08-03-13

PINK FLOYD IN ANTWERPEN, 1968

pink floydbrussel1968.jpg

Pink Floyd in Brussel, in 1968.

Op 23 februari 1968, ik was toen zeventien, reisde ik met enkele vrienden van Hasselt naar het verre Antwerpen, toen net als Amsterdam een magisch centrum voor beatniks, hippies en langharig werkschuw tuig. Het was een dag, een avond, waar we al lang naar hadden uitgekeken, en veel over hadden gepraat en gefantaseerd. The  Pink Floyd trad op in het Pannenhuis in Antwerpen. Een droom ging in vervulling.  Al uren voor het begin rinkelden belletjes en klokjes en brandde wierook op het Consciencelein.  Op andere plaatsen in de stad deden onze multicolor-kleren de grijze burgers pijn aan de ogen. We waren zo anders, en daar waren we trots op. Zelf ben ik nooit trotser geweest, denk ik, dan die dag. Of misschien was ik het hele jaar 1968 zo trots. Het jaar van mijn droom. Gisteren schreef ik hoe hij een jaar later al doorprikt werd. Al gauw moesten we op zoek gaan naar nieuwe illusies of volkomen ontnuchterd verderleven.

Maar filosoferen deden we toen nog niet zo. We stapten het beatnikcafé het Pannenhuis binnen voor de onaardse klanken en kleuren van the Pink Floyd. Syd Barrett, de jonge god die we aanbaden, had de meest psychedelische groep van de wereld helaas net verlaten; David Gilmour was nu de gitarist. Maar de hele avond lang hoorde en zag ik de geest van Syd Barrett. Ja, in die dagen konden geesten nog zingen en musiceren. Een eenvoudige verklaring voor het fenomeen is dat de band nog bijna geen nieuwe nummers had en daarom niet anders kon dan de sprookjes/songs van Barrett spelen, zoals Matilda Mother, Flaming, Astronomy Dominé en Lucifer Sam. Sindsdien heb ik al honderden reizen gemaakt, in de realiteit en in de verbeelding; nooit, geloof ik, ben ik zo ver weg geweest van huis en van mezelf.

Een van de mooiste momenten van mijn leven – iets wat me altijd bij zal blijven, tot in de kleinste details. Vreemd is dat maar weinig mensen bereid zijn om me te geloven als ik dit verhaal vertel. Pink Floyd (het lidwoord ‘the’ werd later weggelaten) in een beatnikcafé waar maximaal tweehonderd mensen konden staan? Wat maakt het ook uit. Mijn vrienden en ik hebben het meegemaakt – en dat volstaat. Bovendien kan ik het bewijzen, in 1968 hield ik een dagboek bij.

Een dag later trad the Pink Floyd op in the Cheeta Club in Brussel. Ook dat weten maar weinigen. Het was een nieuw begin voor de Britse groep. Niet lang daarna volgden grootschaliger avonturen, waaronder vliegende varkens, de verovering van Pompeï en de donkere kant van de maan. Dat is allemaal veel geloofwaardiger dan wat er op 23 februari 1968 in het Antwerpse Pannenhuis gebeurde.

22-02-13

HERINNERINGEN AAN KEVIN AYERS

kevin1.jpg

Kevin Ayers is dood. Hoewel ik hem maar enkele keren heb ontmoet – het waren intense, onvergetelijke uren – beschouwde ik hem in mijn verbeelding als een ware vriend en in werkelijkheid als een lange afstandsvriend. ‘I have a friend I’ve never seen, he hides his head inside a dream’ zingt Neil Young in ‘Only Love Can Break Your Heart’. Het zou over Kevin Ayers kunnen gaan, en een klein beetje over mezelf.

Ik hield van zijn songs, zijn stem, zijn elegantie, zijn merkwaardige schoonheid, zijn speelsheid, zijn intelligentie. Toen ik hem ontmoette was ik nog naïef. Hij vertelde me waar the Soft Machine vandaan kwam. Van William Burroughs. Net zoals Steely Dan. Kevin Ayers vertelde me dat er logica in dromen zit. Kijk naar de bananen op zijn schaakbord (op de hoes van ‘Bananamour’).

