14-10-16

BOB DYLAN EN DE AFGUNSTIGEN

 bob dylan wrting.jpg

Opgedragen aan Christophe Vekeman

De zon schijnt maar vermoedelijk is het koud buiten. Wordt het een routineuze dag? Een dag als een andere? 13 oktober. Een ongeluksdag, misschien? Ik ben alleen thuis, hang een tijdje de ellendige nietsnut uit. Zet tegen beter weten de radio aan. Bob Dylan wint de Nobelprijs! Vreugdetranen, nooit eerder gevoelde blijdschap. Hoe kan ik dit voor mezelf houden? Ik bel A. op met de blijde tijding. Ik voel hoe ze daar in de metro haast aan het dansen gaat. Ik haal een single uit de kast, een die ik al sinds 1966 koester, ‘I Want You’, waarin deze versregels voorkomen:

"The silver saxophones say I should refuse you
The cracked bells and washed-out horns
Blow into my face with scorn
But it’s not that way
I wasn’t born to lose you"

Geen routineuze dag, dus, maar een dag van herinneringen aan euforische, gelukkige, dramatische, zieke, feestelijke, jaloerse, uitzinnige, pijnlijke en verwarde momenten. Meer dan vijftig jaar Bob Dylan-momenten. In het verleden heb ik er daar al heel wat van beschreven. Nu is dat niet nodig. Ik jubel en ik voel dat de hele wereld feest viert.

Later op de dag besef ik dat ik tegen wil en dank met Vlaanderen verbonden ben. Dat niet iedereen feestviert en jubelt. Want in Vlaanderen heb je Vlaamse schrijvers. Vlaamse schrijvers die geen ogenblik twijfelen aan hun vanzelfsprekende grootsheid. Zij weten wie een schrijver is en wie niet. Bob Dylan zeker niet. Dat is een rijmelaar, een neuzelaar, in het beste geval een ‘singer-songwriter’. Zo iemand geef je toch geen Nobelprijs! De jury bestond ongetwijfeld uit oude hippies, zeggen ze.

Het boegeroep – niets nieuws voor Bob Dylan – begon al op facebook. Ik las statements van Jeroen Olyslaegers, een auteur die ik stilaan begon te bewonderen vanwege zijn sociaal engagement, die van een vrij grote domheid, of toch zeker verblinding getuigden. “Bob Dylan zou nooit van zichzelf zeggen dat hij een schrijver is”, orakelde Jeroen. “Hij is een ‘song and dance man’, dat zijn zijn eigen woorden.”  Vreemd dat een gerespecteerd auteur geen ironie herkent. Geen sarcasme. Schrijvers zitten aan een tafel te schrijven, zeggen de Vlaamse schrijvers. Het zijn geen entertainers, geen circusartiesten… Maar wat is de Boekenbeurs dan, wat zijn de culturele centra? Wat is al dat signeergedoe, wat zijn die spelletjesprogramma’s en slimste mensen van de wereld?

In het journaal op de Vlaamse televisie draven Vlaanderens bekendste auteurs opnieuw op. Jeroen Olyslaegers, die nog zo slecht niet is, alleen wat in de war. Dimitri Verhulst, die pure dronken nonsens vertelt. Hij heeft het over de karamellenverzen van Bob Dylan. De schrijver van zinnen als “Werkers van wijflijke kunne worden in geval van zwangerschap op straat gezet.” (Ja, ja, ik weet het, dat is ook sarcasme). Overigens, Nick Cave en Tom Waits zijn veel betere singer-songwriters, zegt hij. Uiteraard mag Kristien Hemmerechts niet ontbreken – hoe zou Bob Dylan de Nobelprijs voor literatuur kunnen krijgen zonder de goedkeuring van Kristien Hemmerechts? Onverdiend, vindt ook mevrouw Hemmerechts, Bob Dylan is helemaal geen schrijver. Like a rolling rolling stone, nee dat is niets voor mij. Mocht het nog Leonard Cohen geweest zijn, dat lijkt nog wat op poëzie, die liedjes komen ook op papier tot hun recht. En zo ging het nog een tijdje door. Gelukkig dacht ik aan wat Dylan ooit schreef: “Sometimes you gotta do like Elvis did and shoot the damn thing out”. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb de televisie op dvd-functie gezet en ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese in de lade geschoven. Het is een mooie, feestelijke avond geworden. Vier uur controversiële en convulsieve schoonheid.

[In een bui van vreugde/razernij geschreven. Niet op de stijl gelet. Dit is geen literatuur.]

bob and suze.jpg

 

20-10-15

ENKELE VASTSTELLINGEN OVER DE SITUATIE VANDAAG

chappaqua2.jpg

De totalitaire staat laat niet alleen het leger door de straten patrouilleren, intimideert niet alleen zijn onderdanen met mededelingen over vijanden, dreigingen en terreur. Hij legt eveneens de openbare omroep aan banden, maakt marionetten van haar directieleden en reporters, en verhindert elke berichtgeving die de officiële propaganda in vraag stelt. Een totalitaire staat ondermijnt tevens de gemeenschappelijke taal van zijn burgers door het introduceren van newspeak (zoals in ‘1984’ van George Orwell) of door het propageren via openbare omroep, televisie, geschreven pers, en onderwijs, van bestaande dialecten. Zo verdwijnt de gemeenschappelijke taal, en neemt het onbegrip toe. Op die manier worden kleine verschillen tussen bevolkingsgroepen en gemeenschappen uitvergroot, waardoor de mogelijkheid op gemeenschappelijk verzet kleiner wordt.

Anderzijds worden er vijandbeelden gecreëerd: Rusland, de Islam, Links. Ook wat dat vijandbeeld betreft is er sprak van newspeak. Zo wordt ‘links’ niet langer ‘links’ genoemd maar ‘extreem-links’ en ‘Islam’ ‘islamisme’ of ‘salafisme’. ‘Kleine criminelen’, gespuis dus, worden ‘terroristen’.

Symbolen die verenigen maar niet in het voordeel van de totalitaire staat werken, worden onderuit gehaald. Denk aan de Rode Duivels in België. België is voor de totalitaire staat alleen maar vruchtbaar als het een verdeeld land is. Het casinokapitalisme is ogenschijnlijk concurrentieel en meedogenloos maar in werkelijkheid is het één enkele uitbuitende machine in handen van een klein aantal extreem rijke families. Het casinokapitalisme is een sterke eenheid die wel vaart bij elke vorm van verdeeldheid en onderlinge vijandigheid van bevolkingsgroepen van naties, of van naties zelf.

De totalitaire staat vernietigt de overheid niet maar zet een punt achter dienstverlening en subsidiëring en vervangt bonafide ambtenaren door gewetenloze knechten in dienst van controle en repressie.


Wat de werkelijke drijfveren van een totalitaire staat zijn weet slechts een kleine minderheid. Waarom een bevolking zich kennelijk met genoegen laat onderwerpen aan het gezag, de restricties en uiteindelijk de onmenselijkheid van een dergelijke staat is een raadsel. En valt de totalitaire staat samen met het casinokapitalisme, met een klein aantal extreem rijke families?

19-10-13

MIJN DAGEN ALS GENIE

IMG_4614.JPG

In dezelfde periode dat ik Salvador Dalí op televisie zag, voor onze generatie toen nog enigszins een magisch medium, al werd je destijds ook al bedolven onder de shit (we waren wat dat betreft minder kritisch, zeker geen dwarskijkers, we vonden in het begin zelfs de domste programma’s nog ‘mieters’), kwam ik zelf op het scherm. Het betekent nu niets meer: iedereen is voortdurend op tv, schrijft vervolgens een aantal kookboeken en dan nog een boek over het schrijven van die kookboeken en sluit zijn carrière af met intieme memoires (gedenkwaardige ontmoetingen met andere kookboekenschrijvers en bekende supersterren) – maar in 1967 was het een evenement. Als ik er al een flauw vermoeden van had dat ik een genie zou worden, dan was ik het na de uitzending van Tienerklanken op de Belgische televisie over het festival Jazz Bilzen en de flower power die toen door de wereld raasde voor eens en altijd. Een genie, een dichter, een heldere ster. Lang zou die droom niet duren. Heel wat korter dan die van Andy Warhol en John Lennon. Hoewel: luister toch nog maar een keer naar Instant Karma

1967, jazz bilzen, summer of love, flower power, tienerklanken, televisie, louis neefs, pop, festival, muziek, popcultuur,


Illustraties

Boven: foto van een beeld uit een documentaire over Jazz Bilzen. Je ziet mij met bloemen in mijn ha
ar, een McGuinn-brilletje, buttons en andere parafernalia; ik word geïnterviewd door de Vlaamse zanger Louis Neefs, bekend van onder meer ‘Laat ons een bloem’ en ‘Jennifer Jennings’.

Onder: Nederlands enige echte protestzanger Armand, bekend van parels als 'Ben ik te min', 'Een van hen ben ik' en 'Blommenkinders'. Op de affiche van Jazz Bilzen 1967, naast onder meer de geweldige Britse band Procol Harum.

 

18-10-13

DE DOOS VAN PANDORA

Mes-in-het-Water-mesinhetwater3.jpg

Een week geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann hebben maar al gauw besefte ik dat ik eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer de kunst mij heeft gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-boekjes.

