01-04-16

PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is - niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto's: Martin Pulaski, Brussel, 2013

03-03-16

DUBBELGANGERS IN HET SPIEGELPALEIS

DSC_0249.JPG


Zal ik klagen of niet klagen, dat is de vraag. Het antwoord is dat gezeur geen zin heeft. Waar ik last van heb, hoofdpijn ’s morgens, lusteloosheid, vermoeidheid en dergelijke, doe ik mezelf aan. Het antwoord is dat ik naar buiten moet, onder de mensen, gesprekken voeren, naar concerten gaan, naar de bioscoop, theater, op café. Dat ik andere oorden moet opzoeken, reizen, mijn zorgen laten verdampen samen met de mist, ergens in een groots en troostend landschap. Of naar steden! Venetië, New York, Rome, Stockholm, Wenen (en de steden die ik bijna niet meer durf te noemen, zoals Boedapest, Praag, Krakau). Maar ik doe het niet. Ik blijf lekker thuis, wat lezen, wat schrijven, een film bekijken (op te klein scherm), wat liedjes beluisteren.

Andere jaren verbleven we in de winter een maand in Valle Gran Rey of Tazacorte, waar de lucht goed is en de mensen vriendelijk zijn. Altijd de nabijheid van de oceaan. Altijd het heilzame licht van de zon. Elke dag een stevige wandeling, ’s avonds vis en een glas witte wijn. Muzikanten op de kleine promenade, een jonge vrouw die op Janis Joplin lijkt zingt ‘Ol’ 55’ van Tom Waits.

Gisteren las ik in Knack een gesprek met kinderen, jongens van vijf tot vijftien die in trainingskampen alle technieken leren om 'ongelovigen' zo efficiënt en afschrikwekkend mogelijk te doden.
“Salem: 'Ze leerden ons hoe we wapens in en uit elkaar moesten halen en schoonmaken. En ook hoe we een explosievengordel moesten omdoen. Ze vertelden ons dat we naar het paradijs zouden gaan als we onszelf opbliezen. De mannen van het FSA (Vrije Syrische leger) waren kafirs, ongelovigen zeiden ze. Die moesten dood. Ook als er in onze familie mensen zaten bij de FSA moesten die dood, want dat waren ook ongelovigen.'”
Sandro_Botticelli_-_La_Carte_de_l'Enfer.jpg

Ik herlees ‘Aurélia of De droom en het leven’ van Gérard de Nerval. Het verhaal is een proeve van antipsychiatrie avant la lettre. Dat de verteller een aandoening die zich in de psyche voordoet 'ziekte' noemt vindt hij een vergissing, “want wat mijzelf betreft heb ik me nog nooit zo goed gevoeld. Soms dacht ik dat mijn energie en mijn activiteit verdubbeld waren; ik meende alles te weten en alles te begrijpen; de verbeeldingskracht bezorgde me grenzeloze verrukkingen.” ‘Aurélia’ is het verslag van een mystieke ervaring (of een psychose), van een aanval van wat nog niet zo lang geleden schizofrenie werd genoemd. De gespleten persoonlijkheid – bij Ronald Laing ‘the divided self’ – stemt overeen met het romantisch begrip van de dubbelganger. Ieder mens heeft een dubbelganger en wanneer hij hem ziet is de dood nabij. “Er schuilt in ieder mens een toeschouwer en een speler,” schrijft Nerval, “degene die praat en degene die reageert. De oosterlingen hebben daar twee vijanden in gezien: de goede en de slechte genius. Ben ik de goede of ben ik de slechte, vroeg ik mij af. In ieder geval staat de ander vijandig tegenover mij.”
0Félix_Nadar_1820-1910_portraits_Gérard_de_Nerval.jpg

Meer met de voeten op de grond maar even grote literatuur is ‘Jongensjaren’ van J.M. Coetzee, waar ik vandaag in begonnen ben. Literatuur als bewustzijnsverruimer en als geneesmiddel.

Gisteren ook nog een schitterend interview van Piet Piryns met Ilja Leonard Pfeijffer. Ik ken ‘de grote vriendelijke reus’ alleen maar van zijn gedichten. Nu ga ik zeker ook zijn proza lezen, met als startpunt ‘Brieven uit Genua’. Het hele gesprek is een plezier om te lezen, maar dit stukje, over authenticiteit, sprong er voor mij toch uit:
“Een van de grote consequenties van internet is dat het hele begrip authenticiteit problematisch is geworden. Daarom fascineert Facebook me ook zo, de verhouding tussen feit en fictie is een van de grote thema’s in al mijn boeken. Feit en fictie lopen steeds meer in elkaar over, ook in het dagelijks leven. Mensen kiezen in het restaurant bijvoorbeeld gerechten uit waarvan ze vermoeden dat die het goed zullen doen op Instagram. Facebook wekt de indruk dat het medium bedoeld is voor een ongegeneerd inkijkje in het dagelijks leven en dat het allemaal heel spontaan gaat, maar het tegendeel is waar: men is heel erg bewust bezig met de constructie van een identiteit en het creëren van een imago. Facebook is een spiegelpaleis van authenticiteit, waarin je kunt verdwalen.”

Feit en fictie als dubbelgangers, als elkaars spiegelbeeld, toeschouwer en speler, de goede en de slechte genius. Als we de technologie even wegdenken is er sinds Gérard de Nerval en de romantiek niet zo erg veel veranderd.

IDYLLEN.jpg

Afbeeldingen: La Gomera (Martin Pulaski, 2012); Sandro Botticelli, Kaart van de Hel; Gérard de Nerval (Félix Nadar).

18-02-16

STEMMINGSWISSELINGEN

zulawski isabelle adjani.jpg

Het is koud en zonnig en ik ben eens te meer moe. Naarmate de dag vordert neemt de vermoeidheid toe en ga ik me koortsig voelen. Als zo vaak maak ik me zorgen over mijn gezondheid. Dat doe ik al ongeveer mijn hele leven lang, maar het wordt erger. Wat me hoegenaamd niet verbaast.

Emmanuelle Béart werkt aan de chansons van haar vader, Guy Béart. Ze is ‘on the road’, waarom weet ik niet, en legt zich bij dat lot neer.

A. en ik maken uitvoerig plannen om naar de cinema te gaan, maar zullen we het ook doen? Het kost mij hoe langer hoe meer moeite om de deur uit te gaan, niet vanwege de kou, veeleer vanwege de boeken, de muziek en de stilte. De voorkeur geven aan een soort van ‘heilige’ ruimte, terwijl daar buiten alles ten onder gaat.

Andrzej Zulawski is dood. Ik herinner me twee grandioze, pathetische, ronduit romantische films van hem: ‘Possession’, met een zichzelf overtreffende Isabelle Adjani, extreem intens, en ‘L’important c’est d’aimer’ met een hartverscheurende Romy Schneider en in nevenrollen Jacques Dutronc en Klaus Kinski. ‘La Femme Publique’ zag ik ook, lang geleden: ik herinner me banaliteiten, een mislukking. Valérie Kapriski, aantrekkelijk en voluptueus maar talentloos. Ik ga nog een keer op zoek naar foto’s van de bezeten Isabelle Adjani. Veel blauw en de rode kreet van haar bloed, het wit van de melk. Haar copulatie met een monster. Wat is dat monster? Het kwaad, de hele wereld die ons op de hielen zit? Beter ermee te copuleren dan ervoor op de vlucht te gaan? Ik zou de film opnieuw moeten zien. Vaarwel Andrzej Zulawski.

muntzer.jpg



Ik lees W.G. Sebalds ‘Naar de natuur’, werkelijk een hoogtepunt van schrijfkunst, met niets of niemand vergelijkbaar, maar op dezelfde hoogte als Kleist, Hölderlin en Rimbaud. Ik voel geen behoefte om werken van Grünewald, die in het eerste deel van het drieluik opduikt, te gaan opzoeken: Sebald heeft er woorden van gemaakt, zinnen, Grünewald komt in zijn taal tot leven. Hetzelfde voor ‘bijrollen’ als Thomas Müntzer (hoewel ik over hem weer wil gaan lezen). Het tweede deel, ‘Ik ging wonen aan het uiterste der zee’, neemt Sebald je mee op een helse reis naar de Beringzee. Onderweg vang je glimpen op van ongeveer de hele menselijke geschiedenis, van de korte en tragische aanwezigheid van de mens op deze planeet. Alles bij Sebald is catastrofaal, maar zijn tovenaarskunst biedt, net zoals de gedichten van Hölderlin, een uitweg. In het derde deel, ‘De duist’re nacht vaart uit’, is Hölderlin écht aanwezig. “En als klimop, schreef Hölderlin, / hangt takloos de regen omlaag.” Een van de mooiste en griezeligste vergelijkingen die ik ooit las is deze: “vliegtuigen, de grijze broeders van de oertijd”.
Sebalds meesterwerk, ‘Austerlitz’, is waarschijnlijk een emanatie van de passage die met deze twee zinnen begint, “Meneer Deutsch, / uit Kufstein afkomstig, / was in achtendertig als kind / naar Engeland gekomen. / Veel kon hij zich niet meer / herinneren; sommige dingen kon hij / niet meer vergeten.”

Zo is mijn dag toch niet helemaal leeg en nutteloos geweest, in weerwil van vermoeidheid, angst en kleine rouw.

marie et julien.jpg

Afbeeldingen: Isabelle Adjani in 'Possession'; Thomas Müntzer; Emmanuelle Béart in 'Histoire de Marie et Julien' (Jacques Rivette).

