverwogen, ter zake. Ik zag erg mooie en ontroerende fragmenten, onder meer van een Tunesische zangeres, van Leonard Cohen en van Jacques Brel. Opvallend was dat in heel wat van het gekozen beeldmateriaal de spot werd gedreven met de georganiseerde godsdienst. Of dat die sterk in twijfel werd getrokken, zoals in ‘True Detective’. Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat Dyab Abou Jajah een volbloed romanticus is en een onverbeterlijke optimist. Zijn pleidooi voor Brussel als een nieuw Babylon – denk aan de utopie van Constant Nieuwenhuys - gaf mij meteen zin om mijn verdoemde stad met nieuwe ogen te gaan verkennen. Ik ben echter minder optimistisch. ‘La Bataille d'Alger’ van Gillo Pontecorvo is te realistisch, te levensecht, te zeer van deze tijd om mij toe te staan met gerust gemoed door onze straten te flaneren of onnadenkend een glas te gaan drinken in een coole bar.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

08-06-16

LE BONHEUR VAN AGNES VARDA

bonheur 1.jpg

Ongeveer vijfenveertig jaar geleden zag ik ‘Le bonheur’ (1965) een eerste keer. De pastorale, idyllische beelden zijn me altijd bijgebleven. En ook de zekerheid dat in het paradijs van Agnès Varda, in het gelukkige kerngezinnetje dat zij ons in zijn dagelijks reilen en zeilen laat zien, niet alles pluis is. Gisteren zag ik de film opnieuw, in een magistraal gerestaureerde versie. ‘Le bonheur’ was de eerste kleurenfilm van Varda en dat zie je eraan. Het lijkt wel of de regisseuse al doende kleuren opnieuw uitvindt. De beelden zijn betoverend mooi, maar je zou ze net zo goed kitsch kunnen noemen.

Het verhaal wil ik hier niet uit de doeken doen. Het is te mooi en te verschrikkelijk om waar te zijn. Ik denk dat het over een man gaat die zo gelukkig is dat hij nog meer geluk wil. Wat impliceert dat hij ongelukkig is en het ook zal blijven. Je kunt hier ‘geluk’ door ‘seks’ of ‘bevrediging’ vervangen.

Ik weet niet wat destijds mijn conclusie was. Gisteren besefte ik dat ‘le bonheur’ hetzelfde is als ‘le malheur’ – in de context van Agnès Varda’s film dan toch. En ook in het algemeen: hoe kan een mens gelukkig zijn als zijn hunker en zijn begeerte altijd maar aan hem (of haar) blijven knagen? Als hij nooit volkomen bevredigd is? Zelfs als de zon volop schijnt en de zonnebloemen in volle bloei staan.

bonheur2.jpg

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

 

16-04-13

WILDWECHSEL

wildwechsel-eva mattes.jpg

Eva Mattes in 'Wildwechsel'

 “…also dass eigentlich der Mensch etwas Zartes oder Zärtliches ist und dass das, was er sagt oder denkt, das Schreckliche ist - und nicht, dass er das ist.”
Rainer Werner Fassbinder
 

 

‘Wildwechsel’ is een film van Rainer Werner Fassbinder uit 1973 met Eva Mattes en Harry Baer. Was de regisseur, in mijn ogen nog steeds een genie, in die periode misschien onder de indruk van bepaalde Japanse films? Net als bij onder meer Yasujiro Ozu wordt het leven van de protagonisten in dit verhaal – gebaseerd op een toneelstuk van Franz Xaver Kroetz - bepaald door het burgerlijke gezin. Er is geen liefde mogelijk: de familiebanden zijn zo sterk dat ze alle andere gevoelens verlammen of doen ontsporen. 

In Fassbinders werk zie je vaak een combinatie van liefde, geweld en noodlot. Hier is de vrouw – de veertienjarige Hanni - de belichaming van het noodlot. Haar geliefde, de negentienjarige Franz, is de uitvoerder.  Het fatalisme weerklinkt in het door alle personages gebruikte ‘weil es doch’. Elke verklaring, elke rechtvaardiging begint met zo’n ‘weil es doch’. Door de herhaling verliest de uitdrukking aan betekenis -  die ze in het begin misschien ook al niet bezat. De tekens van het noodlot schijnen geen betekenis te hebben. Er is geen geschiedenis; de tijd schenkt de woorden geen nuances, de kleuren geen tinten. ‘Verschuivingen’ zijn niet mogelijk, alles ligt vast. De kinderen herhalen het  tragische spel  van hun ouders.

26-12-11

IN EENZAAMHEID EN STILTE

 cadiz2011.jpg

Cadiz, februari 2011. Foto: Martin Pulaski.

“Thuis, in eenzaamheid en stilte, hervond ik mijzelf, hulde mij in mijn eigen geestelijke atmosfeer waarin ik me op mijn gemak voelde als in goedzittende kleren. Na een uurtje gemediteerd te hebben  zonk ik weg in de vergetelheid van de slaap, los van verlangens, wensen, begeertes.” August Strindberg, Eenzaam, 1903.

 

Er is meer droeve muziek dan vrolijke, tragedies raken je veel dieper dan komedies: het leven is geen pretje. Vaak maakt een boek je nog eenzamer dan je je al voelt nog voor je er in begint te lezen. Sterke of zwakke personages leiden sterke of zwakke levens. Maar ze bestaan, ze handelen, ze eigenen zich een plaats toe in de wereld, ze worden door anderen omringd, liefgehad, bemind, bedrogen, bestolen, bekroond, van de troon gestoten. 'Eenzaam' van August Strindberg is anders. Als je dat leest valt de eenzaamheid van je af. Een heel dun boekje, maar dik inzake inzichten, en daardoor groothartig inzake troost.