Daarnaast was er televisie. Mijn ouders keken nogal veel naar Duitse zenders, die kon je in Limburg net iets beter ontvangen, in tegenstelling tot de Belgische. Waarschijnlijk hield het ook verband met vaders vreemde fascinatie voor alles wat Duits was; vreemd omdat hij krijgsgevangene was geweest en daarna in het verzet was gegaan (de Witte Brigade). Zeker op Duitse zenders werden al wel eens behoorlijke films uitgezonden, vaak in Polen, Tsjecho-Slovakije en Hongarije en soms ook wel in Zweden gemaakt. En af en toe was er een kunstprogramma. Of is dit een herinnering die niet klopt? Want dat gebeurt natuurlijk ook met herinneringen. Je denkt dat het zo gebeurd is, maar op een dag ontmoet je iemand in een café, je raakt in gesprek, je ontdekt dat je samen op school hebt gezeten, je vertelt hem of haar een bepaalde gebeurtenis die je leven toen heeft veranderd – daar twijfel je niet aan - en dan zegt die persoon, nee, zo was het helemaal niet, je vergist je, het was zo en zo.

dali 001 (2).jpg

Maar goed.  Op een dag zag ik een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog dagen, misschien wel weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Ik wilde ook een Dalí worden, of toch iemand zoals hij, een soort van magiër met een heel eigen, absurde humor (wat zelden het geval is bij magiërs of occultisten, denk maar Strindbergs ‘Inferno’ – wat een door en door ernstig boek!). Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, dat dat jaar (1968) verschenen was bij Privé-domein, een uitgeverij die ik nog niet kende. Ik zie nu dat de betreurde dichter, romanticus en surrealist Gerrit Komrij het werk heeft vertaald. 

Dat boek was een doos van Pandora (ogenschijnlijk onheil, maar ik zie het enigszins anders, net zoals ik de gevallen engel verkies boven de vlekkeloze, ver weg achter de wolken); ik heb er enorm veel uit geleerd. Alleen al de namen met hun exotische klanken: Sigmund Freud, Max Ernst, Gala Gradiva, Figueras, Paul Eluard, André Breton, Le Chien Andalou, Gaudi, Sint Ignatius van Loyola, Vermeer, Burggraaf de Noailles, Schiaparelli… En de openingszin: “Toen ik zes jaar was wilde ik keukenmeid worden. Toen ik zeven was, Napoleon. Sedertdien hebben mijn ambities, evenals mijn grootheidswaanzin, steeds grotere vormen aangenomen.”

Kort daarna schreef ik het toneelstuk ‘De droom’, qua vormgeving sterk beïnvloed door de verbeeldingswereld van Dalí, zij het door de omstandigheden op school veel naïever en vooral primitiever, en inhoudelijk helaas een kopie van Vondel en enkele verhalen van Edgar Allan Poe, maar toch ook heel erg psychedelisch, waardoor het niet al te oubollig zal geleken hebben (ik vermoed integendeel). Ik dacht op dat moment dat ik net als Dalí een genie was en dat ik daar helemaal niets voor moest doen – dat het allemaal uit de lucht kwam vallen, of uit de doos van Pandora ontsnapte: een zoete ziekte.

Kijk, nu wilde ik het eindelijk over Max Beckmann hebben en ben tegen alle verwachtingen in bij Salvador Dalí beland – en bij mezelf en bij mijn ‘droom’. Het lijkt wat op de film van een andere surrealist, Luis Buñuel, ‘Le charme discret de la bourgeoisie’, waar het een aantal vrienden uit de burgerij maar niet lukt om samen aan tafel te gaan en van een heerlijke maaltijd te genieten. Altijd komt een droom, een nachtmerrie, een groep soldaten, een wandelende dode, roet in het, hm, eten gooien.

droom68 001 (2).jpg

'De droom', Martin Pulaski, Tongeren, 1968.                                                                                   

 

In volgende stukjes zal ik het – zo hoop ik nog altijd, dankzij de doos van Pandora - over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook over het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

24-07-13

AMY WINEHOUSE, BREIVIK EN IK

amy-winehouse.jpg

"... fallen in the valley of the rock and roll dead."
Will Sheff (Okkervil River) 

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed in het UZ in Jette. Ik had nog koorts, kon nauwelijks bewegen, maar het ging al beter met me. Twee maanden eerder, op 24 mei 2011, had mijn vrouw een taxi gebeld en was ze met mij naar de spoedafdeling gegaan. Dat heeft mijn leven gered, besef ik nu, hoewel ik me tijdens de weken die volgden nog zeker drie keer op de rand van de dood heb bevonden. Het einde van alles was in zicht en ik wist het niet eens. Veertien dagen in coma, een maand in intensive care. Geperforeerde dunne darm. Algemene vergiftiging, dubbele longontsteking, tracheotomie, buikvliesontsteking, shock, noem maar op.


Mijn vrouw, mijn vriendinnen en vrienden, de dokters en het verplegend personeel hebben voor mijn leven gevochten – en ze hebben het gehaald. En ik heb het gehaald.  Waar ik het langst last van heb gehad was wat ‘critical illness syndrome’ wordt genoemd. Mijn lichaam was bijna geheel verlamd, ten gevolge van die shock. Alleen mijn rechterarm was nog bruikbaar; mijn hersenen werkten ook nog min of meer, al kende ik bijvoorbeeld niet eens het eenvoudige beveiligingsnummer van mijn mobiele telefoon. Ik wist zelfs niet dat ik een mobiele telefoon bezat. Van dat hele syndroom is niet veel meer te merken, alleen mijn linkerarm is niet langer wat hij geweest is. Een combinatie van veel liefde, gekregen, en veel inspanningen, geleverd, heeft me opnieuw voldoende kracht gegeven. 


Op een mooie dag schrijf ik alle hallucinaties neer die ik in die periode heb gehad. Ze zitten in mijn geheugen gegrift, helemaal anders dan dromen, die je bijna meteen na het ontwaken vergeet. Sommige hallucinaties waren vrolijk, andere hilarisch, weer andere waren wreder dan om het even wat ik ooit had gevoeld of gezien. Ik zong liederen met Stephen Stills en Neil Young, was bevriend met the Rolling Stones, werd gefolterd in een kelder of bunker in Triëste.

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed en begon stilaan mijn bezoekers te herkennen en te begrijpen wat ze me vertelden. En ik kon al wat samenhangends terugzeggen. Hoewel ik soms nog dacht dat mijn bibliotheek zich achter de wand aan het hoofdeinde van mijn bed bevond. Of dat de vrienden er waren omdat ze in de kamer ernaast gingen vergaderen. Ik kon ook al televisiekijken, met een afstandsbedienaar waar ik niet veel van begreep. Ik had de laatste ritten van de Ronde van Frankrijk gezien, in hun geheel. Hallucinant. Nog veel hallucinanter was de toestand in Noorwegen. Pas weken later heb ik me gerealiseerd hoe erg het was geweest en pas vorig jaar, een jaar na de feiten, heb ik zitten huilen bij het lezen van getuigenissen. Toen ik zag dat Amy Winehouse gestorven was wist ik echter meteen dat ze echt dood was. Ik twijfelde niet langer. Maar ik huilde niet. Ik aanvaardde het: Amy Winehouse was dood.
Ja, Amy Winehouse was dood en ik leefde en zou weer gezond worden en wijn kunnen drinken. Wat ik vanavond ga doen, en ik breng dan een toast uit op jouw gezondheid en op die van mij en op die van iedereen die we kennen. Maar er zijn grenzen.

20-06-13

JAMES GANDOLFINI, TRAUMA'S, THERAPIEËN

tony-soprano-james-gandolfini.jpg

James Gandolfini

Van begin augustus 1997 tot najaar 2003 was ik in psychoanalyse bij een bekwame, empathische en erg aantrekkelijke (vrouwelijke) neuro-psychiater. De aanleiding voor de therapie was een posttraumatische shock waar ik onder gebukt ging nadat ik op een mooie, zonnige zomeravond vlakbij de Grote Markt in Brussel bijna dood was geklopt door bijzonder gewelddadige criminelen. Neus op twee plaatsen gebroken, zware hersenschudding, tanden stukgeslagen, hematoom in het bindweefsel rondom de ogen, et cetera. Voor de Brussels politie een fait-divers. Een onderzoek is er nooit geweest.

gewond1997a.jpg

Martin Pulaski, 26 juni 1997. Foto: Agnes A. of Wilfried D.

In de periode dat die psychoanalyse plaatsvond ben ik fan geworden van ‘The Sopranos’ en in het bijzonder van James Gandolfini en Lorraine Bracco, die de rol speelt van Tony Soprano’s psychiater, Jennifer Melfi. Hoewel ik zelf geen gangster ben en evenmin banden heb met de maffia, maar wel een bewonderaar van Tennessee Williams en Arthur Miller, die veel invloed hebben gehad op scenarioschrijver David Chase, en tevens een aanhanger ben van ‘niet-orthodoxe’ psychoanalyse, zag ik bijzonder veel overeenkomsten tussen mijn eigen therapie en die van Tony Soprano. Bovendien herkende ik veel eigenschappen van 'mijn' psychiater in Jennifer Melfi – en vice versa. Soms zat ik te huilen bij een therapeutische sessie in 'The Sopranos', en vroeg ik me af hoe het toch mogelijk was dat ik zo kon meeleven met een gangster. Andere keren zat ik dan weer te huilen bij mijn therapeute als ik haar als in trance een aflevering navertelde. Realiteit en fictie raakten elkaar, ruilden van plaats.

 

lorraine bracco.jpg

Lorraine Bracco

Ik wil niet beweren dat James Gandolfini en Lorraine Bracco de beste acteurs van de wereld waren, maar ze hebben me alvast diep geraakt en een belangrijke betekenis gehad in mijn leven. Toen mijn vrouw me vanmorgen vertelde dat James Gandolfini in Rome is overleden heb ik niet gehuild. Huilen doe ik niet meer. Waarom zou een man nog huilen? Maar ik was geschokt en diep bedroefd. Er was iemand gestorven die ik van nabij had gekend. Geen familielid, geen vriend, maar een lotgenoot, een mens met trauma’s en grote levensproblemen.