Kevin Ayers was een muzikant met een ziel, geen showman. Dat zie je meteen op het livemateriaal dat er op YouTube voorhanden is.  Hij hield van Nico, beschouwde haar als een vrouw met talent en niet als een freak. Over haar heeft hij het mooie ‘Decadence’ geschreven. Op Ayers’ meesterwerk, ‘The Confessions Of Dr Dream And Other Stories’ uit 1974, zingt Nico mee (op ‘Irreversable Neural Damage’, een titel waar ik destijds weinig van begreep, geestelijk gezond als ik was). Op zijn platen liet hij zich begeleiden door voortreffelijke muzikanten zoals David Bedford, zijn oude vriend van the Soft Machine Robert Wyatt, de jonge Mike Oldfield, Steve Hillage, Ollie Halsall en Lol Coxhill. Niet voor niets heette zijn band ‘The Whole World’.

Syd Barrett, die hij wellicht nooit goed gekend heeft, zag hij als een ‘soulmate’ en een vriend. Voor hem zette hij het sprookjesachtige ‘Oh! Wot A Dream!’ op plaat. Een van mijn lievelingsnummers. Eens gehoord vergeet je het nooit en het is zeer geschikt als slaapliedje voor de kinderen.

Op een avond zaten we samen aan tafel. Kevin Ayers had meer aandacht voor de wijn dan voor het eten. Maar niet alleen voor de wijn. Tussen ons in stond een vaas met een warmrode roos erin; van een van haar bladeren viel een vochtdruppel in mijn glas . “Look”, zei hij, “the rose is crying in your wine”. Weinigen zien zoiets kleins, en als ze het zien zeggen ze het niet. Zeker mannen doen dat niet. Ik kende in die dagen niets van wijn. Hij vertelde me dat hij graag Gewurztraminer dronk. Daarna heb ik die vrij fruitige wijn nog jaren geregeld gedronken, tot ik me door bourbon en tequila heb laten verleiden, dranken die ik al lang weer heb afgezworen: nu is er opnieuw plaats voor wijn in mijn leven. En zeker ook voor Gewurztraminer.

Soms hoor ik Kevin Ayers in mijn dromen zingen. Why are you sleeping, zingt hij. Va pisser dans un violon, zingt hij. Stranger in blue suede shoes, zingt hij. Colores para Dolores, zing hij. Puis-je, vraag ik hem dan. En vervolgens word ik wakker, ontbijt, de zon schijnt, ik maak een lange wandeling, loop voorbij een café waar een mooie vrouw alleen aan een tafel thee zit te drinken. Zou ik haar durven vragen of ik dicht bij haar mag komen zitten? Nee dat durf ik niet, zeg ik tegen mijn spiegelbeeld.

Nog zoiets: mede dank zij Kevin Ayers ben ik nooit oud geworden. Hij was een van die kunstenaars die me hebben leren dromen, dagdromen, mijmeren… Kevin Ayers heeft me geholpen om van het leven een feest te maken, ook al krijg je soms alleen maar een naakte lunch.

Kevin Ayers is dood. Maar hij blijft mijn heel bijzondere gezel, tot het einde. Ik zal hem elke dag missen.

---

Op 25 juni 2006 schreef ik nog over Kevin Ayers in De roos van Kevin Ayers en op 27 juni 2006 in Gesprek met Christa Pfaffgen.

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

17-09-08

MORE : IN MEMORIAM RICK WRIGHT II


De dood van Pink Floyds Rick Wright heeft me letterlijk met verstomming geslagen. Ik kon er geen woord over kwijt. Ik was bedroefd, maar dacht ook meteen: weer schrijven over iemand die ik in mijn jeugd bewonderde en die nu dood is, iemand van mijn generatie, net iets ouder. Ik had er geen zin meer in. Straks doe ik niets anders meer dan over doden schrijven. En de levenden dan?