Met eenzaamheid leren omgaan, er leren van houden - dat doe je niet alleen door gedichten van Fernando Pessoa te lezen, films van John Cassavetes te zien, stukken van Sofokles te analyseren, maar vooral door te oefenen. Noem het schrijven, schilderen, iets maken. Je creëert je ingebeeld gezelschap, dat voor jou reële vormen aanneemt. Maar meer dan eens lukt dat niet. Wanhoop, miserie, innerlijke leegte komen je gezelschap houden. In zo’n geval is er nog altijd vergetelheid in melancholische muziek (voor de gevaarlijke gevolgen waarvan Thomas Mann al waarschuwde in De Toverberg), alcohol of drugs.  Kortstondig, als de blik in de ogen van een betaalde gazelle.

Een jongen of meisje gaat op zoek naar zichzelf, ontdekt vervolgens dat dat niet bestaat. Ai, geen zelf, wat nu? Werken maar. Beelden, woorden, het hele gedoe. Denkbeeldige armen van Venus of een andere godin.

De kleine dingen – en dieren - om je heen, vooral de mus of een andere minuscule vogel, kunnen je teruggeven aan jezelf, een zelf dat inmiddels wellicht veranderd is. Een mens blijft zichzelf herhalen, maar wordt om de zoveel jaren ook een andere mens, iemand anders. Waarom wordt dan zo vaak gezegd: je bent niets veranderd?

In februari dit jaar was ik twee weken alleen in Andalusië. Ik voelde me daar zelden eenzaam, met altijd de oceaan in de buurt, en die aangename afwisseling van dagenlang regen en dan langere periodes van heldere lucht, dromerige zon. Het deed me inderdaad goed om die bepaalde eenzaamheid te doorbreken met een praatje. Met iemand die op de bus naar Sanlucar de Barrameda  stond te wachten of met een of andere vriendelijke barman, zoals die van de Woodstock Bar in Cadiz. Wat is het goed als er niets van je gewild wordt en als jij zelf ook niets bepaalds wilt.

Het is toch vreemd dat je onzichtbaar kunt worden voor jezelf. Dat je jezelf helemaal niet meer ziet. Soms heb ik een hele tijd in de spiegel gekeken, me geschoren en dergelijke, zonder te beseffen dat ik mezelf zag. En dan loop ik soms boos op straat omdat ik het gevoel heb dat de mensen mij niet zien. Besta ik dan niet, vraag ik me af? Ik had het – wat langer geleden - soms ook op mijn werk, vooral tijdens vergaderingen: zagen de aanwezigen mij niet? Bestond ik wel echt? Waarschijnlijk had ik mij teveel geoefend in het mezelf onzichtbaar maken, geoefend in mijn eigen afwezigheid.

Dat schijn ik nog altijd te doen. Wil ik eigenlijk wel graag dat de anderen mij zien? Nochtans was mijn jongensdroom toneelspeler worden. Ik heb het een tijdje gedaan als avant-gardistische amateur. Maar het wilde niet goed lukken: ik was bijna altijd te zeer mezelf. Ik was een jongen die niet meteen besefte dat hij niet 'voor goed' bestond. Een jongen die op zijn minst twintig jaar moest slapen om dan, na het ontwaken, in de spiegel te kijken en zich af te vragen: wie is die man van middelbare leeftijd met die stoppelbaard? Hoe lang loopt hij hier al rond? Hoe lang zal zijn liedje nog duren?

Als je lang niet meer met iemand hebt gepraat kan alles beginnen te duizelen. Je bent van niets meer zeker. Er is nauwelijks nog een overgang tussen je huid en de kamer waarin je je bevindt. Geen kosmische ervaring in dit geval, maar een soort van identiteitsverbrijzeling. Je kunt je best wel behaaglijk voelen in je eenzaamheid. Maar het mag niet te lang duren.

 

26-01-09

HELSE DAGEN, HELSE NACHTEN

 

horror,metro,leven,vrijheid,avond,geld,ziekte,inleving,verslaving,dansen,werk,verbeelding,vermoeidheid,fitness,wellust,empathie,kopen,dendermonde,verstrooidheid,ochtend,bureau,consumptie,tragedie,gevangenschap,zwaarlijvigheid,goya,rede,dierlijkheid,transformaties,metamorfosen

Marlon Brando, The horror...

Vandaag verliet ik, na een week aangename gevangenschap, nog een keer mijn paleis. Vaak, en zeker in de winter, wil ik niet meer dan dat: een gevangene zijn van mezelf, in mijn eigen paleis. Of noem het kasteel, kazerne, labyrint, privé-school, wat je maar wilt, zolang je me het woord ‘gevangenis’ bespaart. Er zijn geen tralies en ik moet niet afrekenen met cipiers. Al ben ik in zekere zin natuurlijk mijn eigen opzichter. Vaak spoed ik me met tegenzin naar de metro, richting stadscentrum. Ik heb na een zevental dagen dank zij ziekte en vermoeidheid een soort dierlijk ritme teruggevonden, en een vreemde wellust heeft zich meester van me gemaakt… Of lijkt het op de rust van een schip aangemeerd in een zomerse haven, terwijl de dokwerkers in staking zijn – maar die situatie weliswaar verinnerlijkt?