22-02-15

ALLEEN MAAR ADEM EN HUID

davidson_wales-1965.jpg

“De steden en landen verliezen hun vertrouwde geuren. En toch blijf je er naar op zoek gaan…” Mocht je kunnen zou je naar de verste uithoeken van de aarde reizen. Op de wereldkaart kijken en een willekeurige bestemming selecteren. Als kind wilde je al – samen met je oudere broer – ontdekkingsreiziger worden. Maar je kunt niet naar de verste uithoeken en er valt ook niets meer te ontdekken. De verste uithoeken zijn illusies, die voor eens en voor waarschijnlijk altijd tot het spektakel behoren. Tot de reisprogramma’s op televisie en de bijlagen van de kwaliteitskranten. In de keuze van je bestemmingen is er wel altijd een willekeur aanwezig. Maar je moet met allerlei factoren rekening houden: geld, zwakke gezondheid, ongedierte, afkeer van luchthavens, afwezigheid van verste uithoeken.

Je hebt vrienden die veel reizen. De ene dag zitten ze daar, de andere dag al daar; waar ze neerstrijken is altijd een verrassing. Maar vaak ook niet. Er lijkt een systeem in hun manier van reizen te zitten, en zeker in wat zij als bestemming kiezen. Misschien minder in de weg ernaartoe? Hun reizen zijn, denk je, in zekere zin doelgericht, zinvol, hebben nuttigheidswaarde – waar je hoegenaamd niets negatiefs in ziet. En of zij een grote ecologische voetafdruk maken? Wat maakt jou dat uit? Je vrienden zijn geen fabrieken, geen vliegtuigmaatschappijen, geen kernreactoren.

Jouw manier van reizen, waarbij de ecologische voetafdruk je evenmin zorgen baart (je leeft een bijzonder verantwoord leven wat dat betreft), is echter anders. Je reist anders dan zij, maar ook anders dan in de dagdromen van je kindertijd. Je verlangt niet naar ontdekkingen, zelden of nooit hoor je de lokroep van exotica, van nieuwe grenzen, van halfnaakte Balinese danseressen, van de ongerepte natuur en de wildernis. Er bestaat geen wildernis noch een ongerepte natuur. Je bestemmingen, nooit doelbewust of op basis van duidelijke plannen gekozen, zijn meestal dicht bij de deur. Grote steden, kleine steden of ergens dichtbij de oceaan. Meestal weet je al van tevoren wat je er zult aantreffen: geen verrassingen. Maar aangezien willekeur een belangrijke factor is bij de keuze van je bestemmingen is het toch heel goed mogelijk dat je wel verrast wordt. Net zoals wanneer je in je eigen stad de deur uitgaat en een ander parcours neemt dan datgene wat je vertrouwd is. Maar is het je daar om te doen? Wil je verrast worden door wat je vertrouwd is? En het gedwongen planmatige aspect van je keuzes houdt uiteraard eveneens de mogelijkheid in dat je verrast wordt. Want worden plannen niet altijd in mindere of meerdere mate gedwarsboomd?

Je reist, denk je, vooral om terug te kunnen keren, om weer naar huis te kunnen gaan. Niet noodzakelijk naar het huis waar je nu in woont, maar naar iets wat je bij gebrek aan een betere term ‘het oorspronkelijke huis’ durft noemen. Je bent ervan overtuigd dat dat huis, eigenlijk is het een ‘thuis’ (maar heel zeker geen ‘tehuis’) niet bestaat, nooit bestaan heeft, nooit zal bestaan. Maar als je op je bestemming bent aangekomen en je verlaat daar voor de eerste keer (of de tweede, derde keer) je hotel, dan neem je iets waar, een soort van metafysische tegenwoordigheid, wat je herinnert aan die oorsprong. Waar je misschien vandaan komt, maar misschien ook niet, want het kan net zo goed een voorstelling zijn, iets wat je je inbeeldt. Je loopt door de enigszins vreemde straten met het gevoel dat het de straten van het eerste begin zijn, van je verleden dat er nooit is geweest.

Je gaat op reis zonder er al te veel over na te denken. Maar toch gaat het om een fenomeen dat aandacht vraagt, dat misschien wel een diepere zin geeft aan je leven. In de oorden waar je naartoe trekt hoop je – meestal onbewust – de oorsprong aan te treffen van je leven, een oorsprong die er niet geweest is. Vooral hoop je er manieren te vinden om er naar terug te kunnen keren. Terug te keren naar het begin – toen er nog geen woorden waren, geen muren, geen huizen, geen straten, alleen maar adem en huid.

 

...

Foto: Bruce Davidson, Wales, 1965.

28-11-14

VERLOREN IN DE WERELD

bio9 001.jpg

Altijd al hoorde ik graag songs over zwervers, hobo’s, zigeuners, circusartiesten en zo meer. Mensen zonder thuis en zonder echt vaderland. Wellicht viel ik om die reden ook meteen in de zomer van 1965 voor ‘Like A Rolling Stone’. Ik hield van zulke liederen omdat ik een schipperskind was, en hoewel schippers zelfstandigen waren en zich, in België althans, konden herkennen in de programma’s van liberale partijen - ook al hadden ze weinig tijd om die uit te pluizen en waren ze bovendien meestal laaggeschoold -, hadden zij geen huis en geen thuis en net als de personages die de liedjes die ik zo graag hoorde bevolkten geen echt vaderland.

Geen thuis hebben om naar terug te keren is wellicht een van de ergste dingen die een mens kan overkomen. Daarin zijn evenwel gradaties: ik kan mijn toestand onmogelijk vergelijken met die van iemand als Jean Améry, waar Sebald zo aangrijpend over schrijft in ‘Campo Santo’. Ik ben geen Europese jood wiens volk en cultuur is uitgeroeid en wiens huis, dorp, stadswijk, is verwoest. Ik ben geen zigeuner die overal met de vinger gewezen en weggejaagd wordt, ik ben geen zwerver die nergens meer naartoe kan en evenmin ben ik een dakloze wiens leven zich afspeelt op ongeveer vijftig vierkante meter. Maar toch voel ik me, omdat ik nooit naar mijn vaderland terugkeren kan, onzeker en voor altijd verloren in de wereld. Ik kan niet terug naar waar ik vandaan kom, want ik kom nergens vandaan.

Ik zag het levenslicht in een moederhuis op een steenworp van het Straatsburgdok in Antwerpen. Mijn vader was een natuurlijk kind uit een arme boerenfamilie in Neerharen. Mijn grootvader heb ik nooit gekend. Wellicht was hij een Dumonceau, een de Lambert of een van Langendonck, families die eigenaar waren van wat het ‘kasteel’ van Hocht werd genoemd, waar mijn grootmoeder als dienstmaagd werkte. Het kasteel was oorspronkelijk een abdij, gesticht in 1180 door Diederik van Pietersheim. De abdij was toegewijd aan Sint-Agatha, een naam die me altijd gefascineerd heeft. Wat hield ik van het incestueuze toneelstuk ‘Agatha’ van Marguerite Duras! In 1708 kwam de abdij in handen van Marie-Ursule de Minckwitz, de zogeheten 'Vrouwe van Neerharen'. Na de Franse revolutie werd het landgoed het bezit van de hierboven genoemde adellijke families. Welke familie er verbleef  toen mijn vader geboren werd heb ik nog niet kunnen achterhalen. Maar net zo goed kan hij de zoon geweest zijn van een stalknecht. Na als arme jongen op het veld te hebben gewerkt en enkele jaren in de koolmijn van Eisden huwde hij mijn moeder, schippersdochter. Hoewel haar ouders altijd schippers waren geweest, net zoals haar grootouders, had zij toch ook familie aan de wal, voornamelijk in het Antwerpse. Mijn moeder had niet lang school gelopen, hooguit vijf jaar, maar ze was intelligent, kon goed rekenen en schrijven – in een bijzonder verzorgd handschrift – en las graag romans. Bovendien sprak en schreef ze uitstekend Frans. En hoewel ze schippersvrouw was kon ze er als een ‘echte dame’ uitzien. Mijn band met Antwerpen is er door mijn moeder gekomen, maar ook mijn wanderlust. Het verlangen naar vaste grond onder de voeten had ik van de boerenjongen die mijn vader altijd is gebleven.
bio13 001.jpg