En toch. Samen met Syd Barrett, Brian Jones en Steve Marriott was Rick Wright een van mijn jeugdhelden, ik vond hem mooi, hield van zijn stijl en van zijn orgel- en pianospel. De rol van Rick Wright in Pink Floyd is altijd te weinig aan bod gekomen. Terecht werd Syd Barrett als de meest creatieve geest beschouwd. Sommigen noemen hem een genie, maar dat woord gebruik ik niet graag. Syd Barrett was Pink Floyd, de anderen begeleidden hem, Nick Mason op drums, Rick Wright op de hiervoor genoemde instrumenten, Roger Waters op bas. Toen Syd de band verliet, wellicht wegens een vertroebelde geest, zoniet waanzin, ontstond er een vacuüm: de jonge muzikanten wisten niet waarheen. Het was een goede zaak dat Syds vriend, David Gilmour, Syd verving. Niet alleen was hij een uitstekend gitarist, hij zong ook mooi, en schreef songs. Rick Wright was in die overgangsperiode van psychedelische undergroundgroep naar commercieel instituut het meest creatief. Hij zorgde ervoor dat de ruimtelijke sfeer in het geluid van de groep aanwezig bleef. Van de vier oorspronkelijke leden vind ik dat hij na Syd Barrett het meest ‘Pink Floyd’ was. Dat kun je ook horen op de songs die hij in die tijd schreef: 'Paint Box' (de b-kant van de single 'Apples and Oranges' uit 1967, nog geschreven door Syd) en de single A-kant 'It Would Be So Nice' uit 1968. Op de tweede elpee van Pink Floyd, ‘A Saucerful Of Secrets’, een werk vol ruimte, licht (en de woedeuitbarstingen van Roger Waters), stonden twee heerlijke composities van Rick Wright: het sublieme ‘Remember A Day’, helemaal in de sfeer van Syd Barretts meesterwerk ‘See Emily Play’, en ‘See-Saw’, dat ook weer bijzonder sprookjesachtig is.

In 1969 bracht Pink Floyd de soundtrack van Barbet Schroeders hippiefilm ‘More’ uit. Het is de mooiste plaat van de groep, na het debuut, 'The Piper at  the Gates of Dawn’, uiteraard. Rick Wright schrijft mee aan de meeste songs van de soundtrack. De teksten zijn van Roger Waters. Na de interessante mislukking 'Ummagumma', een dubbel-elpee uit 1969, met één minder boeiende, experimentele kant gecomponeerd en geïmproviseerd door Rick Wright. Ik moet echter toegeven dat ik er in 1970 dol op was.  Ik moet er honderden keren naar hebben geluisterd, daar op mijn kamer in de Karmelietenstraat, die nu al lang afgebroken is. In plaats van de kapperszaak waarboven ik woonde staat nu een ministeriegebouw lelijk te wezen. Vervolgens krijgt het zogenaamde progresssieve aspect van de groep de bovenhand. Pink Floyd is geen undergroundband meer, wordt geaccepteerd door het grote publiek, brengt elpees uit die veertig miljoen exemplaren verkopen. Rick Wright schreef ook aan deze platen mee, maar ze werden beheerst door Roger Waters, en in mindere mate door David Gilmour. Ik kan er weinig over zeggen omdat ik ze nauwelijks beluisterd heb. Ik heb nooit van bombast gehouden.

Ik heb er bovendien helemaal geen idee van wat Rick Wright van dit alles heeft gedacht. Hij was een stille, bescheiden man. In interviews nam hij zelden het woord. Vrienden van vroeger vonden dat ik – uiterlijk – op Rick Wright leek. Dat beschouwde ik als een compliment. Nu denk ik dat mijn karakter meer op het zijne lijkt: ik zou mijn stempel wel willen drukken op mijn omgeving, en in zekere zin op mijn tijd, maar ik beschik niet op de sociale vaardigheden om daarin te slagen.

Ik zag Pink Floyd drie keer live. Op 23 februari 1968 in Antwerpen in café Het Pannenhuis, ik had Rick Wright kunnen aanraken, maar zo gek was ik nu ook weer niet, op 26 september 1969 in théâtre 140 in Brussel (dag Marc, hoe gaat het met je?) en op 12 juli 1970 op een hippiefestival in Aken, waar mijn vrouw en ik, samen met Amerikaanse ‘soldaten’ en Duitse hippies, in een oude oorlogsbunker moesten overnachten. Het eerste en het tweede concert waren overweldigend mooi, met die zeer ruimtelijke muziek, het derde, in Aken, was weinig geïnspireerd. Ik ben erbij in slaap gevallen. De groep was op zoek naar iets anders. De muzikanten wisten ongetwijfeld nog niet dat ze enkele jaren later schatrijk zouden zijn.