Ik stap in de metro en maak me zo smal mogelijk – daarvoor doe ik aan fitness – om tussen twee omvangrijke personen in plaats te kunnen nemen. Wat worden mijn soortgenoten dik! Mij bewegen om een boek uit mijn rugzak te nemen is een ernstig avontuur. Eer het boek op de juiste bladzijde is geopend zijn we halverwege het traject. De letters trillen, wat ik lees dringt maar gedeeltelijk tot me door, maar ik kan op deze manier wel mijn omgeving vergeten. Toch blijf ik me bewust van waar ik ben. Dat ik mijn huis voorbijloop gebeurt af en toe, maar ik stap nooit in een verkeerd metrostation uit. Ach, misschien is het me wel eens overkomen, maar echt niet vaak. Van negen tot zes houdt mijn dagtaak me bezig. Ik moet mijn brood verdienen. Of dacht je dat ik van de hemelse dauw leefde?

’s Middags neem ik lange pauzes: mijn verslaving klopt in mijn aderen, in mijn slapen. Ik moet boeken gaan kopen, cd’s, films. Ik snel van de ene winkel naar de andere en koop tot ik denk, dit gaat te ver, of tot ik niet nog meer gewicht kan torsen. Dan keer ik met plastieken zakken terug naar het werk. Ik probeer zo onopvallend mogelijk naar mijn bureau te lopen, want ik schaam me voor mijn consumptiegedrag. Soms doe ik op magische wijze de schreeuwerige plastieken zakken verdwijnen. Zingend en dansend zien mijn collega’s me dan het bureau binnenkomen. Dat werkt aanstekelijk, ze beginnen ook te zingen, komen naar me toe, omhelzen me, wat ben jij toch fantastisch, roepen ze uit. Wat ben ik dan charmant! Maar lang duurt dat spelletje niet. Het is een afleidingsmanoeuvre. Ik speld hen, jou iets op de mouw.

Als de avond valt keer ik weer naar mijn kasteel, waar ik kleine porties eet van het een of ander. Daarna steek ik de kaarsen aan en schrijf een brief aan een schuldeiser of een doodgewone uitbuiter. Nooit schrijf ik nog liefdesbrieven. Zal dat er niet meer van komen? Ik vergeet de nieuwe aanwinsten te beluisteren, bekijken, lezen. Ik ben te moe, moet rusten.

Denk niet dat ik vergeten ben wat er in Dendermonde is gebeurd. Het is een tragedie. Vreselijk dat mensen en mensenkinderen zoiets moeten meemaken. Een klein beetje snijdt die Joker ook in mijn lijf. Zoals de meeste Belgen heb ik er geen woorden voor. The horror, zei Marlon Brando. Wellicht is dat het beste woord: the horror. Ik probeer me voor te stellen wat de familie van de slachtoffers voelt, wat de familie van de dader voelt, wat de dader zelf voelt. Wat hem bezield heeft, hoe lang hij al met zulke plannen rondloopt. Maar het blijft leeg in mijn hoofd. Ik kijk niet naar de nieuwsuitzendingen, wil de sensatie niet zien, de valse opwinding, het rampenvermaak. ’s Nachts zie ik andere gruwelen, transformaties en metamorfosen van wat ik overdag heb gedacht en beleefd. De slaap van de rede, je weet het. De verdomde slaap van de rede. Op sommige dagen biedt zelfs rock ‘n’ roll geen troost.

 

23-01-09

SAVE THE CHILDREN

Marvin Gaye, Save The Children

03-06-08

VOOR HET VERTREK

blues,nieuws,uitspraken,tragedie,reizen,muziek,literatuur,politiek,samenleving


De voorbije maanden zag en hoorde ik een aantal merkwaardige dingen. Waar precies, dat weet ik niet meer.

Patrick Janssens legt een Chinese burgemeester uit wat hij moet doen: zijn dorp verkopen aan Amerikaanse toeristen. Zij houden ongetwijfeld van houten popjes, want houden zij nu al niet van Brugse kant.

Noël Slangen, de raadgever van Guy Verhofstadt, is een fan van Marc Sleen en Nero. De belangrijkste gebeurtenis in zijn leven was toen hij op achtjarige leeftijd een zonnestraal op een stripverhaal van Marc Sleen zag vallen. (Familiale omstandigheden buiten beschouwing gelaten, voegt hij eraan toe.)

De stofzuigerverkopers van de wetenschap waren vaker aan het woord dan me lief was.

People who have resources and people who don’t.

Als je iets goeds doet is het voor eeuwig, doe je iets kwaads dan is het tijdelijk. (Interview met de Mormoonse rock & roll band Low.)

“I know my song well before I start singing”, zingt Bob Dylan. En Allen Ginsberg zit bevestigend te knikken.

Je gaat naar een ander land om later nieuwe ruimte mee naar huis te nemen, nieuwe landschappen. Bij de terugkeer ga je het ‘eigene’ in een ander daglicht zien. Dit heb ik zelf zitten denken tijdens het lezen van een gedicht van Hölderlin. Een dichter die me begeleidt van de wieg tot het graf. De wieg moet je met een korrel zout nemen; en het graf waarschijnlijk ook.

Jongeren die in mekaar werden geklopt en zelfs neergeschoten omdat ze de verbeelding hun gang wilden laten gaan.

Mijn vrienden en ik worden overspoeld met koopwaar. Wat we nodig hebben is schoonheid, nutteloze, eeuwige schoonheid. We willen zelf ons ritme bepalen en de inhoud kiezen die ons leven nodig heeft.