Tot mijn achtste ben ik ononderbroken op het schip gebleven. Een ander leven kende ik niet. Vriendschappen, als ze al bestonden, waren zeer vluchtig, een dag, soms wat langer. Lezen, schrijven en rekenen leerde ik van mijn moeder. Omdat ik een zwak kind was, ten gevolge van astma, wilden mijn ouders me niet, zoals mijn oudere broer, naar een schippersschool sturen. Zo kwam ik op aanraden van dokter Couvreur in Antwerpen in een kinderkolonie terecht, het Kinderdorp Molenberg te Rekem, waar ik al eerder over schreef. Een idyllische hel midden in de bossen vlak bij Opgrimpbie, waar Koning Boudewijn een domein bezat. Daar was ik een brave, gelovige, voorbeeldige en uitmuntende leerling. Maar ik was ook diep ongelukkig vanwege het bruuske afscheid van mijn ouders en van het toch wel avontuurlijke leven op het water. Ik was ook opvliegend van aard. Tijdens vakanties verbleef ik wel weer op het schip en voelde ik me stukken beter, hoewel al vervreemd van dat leven en van de taal die mijn ouders spraken. In het kinderdorp werd mij Nederlands aangeleerd, zij het met een Limburgs accent. De eerste jaren bad ik veel tot God, altijd in mijn eigen woorden; later begon ik liefdesbriefjes te schrijven naar Veronica en Betsy. Na vier jaar moest ik weg uit Rekem, omdat ik mijn geloof had verloren en in de ogen van Moeder Overste aan heiligschennis deed. Zo kwam ik in het Home voor Schipperskinderen in Eisden terecht, het mijnstadje waar mijn vader nog had gewerkt. Een fascinerende omgeving was dat, niet ver in afstand van Rekem maar toch een andere, een exotische wereld. Van vier uur ’s avonds tot de vroege ochtend verbleef ik in het home, dat nieuw was en helemaal niet streng, integendeel. Zelfs het eten was er lekker. Overdag fietste ik naar de reguliere school, het Atheneum van Eisden. Veel van mijn vriendjes en vriendinnetjes en medeleerlingen hadden vreemde namen, vooral Italiaanse en Poolse. Ik zal zeker nog niet beseft hebben dat zij net als ik ‘anders’ waren, outsiders in zekere zin. Tijdens de weekends kon ik nu naar ‘huis’. Ik verbleef dan ofwel op het schip, als dat toevallig aangemeerd lag in Neerharen, ofwel – ook in Neerharen - bij Berb, een nicht van mijn vader, ofwel bij Jefke en Louise, die een winkel hadden. Ik geloof dat Jefke samen met mijn vader in het verzet had gezeten. Stilaan bouwde ik in dat dorp een vriendenkring op. Ik begon me er thuis te voelen, ook al kende ik het dialect niet.

Voor de laatste vijf jaren van de middelbare school verbleef ik in het internaat van het Koninklijk Atheneum te Tongeren. Daar werd ik aanvankelijk gepest, maar omdat ik kon vechten en niet zo dom was als aanvankelijk misschien werd gedacht, dwong ik al gauw respect af en kreeg ik vrienden. Van Tongeren hield ik niet echt, wel van Hasselt, waar sommige van mijn vrienden vandaan kwamen. En nog meer van Maastricht, een mooie stad aan de Maas, waar ik boeken, platen en modkleren ging kopen. Tijdens de weekends trok ik nog altijd naar Neerharen, maar daar begon ik mij geestelijk van te verwijderen. Eigenlijk begon ik neer te kijken op de dorpsmentaliteit. De grote, bruisende, flitsende, coole wereld opende zich voor mij. Dat deed hij in boeken, in films, op televisie, in de winkels van Maastricht en vooral in popmuziek. Het werd me duidelijk dat Neerharen, Rekem, Eisden en zelfs Tongeren en Hasselt te klein voor me waren. Ik droomde van Londen en andere grote steden.
bio15 001.jpg

Brussel, waar ik eerst film en daarna filosofie zou studeren was geen slecht alternatief maar de stad van mijn moeder, Antwerpen, heeft me altijd meer aangetrokken. Na mijn studies en de mislukking van mijn eerste huwelijk ging ik daar wonen en werken. Overdag schreef ik tot ik erbij neerviel, ’s avonds dronk ik en tijdens de weekends werd er de hele nacht gedanst. In Antwerpen was ik ziek, euforisch, gelukkig, straatarm en even verloren als waar dan ook. Mijn beste vrienden wonen er, maar ik kon er niet blijven. Ik moest naar Brussel terugkeren.

Sinds 1991 woon ik hier nu als een banneling. Al die jaren al loop ik verloren in mijn stad, die een weerspiegeling is van de wereld. Meer dan eens ben ik al verdwaald, veel meer dan in New York, Londen of Lissabon. Ik moet altijd dezelfde metrolijn, dezelfde tram, dezelfde bus nemen of ik weet niet waar ik terechtkom en ben dan hulpeloos en bang. Maar wat een genoegen als ik toch eens een ander parcours neem! Op zo’n momenten – die lang  kunnen duren – is verdwalen een genot. Maar dat is literatuur, het is literair dolen en in de wereld zijn. Ik ben meer vertrouwd met de personages in de boeken en de films die hier staan dan met de mensen in mijn straat en in de andere straten van deze stad. Niemand groet mij en ik groet niemand. Omdat ik als kind zoveel afscheid heb moeten nemen kan ik geen gezichten herkennen en herinner ik me alleen maar namen van mensen die mij diep geraakt hebben met iets wat ik niet noemen kan. Die weinige mensen zijn mij dierbaar en houden mij in leven en doen mij verlangen naar een ander vaderland. Daar verblijf ik ’s nachts. Mijn vaderland, mijn thuis, is dan een conglomeraat van alle oorden waar ik ooit een dag, een week, een jaar heb doorgebracht. Alles is daar tegelijk vreemd en vertrouwd, angstaanjagend en verrukkelijk, wreed en levenslustig en erotisch. Ja, ik geloof dat ik ’s nachts naar huis ga. Maar waarom lig ik dan zo vaak wakker?

vaderland, moederland, thuis, huis, zwerven, schippers, schipperskind, school, internaat, kolonie, neerharen, rekem, eisden, tongeren, hasselt, maastricht, hocht, limburg, brussel, antwerpen, eenzaam, verloren, ballingschap, boeken


02-08-13

HUID VAN DE WERELD

anselm kiefer hamburger bahnhof.jpg

Vandaag ging het van laag naar hoog, of was het omgekeerd? Stemmingswisselingen… Eerst, nog voor zonsopgang, heb ik van Anselm Kiefers loden boeken de betekenis achterhaald. Of op zijn minst een van hun betekenissen.

De loden boeken zijn er om in de toekomst te worden gelezen: tussen hun pagina’s zitten foto’s van de huid van de wereld. De huid van de wereld vanop een redelijke hoogte aanschouwd. De klassieke fotograaf die vanuit zijn raam foto’s maakt van de passanten is geheel voorbijgestreefd, en tegelijk is Kiefers manier van naar de wereld kijken daar een metamorfose van. Vreemd dat Schopenhauer reeds de wonden en de littekens en de uitslag (schurft, pokken, pestbuilen) van de wereld, van de aarde zag: dat waren de mensen. Keek Schopenhauer door de ogen van Anselm Kiefer of is het toch vice versa? Lood is een buigzaam en corrosiebestendig materiaal. De foto’s van de huid van de aarde zitten veilig opgeborgen in de loden boeken. Maar langdurige blootstelling aan lood veroorzaakt wel dementie. De lezers van de loden boeken zullen beschermende kleding moeten dragen. Ik stel me ze als Buzz Aldrin en Neil Armstrong voor: veel verder reikt mijn verbeelding in dit opzicht niet.

Daarna heb ik een ‘geheim’ van Hölderlin en Nietzsche ontsluierd. Geheim – met daarin ‘heim’, het Limburgse en Duitse woord voor ‘huis’. We kennen in het Nederlands ook nog ‘heem’ en ‘heimwee’ en heel wat samenstellingen met ‘-heem’ en ‘hem’, vooral plaatsnamen.

Je bent thuis waar je woont, in wat je bekend en vertrouwd is, én in den vreemde. Je kunt het ook ‘het vreemde’, het ‘onbekende’ noemen. ‘Het vreemde’ is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol dode mensen.

Anselm Kiefer, Hölderlin, Nietzsche, daarna Tim Buckleys ‘Blue Afternoon’ en dan is alles goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en melancholie. Naast me de slapende vrouw die ik ken en niet ken.

Excentrieke mensen leven langer, las ik vandaag. Dan maar hopen dat ik erg excentriek ben. Maar wat is dat eigenlijk, excentriek?

Het is goed Antwerpen lief te hebben en gelijktijdig de stompzinnigheid van deze stad te haten. De snordragende burgemeester met zijn Rubensobsessie en de sigarenrokende schepenen en magistraten.  Symbolen van een volledig achterhaalde, bijna 19de-eeuwse burgerlijkheid. Gelukkig heb je toch toch ook altijd de anderen, zoals Luk Perceval. Ze hoeven niet eens excentriek te zijn. Hij kent me niet en ik hem ook niet maar ik heb desondanks het gevoel dat ik veel met hem gemeen heb. Tsjechov schrijft over Rusland. Voor Perceval ligt dat in Vlaanderen, en dat klopt. Het vreemde is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol doden.

Alle stekelige mensen zullen binnenkort deze stad moeten ontvluchten, of zich te pletter zuipen, of zich in vuile wc’s vol spuiten met het gif dat uit de corrupte haven komt. Dat is het lot dat ons te wachten staat, ons stekelige en excentrieke mensen. Of kan het tij van haat en angst voor het andere en van conformisme worden gekeerd?


Tot hier een – bijgeschaafde - dagboeknotitie van 1 februari 1991. Vijf maanden later zou ik naar Brussel verhuizen, waar ik nu nog altijd met enige tegenzin woon. Ik zal me wel altijd en overal een banneling voelen.


...

Foto: loden boeken van Anselm Kiefer in het Hamburger Bahnhof in Berlijn, 16 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski. 

31-07-13

STORM*

POIX 107.JPG

Op 25 januari 199. zat ik tijdens een treinrit tegenover mijn oude vriend Kowalski. We waren elkaar in het Centraal Station toevallig tegen het lijf gelopen. Bijna onmiddellijk hadden we vastgesteld dat er tussen ons nauwelijks iets was veranderd.

Buiten huilde de wind, donkere regen op de huizen en op de zwarte velden. Ergens onderweg stapten we uit de vuile trein; een klein, bijna vergeten station waar geen levende ziel te zien was. Wat verder een dorpscafé uit een oude Franse film, van Marcel Carné of Jean Renoir.