Sinds oktober 2012 ben ik opnieuw in therapie bij dezelfde mooie vrouw. Waarom? Dat wil ik voorlopig  geheim houden. Maar ik denk dat de tijd gekomen is om ‘The Sopranos’ te herbekijken. Vraag me echter niet om nog een keer naar Rome te reizen, ook al schijnen alle wegen daarheen te leiden.

 

Vaarwel James Gandolfini, vaarwel Tony Soprano.

13-02-12

WIT BLAD

 

Zij heeft zich niet ontzien

om deel van de wereld te worden.

Nachten op ijzig gras gedanst

rondom een Offervuur waarin

Moeder en Vader werden verbrand,

zich laten zalven met zaad en spuug

van mannen die ze niet kende.

 

Alleen een handvol kleine sterren

stond haar na als het haar duizelde.

De goden van wie ze gehoord had

spraken geen woord en de engel

wiegde haar niet in diepe slaap.

Alleen de adders van het verdriet

kronkelden onder haar deur door.

 

Geur glijdt van haar lijf

onder de zon die alles bevriest.

In haar meisjesvel verpakt draagt zij

haar niemandsgeschenk naar het water :

steen van vlees tegen het stromen. 

...

Dit gedicht schreef ik in 1994 of 1995 na het zien van La Page Blanche van Olivier Assayas, met Virginie Ledoyen (in de reeks van negen films voor de Franse televisie,  "Tous les garçons et les filles de leur âge..", die stuk voor stuk van een hoge kwaliteit waren. Zeker ook de bijdrage van Chantal Akerman). Later in hotel La Luna in Lucca maakte ik een Engelse vertaling, met als titel Page Unwritten # 1.







21-10-08

FACEBOOK: MODEL VAN EXTREEM KAPITALISME OF KINDERSPEL?


gelaarsde kat

A. zegt dat ze Facebook hoe langer hoe vervelender begint te vinden. Het is dom en je verliest er veel tijd mee. Ze vergeet misschien dat heel wat van de onnozele spelletjes die Facebook ‘rijk’ is mij via haar bereiken. Uit beleefdheid installeer ik die dan en doe er even aan mee. Zo heb ik me al laten kidnappen en heb ik zelfs anderen gekidnapt. Ze heeft een vampier van me gemaakt, en weet ik veel wat nog allemaal. Het lijkt kinderlijk, maar is dat niet echt. Overal op je scherm word je gelokt om te consumeren, te kopen, geld uit te geven aan nutteloze dingen. Maar in tegenstelling tot A. vind ik Facebook niet vervelend. Het is een weergaloze weergave van deze extreem-kapitalistische maatschappij die onze levens beheerst. Je kunt er bijzonder veel uit leren. Dat is niet echt moeilijk, omdat de gehanteerde symbolen, metaforen en metonymia voor de hand liggen. Je moet niet diep graven om te achterhalen wat wordt beoogd, wat de drijfveren zijn.

Tevens is Facebook een aangenaam tijdverdrijf voor depressieve mensen. Het gratis kleinood valt te verkiezen boven kwisprogramma’s op televisie, kruiswoordraadsels, roddelblaadjes en zelfs patience. Facebook is ook efficiënter dan Lexotan, Librium, Valium, Temesta, Seresta en alle andere farmaceutica waar je je geheugen van verliest. Op Facebook kun je lekker creatief bezig zijn met kurk, karma of bloemstukken. Ik ben nu maar gedeeltelijk ironisch, gedeeltelijk meen ik dit echt.

Ik zeg tegen A, via Facebook zelf nota bene, dat ik het een goed communicatiemiddel vind. En zeker omdat het een ‘wezen’ is dat in zijn eigen staart bijt. Het extreem-kapitalistisch ingestelde netwerk geeft de mogelijkheid om het extreem kapitalisme te ontwrichten. Binnenin ontstaan allerlei zeer kritische netwerken. Ik word geïnformeerd over subversieve activiteiten in mijn eigen stad en elders, waar ik anders nooit iets over zou horen. Ik raak bevriend met boeiende kunstenaars, dichters, acteurs, etc., die vaak ondergronds actief zijn. Natuurlijk niet allemaal, maar zelfs degenen die met ‘het systeem’ meedraaien doen dat ongetwijfeld met de nodige scepsis.

Ik zeg tegen A. dat ik me nu minder geïsoleerd voel, minder alleen in de stad waar ik woon. Ze gelooft me niet. Ze denkt dat ik alle dagen naar openingen van tentoonstellingen ga en de hele tijd interessante mensen ontmoet. Terwijl ik meestal binnen zit en zeer weinig beleef. Ik, ik ben echt geïsoleerd, zegt ze, ik verblijf in Denemarken, mijn familie en veel van mijn vrienden wonen hier meer dan duizend kilometer vandaan, in Polen. Ik moet voortdurend een taal spreken die de mijne niet is. Ja, natuurlijk, zeg ik, dat begrijp ik. Maar voor een keer wilde ik zelf begrepen worden. Dat je in een middelgrote stad als Brussel woont betekent niet noodzakelijk dat je er veel vrienden hebt en dat je alle dagen iets onvergetelijks meemaakt. Ik heb nauwelijks vrienden in Brussel. Ik voel me hier een balling. Mijn echte stad is Antwerpen. Maar nu ben ik daar al zeventien jaar weg. Als ik in Antwerpen kom voel ik mij er als een toerist. Ach, zeg ik, ik kan je dit op deze manier, in korte zinnetjes, en in een taal die de mijne niet is, niet uitleggen. Ik zal het op een andere dag proberen, we kunnen misschien eens skypen. Goed, zegt ze. Bye, have a nice day.

Na dat korte gesprek dacht ik nog even na over Facebook. En over hoe de wereld op korte tijd veranderd is. Hoe ik nu bijvoorbeeld zo goed als vreemde mensen zomaar aanspreek, hen vraag of ze mijn vriend of vriendin willen zijn. Stel je voor dat ik op straat op een mooie vrouw zou toestappen en haar vragen zou of ze van Paul Auster en Nicholas Roeg houdt… Maar dat is toch mooi, dat dat nu kan. Wat ik heel graag doe op Facebook is mensen, vooral vrouwen, kopen en verkopen. Ik bezit er op dit ogenblik al meer dan tien. Wat zegt dat over mij? Maar veel liever nog krijg ik van iemand een bericht en stuur ik een bericht terug. Zodat het lijkt alsof we echte vrienden zijn. Omdat ik zonder echte vrienden niet leven kan.

20-10-08

DE DRAAGLIJKE ONVERANTWOORDELIJKHEID VAN HANIF KUREISHI

kureishi

Met veel plezier sta, zit of lig ik te lezen in Hanif Kureishi’s ‘Something To Tell You’. Op de cover van de pocket wordt hij de “bestselling author of The Buddha of Suburbia” genoemd, alsof hij sindsdien niets meer heeft verricht. De man is bijzonder productief, soms overdrijft hij en lijdt zijn werk onder dat ritme – maar deze roman vind ik heel goed, en grappig. Zo goed dat ik er al twee exemplaren van bezit, een pocket voor in bed en de metro, een hardcover om naar te kijken. Overigens was de pocket duurder dan de hardcover.

Psychiaters en psychoanalysten schijnen in trek te zijn bij schrijvers. Het hoofdpersonage in Siri Hustvedts ‘The Sorrows Of an American’ is een pyschiater; in de roman van Kureishi is een psychoanalyst aan het woord. En hoe!

In Kureishi’s roman staan veel dingen die roepen om geciteerd te worden. Zoals dit:

“That word. Responsibility. When I watched Miriam on her TV ‘agonies’, it was the most-used word, apart from ‘I’. Owning your acts. Seeing yourself as an actor rather than victim. I am all for responsibility; who wouldn’t be? We are all responsible for our selves. But what are our selves? Where do they begin and how far do they extend.”

Is het niet waar? Iedereen moet de hele tijd zijn verantwoordelijkheid nemen. Ik heb zoiets van, naar verantwoordelijke mensen toe: het is tijd voor iets nieuws. Laten we het leven en de wereld veranderen, nu we er nog tijd voor hebben. Het is tijd om antwoorden te verzinnen, nieuwe woorden, nieuwe zinnen. Om vragen te stellen. Of niet soms?

07-05-08

EAST-WEST: THE BUTTERFIELD BLUES BAND

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie

Nee, je hebt gelijk. Ik stop ermee. Ik moet tot rust komen. Ik stop met mijn studie aan de universiteit. Het is afgelopen. Waarom zou ik nog langer psychologie studeren? Is één diploma dan niet genoeg? Ik kan de spanning van de examens niet langer verdragen. En door die lange, tochtige gangen lopen. Overal vervalsing van het ware leven, namaak. Het ware leven is elders, dat weet iedereen, daarvoor moet je geen psychologie gestudeerd hebben. Weet iemand nog wat een trimester is, een semester, en is vacature geen tijdschrift? Zitten we op de trein naar Babylon, of een andere stad, die tot de grond werd afgebrand? Zitten we met andere woorden niet met een probleem?

Ik heb trouwens al een diploma. Bovendien vergeet ik toch altijd alles. Het enige wat ik mij van al die lessen nog herinner is de uitspraak ‘bad girls go to hell’. Daar is een ander verhaal aan verbonden, dat ik nu liever niet vertel. Er zijn de buren, die zouden het maar eens moeten horen, als ik hier met luide stem de slechte meisjes zit te verheerlijken. Een filosoof die psychologie studeert is belachelijk, of op zijn minst niet ernstig. Nee, mijn beste vriend, ik stop ermee.

Het vorige kwam uit een droom die ik had.