Rick Wright cijferde zichzelf weg. En dat heb ik in deze tekst ook gedaan: Rick Wright weggecijferd. Rick Wright is definitief weg. Maar nog vaak zal de lieve man opduiken als we weer een keer 'Paint Box', 'It Would Be So Nice' en 'Remember A Day' beluisteren. En ‘More’.


in memory of rick wright II

De eerste single van Pink Floyd zonder Syd Barrett. Rick Wright schreef de A-kant, 'It Would Be So Nice'.

01-08-08

JE BENT NIET ANDERS DAN DE ANDEREN, OF WEL SOMS?


Al te vaak misschien wil ik schrijven over enkele antihelden, in mijn ogen vaak de echte helden, als we dat woord tenminste nog wensen te gebruiken.… Mijn gedachten gaan dan onwillekeurig naar in een of ander opzicht geniale muzikanten, performers, singer-songwriters, ‘wijze dwazen’, die destijds verstoten en verguisd werden, naar Alexander Spence, Karen Dalton, Nick Drake en Syd Barrett, muziek- en woordkunstenaars die nu evenwel door een globale elite aanbeden worden. Ik zou nog veel andere namen kunnen noemen, maar vandaag doe ik het niet. Beweren zou ik kunnen dat ik wat hen betreft een van de eerste ingewijden was. Dat ik zes kilometer verwachtingsvol langs de Zuid-Willemsvaart liep, van Neerharen naar Maastricht, om in platenwinkel De Harp ‘Oar’ te kopen, en dan weer zes kilometer terug. Ik zou kunnen schrijven over de diepe emoties die ik voelde bij het beluisteren van de gebroken stem van Skip Spence, die de kleine luidspreker van mijn gele Philips materialiseerde. “I’ve searched everywhere in heaven but I never found a friend like you…” De platenspeler had dezelfde kleur als mijn Garelli brommer. Het genot dat ik voelde bij het horen van de diepe wanhoop van een gebroken mens, toen ik nog zo jong en naïef was en nooit van Hölderlin had gehoord. Waarom had ik niet van hem gehoord? Omdat ik slechte leraren had, zonder enige twijfel. Het genot was overigens geen leedvermaak, maar identificatie, de wanhoop en het verdriet die Skippy bezong, waren ook mijn wanhoop en verdriet. Dacht ik, meende ik.

Al te vaak wil ik daarover schrijven, maar heeft het enige zin? Je hemelt die mensen op om jezelf te vergeten en maakt lijstjes tegen het verdriet. Je wilt de wereld bezitten, maar alles valt uiteen in partikels, in atomen. Ergens moet er een eenheid zijn, een Zijn dat al de zijnden samenhoudt en zin geeft, bestaansrecht. Daarom is het ook niet erg dat ik er nu niet over schrijf.

Ik heb me nooit lang in de marge opgehouden. Ik wilde geen snob zijn. Iemand die boeken leest die niemand kent, die platen koopt waar maar vijf exemplaren van bestaan, die nachtenlang naar onbegrijpelijke films uit Nieuw-Zeeland zit te kijken. Af en toe ging ik eens kijken in de donkere straatjes, nam ik zijwegen, luisterde ik naar schril gekras, bekeek ik films over geweld en geestelijke verminking, gaf me over aan het wrede theater van Antonin Artaud en Sarah Kane, je weet wel. Maar veel vaker koos ik voor Elvis Presley, the Rolling Stones, John Fogerty, Francis Ford Coppola, François Truffaut, Haruki Murakami, Paul Auster, Franz Kafka. Kunstenaars die iedereen kent. Ik was niet anders dan de anderen, dacht ik.