Kowalski en ik zijn van hetzelfde jaar. Nooit eerder hadden we zo’n hevige storm meegemaakt. Het leek wel de Toorn Gods. Of wilde een tellurisch opperwezen een historische ontmoeting bekrachtigen?

We zaten alleen in de kroeg en keken zwijgend toe hoe ingelijste reproducties van late werken van Van Gogh naar buiten vlogen. Wij observeerden hun grillige vlucht, tot er niets meer te zien was dan de schemerige dorpsstraat. Onwillekeurig greep ik me met beide handen vast aan de rand van de tafel opdat ik toch maar niet zelf ook naar buiten zou waaien, dokter Gachet en Joseph Roulin achterna.


Op één avond overbrugden we bijna vijftien verloren jaren van onze vriendschap. Toch kun je elkaar niet alles vertellen, ook al wil je dat wel; het is in de praktijk niet haalbaar. Er is geen tijd. Er is nooit tijd. ‘L'Atalante’, ‘Zéro de conduite’, ‘La maman et la putain’, ‘La Salamandre’ en ‘The French Connection’ bleken voor ons beiden nog steeds favoriete films. Dat wees voor mij, ondanks de verwijdering, op een diepe zielsverwantschap die was blijven bestaan. Films en popmuziek vormen de basis van een vriendschap, niet afkomst, milieu, maatschappelijk succes of gebrek daaraan.

Mijn oude vriend had plannen voor een roman die ‘Gewond’ zou gaan heten. Hij zei dat ‘gewond zijn’ voor hem een metafoor was voor een eeuwig leven, maar dat begreep ik niet meteen. In ‘Gewond’ zou hij de tragiek van zijn familie (waanzin, zelfmoord, alcoholisme) fictionaliseren. Wat leek wat hij me over zijn familie vertelde op mijn eigen geschiedenis! Zoveel had hij me vijftien jaar tevoren nooit toevertrouwd. Alsof we allemaal personages in een roman van Ken Kesey zijn, dacht ik. Later zou hij het boek verfilmen, zei Kowalski. Ik vroeg hem of ik dan een figurant mocht zijn. Op zijn minst, Schwarz. En je krijgt je eigen chauffeur. Ik zei, zonder enige aanleiding, dat Wim Wenders, Tarkovski en Truffaut engelen zijn. Ik ben zelden origineel in mijn vereringen en ook niet in mijn verwensingen. Ja, zei hij, en als je cocaïne gebruikt is iedereen een engel. Zolang die fase duurt, zei ik, daarna worden ze duivels.

Terwijl we nog steeds op de trein wachtten, die misschien niet eens meer zou komen, spraken we ons verlangen uit naar een vaste woonplaats hier op aarde. In Italië of een ander kortstondig paradijs. Een vestiging. Een verlangen dat je overvalt wanneer de vergankelijkheid van alles wat je koestert of veracht je maar al te duidelijk wordt. Huiskamergeluk was ook iets waar mijn oude vriend, in zekere zin tegen mijn verwachtingen in, behoefte aan bleek te hebben.

Later, omstreeks middernacht, zat het treinverkeer nog helemaal in de knoop. Op de perrons van het kleine station stonden de reizigers elkaar nu in de weg. Ze zagen er tegelijk gelaten en rusteloos en ongeduldig uit. Niemand had veel zin om op een bank te gaan zitten, want dan gaf je misschien de indruk dat je niet naar huis wilde, dat het daar in Weerde eigenlijk ook wel goed was. 
...


*
"Miranda: Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet 
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?

Prospero: Zeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.

Miranda: Dat weet ik niet."

Shakespeare, Storm

...

Foto: Martin Pulaski, 2013. 

21-03-12

ONTSLAGEN

 

pulaski2006.jpg

Years Of Music Silent Againtst A Wall, Martin Pulaski, 2006.

Ik ben weer thuis. Over mijn ervaringen in het ziekenhuis kan ik nog niet veel vertellen en ik heb ook die intentie niet. Op de voorpagina's van kranten lezen we al voldoende over gebroken armen en benen. We worden overdonderd door al dat breaking news. Terneer slagen ze ons, die verdomde media. Terwijl we op z'n minst geestelijk hogerop willen geraken.

Het enige goede aan een ziekenhuis is de morfine. En sommige verpleegsters. Nee: een ziekenhuis is alleen maar goed als je er geheeld weer uitkomt. Ik was dus in een geheel goed ziekenhuis. And if you don't believe me I'll show you the scars.

Ik geloof dat ik er nu zes jaar jonger uitzie dan een week geleden, vandaar de foto hierboven.

Wat heerlijk om thuis te zijn op zo'n mooie lentedag.

17-10-11

GEPARFUMEERD GENIE

 

perfume-genius-learning.jpg

Perfume Genius.

 

Opeens sloeg de bliksem in.
Waarom was je niet bij me toen de bliksem insloeg, vroeg hij. Waarom was je niet bij me toen ik zo bang was?
Er vielen vier doden, tientallen gewonden.
Waarom was ik niet bij je, zei ze.
Ze liep naar de keuken, dan naar het terras, rookte een sigaret.
Hij vulde zijn glas bij.
Deze wijn smaakt giftig, zei hij. Vuile wijn. Zeker Franse?
Geen idee, zei ze, het is wijn zoals we die altijd hebben gekend.
 

Ze moesten roepen om elkaar te kunnen verstaan. De cd van Perfume Genius stond luid. En van de eetkamer tot het terras is een hele afstand, tenzij je met de snelheid van licht loopt. Hij dacht, hoe luid roep ik nu toch. Wat zullen de buren denken van die luide piano? Misschien begeven de luidsprekers het wel. Klinken de zwarte toetsen het luidst? Een piano met alleen maar witte toetsen, dat is een idee.
 

Een piano met witte toetsen, is dat geen goed idee, zei hij.
Heeft John Lennon vast bedacht in zijn tijd, zei zij.
Ja, John Lennon, dat is mogelijk. Hij heeft zelfs "Occupy Wall Street" bedacht, zei hij.
"Power to the people", zei zij.
Maar als het van mij afhangt George Harrison, zei zij.

Negenennegentig procent van de people, zei hij.
Wat maakt het ook allemaal uit, zei zij. We gaan allemaal dood, vroeg of laat. Leven en laten leven, zei ze.
Je bent gek, zei hij. Rijp voor het gekkenhuis.
Ik ben helemaal gek, zei ze.
Vind je die Perfume Genius nog altijd zo goed, zei hij.
Heel mooi, maar zo droef, zei ze. En zo gek.
Die piano klinkt wit, zei hij.
Met wit wis je alle verdriet uit, zei zij. Zoals op het witte doek de dromen je helpen vergeten, zei ze.
Dat de zon alweer niet schijnt, zei hij.
Dat vind ik overigens de beste elpee van the Doors, Waiting For the Sun, zei hij.
De enige mooie plaat die ze hebben gemaakt, zei zij. "Summer's Almost Gone", zo melancholiek.
Toen ik met die plaat aan de kassa stond, heb ik in mijn broek gepist, zei hij.
Echt, zei zij.
Was ik toen zeventien of achttien, dacht hij. Ik had een blaasontsteking, mijn moeder had me lindenthee laten drinken.
Ja, zei hij, en zo moest ik vijf kilometer lopen. Met die elpee in een zakje van De Harp onder mijn arm.
Er is zoveel met je gebeurd waar ik geen weet van heb, zei ze.
Maar toen de bliksem insloeg, zei hij.
Maar toen de bliksem insloeg, zei zij.

03-07-10

ZERO DE CONDUITE: A HOUSE IS NOT A HOME


dionnewarwick

Zelfs extreme hitte stopt de tijd niet, hoezeer je ook hoopt van wel. Hetzelfde refrein dan maar: het is de eerste zaterdag van de maand: dat betekent tussen zes en acht straks Zéro de conduite op Radio Centraal, 106.7 FM. Het motto is ‘A House Is Not A Home’, de titel van een song van Burt Bacharach en Hal David, vooral gekend in de versie van Dionne Warwick. Als thema kozen we inderdaad voor thuis, en dat helemaal niet geïnspireerd door de in Vlaanderen populaire televisiesoap. Het gaat om een thuis in alle mogelijke betekenissen van het woord. Je kunt bijvoorbeeld ergens wonen maar dat betekent nog niet dat je er thuis bent. Je kunt heimwee hebben naar huis, in dat geval is een heel dorp, een hele stad en zelfs een heel land je thuis (het Engelse woord ‘homesick’ is wat dat betreft veel duidelijker). Veel populaire songs gaan over de droefheid en de ongemakken van niet thuis te zijn, of helemaal geen thuis te hebben. Dat houdt zeker verband met de religieuze achtergrond van veel popmuziek (denk aan de gospel This World Is Not My Home), maar ook met het heel vaak onderweg zijn van popmusici. Bovendien is het een gevoel dat veel mensen aanspreekt: de meeste schrijvers van popsongs willen uiteraard ook succes. Met zéro de conduite willen wij ook succes, zij het vooral bij degenen die Stendhal de ‘happy few’ noemde. Dat klinkt misschien pretentieus, maar is net het omgekeerde. Enige zin voor ironie was Stendhal niet vreemd. Overigens zullen er maar zeer weinigen met een gelukkig gevoel aan de radio gekluisterd hangen. De meeste mensen kiezen nu voor een van de volgende vier dingen: zitten vloeken en bakken in een auto op weg naar de zon, zitten bakken op een festivalweide, het WK voetbal of de Ronde van Frankrijk. Alles behalve home sweet home!

Toch veel luistergenot.

Je kunt Radio Centraal live beluisteren op 106.7 FM of online via deze weg.