Nu alweer eergisteren - wie weet waar de tijd heengaat? - zag ik in werkelijkheid de deejay-van-toen Zaki en zijn zonen Dewaele op televisie, evenals de door velen zeer gewaardeerde Roland. Ongetwijfeld is hij de nieuwe oude Belg, die zal moeten opdraven als Toots Thielemans het laat afweten. Ach. Er is zelfs geen Sam Peckinpah meer onder ons, voor wiens films hij soundtracks zou kunnen maken (zoals Thielemans voor ‘The Getaway’).

Er was een tijd dat ik Roland & the Blues Workshop zag optreden op een klein festival in Limburg. Dat greep me zo naar de keel, dat ik nu (eergisteren, bedoel ik) dacht, waarom worden wij allemaal oude zakken en waarom vertellen wij als we oude zakken zijn zoveel onzin? Maar wacht even! The Butterfield Blues Band, zei Roland in dat programma dat eigenlijk over de wereldtentoonstelling had horen te gaan, alsof er niet voldoende materiaal is te vinden om daar alleen al een fijne reeks televisieprogramma’s mee samen te stellen. Maar dat terzijde. Want deze aflevering over (vooral) de sixties was echt wel de moeite waard om voor op te blijven, niet vanwege wat Zaki en zijn zonen vertelden, want dat stelde niet veel voor, maar wel vanwege de blik in de ogen van Roland,  toen hij de naam, the Butterfield Blues Band uitsprak. In die blik zag ik de jonge Roland, met alles wat hij toen in zijn lijf en zijn hoofd had, maar al gauw kwam ikzelf weer in het centrum van mijn eigen belangstelling te staan. Zo is dat. Als je niemands centrum bent, moet je maar je eigen centrum worden. Je eigen centrum van de wereld. Je hebt dat nodig om te overleven in een schijnbaar onverschillige wereld. Je moet een centrum zijn, het middelpunt van een cirkel of een kring om de vijandige krachten die je willen verslinden het hoofd te bieden. Het hoofd te bieden? Niet echt. De strategieën, spinachtig, die je hoofd bedenkt. Het lokaas, de leugens, het zaaien van twijfel, het doen ontstaan van onzekerheid, vooral het zwijgen. De jonge Roland zag ik, en ik zag hem ook weer in die oudere man met baard, hij leefde nog in hem als een hem wat vreemd geworden ziel. Was hij de golem en zat de echte Roland in hem, of was het net omgekeerd? De blues had hij ontdekt dankzij the Butterfield Blues Band, zei hij. Zo belandde ik  opeens in Genk, bij mijn vriend Harry, in de zomer van 1968. Ik was op mijn gele Garelli naar Genk komen rijden. In dat gat was werkelijk niets te doen, toen. Wat er nu gebeurt zou ik niet kunnen zeggen. Harry liet mij een plaat horen van Blue Cheer. Natuurlijk kende ik ze. Het was ‘Vincebus Eruptum’, onze favoriet elpee in die dagen, hoewel ik ook dol was op ‘Bee Gees 1st’ en ‘White Light White Heat’ van the Velvet Underground. We dronken een glas limonade. Mijn gele Garelli stond af te koelen in de schaduw van Harry’s ouderlijk huis. Na het drinken van de limonade besloten we een tochtje te maken door het centrum van Genk. Honderden keren ben ik in die stad geweest, maar een echt centrum is er niet, was er niet en zal er waarschijnlijk nooit zijn. In dat opzicht is het net een stadje in de Verenigde Staten. Maar die dag was er wel een centrum, magisch bijna: omdat we ernaartoe werden gezogen. Een winkel waar elpees werden verkocht. Harry zei dat ik niet moest binnengaan, tenzij ik de Heikrekels of de Zangeres Zonder Naam op prijs stelde. Dat was niet het geval. Maar het vinyl liet zijn oerkreet horen: kom, luister, koop. Eens binnen viel mijn oog meteen op de (nu nog altijd) prachtige hoes van ‘East-West’ van the Butterfield Blues Band. Ik had nog nooit iets gelezen over die band. Maar ik twijfelde er niet aan dat dit verzengende muziek zou zijn. Bovendien kostte ze maar 99 frank. Het was wel een Franse persing, op Vogue in plaats van het originele en legendarische Elektra. Het was zo’n hoes met punten op die je kon uitknippen en als je die opstuurde naar Frankrijk kreeg je een of ander gadget. Mijn hoezen kapot knippen zeker! Ik heb de grijsgedraaide elpee later, toen ik in Antwerpen woonde, verkocht bij Brabo, voor 20 frank meen ik mij te herinneren. Daar konden we brood, jam, aardappelen en uien mee kopen. Nu ben ik in het bezit van een exemplaar op Edsel, degelijk van klank, maar het is natuurlijk niet the real thing.

martin scorsese,bob dylan,mike bloomfield,platenhoezen,studeren,centrum,autobiografie,pop,rock,popcultuur,blues,genk,jeugd,chicago,paul butterfield blues band,roland,elektra,drugs,drank,schoonheid,rolling stones,droom,psychologie,sam peckinpah,toots thielemans,electric flag,newport,1965,1966,1968,televisie


Ik weet niet wat Harry en ik na de aankoop van de elpee nog deden. Ik wilde zo snel mogelijk ‘East-West’ horen. De beluistering van die blues, vooral van de titeltrack, was mijn eerste en mischien wel enige trip. Nee, ik overdrijf. 'Music From Big Pink' was er bijvoorbeeld ook een, en 'Electric Ladyland', en 'John Wesley Harding' en 'The Notorious Byrd Brothers'. Et cetera. Van trips gesproken:‘East-West’, in de VS verschenen in 1966, had een grote invloed op de acid rock uit San Francisco.

Ik was altijd een grote fan van the Rolling Stones geweest, vooral van hun bluesy nummers, zoals ‘Walking the Dog’ en ‘Litte Red Rooster’. Echte blues kende ik  niet, die werd niet op de radio gedraaid en niet in de platenwinkels verkocht waar ik kwam. En nu hoorde ik de echte blues, uit Chicago. Gelukkig voor the Rolling Stones maakten zij op dat ogenblik popmuziek (‘Between the Buttons’, een heel mooie popelpee), zodat ik niet moest vergelijken. Later zijn ze trouwens echte blues gaan spelen, op ‘Let It Bleed’, ‘Sticky Fingers’ en ‘Exile  On Main Street’. Nooit echter zouden zij de dromerige intensiteit van ‘East-West’ evenaren. Het was 1968, revolutie in de steden van de wereld, communes, underground, psychedelica, vrije liefde en seks, dope, noem maar op. Maar ik hield me ver van het tumult en luisterde naar deze geweldige songs op ‘East-West’. Het driftige mondharmonicaspel en de bezielde zang van Paul Butterfield, de stevige drumsound van Billy Davenport, het koppige ritme van basspeler Jerome Arnold, het enigszins psychedelische orgel- en pianospel van Mark Naftalin, het jonge, delicate geweld van gitarist Elvin Bishop en de ultieme schoonheid van Mike Bloomfields gitaarspel. Ik geloof niet dat ik ooit een betere gitarist heb gehoord. Later ontdekte ik dat het Mike Bloomfield was geweest die meespeelde op ‘Like A Rolling Stone’ van Bob Dylan. Mike Bloomfield was de man van tientallen ‘supersessies’. Hij was een  bescheiden gitarist, maar beter dan de meesten, met uitzondering misschien van Jimi Hendrix.  Je kunt hem trouwens aan het werk zien, samen met the Butterfield Blues Band, als backing band van Bob Dylan op het folkfestival van Newport in 1965, in de documentaire ‘No Direction Home’ van Martin Scorsese.

Helaas heb ik de band nooit live gezien. Daar had ik toch wel een paar maanden van mijn leven willen voor geven. Paul Butterfield en Mike Bloomfield zijn al vele jaren niet meer onder ons. Ook in hun geval eisten drugs en drank hun tol. Maar hun meesterwerk blijft overeind.

Voor wie meer blues van Butterfield wil horen is er een fraaie verzamelaar: The Elektra Years – An Anthology.

19-02-08

STEMMEN EN STEMMINGEN II


Willem_Dafoe

Vreemd hoe de stem van de jonge John Cale bijna altijd gevoelens van euforie bij me weet op te wekken. Nu bijvoorbeeld met het nummer ‘Please’, een bonustrack op de onvolprezen eerste solo-elpee, ‘Vintage Violence’. Ik ben een stemmengek, daar heb ik al meermaals overgeschreven, maar ik besef nu dat het bij iemand als John Cale toch zeker ook om de melodie gaat, waar die euforie al in potentie in aanwezig is. Bij een andere stem, die mij ook telkens weer doet wegsmelten, die van Hope Sandoval, is het melodieuze even belangrijk.

Toch is melodie geen sine qua non om de stem een diepe indruk op mij te laten maken. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Willem Dafoe, en met name aan de film ‘Light Sleeper’ van Paul Schrader. Telkens als ik die vrij middelmatige film - met een buitengewone acteerprestatie van Willem Dafoe – bekijk, krijg ik tranen in de ogen als ik de eenzame John LeTour aan een waarzegster hoor vragen of zijn geluk nu werkelijk opgebruikt is. Die tranen komen er niet alleen door de inhoud van die vraag maar ongetwijfeld ook door het timbre van Dafoes stem.

Na een voorstelling zag ik Willem Dafoe eens aan de toog van het kaaitheatercafé staan. Wat had ik hem graag aangesproken om hem te zeggen hoezeer ik hem bewonderde, maar ook om hem daar in dat café het woord tot mij te horen richten. Ik was echter te schuchter en bleef zitten waar ik zat.  En heel vaak als ik Mark Lanegan hoor zingen denk ik aan die scène uit ‘Light Sleeper’ terug, en krijg ik weer een krop in de keel. Mark Lanegan lijkt mij een even eenzame man als de fictieve John LeTour, en zijn stem lijkt wat op die van Willem Dafoe.