Geneesmiddelen, verwoestende drugs, wapens en wegwerpmuziek overspoelen de beschavingen. Er wordt ons gevraagd (of we worden ertoe gedwongen) de anderen als vijand te zien. Dat willen we niet. We willen de anderen als vrienden, als familie zelfs, zien. We willen hen met open armen tegemoet treden, ook al kan dat ons soms schade toebrengen.

Jan Decorte vindt ‘Mooi en meedogenloos’ een Griekse tragedie. Misschien heeft hij gelijk. Ik heb er nooit naar gekeken. ‘Dallas’ en ‘Dynasty’ heb ik wel gezien, dat waren Amerikaanse tragedies, in die zin dat het alleen om geld en oppervlakkigheden ging.

De blues zijn vaak scherp verwoorde, bondige, universele tragedies.

Het tragische is onder meer het geweld van moeder tegen dochter, vader tegen zoon, dealer tegen junkie, landschap tegen beschaving, natuur tegen wat met veel geduld en moeite werd opgebouwd.

En nu is tijd om nog even te slapen voor ik naar Porto vertrek. Volgende week ben ik er weer met nieuwe berichten uit mijn schemerzone.

24-04-08

ONGETWIJFELD ANTIGONE (IN 1968)


Ik was ongeveer achttien geloof ik.
Ze noemden mij mister pitiful.
Ik had regenbogen als schoenzolen.
Op een mooie dag moest ik mij in een man verkleden.
Ik was een naïeve, bange jongen.
Ik was een ongeschoolde dichter.
Ik moest mij in een man verkleden.
Ik zou voor een commissie verschijnen.
Ik zou Antigone spelen.
Een stukje Antigone, niet het hele stuk.
Ik moest een meisje worden.
Een meisje dat zich in de huid van een vrouw moest naaien.
Een tweede huid, een derde huid.
Maar wie zou het meisje zijn en wie de jongen?
Alleen ik lag daar wakker van.
De wereld sliep in halfgouden dromen en zonder veel begeerte.
Er was niets aan de hand.
Ze verdienden geld als slijk, slib, smurrie.
Ze sliepen voldaan, zonder te snurken.
De mensen, de vaders en moeders.
Zij die uit de oorlog kwamen en de wetten spelden.
Ik was achttien en wist het niet.
Ik wist niet dat ik een antieke Griekse zou worden
die appelsienen van de bomen plukt.
Die in de dromen van haar donkere slaap
haar dode broer met lauweren kroont.
Ik at geen appelsienen en laurier was niet meer dan een woord.
Niet meer dan een geur in moeders keuken.
Waar ik mijn Grieks meisje lange brieven schreef
over hoe we in grotten zouden dansen en een nieuw vuur vinden.
Naar de overzijde zouden we gaan, schreef ik.
Naar de overzijde, waar de bloemen bloeien.
Nee, zei ik, ik word geen man, ik word geen vrouw.
Ik viel in een donkere slaap waarin ik dichter werd.
Ik vluchtte naar de bomen.
In de boomgaard onder de appelbomen wachtte ik af.
Ik vluchtte naar het water.
Daar aan het water ging ik zitten wachten
en de as uit mijn ogen wassen
Tot de wereld genezen was.

27-02-08

TRIOMF VAN HET LEVEN I

 

leven,shelley,freud,sofokles,schopenhauer,tragedie,thanatos,dood,doodsdrift,lamartine,job,romantiek,ontwerp,romanfragment

Tussen mijn oude papieren, een onoverzichtelijke massa, vond ik een fascinerende tekst uit 1975 terug, die ik als titel ‘Triomf van het leven’ gaf. Het vreemde is dat hij vooral over de dood gaat, of liever: over het doodsverlangen en de doodsdrift. Omdat het een vrij lange uiteenzetting is, kan ik ze hier niet volledig weergeven maar misschien is het toch interessant om de inleiding te kopiëren. (Snel overtypen, bedoel ik daarmee.)

“Het leven is het leven”. Rampzalige tautologie, die alles bevat maar niets betekent. Kon ik ze maar doorhalen. Ging het maar om een foutieve constructie. IJdele wensen…Wekenlang houdt deze korte zin mij al gevangen; ’s nachts belet hij me te slapen, te werken overdag. Ik kan aan niets anders meer denken… Een dodelijke zin is het; en toch kan ik hem niet loslaten. Sinds de dag dat de zin op mijn raam kwam tikken heb ik al twee cahiers volgeschreven. Niets van mezelf, alles van anderen: fragmenten van bekende en minder bekende dichters en denkers. Gedachten, beschouwingen, uitspraken over de zin, de oorsprong, het doel en zelfs de absurditeit van het leven. Wat viel me tijdens die koortsachtige werkzaamheid – eigenlijk meer een me-laten-gaan – vooral op? Dat bijna alle auteurs het steeds weer over de dood hebben, of op zijn minst over de verweving van leven en dood.