 

The Grand Tour – George Jones – Columbia Country Classics Vol. 4
I Take It On Home – Charlie Rich – Columbia Country Classics Vol. 4
Go Home – Merle Haggard – Down Every Road 1962-1994
Sing Me Back Home – The Everly Brothers – Roots
Home Sweet Home – Don Reno & Red Smiley – The Talk Of The Town
The Old Home – The Stanley Brothers – The Complete Columbia Stanley Brothers
Homesick – Marty Stuart & His Fabulous Superlatives – Live At The Ryman
Sister’s Coming Home – Emmylou Harris – Blue Kentucky Girl
Don’t It Make You Want To Go Home – Joe South – Retrospect
Stranger In My Home Own Town – Elvis Presley – From Elvis In Memphis
Home In Your Heart – Solomon Burke – The Best Of Solomon Burke
I Rule My House – Chuck Willis – Okeh Rhythm & Blues Story
I Feel Like Going Home – Muddy Waters – They Call Me Muddy Waters
Ain’t Nobody Home – Howard Tate – Get It While You Can
(I Feel Like) Breaking Up Somebody’s Home – Ann Peebles – It Came From  Memphis
Hello Walls – Willie Nelson – Legend: The Best Of Willie Nelson
A House Is Not A Home – Dionne Warwick – Make Way For Dionne Warwick
A House Is Not A Motel – Love – Forever Changes
Ballad Of Frankie Lee And Judas Priest – Bob Dylan – John Wesley Harding
Homeward Bound – Simon & Garfunkel – Tales From New York
Cheryl’s Going Home – Bob Lind – Hearing Is Believing: The Jack Nitzsche Story 1962-1979
I Can Never Go Home Anymore – The Shangri-Las – Myrmidons Of Melodrama
Please Go Home – The Rolling Stones – Between The Buttons
On The Way Home Again (Alternate mix) – Buffalo Springfield – Box Set
My Old Kentucky Home – Ry Cooder – Ry Cooder
Hello In There – John Prine – John Prine
Homemade Songs – Bobby Charles – Bobby Charles
Rockin’ Chair – The Band – The Band II
Two Of Us – The Beatles – Let It Be
Hi, Hello, Home – Grin – The Best Of Grin
In Every Dream Home A Heartache – Roxy Music – For Your Pleasure
All The Way Home – Bruce Springsteen – Devils & Dust
Carry Home – The Gun Club – Miami
House Where Nobody Lives – Tom Waits – Mule Variations
Home I’ll Never Be – The Low Anthem – Oh My God, Charlie Darwin

stanley brothers

 

Samenstelling: Martin Pulaski
Presentatie en techniek: Sofie Sap & Martin Pulaski

 

12-02-10

ERGERE DINGEN ZIJN DENKBAAR


pneumonia: 8th day

Al acht dagen met longontsteking in bed of op de canapé. Gelukkig ben ik thuis en lig ik niet weg te kwijnen in een Brussels ziekenhuis. Er zijn altijd ergere dingen denkbaar, maar prettig is het niet. Vooral niet omdat je niets kunt doen. Alleen maar op genezing wachten.

Foto: Crystal Eye.

24-08-09

OPGEJAAGD WILD


richardgerstl-self_portrait_laughing

I think that maybe I’m dreaming
… Opgejaagd wild, wild opgejaagd door lust en onlust. Ontevreden met mijn berusting, met mijn uitputting, met mijn duistere en glasheldere verlangens. Zo reis ik  van de ene streek naar de andere, van de ene stad naar de andere, van het ene kasteel naar het andere. Op zoek naar je-ne- sais-quoi. Amuseer ik me ook, geniet ik van wat ik ruik, voel, zie, hoor, neem ik de scherven wereld in mij op, om er later op mijn manier van te getuigen? Ik weet het niet. Soms denk ik, jazeker, soms denk ik, zeker niet. Je weet dat ik een twijfelaar ben. Je weet dat ik weet dat ik weinig weet en van nog minder zeker ben. Je weet dat ik tevens weet dat het ‘beter’ is weinig te weten dan te denken dat je veel of zelfs alles weet. Je weet dat ik vaak niet eens weet wat ik doe. Opeens, bijvoorbeeld, ontwaak ik in een stilstaande trein in een uithoek van België. Verdoem mijn ziel, wat doe ik hier. Snel de trein terug op. De kaartjestknipper trekt niet eens zijn schouders op als hij mijn treinkaart knipt. Ik weet dat ik dat woord niet mag gebruiken, kaartjesknipper, maar dat is wat hij doet. Of hij zet er een stempel op. Een verdwaalde reiziger, zal hij denken. Of hij denkt helemaal niets, het zijn z’n zaken niet. Door mijn onverantwoord gedrag verwijder ik mijn vrienden van me. Niet dat ik me van mijn vrienden verwijder. Het is omdat ik zo graag bij ze blijf dat ik treinen mis, of te veel drink en me daarna van richting vergis, een verkeerde beslissing neem. Straks blijft er niemand over. Zulke dingen doe je niet ‘op mijn leeftijd’. Alsof mathematische leeftijd bestaat. Net zoals mijn schoonbroer, een psychiater, word ik opnieuw zestien, maar op hevigere, bewustere wijze dan toen. De opstandigheid is niet langer op een gevoel van onrechtvaardigheid gebaseerd, maar op jarenlange waarneming van een absurde realiteit.  De afkeer van een valse rechtvaardigheid, van een valse naastenliefde, van een valse liefde, van een vals geluk en van dwaze doelen, waar velen zelfs willen voor sterven, of op zijn minst hun lustgevoelens willen voor onderdrukken. Op een jarenlang ondergedompeld zijn in de realiteit is onze opstandigheid gebaseerd. Maar wacht, tegelijk is de jeugdige onnozelheid gebleven - onduidelijkheid, verwarring, een aan psychose grenzende negativiteit (zoals die van Bob Dylan in ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ – waar echter poëzie hem uit de maalstroom van het verderf redt).

Het zijn op hol geslagen driften en de aantrekkingskracht van het weinig bekende en gekende. Ik wil geen gevaarlijk leven leiden, dat is belachelijk, maar ik wil evenmin berusten in gerieflijkheid, het behangpapier van degenen die naar de dood verlangen. Verlang ik zelf dan niet naar de dood? Ja, natuurlijk – zoals iedereen, omdat het onze bestemming is. Het is een heel stille stem, die echter niet ophoudt ons te roepen; zij kent al onze namen. Het is stompzinnig om niet te verlangen naar wat onverschillig op je wacht. Maar verlang ik daarom naar jouw dood? Zeker niet. Ik wil niet dat je onheil onverkomt, ik wil je niet afnemen wat je hebt. Wat zou ik er mee doen? Ik heb weinig nodig, ook al omring ik mij met veel kleinigheden. Ik trek een muur rond me op, bestaande uit scherven werkelijkheid, of echo’s, afgietsels ervan. Die muur moet me wellicht verhinderen om te vertrekken. Maar ik wil voortdurend vertrekken. Het is waar dat als ik in Venetië of Madrid ben, dat ik dan weer naar huis verlang, zoals de matrozen van de Sloop John B. Maar eenmaal thuis wil ik meteen weer vertrekken. Naar een andere streek, naar een andere stad, naar een ander kasteel. Waarschijnlijk is het doordat ik zo hartstochtelijk bij je wil blijven dat ik almaar weg wil, naar waar de wind me voert, of duidelijker gezegd, het openbaar vervoer, de trein, de boot, het vliegtuig.

Als ik gelovig zou zijn, zou ik meezingen met Take My Hand Precious Lord, maar ik ben niet gelovig. Ik geloof alleen maar in de liefde, en de liefde maakt me ziek en wanhopig. Ik geloof alleen maar in de lust, maar de lust voert me naar de dood. Ik geloof alleen maar in de vriendschap, maar de vriendschap vertroebelt mijn zicht, doet me mijn gezicht verliezen. Zo voel ik me dan schuldig en denk ik dat ik door iedereen in de steek word gelaten. Zo denk ik aan vertrekken – en zo zal het blijven tot het einde, amen. Of?

MORTELLERANDONNEE


Afbeelding 1: Richard Gerstl, Zelfportret lachend, 1908.

Afbeelding 2: Isabelle Adjani in 'Mortelle Randonnée van Claude Miller, 1982.

29-06-09

DOOD EN VERDERF


sam_cooke death

Het was een vreemde week. Ik denk dat ongeveer iedereen dat vond. De week was zo vreemd dat ik nog maar moeilijk mijn weg naar huis en naar mijn vertrouwde ‘omgeving’ vond. Want als je eenmaal je huis gevonden hebt betekent dat nog niet dat je thuis bent en dat je alles in dat huis ‘vertrouwt’. A house is not a home.
Voor mij begon het vreemde al op zaterdag 20 juni, nadat ik afscheid had genomen van mijn vriendin Diotima. Ja, ik heb plotseling zin om je Diotima te noemen. Zoals meestal waren we op mijn ‘bijna-aandringen’ gaan eten in de Vismet. Waarom niet eens iets anders geprobeerd? Herhalingsdwang, zullen de psychologen zeggen. Het zij zo. Maar waarom zou je ergens anders gaan als je eindelijk een degelijk en betrouwbaar adres hebt gevonden?
 