Bij mij moet de televisie altijd erg luid staan, zodat ik de nuances in het spreken van actrices en acteurs heel goed kan horen. Iets absurders dan een acteur wiens stem gedubt wordt kan ik me niet voorstellen. De - kennelijk autobiografische - monoloog die Marlon Brando afsteekt in ‘De laatste tango in Parijs’ van Bertolucci is zo broos en nog veel unieker dan een vingerafdruk dat wie die stem door een andere laat vervangen gevangenisstraf verdient. Ja ik ben toch wel een stemmengek.

18-01-08

REVOLUTIE IN ROCK?

roxy music,velvet underground,genesis,seven ages of rock,canvas,televisie,art rock,pink floyd,syd barrett,pop,popcultuur,rock,who,bob dylan,byrds,flying burrito brothers,frank zappa,vs,groot-brittannie,walging,bombast,punk,punk rock,kunst,lou reed,john cale,dr  john,soft machine,revolutie

Gisteravond bleef ik op om naar de tweede aflevering van Seven Ages Of Rock te kijken, op Canvas. Met de eerste aflevering was er al iets vreemds aan de hand geweest. Ze zou hoofdzakelijk over Jimi Hendrix hebben gegaan, maar er was vijftig minuten niet veel meer dan witte Britse blues te zien, en helemaal geen Jimi Hendrix. Gelukkig was er als compensatie My Generation van the Who. Een Humolezer beweert dat Canvas in de eerste aflevering heeft geknipt, waardoor Jimi Hendrix in de vuilnisbak is terechtgekomen. Ik kan dat verhaal maar moeilijk geloven.
 

Helaas heb ik ook gisteren weer zitten walgen bij zoveel Britse megalomanie. Het programma heet toch niet Seven Ages Of British Rock? De weinige boeiende beelden die ik heb gezien waren die van Syd Barrett (‘Jugband Blues’) en uiteraard van The Velvet Underground. De Welshman John Cale is een aanvaardbare Brit, die muziekgeschiedenis heeft geschreven, en Lou Reed is natuurlijk niemand minder dan Lou Reed. Hoewel het thema van de tweede aflevering ‘art rock’ was heb ik zeer weinig kunst gezien.
 

Wat ik wel gezien en gehoord heb is hysterisch gelul van Britse rockjournalisten, met achter elke zin een uitroepteken, zielloos en vulgair spektakel van nitwits als Phil Collins en Peter Gabriel met hun abominabele Genesis, belachelijke ‘glam’ van David Bowie (na die glamperiode heeft Bowie wel uitstekende platen gemaakt, met name ‘Low’, ‘Heroes’, ‘Lodger’ en ‘Scary Monsters’), aanstellerij van Bryan Ferry, hoewel ik moet toegeven dat Roxy Music- vooral dank zij Brian Eno - twee uitstekende elpees heeft gemaakt. Maar je mag er vooral niet naar kijken. Pink Floyd zonder Syd Barrett ging aardig van start, maar verviel al heel snel in stuurloosheid en afstotelijke bombast. Roger Waters verklaarde dat ze ten tijde van 'The Wall' tijdens concerten een muur rond de band opbouwden om zo aan te geven dat ze vervreemd waren van hun publiek. Duidelijker kon niet? Pink Floyd was echter niet vervreemd van zijn publiek maar van het genie van Syd Barrett. De ‘artistieke’ band moest het nu van vliegende roze varkens hebben.

In dit belachelijk nationalistische programma werd het Britse - ongewild komische - cabaret vergeleken met de verbijsterende klanken van the Velvet Underground, een groep van echte kunstenaars, met originele ideeën op muzikaal gebied en schitterende teksten over het 'ondergrondse' leven in New York. Overigens kwam de belangrijkste Britse art rock band, Soft Machine (met Robert Wyatt en Kevin Ayers), helemaal niet aan bod, en de tweede belangrijkste, the Bonzo Dog Band, evenmin. 

Die periode in de Britse rock, in werkelijkheid een dieptepunt, werd als revolutionair omschreven. De echte (tweede, of zelfs derde) 'revolutie' kwam er echter pas met punk, en ook punk was geen Brits maar een Amerikaans fenomeen (Stooges, New York Dolls, Ramones, om maar enkele punkrock bands te noemen). 

Bijna alle noemenswaardige populaire muziek is ontstaan in de Verenigde Staten. Vernieuwingen kwamen meestal van daar. Luister maar eens naar ‘The Notorious Byrd Brothers’ van The Byrds uit 1968, een elpee boordevol verkennende en bucolische muziek met een donkere ondertoon die verwijst naar oorlog en verlies, vooral verlies van idealen. Dat zou je een revolutionaire plaat kunnen noemen. En is alleen al zulke muziek creëren geen grote kunst? Hetzelfde geldt voor ‘Blonde On Blonde’ van Bob Dylan en ‘The Gilded Palace Of Sin’ van the Flying Burrito Brothers. Ook die elpees zorgden allebei voor een kentering in de populaire muziek.


Wie al helemaal ontbrak in het programma was de kunstenaar Frank Zappa. Hoe kun je die man over het hoofd zien als je het over rock en kunst hebt? Omdat hij een Amerikaan is?
 

Ik zou nog heel wat namen kunnen noemen die ontbraken, ook al droegen ze veel meer bij tot het artistieke gehalte van popcultuur en populaire muziek - ook voor muziek die nu nog wordt gemaakt - dan Genesis en de latere Pink Floyd. Ik beperk me tot Phil Spector, die van de single een autonoom kunstwerk maakte, denk maar aan het mythische 'Be My Baby' van The Ronettes, the United States Of America, die net zoals Frank Zappa avant-garde en rock met elkaar probeerden te verzoenen, Pearls Before Swine met de lispelende dichter Tom Rapp, Captain Beefheart and His Magic Band, etcetera.

En als je dan toch het theatrale aspect zoekt, dan ga je best bij Doctor John The Night Tripper te rade; zijn ‘Gris Gris’ is werkelijk voodoo theater. En de manier waarop Sonny Boy Williamson II mondharmonica speelt is misschien nog de grootste kunst.


Ik ben er mij bewust van dat ik hier alleen maar over Angelsaksische muziek schrijf. De reden daarvoor is dat ik met Duitse bands als Can, Faust, Neu en eigenlijk met alle andere populaire muziek veel minder vertrouwd ben.

25-05-07

JO RÖPKE EN DE FILMSCHOOL

jo ropke,film,filmschool,ritcs,vrienden,dood,in memoriam,easy rider,premiere,televisie,professoren,marc didden,william blak,humo,boek,leo steculorum,guillaume bijl,antwerpen,brussel

Ik heb de innemende filmliefhebber Jo Röpke nooit echt gekend, ook al heb ik les van hem gehad, lang geleden toen ik nog film studeerde aan het Rits (dat toen nog Ritcs heette). Aan die studies heb ik weinig goede herinneringen, waarbij ik een uitzondering maak voor de vriendschap. Ik heb op die school Marc Didden ontmoet, die lange tijd mijn beste vriend is geweest. We gingen zeker een keer per maand met z’n beiden in het Zoniënwoud wandelen en zongen dan liedjes van Creedence Clearwater Revival, The Rolling Stones en Pink Floyd. Waarschijnlijk werd er ook veel over film en meisjes gepraat, maar dat kan ik me niet meer zo goed herinneren. Samen met Marc schreef ik tijdens een verloren weekend een boek. Er bestaat maar één exemplaar van en dat is nu in zijn bezit. Al vele jaren. Eén hoofdstuk ging over alle mensen die, geloof ik, Pete heetten. Ik herinner mij dat er een Pete Lennon en een Pete McCartney in de lijst stond. Want het hoofdstuk was een lijst. Er stonden ook echte Petes in de lijst, de onlangs overleden Sneaky Pete bijvoorbeeld. Marc ging af en toe naar Londen; hij werkte al deeltijds als popjournalist voor Humo. Een keer heeft hij me zeer gelukkig gemaakt: hij had het verzameld werk van William Blake voor me meegebracht, een onovertroffen product van de verbeeldingskracht. Er gaat geen maand voorbij of ik lees er wel een stukje in en af en toe zing ik een van de Songs of Innocence, onder meer How Sweet I Roamed From Field To Field.

Op de filmschool ben ik bevriend geraakt met de kunstenaar Guillaume Bijl en de filosoof Leo Steculorum. Tijdens mijn Antwerpse jaren was Guillaume een van mijn beste vrienden. We hielden beiden hartstochtelijk van film (John Casavetes, Wim Wenders, Werner Herzog) en van het nachtleven (Pannenhuis, Mok, De Kroeg). Nu heb ik geen contact meer met hem. Een spijtige zaak, maar afscheid hoort bij het leven. Met Leo ben ik nog altijd goed bevriend.