De volksmond leert dat het leven een strijd is. Aan deze wijsheid gaf Charles Darwin een wetenschappelijke waardigheid. Ook bij Hegel, Marx en Nietzsche treffen we agressie, strijd, oorlog en vernietiging aan. Niets anders toont ons de menselijke geschiedenis. Schopenhauer, voorloper van de Weense School, geeft ons de raad het leven op te vatten als een ontgoocheling. “Wat ligt er toch een afstand tussen het begin en het einde van ons leven: het begin met de waan van de begeerte en de verrukking van de wellust, het einde met de vernietiging van alle organen en de stank van rottende lijken…”. De wereld is volgens Schopenhauer een boeteoord, een strafkolonie (hierin verschilt hij niet van de ware christen). Schopenhauers epigoon, Sigmund Freud, is niet minder fatalistisch: het levenloze (steen) was eerder aanwezig dan wat in leven is (adem) en al wat leeft neigt naar een herstel van deze oorspronkelijke toestand. Met andere woorden: het doel van het leven is de dood. Freuds belangstelling voor de klassieke tragedie bracht me op het spoor van Sofokles’ woorden:

“Niet geboren zijn is het allerbeste,
dan, als tweede, dat wie in het licht verscheen
snel daarheen weerkeert vanwaar hij kwam,
want wanneer de jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd.”
(Sofokles, Oedipus in Kolonos, 1230-1234

Dit thema, dat het beter is niet geboren te zijn, komt in de literatuur heel vaak terug.  In het boek Job lezen we: “De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen!” (Job, iii, 3) en “Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af en heb de geest gegeven als ik uit de buik voortkwam?” (Job, iii, 11) en ook nog dit “En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Ach, dat ik de geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde! Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.” (Job, x, 18-19).

In Miltons ‘Paradise Lost’ staat het zo: 

Did I request thee, Maker, from my clay
To mold me man, did I solicit thee
From darkness to promote me, or here place
In this delicious garden? As my will
Concurred not to my being, it were but right
And equal to reduce me to my dust,
Desirous to resign and render back
All I received unable to perform
Thy terms too hard, by which I was to hold
The good I sought not.

(Milton, Paradise Lost, X, 743-752)

En Lamartine in ‘Le désespoir’:

“Quel crime avons-nous fait pour mériter de naître?”

Tot hier de inleiding. Vervolgens probeerde ik deze donkere omhelzing van de dood te bestrijden. In 1975 was ik daar, gesteund door andere dichters en denkers, nog toe in staat. Maar ook dat gedeelte klinkt wanhopig. Zinnen – die de sporen dragen van mijn onderdompeling in de romantiek – als “Liefste, snikt hij, wat vreet zo aan mijn hart? Het laat me maar niet met rust…” zijn er geen uitzondering.

Uit dat beamende gedeelte van ‘Triomf van het leven’ zal ik een van de volgende dagen een fragment kopiëren. De titel heb ik trouwens ‘geleend’ van Shelley, een zeer jong gestorven revolutionaire dichter en vijand van de dood.

27-10-07

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?


Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

***

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)

20-03-06

TAROT / RUDOLF THOME


‘Tarot’ van Rudolf Thome, met Hans Zisschler, Rüdiger Vogler, Vera Tchechova en Katharina Bohm. Opnieuw intens genoten van deze trage, volwassen film, die gebaseerd is op 'Die Wahlverwandschaften' van Goethe, maar ik geloof dat het tarot-element wel nieuw was. Films als deze zijn parels : geen auto-achtervolgingen, geen geweld, niets van dat spectaculaire dat ons de laatste jaren zo vaak pijn aan de ogen doet, of over de grond laat rollen van het lachen (maar niet lang). Gewone mensen die met elkaar proberen te leven en te werken en daar maar heel moeilijk of helemaal niet in slagen. Het noodlot, de tragedie, het onherroepelijke - hoe dat alles moet worden aanvaard. Het is duidelijk dat zo'n prachtig huis - waar deze mensen in wonen - niet voldoende is om gelukkig of zelfs maar tevreden te zijn. Je moet er kunnen in leven.

Het thema van de werkloze schrijver komt in Tarot aan bod, maar het bestond ook reeds in Goethe's versie uit 1809 : "In geen van die betrekkingen past hij. Hij kan er niets werkelijks doen; hij moet zich opofferen, zijn tijd, zijn overtuigingen, zijn manier van leven, en dat is hem onmogelijk."

17-02-06

OVER DE EENZAAMHEID VAN HET BESTAAN

job,boeken,tragedie,sophocles,oedipus,milton,lamartine,schopenhauer,freud,breton,cyberwereld,internet,eenzaamheid,octavio paz,geboren worden

Is eenzaamheid een goede zaak? Waarschijnlijk is de mens het enige wezen dat het gevoel van eenzaamheid kent. De eenzaamheid is de ballingschap uit het paradijs. Je vertoeft niet langer in de buik van de moeder. De navelstreng is doorgeknipt. Je kinderjaren, doorgebracht in tuinen en boomgaarden waar je je veilig voelde, dicht bij klaprozen en zachte merries, of hele dagen in de bomen dromend, zijn voorbij. Ook je adolescentie, toen je een held was, een genie; de gelukzalige dagen waarop vanuit de spiegel Narcissus je in de ogen keek, heb je achter de rug. 

Je bent op zoek gegaan naar een vrouw, hebt een geschikt huis gevonden, bomen geplant voor je kinderen, een boek geschreven. Je bent ouder geworden, eenzamer. Op een dag zat je alleen in je kamer te mijmeren. Plotseling hoorde je iemand zingen: “my book is closed, I read no more”. Die stem van een waanzinnige greep je naar de keel, maar tranen kwamen er niet. Je kunt niet huilen als je alleen bent. Je dweept niet met melancholie.

Wat Octavio Paz zegt is waar: “Wij zijn gedoemd om alleen te leven maar ook om onze eenzaamheid te boven te komen en de banden die ons in een paradijselijke verleden met het leven verbonden weer te herstellen. Heel ons streven is erop gericht om onze eenzaamheid te doorbreken.”
Je wilt jezelf zijn, jezelf beter leren kennen, maar je wilt ook uit jezelf treden, de extase omhelzen. Je hele leven lang zoek je de andere. De verloren helft die naar je weet ergens op de wereld moet te vinden zijn. Je vindt geen rust. Ergens bevindt zich een verborgen schat, een zin in een boek, een reeks noten in een muzikale compositie. Hereniging brengt rust en geluk. Maar welke hereniging?“Geboren worden en sterven zijn ervaringen van eenzaamheid”, schrijft Octavio Paz. “Wij worden alleen geboren en wij sterven alleen. Niets is zo ernstig als de eerste onderdompeling in de eenzaamheid, tenzij die andere val in het onbekend die de dood is.”