Eigenlijk is het nu te warm om te schrijven. Ik weet niet of ik er veel van terecht ga brengen. Het weer is meer geschikt om met iemand als Diotima zeeduivel te gaan eten, en een frisse Chardonnay te drinken. Maar ja, ik zit hier nu, met een glaasje Limoncino bij de hand (het heeft de geur van afwasproduct, door die overweldigende Limoni di Sicilia). Ik zit hier en hoor The Ovations ‘It’s Wonderful To Be In Love’ zingen.

ovations

Soul, man, that’s where it’s at… En je moet altijd verliefd zijn. Zodra je niet meer verliefd ben, ben je ten dode opgeschreven. Nadat ik Diotima in de trein naar Antwerpen had ‘helpen’ instappen keerde ik op mijn stappen terug naar het café waar we net vandaan kwamen. Ik zit graag aan de bar te praten met mensen die ik niet ken. Zo heb ik uren zitten praten met Marzouk. Het was een fijn gesprek, maar vraag me niet waarover het ging. Mijn korte termijngeheugen is om zeep. Wat zit ik daar dan nog te doen, in plaats van braaf afscheid te nemen van mijn vriendin en de laatste metro te nemen? Omdat de lichten van de stad me altijd hebben gelokt. De grootstad, relatief gesproken, is mijn geluk en mijn miserie. Maar als je mij al vaker hebt gelezen weet je dat al.

Zo werd het zondag, dag voor schuldgevoelens, katers en andere ellende, en dan is het maandag. Karel Van Miert was dood. Wie had dat nu verwacht? Een man toch waar ik meermaals voor heb gestemd, in de jaren zeventig, en die ik, ondanks zijn coiffure, nog echt bewonderd heb. Maar het waren zulke mooie dagen en ik voelde me voor een keer echt goed. Ik voelde me sterk, had de indruk dat ik het leven en het werk weer aankon. Geen tijd voor verdriet. (Overigens zeggen mijn vrienden filosofen dat je niet kan rouwen om een idool, een held, iemand waar je naar opkeek, je rouwt alleen maar om familieleden en intieme vrienden.) Daarna stierf Sky Saxon, de zanger van the Seeds, een van de betere sixties punk rock bands. ‘You’re Pushin’ Too Hard’, en ‘Can’t Seem To Make You Mine’ zijn in mijn geheugen gegrift. Sky Saxon is altijd een punk gebleven, een outsider, iemand die volgens zijn eigen wetmatigheden leefde. Voor velen daarom een gek. Ik geloof dat op dezelfde dag Yasmine een punt zette achter haar leven. Een vrouw met wie ik geen affiniteit had. Maar ik houd er niet van dat mensen zulke drastische stappen zetten vanwege een liefdesgeschiedenis. Je moet altijd verliefd zijn en blijven, ook al houd je hartsgrondelijk van iemand. Een moralist wil ik niet zijn, maar zo zie ik het. Evenmin wil ik vals spelen en Yasmine nu opeens gaan verheerlijken. Ik houd niet van het Vlaamse lied, zelfs niet van het betere. Ik ken maar weinig ‘goede’ Belgische zangers. Er zijn er wel, met als uitschieters Rocco Granata, Salvatore Adamo, Jacques Brel (en de zangeres van Les Tueurs De La Lune De Miel, van wie ik de naam vergat) en natuurlijk ook Roland. Ik leef niet hartstochtelijk mee met de vrienden van Yasmine, maar ik begrijp hun verdriet. De wereld hield nog steeds niet op met draaien rond de zon.

Michael Jackson kreeg een hartstilstand. Een van de populaire muzikanten die het meest invloed hebben uitgeoefend op de generaties die na mij kwamen. Ik was geen fan van Michael Jackson. Eigenlijk liet hij me nogal onverschillig. Maar zijn invloed was terecht. Hij was een componist van perfecte popsongs als ‘Billie Jean’ en ‘Beat It’ en zette de traditie voort van enerzijds de succesvolle en vindingrijke danser, zoals Fred Astaire en Mick Jagger, en die van de perverse, romantische kunstenaar en uitvinder. Wat dat laatste betreft een combinatie van Robert Johnson, Charles Baudelaire, Thomas Chatterton en Howard Hughes. Ook was hij een komediant en een gijzelaar van de spektakelmaatschappij. Hij is nooit opgegroeid. Ik heb niet om hem gerouwd. We wisten allemaal dat hij zou sterven en dat de media de wetten van het spektakel zouden respecteren. Wel heb ik nog eens geluisterd naar ‘Thriller’, maar ik heb er niet op gedanst. Maar vandaag heb ik drie paar schoenen gekocht. En nu zit ik alweer naar soul te luisteren. Let the good times roll. En vergeet Sam Cooke niet. Geen outsider, maar wel een slachtoffer. En vergeet de mensen niet die werken of niet werken, maar lijden. Die afzien in de hitte en de kou. Degenen over wie niemand spreekt, tenzij ze toetreden tot de orde van het spektakel.

sam-cooke


21-06-08

EEN HALF JAAR WACHTEN

 

annelies beck,stendhal,cormac mccarty,depressie,dagen,maanden,kopen,reizen,thuis,muziek,boeken,paul auster,siri hustvedt,porto,flickr,portugal,lezen,vermoeidheid,medicijnen,dokters,ziekenhuis,slaap,slaaponderzoek,wachten,film,cd s,verslaving,toeristen,vrienden,schrijvers,dood,stem,ogen

The Inner Life Of Martin Frost - Paul Auster.

Ik zou vertellen over mijn aankopen. Maar ik ben verstrikt geraakt in de woorden van Cormac McCarthy. Ik heb al veel van hem gelezen in de jaren negentig, maar dit, ‘The Road’ overtreft alles. Wat lijkt een lijst van mijn aankopen nu zinloos. Vroeg of laat vergaat het allemaal. Van ons blijft niets over, van de dingen evenmin. Als onze tijd gekomen is zullen de dingen onze sporen zijn, maar niet lang, want zij zullen eerst hun betekenis verliezen en dan vergaan. Vroeg of laat. Als je dat boek van Cormac McCarthy leest weet je het wel zeker. Daarom zullen we gedurende de tijd die we hier doorbrengen maar best vrolijk wezen en liederen zingen. Gedichten schrijven, films maken. Het lelijke en het slechte de rug toekeren.

Om mijn aankopen te verklaren moet ik eerst vertellen wat ik de voorbije weken en maanden heb gedaan. Dat is niet veel. Tot midden april heb ik mijn woning nauwelijks verlaten. Er waren enkele concerten, Iron & Wine, en Mavis Staples. Met mijn beste vrienden heb ik gegeten en gedronken. Maar ik ben vaker bij artsen geweest dan bij vrienden. Graag had ik mijn broer in Limburg een keer bezocht maar ik blijf het uitstellen. Met mijn vriend Koen ben ik naar een lezing van Kamiel Vanhole geweest. Reisverhalen, subtiel en vol humor en ironie. De man, die ik helaas niet heb leren kennen, is inmiddels overleden. Ik zal die avond niet snel vergeten, omdat er ondanks de ziekte en de aangekondigde dood euforie in de lucht hing. Ik ontmoette zielsverwanten. We praatten over muziek, over Peter Guralnick, over Greil Marcus, over ‘Matty Groves’ van Fairport Convention. Midden april ging ik weer werken, halftijds. Het viel me zwaar, omdat de depressie of wat het ook moge wezen wat ik heb, niet weg was. De dagen dat ik niet ging werken sliep ik vooral. Ik ben altijd moe. Antidepressiva schijnen geen vat te hebben op mijn aandoening. Een belangrijke deel van mijn budget ging naar grotendeels overbodige geneesmiddelen. Maar je hoopt natuurlijk dat ze wel werken. Vitamines en voedingssupplementen kosten eveneens veel geld. Omega-3, een wondermiddel, zo wordt beweerd.
Werken was moeilijk, niet werken was ook moeilijk. Ik maakte geen foto’s meer en schreef weinig. Ik ging niet naar de bioscoop, dat was toch al een besparing. Naar het theater ging ik evenmin: ik was bang voor de mensen. Ik was niet bij machte om tegen iemand iets te zeggen. Eind mei verbleef ik twee nachten in een ziekenhuis, voor een slaaponderzoek. Ik kocht een pyjama en een kamerjas. Dat waren kledingstukken die ik niet bezat. Natuurlijk moest ik ook boeken hebben om te lezen in het ziekenhuis. Ik moet altijd boeken hebben, ook al ben ik veel te moe om te lezen. Aan boeken en muziek ben ik verslaafd. Maar dat weet je al langer. Ik kocht boeken van alle schrijvers die ik ken en goed vind en die nieuwe boeken uit hadden. Ik kocht ook boeken van dode schrijvers, zoals Shakespeare en Stendhal. Het beste boek dat ik dit jaar las was Lucien Leuwen van Stendhal. Tenzij ik een ander werk over het hoofd zie. Over tien jaar zal ik misschien zeggen dat het dat van Cormac McCarthy was, maar nu niet.