Een mooie kromme lijn door alles waar ik me door liet overspoelen trok Bob Dylan. Hij was er altijd, van in het begin en hij is er nog altijd. En het laatste lied dat ik zal horen, mocht ik ooit sterven, zou er een van Dylan zijn. De beste song die ik van hem ken is, denk ik, ‘It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry’. Misschien is het gewoonweg de beste song. De mooiste versie is de originele op ‘Highway 61 Revisited’, maar op de soundtrack van ‘The Concert For Bangladesh’ staat ook een uitstekende versie. Bob Dylan wordt er begeleid door twee Beatles en Leon Russell, nog zo’n miskende held.

 

 

01-02-08

DON'T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (2)

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Toen ik jong was vond ik mezelf belangrijk, uiterst hip, bijna een uitverkorene, een genie. Terugblikkend weet ik niet goed waar mijn zelfverklaarde genialiteit op gebaseerd was. Het is evenwel een belangrijk element bij het lezen van de volgende autobiografische notities.

Het feit dat ik vanaf oktober 1969 door een bende imbecielen was omringd heeft mijn carrière als toneel- of filmregisseur ongetwijfeld mee in de kiem gesmoord. Ik haatte die kleinkunstjongens met hun goedkope gitaren en hun ringbaardjes. Ik hield van the Rolling Stones, Blue Cheer op z’n luidst, Bob Dylan, the Band en de countrymuziek van the Flying Burrito Brothers, Poco, Buck Owens en George Jones. Ik had helemaal in het begin van mijn studies aan het Ritcs maar een vriend, en wel bijna meteen, en dat was Marc D. Die jongeman wist net als ik altijd wat goed was op gebied van populaire muziek en wat bullshit. Hij was – ook net als ik - als jongetje een fan geweest van Cliff Richard & the Shadows en van Elvis Presley en hij had een Franstalige vriend die van Baudelaire en Rimbaud hield. Ik denk dat hijzelf die voortreffelijke dichters ook bewonderde, maar dat niet durfde te zeggen tegen iemand die zo ‘modern’ en ‘hip’ was als ik. Ik moest in die tijd echter nog ongeveer alles leren over Rimbaud en Baudelaire, hoewel ik ‘L’albatros’ uit het hoofd kende. Ik was zelf een beetje een Rimbaud, maar wist het niet. Ik bedoel niet dat ik zulke geniale gedichten schreef, maar heb het over mijn manier van leven als bohemien.

Ondanks die vriendschap was ik de eerste weken in Brussel erg eenzaam. Voor mij was het een grote stad, hoewel het in vergelijking met Londen of New York maar een klein gat is. In Brussel viel in die dagen niet veel te beleven. Je kon wel veel uitstekende films zien en er was het heerlijke Theâtre 140 van Jo Dekmine, waar alle underground bands die België aandeden optraden. Marc en ik waren fans van Pink Floyd en betreurden het dat Syd Barrett de groep had moeten verlaten. We behielpen ons dan maar met de versie met David Gilmour, een groep die een vrij slaapverwekkend concert gaf in 140. En toch vonden we het prachtig! Ik ben overigens nooit met Marc naar een concert geweest dat we niet prachtig vonden, behalve dat van het Mahavishnu Orchestra: toen zijn we Vorst Nationaal uitgevlucht. Pink Floyd was in die periode echt nog wel een band met een eigen gezicht, alleen misten wij de betovering van Syd Barrett. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels


“Het verschil tussen ons en de hippies is dat wij van rock & roll houden en drinken en dat zij gek zijn op die Duitsers en altijd maar zitten te trippen en joints te roken”, zei Marc vaak. Met die Duitsers bedoelde hij de bands die later onder de noemer ‘krautrock’ zouden vallen. Ik had niet een krautrockplaat in die tijd. Wel hoorde ik graag ‘Marmor, Stein Und Eisen Bricht’, van Drafi Deutscher, en dat hoorde Marc ook graag, omdat het rock & roll was. Bij ‘Black is Black’ had hij evenwel zijn twijfels, vanwege de Duitse zanger bij Los Bravos, een groep die voor de rest uit Spanjaarden bestond (in Spanje was Franco nog aan de macht). Ik vond ‘Black is Black’ zeer opwindend.