Zoals ik al zei heb ik aan het Rits als onderwijsinstelling weinig goede herinneringen, ik heb er nauwelijks iets geleerd: een beetje fotografie, een beetje filmanalyse, een beetje scenarioschrijven. De dingen die ik er niet geleerd heb zal ik niet opsommen. Er hing altijd een vervelende sfeer, niet bepaald artistiek; men was er vrij streng. Veel van mijn medestudenten waren liefhebbers van kleinkunst, een genre dat ik hartsgrondig haatte. Hoe kan kunst klein zijn, vraag ik me nog steeds af. De meeste profs waren zeurkousen. Marc Galle bijvoorbeeld. Maar er waren nog ergere exemplaren, van wie ik de naam vergeten ben. Jo Röpke was anders. Hij kon boeiend over film vertellen en gaf je zin om naar de cinema te gaan, om de laatste Polanski of Fellini te gaan bewonderen. Het was niet echt lesgeven wat hij deed, het was werkelijk met veel enthousiasme en ironie vertellen. Een beetje zoals in zijn televisieprogramma Première, maar dan minder afgeborsteld, vrijer. Ik herinner me dat ik voor mijn examen bij Jo Röpke een uiteenzetting over de paranoia in Easy Rider gaf. Die uiteenzetting zal ongetwijfeld zeer idiosyncratisch zijn geweest, vooral omdat ik nog veel meer paranoia aan de film toeschreef dan er sowieso al in werd getoond. Jo Röpke vond mijn invalshoek origineel en gaf me een warme handdruk toen ik de examenruimte verliet. Dat was in 1970. Sindsdien heb ik hem nooit meer teruggezien. En nu is hij dood. Wel mooi dat hij in Cannes is gestorven. Moge hij in vrede rusten. Maar daar twijfel ik eigenlijk niet aan.

26-03-07

DE BOEKEN IN LOOD VAN ANSELM KIEFER

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken


Anselm Kiefer is een van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd. Zijn werk opent de ruimte en geeft je tijd om na te denken. Poëzie, mythe en geschiedenis gaan er hand in hand. Kiefer gebruikt weinig kleur, vooral zwart, grijs en wit, en toch denk je achteraf dat je alle mogelijke kleuren hebt gezien. Ogenblikken van geluk, extase, losgerukt van de gruwel van de geschiedenis. Het absurde universum krijgt een zin. Een mens is even belangrijk of onbelangrijk als een ster. Stenen, zonnebloempitten, sperma. Ziggoerats in Irak, het heilige land van de Tigris en de Eufraat. Eigenaardig dat dit land zo'n grote rol speelt bij Kiefer. Toevallig natuurlijk, maar ik leerde zijn werk kennen tijdens de golfoorlog, toen de Westerse bommen voor de eerste keer op Bagdad neervielen. Ik denk nu terug aan mijn gedicht uit 1993, "In loden boeken":

In loden boeken in groot octavo
heb ik uw naam neergeschreven,
al vloekende, al tierende. Geschiedenis
mag weten wie aan het woord is.

U hebt het geslacht opnieuw
aan de tand gevoeld, zonder genade
raak gezaaid, overal in het rond,
waar 's zondags klokken luidden.

Ik zie uw donkere voetsporen
in de sneeuw van een voetbalveld
waar zij geen rust kunnen vinden
nabij de doelen zonder wachters.

U klapt in uw handen voor deze doden.
Uw ploeg scoort voortdurend
tegen Bosniërs met bloed in hun haar.
Ze zijn doodmoe. Ze bukken zich.

Ze woelen het grijze gras om.

Het gedicht was uiteraard geïnspireerd door de schokkende beelden over Bosnië die ik elke dag op televisie zag. Maar de loden boeken kwamen van Kiefer. De tanden van de kunstenaar had ik nog niet gezien toen ik dit gedicht schreef.

anselm kiefer,bosnie,geschiedenis,kunstenaar,televisie,boeken


James Nachey, Bosnia

04-08-06

ZWARTE JURKJES

lucca,reizen,vrouwen,trauma,televisie,hope sandoval,toscane,bill murray,italie,muziek,zomerjurken,meisjes,hotel,la luna,lost in translation

The Rober Palmer Girls


In Lucca was ik soms alleen, soms niet. Zolang ik niet alleen was, voelde ik me tevreden, er scheen mij weinig te ontbreken. De klaterende stemmen van mijn vriendinnen vulden de leegte die in mij was achtergebleven na de traumatische ervaring in de Brusselse zaterdagnacht. Meer had ik op zulke ogenblikken niet nodig.
Als ik alleen was zwierf ik lusteloos – waar ik niets negatiefs mee bedoel - en doelloos door de hete straten en steegjes van Lucca en nam geluiden, geuren, kleuren in mij op. Zowat alles wat ik waarnam bood troost en hielp me vergeten waar ik vandaan kwam. Af en toe ging ik aan een tafeltje zitten met een koffie of een glas witte wijn en keek ik naar de voorbijgangers. Toeristen, autochtonen, de meesten schaars gekleed vanwege de hittgegolf. Ik stelde vast dat ik vrouwen in eenvoudige zwarte jurkjes het aantrekkelijkst vond. Zwarte halflange haren, donkere ogen. Ach, ik zie ook graag vrouwen in witte jurken met blonde haren! Maar die fijne zwarte jurkjes hebben iets, ik weet niet goed wat. Ik zal er eens diep over moeten nadenken. Ik moet dat ‘iets’ kunnen bepalen.


De eerste avond in hotel La Luna zette ik de televisie aan. Ik zag Bill Murray een douche nemen. Ik had die dag zelf al een viertal keer onder de douche gestaan. Het was Lost In Translation, in het Italiaans gedubt. Een bizarre ervaring. Men was wel zo consequent geweest om de Japanse dialogen niet te vertalen. Daarna zag ik wat bommen neervallen op Libanon. Wilde ik dat wel zien? Ik denk dat ik vooral wilde ontsnappen. Overigens wil ik dat nog steeds. Om twee uur die nacht ontwaakte ik uit een vreemde wereld, met de oortjes van mijn iPod nog in. Hope Sandoval had me al na één lied in slaap gewiegd. Hope Sandoval met een zwart jurkje aan.

11-07-06

VOOR EN NA DE REGEN 2

syd barrett,pop,popcultuur,dansen,vrienden,school,provo,hasselt,londen,alken,guillaume bijl,jeugd,juke box,montaigne,sister ray,tongeren,pink floyd,velvet underground,beatles,skalden,swinging sixties,mick jagger,keith richards,droom,mei  68,mecca,kinks,jazz bilzen,bilzen,monique,antwerpen,jan,albert ayler,televisie,londerzeel,rome,junkies

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

2.

Een nachtelijke ontmoeting in een huis in opbouw in Londerzeel. Malletje, Sarah (haar naam leer ik pas later kennen, de smaak van haar lippen). Negentienjarige zielsverwanten kickend op The Free.

Mijl in Londerzeel. "Ik ben de roadmanager van Jethro Tull" zegt hij & mag gratis binnen. Zijn Albert Ayler geeft hij me in ruil voor een dag Bed Peace met ex-miss België. Later voegt Rina zich aan Mijls zijde, mijn beste televisieavondvrienden. Bij jullie zag ik Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Van Kooten & De Bie. Waar ben je, Rina, zijn er nog sporen van je ziel, stofjes in de lucht die ik inadem? Wat is er met je boeken gebeurd? Met je geliefde Claire Goll? Ik mis je middernachtgesprekken, met letterlijke citaten uit interviews in de Humo - die ik zelf weigerde te lezen.

Marie liepen wij - ik was toen al een wij - jaren later in Rome tegen het lijf. Nee, mijn geheugen bedriegt me, ze fietste ons tegemoet op de Corso. Marie, die me aan Griet herinnert, Antwerpse junkie, en dan was er die andere uit de Middaglijnstraat in Schaarbeek, die in onze punkwoning in de Palfijnstraat onderdak vond & toch weer aan de spuit ging. Duchateau met zijn blikken doosjes. Met zijn pervitinepilletjes. Met – vele jaren later - zijn videocamera op onze huwelijksdag. Waar is die verdomde video, vriend? Ik wil zien wie wij waren in januari 1999 toen we innerlijk bruisend over de Anspachlaan liepen.

Ook Monique mag ik niet vergeten. Uit Alken. In mijn armen in Hasselt. In Blankenberge. Mijn eerste genotsvlees. Haar liefdesbrieven bewaar ik in een doos waar rode schoentjes in hebben gerust, die dansten op het ritme van the Slits, Clash en Television. Grijsgedraaide platen, brieven witgelezen

Paul V in Bilzen. Een Face, zoals ik. Een hele regenachtige middag speelde ik in zijn dichtbevolkte kelder ‘impromptus’ op de piano en zong de ziel uit mijn lijf. Bij The Small Faces in Diepenbeek kuste ik een Flower Power meisje. We waren twee uur lang lovers & ze dronk van mijn zakflesje Gordon’s Gin. Was ik niet zelf een Steve Marriott, een magere Tin Soldier, met lange haren & een hippe zonnebril, die ik in Maastricht had gekocht. Liefde op het eerste gezicht. Hoe heette je toch? Heb je nog altijd die modzonnebril van me? Denk je nog aan ons gekus als je de bril uit je oude prullendoos tevoorschijn haalt? Voor ons was de muziek het sacrale. Dylan's It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry, the Pink Floyds See Emily Play, the Pretty Things' Hey Rosalyn.

Op mijn eentje op het voordek van het ouderlijk schip. Bij het binnenvaren in het Straatsburgdok liet ik de beat weergalmen: Substitute, It's My Life (“and I do what I want”), I'm Free, All Day And All Of The Night. Of ik zat te lezen in het provoblaadje Lynx in café de Dolfijn in Maastricht, in café Skalden in Hasselt, Witch Doctor op de jukebox, Child Of The Moon. Kickend op Mick Jagger & Keith Richard, It's The Singer Not The Song, Got To Get Away. Een avond in juni, 1967, in the Mecca in Londen, dansend met de kleine Johannes en Lucas en de meisjes. Overal in de swinging London straten Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en Are You Experienced?.