In alle tijden hebben schrijvers benadrukt dat het leven op aarde geen pretje is; beter is het zoals Job klagend uitroept, nooit geboren te zijn:

“En ach waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Ach, dat ik de geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde! Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware, van moeders buik zoude ik tot het graf gebracht zijn geweest.”
(Job, X, 18-19).

Waarvan we de echo horen bij Sophocles:

Niet geboren zijn is het allerbeste,
Dan, als tweede dat wie in het licht verscheen
Snel weer daarheen weer keert vanwaar hij kwam,
Want wanneer jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
Wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd?
(Sophocles, Oedipus in Colonus, 1225-1229)

En in Miltons Paradise Lost:

Did I request thee, Maker, from my clay
To mold me man, did I solicit thee
From darkness to promote me, or here place
In this delicious garden? As my will
Concurred not to my being, it were but right
And equal to reduce me to my dust,
Desirous to resign and render back
All I received, unable to perform
Thy terms too hard, by which I was to hold
The good I sought not.
(Milton, Paradise Lost, X, 743-752)

En bij Lamartine:

Quel crime avons-nous fait pour mériter de naître?
(Lamartine, Le désespoir).

Voor Schopenhauer is de wereld een boeteoord, een strafkolonie, net als voor de échte christenen. Schopenhauers epigoon, Sigmund Freud, is niet minder fatalistisch: het levenloze was eerder aanwezig dan het levende en al wat leeft neigt naar een herstel van deze oorspronkelijke toestand. Met andere woorden: het doel van het leven is de dood.

Fatalisme, pessimisme, een tragisch leven waarin elk plezier wordt overschaduwd door de dood. Lijnrecht tegenover deze ellende staat de liefde, stralend en licht, die in Dantes Paradiso kernpunt is van het leven en er de kosmos doet bewegen (“l”amor che muove il sole e l’altre stelle.”) Volgens Octavio Paz heft de liefde de tegenstelling van leven en dood op. Schepping en vernietiging versmelten in de liefdesdaad. Maar is liefde mogelijk? “Om zich te kunnen verwezenlijken is liefde genoodzaakt de wetten van de wereld te breken. In onze tijd is liefde schandaal en wanorde, overtreding: die van twee hemellichamen die de noodlottigheid van hun banen doorbreken om elkaar midden in de ruimte te ontmoeten”, schrijft Octavio Paz.De liefde ('amour fou' bij André Breton) is onverzoenlijk en gevaarlijk. Zich aan de liefde overgeven is zich overgeven aan de waanzin.

Kijk waar ik ben uitgekomen. Ik wilde over de eenzaamheid schrijven, met in mijn achterhoofd de mogelijkheden van internet om aan de eenzaamheid te ontsnappen, een middel om troost te zoeken bij vreemden, ver weg of dichtbij in de cyberwereld. Maar ik ben afgedwaald en bij geboorte, dood en liefde aanbeland. Alle wegen leiden daar naartoe. Ik ben weer aan land.

23-11-05

VERWARRING, GEHEUGENVERLIES, DWANGMATIG GEDRAG


mulholland1


Breekt voor mij een tijd van verwarring aan? Ik kan, zoals de mensen zeggen, mijn draai niet vinden. Het werk kan me niet boeien. Ik wacht op het einde van de dag, de vrije tijd. Maar de vrije tijd bestaat niet, want we zijn niet vrij, we zijn bepaald door ons karakter, door onze persoonlijkheid, door ons ‘onbewuste’. Vaak doen we dingen die we niet echt willen doen, beïnvloed door reclame, ‘hypes’, de omgeving, allerhande meningen van vrienden en kennissen en onbekenden. Iedereen heeft voorkeuren en goede raad, of keurt dingen af. Ik sluip winkels binnen en probeer na betaling van schrikwekkend hoge bedragen onopvallend met mijn karrenvrachten koopwaar thuis te geraken, zwetend en in stilte vloekend vanwege de overvolle metro’s en bussen. Had ik niet al lang geleden een grote auto moeten kopen, die ik zonder enige moeite vol had kunnen laden en waarmee ik heel Europa had kunnen ontdekken en veroveren? Waarom heb ik me altijd zo halsstarrig tegen de automobiel verzet en ben ik zo trots op mijn voetgangerschap? Elke keer als ik ergens lees dat iemand bekend of beroemd geen auto heeft, weerklinkt er binnen in mij een gejuich. Waarom? Ik heb die aversie nooit grondig geanalyseerd. Als kind heb ik me eens opgesloten in de auto van mijn ouders, toen ze mij terugbrachten naar het internaat, omdat ik niet terugwilde naar die gevangenis, omdat ik geen afscheid wilde nemen van mijn vader en vooral niet van mijn moeder (die me had leren lezen). Zolang ik in die auto opgesloten zat konden zij er niet in en was ik veilig: zij zouden zonder de auto niet vertrekken. Maar wel zonder mij. Was de auto dan belangrijker?