Om naar Porto te gaan kocht ik geen nieuwe boeken, want ik had nog een hele stapel, en onze reisgids (Rough Guide) was nog niet echt verouderd. Zo’n gids kost al gauw 25 euro. Ik kocht wel nieuwe schoenen, maar ik ben er niet echt tevreden mee. Dat is vreemd want ik ben al jaren wel tevreden met de schoenen die ik koop. Ik kocht sokken en onderbroeken: dat doe ik altijd als ik op reis ga. Ik gaf geld uit aan tassen voor toiletgerief en voor medicijnen. Ik neem altijd massa’s medicijnen mee als ik op reis ga, zelfs als het maar voor een week is. Ik kocht een nieuw pak. Als ik dat aan heb voel ik mij een beetje een nieuwe man. In Porto droeg ik het om de toeristen belachelijk te maken. Zelfs op het vliegtuig had ik mijn pak aan. De meeste mannen zaten in hun onderbroek in het vliegtuig, en op hun sandalen. Ook in de kathedraal van Braga zag ik mannen met blote benen. Maar ik werd berispt omdat ik mijn Panamahoed op had op de patio van diezelfde kathedraal. Nochtans was ik, al ben ik ongelovig, blootshoofds voor het altaar verschenen. Ik had zelfs geknield, maar dat was om een foto te maken van de grote voeten van Jezus. (De foto is mislukt). Ik ben natuurlijk zelf ook een toerist, maar wat haat ik toeristen! En als ik het patois van Vlamingen hoor maak ik me snel uit de voeten. In del uchthaven van Porto heb ik Patrick en Johan gehoord, je weet wel. Patrick belde, niet met zijn dochter, maar met zijn zoon, ergens in de Kempen. Ach, het vaderland. In Porto kocht ik hemden en T-shirts en boeken en cd’s. Fado…

Vorige woensdag zijn we naar een filmvoorstelling van de jongste film van Paul Auster geweest. We zaten vlak bij het hoge podium. Annelies Beck stelde Auster een aantal grotendeels overbodige en onbenullige vragen, maar de schrijver bleef er charmant en geestig op antwoorden. Hij heeft zowat de mooiste ogen die ik ooit bij een man heb gezien en zijn stem is de stem van een verteller. Je verstaat elk woord, elke zin, niets ontsnapt aan je aandacht. Als mijn dokter een dergelijke stem had, dan was ik al lang kerngezond. Er waren ongeveer tweeduizend bewonderaars van Paul Auster in het Paleis voor Schone Kunsten bijeengekomen om naar de voorstelling van ‘The Inner Life Of Martin Frost’ te kijken. Een interessante mislukking, waarvan het verhaal voor degenen die ‘The Book Of Illusions’ hebben gelezen weinig verrassends te bieden heeft. Aan de mooie beelden, de montage, de stem van de verteller en het schitterende acteerwerk zie je natuurlijk wel meteen dat Paul Auster van film houdt. Na de voorstelling stonden honderden mensen in een rij aan te schuiven om zijn nieuwe boek, ‘Man in het duister’ te laten signeren. Zijn echtgenote, Siri Hustvedt heeft ook een nieuwe roman uit. Ze zat naast haar man. Door het raam zag ik de energie die van de ene naar de gaat en weer terug, twee energiebronnen die elkaar versterken. Wij hebben ons echter vlug uit de voeten gemaakt. Ik had het boek niet gekocht en wilde ook niet in zo’n lange rij staan. Ik dacht, ik wacht op de Engelse vertaling, die in september verschijnt. Maar gisteren kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en ben ik toch maar de Nederlandse vertaling gaan kopen. Dat ik geen handtekening heb vind ik niet erg, maar ik had de grote schrijver wel graag de hand gedrukt. En als ik dan Siri Hustvedt ook nog had mogen zoenen…

Toen ik dit stuk begon dacht ik een lijst te zullen maken van alle cd’s die ik dit jaar al heb gekocht. Maar het toeval heeft mij in een andere richting gestuurd. En daarover hoor je mij niet klagen. Voor een lijst heb ik nog alle tijd van de wereld. ‘The Inner Life Of Martin Frost’ werd in Portugal gedraaid. Er staan enkele foto’s uit Porto op flickr.

18-04-07

DE ROODBORSTJES VAN DAVID LYNCH

nergens,vluchtgedrag,david lynch,thuis,humor,hotelkamers,familie,feestjes,surrealisme,dorothea tanning,max ernst,van morrison,bijbel,drinken,vluchten,wereld,roodborstjes


Zelden, zo goed als nooit heb ik het gevoel dat ik op de plaats ben waar ik moet zijn, waar ik thuishoor. Zelden voel ik me ergens op mijn gemak, vallen mijn lichaam en mijn denken samen – als het geheel dat ze toch zouden moeten vormen. Vanwaar die gespletenheid? Hoor ik daar iets? Nee? Of toch? Ik hoor ergens in mijn achterhoofd Van Morrison zingen: I’m nothing but a stranger in this world. Dat heeft hij van een blueszanger, maar komt het niet uit de bijbel? Is de bijbel niet het meest gemeenschappelijke boek, het meest gelezen, ligt het niet in miljarden hotelkamers? Is het zich niet thuis voelen in de wereld een algemeen menselijk verschijnsel, iets waar ‘bijna iedereen’ onder gebukt gaat? Ik zou het niet weten. Ik weet zo weinig. Ik heb zo weinig te vertellen. Verwacht van mij maar geen grapjes of anekdotes. Ook al ben ik geen treurwilg, ik ben zeker geen plezante Charel. Op familiefeestjes, recepties en dergelijke maak ik me zo snel mogelijk uit de voeten, ofwel drink ik me lazarus. Vlug weggevlucht, alsof ik niet gezien mag worden, alsof ik een misdadiger ben, “an angel with a dirty face”, ja ja we kennen het allemaal wel, als een bezetene snel ik naar de uitgang, de nooduitgang, de blauwe deur door, de donkere trap af, en dan sta ik op straat, omgeven door nacht.

Behoor ik dan tot de nacht? Nee, dat denk ik ook niet. Niet tot de nacht en niet tot de dag, net zoals Kyle McLachlan en vooral Laura Dern in Blue Velvet. Herinner je je de roodborstjes?
“I had a dream. In fact, it was on the night I met you. In the dream, there was our world, and the world was dark because there weren't any robins and the robins represented love. And for the longest time, there was this darkness. And all of a sudden, thousands of robins were set free and they flew down and brought this blinding light of love. And it seemed that love would make any difference, and it did. So, I guess it means that there is trouble until the robins come.”
Het is duidelijk dat David Lynch weet waar ik het over heb. Sommige romantische dichters en surrealistische kunstenaars wisten het evenzeer. Kijk naar de werken van Dorothea Tanning en Max Ernst. Wellicht zijn zij niet op de vlucht gegaan maar hebben ze ‘het normale’ geweigerd, en hebben ze hun eigen wereld gecreëerd. Elk werk schijnt dan een instrument te zijn dat het leven in hun eigen wereld mogelijk maakt. Elk instrument een schitterende vondst. Ik houd van die namen, David Lynch, Max Ernst, Dorothea Tanning. Met zulke namen bouw ik mijn wereld op, maar niet alleen met hun namen: hun werk zet mij op het spoor van iets wat ik nog niet ken. Ze maken een ontdekkingsreiziger van me; zie je mij hier tekeer gaan met mijn zaklamp en kompas, terwijl Nancy Sinatra enigszins vals Nights In White Satin zingt (maar zoveel mooier dan de valse kitsch van Moody Blues)? Yes I love you, oh, how I love you. Laat de roodborstjes komen!

01-03-07

SLAAPSTOORNISSEN EN LEGE AGENDA'S


1.

Het verdient aanbeveling je uit te spreken, niet zo vaak zoveel voor je te houden. Je emoties en je gedachten moet je veruiterlijken. Als je iemand graag ziet, moet je dat zeggen. Iemand eens een keer knuffelen, dat moet gewoon. Als iemand je kwetst of beledigt, mag je je niet laten doen, je moet je verdedigen. Je mag je niet in een hoekje laten drummen. Je moet echt je gedachten en indrukken uiten, niet alleen maar alles verinnerlijken en opsparen. Al wat je niet uitspreekt vindt op een andere, vaak zelfdestructieve manier een uitweg, soms in bepaalde stoornissen, kwalen en obsessies, in ergernis, neerslachtigheid en melancholie.

Je moet je eigen weg gaan, doen waar je zin in hebt, zonder anderen te kwetsen of te benadelen. Als je zin krijgt om aan sport te doen, doe je dat toch gewoon, in plaats van te wikken en te weggen en er uiteindelijk van af te zien. Van uitstel komt afstel, zeggen de mensen en ze hebben gelijk. Als je zin hebt om naar de film te gaan, ga je naar de film en wacht je niet tot je een partner vindt om je te vergezellen. Zo kun je nog lang wachten. Een tentoonstelling, een concert, een wandeling in het bos: hetzelfde.

Het is voor jou echter heel moeilijk om dingen alleen te doen, om ergens op je eentje naartoe te gaan, om zonder gezelschap een vriend, kennis of familielid een bezoek te brengen. Je bent niet bepaald jong meer maar dat zou je toch moeten aanleren, of opnieuw aanleren. En ook het positieve gevoel van in eenzaamheid te genieten van om het even wat. Schoonheid openbaart zich wellicht nog het vaakst en in de beste omstandigheden aan de eenzame wandelaar.

2.

Ik doorbladerde gisteren mijn agenda van 2006 en stelde tot mijn verbijstering vast dat mijn actief leven op één jaar zienderogen is afgenomen. Nu is het bijna een passief leven geworden; het is alsof ik een metamorfose heb ondergaan. Ik ben een kever geworden en lig op mijn rug. Sinds januari 2006 heb ik geen film meer gezien in de bioscoop. Ik ben nochtans een passioneel filmliefhebber. Theaterbezoek neemt ook af. Ik zit meer en meer thuis. Ik bekijk films op dvd, ik beluister muziek, ik lees een beetje, ik zit voor mijn computer en krijg zitvlees. Waar zijn mijn fietstochten gebleven, mijn wandelingen in het Zoniënwoud? En wat is er met mijn slaap gebeurd? Ik slaap gemiddeld nog drie uur, de rest is onrust, een soort mentaal geklapwiek. Lachen zou ik moeten doen, vanuit de buik, daar schijn je goed van te kunnen slapen. Heel graag zou ik ’s morgens eens uitgerust opstaan en rustig een kop koffie drinken. Nee, nogmaals, ik moet mijn leven opnieuw veranderen. Kan iemand mij helpen? 