Mei 1968. Kicken op Let's Spend the Night Together, Matilda Mother & op mijn eigen experimenteel toneelstuk "De droom", waarin de in werkelijkheid voortdurend gepeste en verstoten Kikkeroog - zo werd hij genoemd, ik ben zijn voornaam vergeten - van het getreiter werd gered. Een catharsis zonder dat wij het wisten. Kickend in de kelder van het Atheneum op The Velvet Undergrounds Sister Ray, met Popov & Fiat de andere spitsbroeders. In "De droom" zaten zolang het stuk duurde drie kortgerokte meisjes zwijgend neer. Zitten, zwijgen en mooi zijn. Meer mocht niet van de prefect. Meisjes die samen met jongens repeteerden, dat was des duivels, vond de prefect. Korte rokjes en lange haren waren al schandalig genoeg.

Zo heb ik de draad toch weer te pakken: vriendschap is het allerhoogste, zoals ook Montaigne wist.

29-05-06

THUISKOMST

                                                                                                                                                          

agnes, johny and corine in cap gris nez, france


In een al wat oudere tekst van mijn oude en goede vriend Johny Lenaerts (op de website http://www.yabasta.be/), las ik over de afname van de communicatie, van de ontmoeting. Wij zouden met zijn allen veel te veel televisie kijken en ons gezellig opsluiten in onze woonkamers, lekker bij de flikkerende beelden van soaps en reality shows. Cocooning, heet dat. Er zouden mede daardoor veel te weinig ontmoetingsplaatsen zijn. Dat zal wel waar zijn, maar geldt ongetwijfeld niet voor iedereen. Een eerste opmerking die ik daarbij wil plaatsen is dat afzondering vaak onder dwang gebeurt. Innerlijke dwang, sociale dwang, psychologische dwang, enzovoort. Ik zit veel thuis omdat ik niet anders kan. Buiten is heel vaak nergens. Ontmoetingsplaatsen zijn er in overvloed. Brussel, Gent en Antwerpen krioelen van de cafés, waar je vaak lang moet wachten op een ‘vrije’ stoel. Mogelijkheid tot ontmoeting is er zeker wel voldoende. Maar welke projecten hebben al die mensen die elkaar ontmoeten? Ik weet het niet. Ik voel me onder hen niet thuis. Of zoals Bob Dylan zei: ‘a house is not a home’. Als ik me in een ‘ontmoetingsplaats’ bevind, met name in een café, kan ik twee dingen doen: ofwel me bedrinken (en na verloop van tijd gaan denken dat ik een soort van Malcolm Lowry ben, of Guy Debord), ofwel me niet bedrinken en zo spoedig mogelijk weer naar huis gaan. Als ik niet drink in een café ben ik er alleen. Als ik wel drink ben ik ook alleen maar leef ik even in de illusie dat er diepe contacten zijn met verwante zielen.

Thuis echter is er de zelfwerkzaamheid, de communicatie via nieuwe sociale groepen (zoals die van de bloggers, en ook wel die van flickr); thuis luister je naar muziek, je bespeelt een instrument, zingt als je er zin in hebt, drinkt of drinkt niet, thuis kijk je naar films, niet zomaar naar het eerste het beste shitprogramma op het eerste het beste shitkanaal. Daarom denk ik dat het onderscheid tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ nogal artificieel is. Ik weet dat de dialoog noodzakelijk is en dat je alleen jezelf kunt zijn (of worden) door communicatie met de anderen. Maar er worden voortdurend andere, nieuwe vormen van ontmoeting bedacht. Ik denk dat op die manier het kapitalisme zichzelf ondermijnt. Natuurlijk moeten wij niet passief zitten toekijken op die nieuwe vormen, maar moeten wij ze ons toe-eigenen. Ik neem aan dat we daar volop mee bezig zijn, thuis en op andere plaatsen. Het heeft geen zin het ene tegenover het andere te plaatsen. Thuis zijn, thuis komen, is fundamenteel voor de menselijke existentie. Johny Lenaerts verwijst in zijn artikel naar Leopold Flam, van wie we beiden heel veel hebben geleerd. Ik wil dat ook graag even doen in dit verband: Leopold Flam had het namelijk vaak over ‘het huis van de wereld’. Zonder een thuis kan de wereld onmogelijk ons huis zijn. We voelen ons dan vreemden op deze planeet. De eenzame Johnny Guitar, die zegt: ‘I’m a stranger here myself’. We vluchten dan weg in de religie van Born Again Christians en andere sekten en zingen (gemeend) liederen in de trant van ‘this world is not my home’ of we zoeken ons (on)heil in het nihilisme van Baudelaire (die overigens meestal in hotelkamers woonde) met zijn ‘anywhere out of the world.’ Het belangrijkste is dat iedereen naar huis gaat, en weet dat hij thuiskomt. Dat geldt nog het meest van al voor alle soldaten die nu ergens oorlog voeren zonder goed te weten waarom, zonder een doel voor ogen. All the soldiers must go home.

Foto: Martin Pulaski, met mijn vrienden in Cap Griz Nez

03-04-06

BRUSSELSE NACHTEN

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

Het ware drukke dagen, maar een soort dorheid had zich daarna van me meester gemaakt. Dat gebeurt wel vaker, ik geloof ten minste één keer per week, maar ik houd het niet nauwlettend in de gaten. Vrijdag was het ongewoon druk op het werk. ’s Avonds ben ik gaan drinken en lekker eten met lieve vrienden (die ook ex-collega’s zijn). Ze zijn jong en weten zo buitengewoon veel dat ik soms denk dat ze hun ziel aan de duivel hebben verkocht. Meermaals vraag ik me af of ik dat niet beter zelf zou doen. Maar de vraag is of ik wel een ziel heb, ik ben geen katholiek, ik ben niet eens gelovig (tenzij je goedgelovigheid ook een geloof noemt). Ik geloof wel in de ‘ziel’ van de muziek, het ritme, de beweging, ook de ‘geestelijke’ beweging die ze veroorzaakt lijkt mij te bestaan, de ontroering, de vervoering. Daar geloof ik allemaal wel in. Maar een eigen ziel die ik zou kunnen verkopen, zoals Faust? Ik betwijfel het. 


Laten we echter terugkeren naar de Greenwich. We zitten daar dan te praten en te luisteren en na een tijdje vergeet je wie wat weet, het heeft geen belang meer, er vindt een transcendentie van het ego plaats. Dat kan wel even duren, maar je komt natuurlijk altijd wel weer terug bij jezelf terecht. Nog een geluk, anders zou je niet meer kunnen functioneren in de gemeenschap van volkeren.

Ik zal geen poging doen om de conversatie hier te reconstrueren, veel meer dan zeven procent herinner ik er mij overigens niet meer van. We hadden het onder meer over Peter Sloterdijk en Geert Mak. Dat dat boek van Geert Mak over Europa zo moeilijk leest in bed. Dat Sloterdijk geen eenvoudige jongen is. Je kunt hem nergens bij indelen, hij hoort nergens thuis. En andere diepzinnigheden. Dan komt het moment van afscheid, mijn vrienden moeten naar huis, mij lokt de stad met haar bekoringen.

werk,vrienden,intelligentie,transcendentie,ego,cat power,alexander spence,skip,orval,drinken,cafes,schaterlachen,nazi s,eighties,kater,antwerpen,radio,televisie,ziel,restaurant,faust,greenwich,peter sloterdijk,geert mak,cafe kafka,cafe de monk,droom,rva,vpro

In café Kafka ontmoet ik een zielsverwant, al is het niet Kafka, zelfs niet Kamiel. Ik kan hem moeilijk ‘vriend’ noemen omdat ik hem nog maar twee weken ken. Maar ik noem hem toch maar zielsverwant. We houden onder meer van dezelfde muziek. Cat Power, Alexander Spence. Ik dacht dat ik de enige Belg was die Alexander Spence zelfs nog maar kende. Wat heb ik mij vergist. Vrijdagnacht in café De Monk bleek dat deze man zelfs de songs van Spence kon zingen, wat ik zelf niet eens kan. Ik kan helemaal niet zingen. In een van die liedjes van Alexander Spence (die ook Skip heet) komt de zin: ‘I’ve searched everywhere in heaven, but I’ve never found a friend like you…’ Ondertussen dronken we Orval, geloof ik, of was het Tripel van Westmalle? Ik denk Orval, niet omdat ik dat bier lekkerder vind, maar omdat het minder straf is dan de heerlijke Tripel. Ja, dit klinkt weer als een opstel. Zou ik het niet over een andere boeg gooien?

Die nacht heb ik in een droom zo liggen schaterlachen. Dat heb ik gisteren al verteld. Werklozen liepen in een processie en droegen elk een of ander grappig voorwerp. Een eindeloze stoet was het, op weg naar het stempelkantoor. Vroeger, nog in de jaren ’80 van de vorige eeuw, moesten werkloze Belgen elke dag op een ander uur een stempeltje gaan halen in een stempelkantoor. Ik heb dat zelf lang moeten doen. Vreselijk vernederend was dat. We moesten in dat kantoor in een rij gaan staan, op nummer! Nazi’s hadden het niet beter kunnen bedenken. Ik ben de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening er nog altijd dankbaar voor dat hij mij niet heeft vergast. Ik ben nu zeer ernstig. Het waren volgens mij zulke mensen als daar toen werkten die de Endlösung hebben bedacht. In ieder geval heb ik, in tegenstelling tot vrijdagnacht in mijn slaap, als werkloze nooit gelachen, toch niet als ik in de rij stond.