Mijn schoonbroer Bruno heeft net als ik geen auto. Hij ligt nu in coma in een ziekenhuis in Athene. Hij woonde al jaren op het Griekse eiland Mykonos, waar hij zijn hart aan het zoeken was. Een schilder, zonder veel succes overigens. Om aan de kost te komen schilderde hij fresco’s in restaurants en dergelijke. Vorige week heeft iemand hem heel zwaar toegetakeld. Vlak bij zijn woning, in een klein dorp op dat eiland, is hij in bewusteloze toestand teruggevonden. We weten nog niet of zijn hersens beschadigd zijn. Ik ben al meermaals overvallen hier in mijn stad, maar zo iets ergs is me gelukkig nooit overkomen. Je bent nergens veilig. Tenzij misschien als je uitsgelapen, nuchter en alert in een auto zit en rijdt en rijdt en rijdt. Zoals dat in de films van David Lynch wordt gedaan. En als er geen auto is, dan maar een grasmaaier (The Straight Story). Gisteravond, na de vermoeiende Spaanse les, heb ik de zeer enigmatische film Mulholland Drive nog eens bekeken. Ik begrijp er nog altijd niets van, maar vind dat ook niet erg. Ik heb mij gisteren vooral op de actrices geconcentreerd, te moe om het verhaal te volgen. Welke van beide vrouwen vond ik de mooiste (en de beste actrice), Laura Harring of Naomi Watts? Naomi Watts vond ik de beste actrice, Laura Harring fascineerde me door haar gelijkenis met Kim Novak in Vertigo. Maar de mooiste? Ik weet het niet, en ook dat heeft geen belang. Het raadsel van het blauwe doosje zou ik willen oplossen. Dat lijkt me wel belangrijk. In de context van Mulholland Drive, bedoel ik. In het ware leven speelt het blauwe doosje geen enkele rol. Of draait het toch allemaal rond geheugenverlies, en is het blauwe doosje daar het symbool van? Overigens vertoeven de personages in de films van David Lynch, ook al rijden ze in prachtige grote Amerikaanse wagens, in volstrekt onveilige werelden.

Geheugenverlies en verwarring, maar ook vrolijkheid vanwege een gisteren ontvangen, met de hand geschreven brief van een fotografe die ik zeer bewonder, en waarover ik het hier een paar dagen geleden al had en waarover later meer zal volgen. Een brief en een foto van een fotografe. Dat was lang geleden, dat er zo iets moois en lichts in onze brievenbus zat.

11-10-05

MEDEDOGEN MET PHILOCTETES


philoctetes 3

Philoctetes, onderweg om met de Grieken in de Trojaanse oorlog te gaan vechten wordt op het eiland Lemnos in de voet gebeten door een slang. Al kort daarna druipt stinkende pus uit zijn voet en vloekt hij het uit van de pijn. Zijn gezellen laten Philoctetes verzwakt en hulpeloos achter op het onbewoonde eiland. Philoctetes is kreupel en heeft geen andere hulpmiddelen dan zijn boog en zijn pijlen, "zonder andere vrienden dan de dieren die tevens zijn voedsel waren."
Tien jaar later komen de Grieken hem weer zoeken, want inmiddels hebben ze begrepen dat ze zonder de boog van Philoctetes de oorlog tegen Troje niet kunnen winnen. Ze komen niet terug om hem te helpen, of uit schuldgevoel en schaamte, maar alleen omdat ze hem kunnen gebruiken. Hij is niet meer dan een middel om een doel te bereiken.

Bij Sophocles, de schrijver van deze tragedie, is er echter de troost van het koor dat smeekt: "Heb mededogen met hem!"
En Philoctetes zegt het volgende:
"Red me, heb mededogen, in het besef dat elk sterfelijk leven vatbaar is voor gevaar en vreselijk onheil. Er kunnen goede dingen gebeuren, maar ook het omgekeerde is mogelijk. Iemand die niets te lijden heeft moet op zijn hoede zijn voor vreselijk onheil en vooral als het je goed gaat in het leven, moet je oppassen dat je niet onverwacht te gronde gaat."
Sophocles was kennelijk negentig toen hij deze tragedie schreef.

04-10-05

THERE'S NO SUCCESS LIKE FAILURE


masked and anonymous

Kennelijk is heel Groot-Brittannië in de ban van Bob Dylan. Telkens als ik BBC2 aanzet is er wel iets van of over Bob Dylan. Loop ik voorbij een Engelse boekwinkel hier in Brussel willen etalages vol boeken over de grote songschrijver mij verleiden om even binnen te komen, waar ik wegens geldgebrek voorlopig aan heb kunnen weerstaan. Documentaires en films bekijken op televisie is goedkoper. Zo zag ik een paar dagen geleden het merkwaardige epos Masked and Anonymous, een film van een mij volmaakt onbekende regisseur die Larry Charles heet. Ik heb nog steeds geen moeite gedaan om via google te weten te komen wie dat nu eigenlijk is. Let the mystery be! De scenarioschrijver heeft een Russische naam, maar ik heb heel sterk de indruk dat die Rus in werkelijkheid Robert Zimmerman heet, een beroemde Amerikaan uit de staat Minnesota, wiens voorouders ooit uit Rusland of Oekraïne naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd en na lange omzwervingen in die koude staat, vlak bij de Canadese grens, een huis, een zaak hebben opgebouwd. Dergelijke reizen zijn overigens voortreffelijk gereconstrueerd in het Museum Of Immigration in New York. Alleen al voor dat museum is het moeite waard om de stad de bezoeken.