08-02-07

VLINDERS, HANDGEKLAP EN STRAATMUZIKANTEN

chaos,muziek,vlinders,tim hardin,tanya donelly,blaise pascal,pop,popcultuur,woning,thuis

“Tout le malheur de l’homme est de ne pas savoir rester sage dans sa chambre.”

Blaise Pascal.

Om nog eens terug te komen op de chaostheorie. Een bekend voorbeeld is dat de vleugelslag van een vlinder een orkaan kan veroorzaken. Betekent dit dat we - zoals Blaise Pascal al bepleitte, maar om andere redenen – beter in onze kamer blijven en ons met onze eigen zaken bezighouden? Als we in onze salon in onze handen klappen na het beluisteren van een liedje van Tim Hardin, bijvoorbeeld Reason To Believe, is de kans misschien kleiner dat we een ramp teweegbrengen dan wanneer we een straatzanger een muntstuk geven. Of kunnen de muren van onze woningen de rampspoed niet tegenhouden? Ik weet het niet, ik ben geen chaostheoreticus en ben evenmin zinnens zo iemand te worden.
Ik heb vorige zaterdag een liedje van Tanya Donelly beluisterd, Butterfly Thing, en sindsdien houdt dat onschuldige met de vleugels slaan van vlinders me uit mijn slaap, ook al klinkt Tanya Donelly zacht en lief in dat lied. Overigens geef ik geen geld aan straatmuzikanten, om de eenvoudige reden dat er te veel zijn in Brussel. Met pijn in het hart loop ik ze voorbij en doe alsof ze niet bestaan, terwijl ze mij niet zelden weten te ontroeren met hun doorleefd gezang. In deze wereld leef ik. Binnenkort zijn de vlinders er weer. De tijd vliegt.

Foto: Tanya Donelly, 1989.

31-05-06

IN WELKE CATEGORIE HOOR IK THUIS?



Ik heb het een beetje lastig met de blogcategorieën van skynet. Hoochiekoochie is ingedeeld bij de literaire weblogs. Maar wat hier staat is geen ‘literatuur’. Het is iets anders. Deze woorden overschrijden de grenzen van categorieën en classificaties. Literatuur is vaak vervalsing, verschoning, verfraaiing. De schone letteren maken het leven aangenamer, gezelliger, leuker. In een hoekje met een boekje. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Fernando Pessoa, Michel Houellebecq (van wie ik niet houd), Lewis Carroll (een genie), August Strindberg, Antonin Artaud, Geerten Meysing, enzovoort. Maar doorgaans heeft een literator niet de intentie het leven te veranderen. Hij schrijft en schrapt en verbloemt. Dat mag allemaal. Ik ben niet van mening dat schrijvers moeten worden opgesloten of verbannen. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat wat ik hier schrijf geen literatuur is, of vaak geen literatuur is. Wat is het dan wel? Dat weet ik niet. Maar je zou mijn ‘boodschappen’ veel namen kunnen geven. ‘Ik’ hoor onder veel categorieën thuis. Of, beter nog, onder geen enkele. ‘Ik’ ben echter alleen maar terug te vinden onder ‘literatuur/poëzie’, terwijl sommige van mijn teksten eerder filosofisch zijn. Heel vaak geef ik mijn mening over films, muziek, het weer, mijn lichamelijk toestand. Ik schrijf over liefde, steden, reizen, kunst, het gevoelsleven, utopieën, en vele andere dingen. Mijn teksten vormen een autobiografie, een ‘onderzoekend’ dagboek. Waar hoor ik dan thuis? Waar zou ik moeten worden aangetroffen?

29-05-06

THUISKOMST

                                                                                                                                                          

agnes, johny and corine in cap gris nez, france


In een al wat oudere tekst van mijn oude en goede vriend Johny Lenaerts (op de website http://www.yabasta.be/), las ik over de afname van de communicatie, van de ontmoeting. Wij zouden met zijn allen veel te veel televisie kijken en ons gezellig opsluiten in onze woonkamers, lekker bij de flikkerende beelden van soaps en reality shows. Cocooning, heet dat. Er zouden mede daardoor veel te weinig ontmoetingsplaatsen zijn. Dat zal wel waar zijn, maar geldt ongetwijfeld niet voor iedereen. Een eerste opmerking die ik daarbij wil plaatsen is dat afzondering vaak onder dwang gebeurt. Innerlijke dwang, sociale dwang, psychologische dwang, enzovoort. Ik zit veel thuis omdat ik niet anders kan. Buiten is heel vaak nergens. Ontmoetingsplaatsen zijn er in overvloed. Brussel, Gent en Antwerpen krioelen van de cafés, waar je vaak lang moet wachten op een ‘vrije’ stoel. Mogelijkheid tot ontmoeting is er zeker wel voldoende. Maar welke projecten hebben al die mensen die elkaar ontmoeten? Ik weet het niet. Ik voel me onder hen niet thuis. Of zoals Bob Dylan zei: ‘a house is not a home’. Als ik me in een ‘ontmoetingsplaats’ bevind, met name in een café, kan ik twee dingen doen: ofwel me bedrinken (en na verloop van tijd gaan denken dat ik een soort van Malcolm Lowry ben, of Guy Debord), ofwel me niet bedrinken en zo spoedig mogelijk weer naar huis gaan. Als ik niet drink in een café ben ik er alleen. Als ik wel drink ben ik ook alleen maar leef ik even in de illusie dat er diepe contacten zijn met verwante zielen.

Thuis echter is er de zelfwerkzaamheid, de communicatie via nieuwe sociale groepen (zoals die van de bloggers, en ook wel die van flickr); thuis luister je naar muziek, je bespeelt een instrument, zingt als je er zin in hebt, drinkt of drinkt niet, thuis kijk je naar films, niet zomaar naar het eerste het beste shitprogramma op het eerste het beste shitkanaal. Daarom denk ik dat het onderscheid tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ nogal artificieel is. Ik weet dat de dialoog noodzakelijk is en dat je alleen jezelf kunt zijn (of worden) door communicatie met de anderen. Maar er worden voortdurend andere, nieuwe vormen van ontmoeting bedacht. Ik denk dat op die manier het kapitalisme zichzelf ondermijnt. Natuurlijk moeten wij niet passief zitten toekijken op die nieuwe vormen, maar moeten wij ze ons toe-eigenen. Ik neem aan dat we daar volop mee bezig zijn, thuis en op andere plaatsen. Het heeft geen zin het ene tegenover het andere te plaatsen. Thuis zijn, thuis komen, is fundamenteel voor de menselijke existentie. Johny Lenaerts verwijst in zijn artikel naar Leopold Flam, van wie we beiden heel veel hebben geleerd. Ik wil dat ook graag even doen in dit verband: Leopold Flam had het namelijk vaak over ‘het huis van de wereld’. Zonder een thuis kan de wereld onmogelijk ons huis zijn. We voelen ons dan vreemden op deze planeet. De eenzame Johnny Guitar, die zegt: ‘I’m a stranger here myself’. We vluchten dan weg in de religie van Born Again Christians en andere sekten en zingen (gemeend) liederen in de trant van ‘this world is not my home’ of we zoeken ons (on)heil in het nihilisme van Baudelaire (die overigens meestal in hotelkamers woonde) met zijn ‘anywhere out of the world.’ Het belangrijkste is dat iedereen naar huis gaat, en weet dat hij thuiskomt. Dat geldt nog het meest van al voor alle soldaten die nu ergens oorlog voeren zonder goed te weten waarom, zonder een doel voor ogen. All the soldiers must go home.

Foto: Martin Pulaski, met mijn vrienden in Cap Griz Nez

13-03-06

BINNEN EN BUITEN


Na meer dan een week binnenshuis te hebben doorgebracht (overdag in gekoesterde eenzaamheid, af en toe een blik in de spiegel, veel gehoest, veel geslaap, veel muziek, veel gedachtenspinsels; ’s avonds in het gezelschap van de vertrouwde levensgezellin), ben ik deze morgen weer door kou naar het werk gegaan. Ondanks de zon was het een moeizame tocht, de ‘berg’ op, richting metrostation. Deze middag ben ik de nieuwe cd van Neko Case - ‘Fox Confessor Brings The Flood’, raadselachtige titel - gaan kopen. Daar heb ik ongeveer anderhalf uur over gedaan. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn tijd niet beter heb besteed. Je wordt gek in zo’n mediamarkt. Je kunt er veel kopen, maar eigenlijk niet echt. Wat je echt zoekt is er niet. Ik vond het al vreemd dat Neko Case er was. Een paar jaar geleden zou je daar niet één cd van Johnny Cash hebben gevonden. Je moest bijna naar de VS om een cd van Johnny Cash te kopen. Op een bepaald ogenblik hebben de massamedia de man ontdekt. Opeens was hij geen maffe boer mee die christelijke liedjes zon, maar een oude, wijze, hippe vent. Nu moet iedereen die cd’s van Johnny Cash: in die mediamarkt lagen er wel honderd, of duizend, ik heb ze niet geteld. Ach ja, de markt is de markt. En je moet nooit spijt hebben van wat je hebt gedaan, ik weet het. Maar soms vergeet ik het. Nu schijnt de zon hier naar binnen en dat zou moeten volstaan. Opnieuw aan het werk!