Aan Marc heb ik alleszins veel te danken. Hij waarschijnlijk ook aan mij, maar dat moet hij maar vertellen. Hij bracht me in contact met Herman Claeys en zijn bookshop, met de Dolle Mol en met rode wijn. Nooit in mijn weliswaar nog jonge leven had ik gebraakt. In café Florio had ik op een avond echter zoveel wijn gedronken (drie of vier glazen, het was puur vergif wat ze in de Florio als wijn schonken), dat ik me naar buiten moest reppen. Marc en Herman ondersteunden me terwijl ik stond te kotsen in de goot. Later die avond stond ik opnieuw te kotsen in mijn lavabo. Ik vroeg me af waar al die kots vandaan kwam, want eten deed ik nauwelijks.


Als ik niet in het gezelschap van Marc was, was ik alleen. Ik had wel wat Franstalige kennissen, hippies die ik kende van aan zee, maar mijn Frans was te slecht voor een diepgaand gesprek. Wat ik vooral nodig had was een vriendin. Marc had wel een vriendin, al heel lang, sinds zijn kinderjaren. Zij waren nog steeds smoorverliefd. Soms spraken we af in de Florio, zij met hun beiden en ik alleen. Ik vermoed dat Angie zal gezegd hebben, “die Martin ziet er zo eenzaam en verdrietig uit, zouden we voor hem geen vriendin kunnen vinden?” De beste vriendin van Angie was Sarah. En zo kwam het dat we aan elkaar werden voorgesteld, maar zonder rechtstreeks resultaat. Ik was bijzonder schuchter. Sarah was een mooi en zeer speciaal meisje maar ik vond dat ze ook iets cynisch had, en soms leek het of ze op iedereen neerkeek die niet even hip was als zij. Ik voelde mij geïntimideerd. Wel bleek dat we elkaar al eerder gezien hadden, in een verlaten huis, na een concert van Jethro Tull.


Op school gebeurde niet veel. Marc en ik zaten tijdens de cursussen meestal te kletsen, hitlijsten te maken (de beste elpees allertijden!), of surrealistische woordspelletjes te spelen; af en toe kregen we opmerkingen van professoren, zoals van Tone Brulin, die echt niet met ons gebrek aan aandacht opgezet was. Maar wij waren – zeker in die periode - nu eenmaal meer geïnteresseerd in Soft Machine, Led Zeppelin II en Incredible String Band (wow, jongen ‘The Hangman’s Beautiful Daughter’, nog altijd even mooi, heb ik van Marc, maar Marc heeft van mij ‘The Velvet Underground & Nico’ en ‘White Light White Heat’, die decadente New Yorkse scène was hem volkomen vreemd – de Britse weirdo folk is echter de New Yorkse underground waard, of niet soms?).

 

brussel,ritcs,filmschool,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,easy rider,marc didden,tegencultuur,underground,popcultuur,rolling stones,rimbaud,syd barrett,pink floyd,140,herman claeys,media,hippies,flying burrito brothers,gram parsons,dolle mol,velvet underground,ivo michiels

Andy Robinson's 'Patterns Of Reality' (1968). Ook gekoesterd.


Ik had een zogenaamde anti-progressieve partij opgericht, om de pseudo-progressieven belachelijk te maken. Die partij van mij had een aantal harde regels, waar niemand zich aan kon houden, veel succes had ze dan ook niet. De documenten die ik nog heb, koester ik wel. Het was allemaal nogal dadaïstisch, terwijl ik van die kunststroming in Tongeren nooit had gehoord. Tongeren was een stadje in de toendra, niemand had daar ooit van iets gehoord. Het meeste van wat ik nu weet heb ik trouwens zelf moeten leren. Ook op het Ritcs heb ik weinig opgestoken. Maar de vrienden die ik er heb ontmoet zijn veel meer dan goud waard. Marc, Leo S., Oswald G., Guillaume B.