Trappist is lekker bier maar het is ook vergift. Over zaterdag kan ik daarom kort zijn (en over zondag ook). Ik had een flinke kater en in die toestand moest ik naar Antwerpen voor mijn radioprogramma. Ik neem in zo’n geval wat pilletjes tegen misselijkheid en braakneigingen. Anders zou het bijvoorbeeld kunnen gebeuren dat ik het mooie pak van de kaartjesknipper onderkots, en daarvoor ben ik veel te goed opgevoed. De treinreis leek drie keer zo lang te duren. Misschien is dat een nevenwerking van die pilletjes? Eens in Antwerpen loop je dan dan misselijk over de Meir, tussen al die prille zonnige winkelende meisjes. Het is een verschijnsel dat ik heel sterk met Antwerpen associeer, prille zonnige winkelende meisjes. Vervolgens wat nachos met een glas bier; mijn vriend PG in hogere sferen; toch nog een radioprogramma maken dat enige samenhang vertoont; konijn met pruimen en abrikozen bij de vrienden; met een vroege trein weer naar huis.

Gisteren voornamelijk zitten suffen en me laten deprimeren door een programma op de VPRO over vrouwenhandel. Zonder enige glamour, gelukkig – maar wel een wakende nachtmerrie.

27-03-06

GEDUBDE FILMS EN FRANSTALIGE ONDERTITELS

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

De lentemiddag lokte mij alvast naar buiten, maar ik was al snel weer binnen, op zoek naar klassieke schoonheid. De echte mensen rondom me op straat zag ik ternauwernood. Ik geloof ook niet dat er veel aan hen te zien was. Vrouwen als Lucia Bosé of zelfs Monica Vitti tref je niet aan in de Brusselse straten, zeker niet op mijn dagelijks parcours (het wordt de hoogste tijd dat ik mij nog eens aan een dérive overgeef), je vindt ze alleen maar in de cinema of op dvd. Ik heb me daarom nog maar eens naar zo’n kapitalistische markt begeven, waar veel beelden voorhanden zijn, maar als je ze ook nog wilt zien, moet je er wel voor betalen.

Ik wil hoegenaamd niet alleen maar beelden, maar ook geluid en ondertitels. Het ergste zijn gedubde films. Ik heb ooit nog maar één gedubd fragment gezien en heb daarna een hele week lopen en liggen walgen. Nu vind je in Brussel gelukkig nog wel dvd’s met ondertitels, maar die zijn negen keren op tien in het Frans. Ik wil hier nog wel eens herhalen dat ik Frans een mooie taal vind, maar ik lees ze minder snel dan Nederlands, terwijl je ondertitels toch snel moet lezen. Ze zijn eigenlijk maar een hulpmiddel om de dialogen beter te verstaan. De schande is nu dat in die grote ketens, zoals Mediamarkt, bijna geen dvd’s met Nederlandse ondertitels te vinden zijn, tenzij je Rambo of Titanic nog een keer wilt zien. Terwijl er in die winkel toch echt wel zeer veel Nederlandstaligen komen.

Het Nederlandstalige publiek wordt in Brussel onwaarschijnlijk minachtend behandeld. Zo ben ik geabonneerd op Coditel voor de kabeltelevisie. Dat bedrijf heeft het monopolie waar ik woon. Nu wordt die kabel gedigitaliseerd en het bedrijf is zo vriendelijk om 17 kanalen toe te voegen aan het bestaande aanbod. Ik geloof dat daar slechts één Nederlandstalig kanaal bij is, de andere zijn deels in het Frans, maar overwegend in het Arabisch. Het is zeer zeker wel leuk voor de Arabisch sprekende Brusselaars dat zij er nu die kanalen bijkrijgen (en dat die afschuwelijke schotels dan misschien uit het straatbeeld zullen verdwijnen), maar één Nederlandstalig kanaal, dat is toch bijzonder weinig. Bovendien zullen we om BBC2 en CNN nog te kunnen ontvangen moeten bijbetalen. Er komen in totaal 2 specifieke filmkanalen en die zijn zuiver Franstalig. Daar zul je Johnny Depp, Monica Vitti en Cate Blanchett alleen Frans horen spreken. Zulke dingen geven mij heel veel zin om uit mijn geliefde stad te vertrekken en het geluk ergens anders te gaan zoeken. In de mediamarkt heb ik alvast niet één betaalbare filmgodin gevonden. Ik heb mij dan maar tevredengesteld met Orson Welles, Robert De Niro en Billy Bob Thornton.

lucia bose,derive,lente,schoonheid,vrouwen,meisjes,brussel,monica vitti,nederlands,frans,taal,dubben,ondertitels,film,televisie,digitalisering,coditel

Afbeeldingen: Monica Vitti

20-02-06

EUROSONG: FINAL ANALYSIS

romeinse keizers,autobiografie,pop,popcultuur,televisie,eurosong,kritiek,nietzsche,geert mak,christus,paaldanseres,epilepsie,athene

Soms kan ik laag vallen. Gisteravond, na me te hebben verdiept in onder meer Geert Mak en Friedrich Nietszche, de familiegeschiedenis van mijn ouders (waarover een van de volgende dagen of weken meer, het is een werkje van langere adem), en de muziek, schoonheid, en androgyne perversie van Polly Jean Harvey, daalde ik af naar de salon waar de televisie nog steeds een soort van ereplaats inneemt, ter vervanging van een bloedende Christus of een paaldanseres. Ik zei tegen A., ik zou graag naar de finale van Eurosong kijken. Of hoe het programma ook moge heten. Mijn geliefde kreeg net geen aanval van epilepsie. Eurosong? De finale? Die onthutsing duurde niet lang; ze pruttelde niet eens tegen. Ik geloof dat ze in haar hart wel van het Eurosongfestival houdt. Het hoort bij onze jeugd: Gigliola Cinquetti, Louis Neefs met Jennifer Jennings, etcetera. Maar ik zeg altijd dat ik dat hele circus haat. Het uitreiken van de punten is natuurlijk telkens weer wel leuk, doch daar kijk ik zelden naar. 


Gisteren was het echter, zoals iedereen weet, de finale van de Vlaamse artiesten. Waar had de VRT die bonte troep bijeengeschaard? Waren ze met zijn allen ten prooi gevallen aan de vogelgriep? Ik dacht dat op zijn minst de eerwaarde heer Tony Mary, zelf een verdienstelijk eurosongszanger zo te zien, een immense voorraad vaccins in zijn koelkast had liggen. Een selectiecriterium voor deze finale was denk ik de Kempen. Als je uit de Kempen kwam en een beetje kon praten zoals ‘Patrick’ en ‘Johan’ dan mocht je ongetwijfeld meekwelen en er bestond zelfs een kans dat je naar Athene zou worden gestuurd. Naar Athene! In de schaduw van de Acropolis! Waar grote keizers als Augustus en Claudius vertoefden, om niet te spreken van de goden zelf. Je moest uit de Kempen komen, niets te vertellen hebben, er volstrekt belachelijk uitzien, een klein beetje kunnen zingen, maar dan wel zonder enige geestdrift en zonder enige originaliteit. Als je niet uit de Kempen kwam mocht je van het allochtone type zijn. Kom, moet iemand gezegd hebben, laat die jongens ook even meedoen, dan valt ons niets te verwijten, dat zijn we goed multicultureel bezig. Dat vrijwaart ons van bomaanslagen en zo. Nu waren die allochtonen niet slechter maar zeker ook niet beter dan de autochtonen. In ieder geval was hun dialect even goed en ze maakten dezelfde idiote gestes. Onhandige Vlamingen waren het, allemaal. Zelfs het Spaanse meisje Belle Perez zag er echt Vlaams uit. Haar lied was kitsch voor de bejaarden in Benidorm en Kusadasi. Ze kon trouwens goed strijken. Dat was ook wel nodig, met die oranje lakens om haar armen, daar was heel wat strijkwerk aan. Belle Perez! Wat een leuke naam! En dan had je een zekere La Sakrah of zo iets. Een wat oudere vrouw met een enigszins seniele glimlach op haar gezicht gebeiteld. Die was er niet af te krijgen, wat de idioten van de jury of wie dan ook over haar mochten beweren. Haar lied was ‘zeer geraffineerd’, een mix van cocktail jazz en roaring twenties. En tegen het einde werd haar jurk van haar lijf gerukt, gelukkig maar een gedeelte. Perfecte kitsch van het ‘betere type’ bestaat dan toch. Over een zekere Kate Ryan, een ‘Ierse’ met de uitstraling van een boerin, met een zwaar Kempens accent, moet ik het ook nog hebben. Een mannelijke Juul Kabas. Haar naam is reclame voor Ryanair. Vandaag stond in de krant dat de vliegtuigen van Ryanair zeer slecht worden onderhouden. Met Kate is dat geloof ik ook het geval, zeker met haar stembanden. En ze kan haar benen niet in bedwang houden. Bovendien heeft ze problemen met haar kapsels. Haar ogen stralen de leegte van de steppe uit. Ik hoor nu dat haar lied het gehaald heeft. Dat had ik wel gedacht, want temidden van dat moeras van slechte smaak was het werkelijk het allerslechtste. Het braakopwekkende dieptepunt par excellence.

De enige dame voor wie ik enig respect kon opbrengen was Els De Schepper. Ik ken die vrouw niet, maar ik had de indruk dat ze probeerde zoveel mogelijk zichzelf te zijn. Helaas, ze was een teef – pardon my English- in een kegelspel. Ze had echter beloofd dat ze bloot zou komen en dat heeft ze niet gedaan. Dat vond ik een beetje jammer, anders had ik toch nog iets aan mijn avond gehad. Nu zal ik toch opnieuw zo’n paal moeten installeren. Misschien kan ik aan de Els De Schepper eens vragen of ze wilt komen dansen. Zingen hoeft niet, alleen maar dansen. Ze mag me ook een spannend verhaal komen vertellen, met haar vurige ogen.

Foto: performance van Gunther Brus.

Ik hoop dat het mij geoorloofd was in deze context enige ongerijmdheden in te lassen, het detecteren waarvan het favoriete tijdverdrijf is van Hollywoodwatchers.