Waarom denk ik dat de meester ook de scenarioschrijver is? In de eerste plaats doordat de film heel sterk lijkt op een song van Bob Dylan, het meest van al misschien nog wel op Desolation Row. De wereld van Masked and Anonymous is de wereld van Dylan, bevolkt met personages uit zijn songs, uit zijn verbeelding en uit zijn biografie. Het is een bijzonder boeiende ervaring om gedurende twee uur in die chaotische wereld ondergedompeld te worden. Bob Dylan schreef ooit “I accept chaos. I hope chaos accepts me”. Als je deze film bekijkt doe je er ook goed aan om de chaos te accepteren, hoewel het een chaos is die een kunstenaar naar zijn hand heeft gezet, vorm heeft gegeven, Apollinisch heeft gemaakt, om met Nietzsche te spreken. Overigens zijn Dylan en Nietzsche verwante geesten, denk ik. Het komt me voor dat beiden de muziek als een soort van oorsprong zien, voor Nietzsche van de tragedie (of ook wel de opera van Richard Wagner), voor Dylan de zin van het bestaan, waar ook het tragische overheerst. Het tragische betekent dat er een noodlot heerst, bij de Grieken ananke genoemd, waar je hoegenaamd niet kunt aan ontkomen. Iedereen kent het verhaal van de jonge man die naar Isfahan vlucht om aan de dood te ontsnappen, en het is precies in Isfahan dat de dood hem op staat te wachten. Tragisch. Het noodlot, het lot, het menselijk bestaan. In de film heet Bob Dylan Jack Fate. Het is een onverschrokken schriel mannetje, niets lijkt hem te raken, liefde, haat, revolutie, om het even… Maar elk ding en elk dier en elke mens zijn het waard er te zijn omdat ze er zijn, en dwingen om die reden bewondering af. Wat zijn goed en kwaad in een tragisch bewustzijn? Toch zong de man ooit: I define these words quite clear, no doubt, somehow. Let vooral op de uitdrukkingen “no doubt” en “somehow”.

De (arche)typisch Dylaniaanse mythologische figuren, zei ik. Je ziet in Masked and Anonymous een heleboel figuranten rondlopen, die eruitzien als Gandhi of Paus Johannes Paulus of zo, maar dat zijn dan ook zo van die schriele mannetjes zoals Jack Fate zelf. Je weet toch dat Bob Dylan ooit voor de paus heeft opgetreden? En dat zowat alle Dylan-fans toen boos en teleurgesteld waren. Maar waarom zou je niet optreden voor de paus als je ook optreedt voor vijfduizend boe-roepers in Royal Albert Hall in Londen in 1966 of Manchester, waarbij ze je voor Judas uitschelden? Andere typische mythologische Dylaniaanse figuren zijn de reporter of journalist als vijand en als medestander – dat is een constante in Dylans biografie – en de vrouw als muze, als moeder en als hoer (La maman et la putain, bij de geniale filmregisseur Jean Eustache). Ik ben hier even aan het freewheelen en uit de mouw aan het schudden, dat is wel zo leuk. Graag zou ik nu ook nog, na zovele jaren van abstinentie, een lekkere joint roken, maar helaas heb ik te veel last van astma en kan dat gewoonweg niet. Ooit komt een dag dat ik me eens op een goede spacecake trakteer. (Of jij misschien Ingrid, of een van die andere Dylan fans?)

In Masked and Anonymous wordt heel goed en heel slecht geacteerd. Ik heb een mooie monoloog van Jeff Bridges gehoord, in de dubbelzinnige rol van de reporter Friend, over Jimi Hendrix en Woodstock. Dat Jimi Hendrix The Star Spangled Banner daar speelde, niet om te provoceren of als protest tegen de oorlog in Vietnam, maar om zijn liefde voor zijn land te verklaren, en vooral om liefde te krijgen, want dat was het enige wat hij echt verlangde, dat de mensen hem liefhadden? Verlangen wij dat niet allemaal dan?
Ook andere acteurs en actrices laten zich gewillig door Jack Fate manipuleren: Jessica Lange, de fantastische John Goodman, Mickey Rourke, Penélope Cruz en een klein meisje dat ons allen ontwapent als zij The Times They Are A-Changing zingt:
The first one now will later be last.

Hoogtepunt van de film is wellicht een paranoiascène op basis van het Shakespeare-thema dat de hele wereld een toneelscène is en iedereen een rol speel, met andere woorden dat iedereen anoniem is en gemaskerd door het leven gaat. Een gemaskerde hoeft geen masker te dragen maar kan wel heel goed een Jago zijn. Een Jago hoeft geen geniepige of venijnige kop te hebben, maar kan een vriendelijke jongen, een computerspecialist, een verleidelijk meisje, of een vriendelijke dame op leeftijd zijn. Wat je maar vreest. Geen klein kindje echter, dat nog niet. Dan komen we bij Roman Polanksi terecht, en dat is een heel ander hoofdstuk, voor een andere nacht.

Ik wilde het nog over een andere interessante mislukking hebben, Broken Flowers, van Jim Jarmusch, een film opgedragen aan Jean Eustache, en er via Wim Wenders en Der Amerikansische Freund ook heel subtiel naar verwijzend, maar ik ben veel te moe, zeker nu ik Doug Sahm hoor zingen, Stoned Faces Don’t Lie, zingt hij, was het maar waar, reden die volkswagentjes nog altijd maar zo vriendelijk rond, was de wereld maar liever lief, zoals in 1968 werd gedroomd, een van de wreedste jaren van de 20ste eeuw, in zekere zin… Was was was. In Golden Gate Park. Slaap. Moe. Wat zeg ik? Wie ben ik? Waar is mijn slaapmasker?