Het leven op het Ritcs hing mij al een beetje de keel uit. Wij hadden les in elektriciteit en scheikunde, vakken waaraan ik dacht te zijn ontsnapt bij mijn vertrek uit Tongeren. Niet dus. Of toch wel. Na een paar maanden bleef ik uit de meeste cursussen weg. Dinsdagmiddag was ik altijd aanwezig: dan werden twee films vertoond, stuk voor stuk klassiekers, van Truffaut, Godard, Antonioni, Fellini, enz., allemaal regisseurs die ik ben blijven bewonderen. Ik bleef ook naar de ‘praatjes’ van Jo Röpke over film gaan, en hij vond me een goede leerling omdat ik een degelijke analyse van de film ‘Easy Rider’ had gemaakt. Wat ik ook nooit miste was de scenariocursus van Ivo Michiels, een zeer beminnelijke man. En nooit miste ik de lessen fotografie, omdat ik graag wilde leren fotograferen en omdat we een uitstekende kleinbeeldreflexcamera ter beschikking kregen. Uit de andere cursussen bleef ik weg.

easy rider

Easy Rider, Dennis Hopper

18-01-08

REVOLUTIE IN ROCK?

roxy music,velvet underground,genesis,seven ages of rock,canvas,televisie,art rock,pink floyd,syd barrett,pop,popcultuur,rock,who,bob dylan,byrds,flying burrito brothers,frank zappa,vs,groot-brittannie,walging,bombast,punk,punk rock,kunst,lou reed,john cale,dr  john,soft machine,revolutie

Gisteravond bleef ik op om naar de tweede aflevering van Seven Ages Of Rock te kijken, op Canvas. Met de eerste aflevering was er al iets vreemds aan de hand geweest. Ze zou hoofdzakelijk over Jimi Hendrix hebben gegaan, maar er was vijftig minuten niet veel meer dan witte Britse blues te zien, en helemaal geen Jimi Hendrix. Gelukkig was er als compensatie My Generation van the Who. Een Humolezer beweert dat Canvas in de eerste aflevering heeft geknipt, waardoor Jimi Hendrix in de vuilnisbak is terechtgekomen. Ik kan dat verhaal maar moeilijk geloven.
 

Helaas heb ik ook gisteren weer zitten walgen bij zoveel Britse megalomanie. Het programma heet toch niet Seven Ages Of British Rock? De weinige boeiende beelden die ik heb gezien waren die van Syd Barrett (‘Jugband Blues’) en uiteraard van The Velvet Underground. De Welshman John Cale is een aanvaardbare Brit, die muziekgeschiedenis heeft geschreven, en Lou Reed is natuurlijk niemand minder dan Lou Reed. Hoewel het thema van de tweede aflevering ‘art rock’ was heb ik zeer weinig kunst gezien.
 

Wat ik wel gezien en gehoord heb is hysterisch gelul van Britse rockjournalisten, met achter elke zin een uitroepteken, zielloos en vulgair spektakel van nitwits als Phil Collins en Peter Gabriel met hun abominabele Genesis, belachelijke ‘glam’ van David Bowie (na die glamperiode heeft Bowie wel uitstekende platen gemaakt, met name ‘Low’, ‘Heroes’, ‘Lodger’ en ‘Scary Monsters’), aanstellerij van Bryan Ferry, hoewel ik moet toegeven dat Roxy Music- vooral dank zij Brian Eno - twee uitstekende elpees heeft gemaakt. Maar je mag er vooral niet naar kijken. Pink Floyd zonder Syd Barrett ging aardig van start, maar verviel al heel snel in stuurloosheid en afstotelijke bombast. Roger Waters verklaarde dat ze ten tijde van 'The Wall' tijdens concerten een muur rond de band opbouwden om zo aan te geven dat ze vervreemd waren van hun publiek. Duidelijker kon niet? Pink Floyd was echter niet vervreemd van zijn publiek maar van het genie van Syd Barrett. De ‘artistieke’ band moest het nu van vliegende roze varkens hebben.

In dit belachelijk nationalistische programma werd het Britse - ongewild komische - cabaret vergeleken met de verbijsterende klanken van the Velvet Underground, een groep van echte kunstenaars, met originele ideeën op muzikaal gebied en schitterende teksten over het 'ondergrondse' leven in New York. Overigens kwam de belangrijkste Britse art rock band, Soft Machine (met Robert Wyatt en Kevin Ayers), helemaal niet aan bod, en de tweede belangrijkste, the Bonzo Dog Band, evenmin. 

Die periode in de Britse rock, in werkelijkheid een dieptepunt, werd als revolutionair omschreven. De echte (tweede, of zelfs derde) 'revolutie' kwam er echter pas met punk, en ook punk was geen Brits maar een Amerikaans fenomeen (Stooges, New York Dolls, Ramones, om maar enkele punkrock bands te noemen). 

Bijna alle noemenswaardige populaire muziek is ontstaan in de Verenigde Staten. Vernieuwingen kwamen meestal van daar. Luister maar eens naar ‘The Notorious Byrd Brothers’ van The Byrds uit 1968, een elpee boordevol verkennende en bucolische muziek met een donkere ondertoon die verwijst naar oorlog en verlies, vooral verlies van idealen. Dat zou je een revolutionaire plaat kunnen noemen. En is alleen al zulke muziek creëren geen grote kunst? Hetzelfde geldt voor ‘Blonde On Blonde’ van Bob Dylan en ‘The Gilded Palace Of Sin’ van the Flying Burrito Brothers. Ook die elpees zorgden allebei voor een kentering in de populaire muziek.


Wie al helemaal ontbrak in het programma was de kunstenaar Frank Zappa. Hoe kun je die man over het hoofd zien als je het over rock en kunst hebt? Omdat hij een Amerikaan is?
 

Ik zou nog heel wat namen kunnen noemen die ontbraken, ook al droegen ze veel meer bij tot het artistieke gehalte van popcultuur en populaire muziek - ook voor muziek die nu nog wordt gemaakt - dan Genesis en de latere Pink Floyd. Ik beperk me tot Phil Spector, die van de single een autonoom kunstwerk maakte, denk maar aan het mythische 'Be My Baby' van The Ronettes, the United States Of America, die net zoals Frank Zappa avant-garde en rock met elkaar probeerden te verzoenen, Pearls Before Swine met de lispelende dichter Tom Rapp, Captain Beefheart and His Magic Band, etcetera.

En als je dan toch het theatrale aspect zoekt, dan ga je best bij Doctor John The Night Tripper te rade; zijn ‘Gris Gris’ is werkelijk voodoo theater. En de manier waarop Sonny Boy Williamson II mondharmonica speelt is misschien nog de grootste kunst.


Ik ben er mij bewust van dat ik hier alleen maar over Angelsaksische muziek schrijf. De reden daarvoor is dat ik met Duitse bands als Can, Faust, Neu en eigenlijk met alle andere populaire muziek veel minder vertrouwd ben.

17-01-08

DE VROUWEN VAN MIJN DROMEN

 

droom,vuil,barakken,matras,drinken,roken,seks,verlangen,vrouwen,erotiek,wassen,plassen,festival,dali,southern comfort,syd barrett,kafka,david lynch,kunst,literatuur

De meeste lezers lezen niet graag dromen. Maar dromen maken een belangrijk deel uit van het leven, ze vormen er de ondergrond van, en ze kunnen veel dingen die je niet goed begrijpt verduidelijken. Dromen liggen aan de basis van veel kunst en literatuur. Ik denk aan Coleridge, Kafka, Dalí, Syd Barrett, David Lynch. Ik vertel hier een droom omdat ik op dit ogenblik wel moet. Ja, zo is het, ik moet.

Ik heb er deze voormiddag twee uur over gedaan om te douchen, nagels te knippen, haren te wassen, etcetera. Ik voelde me erg vuil door een droom die ik had.


Ik bevond me in een stadje waar een zeer chaotisch festival gaande was. Lang na middernacht, nadat ik gedronken en gerookt had in groezelige bars, moest ik een slaapplaats vinden. Na lang zoeken, door modder en vuilnis ploeterend, vond ik een aantal bouwvallige barakken, met rood- en blauwgeverfde deuren. Ik opende een deur. Daarbinnen lag op een oude, stinkende matras een zeer bevallige vrouw, die ik tevoren al begeerd had. (Het was de vrouw van mijn dromen). Nu wenkte ze me naar binnen. Ik moest dicht tegen haar aan komen liggen, om het warm te krijgen. Maar eerst moest ik me wassen - en dringend plassen. Daar ik nergens een badkamer of wc vond, ging ik van lieverlede vuil en met volle blaas terug naar die mooie vrouw, maar ik de vond deur van haar hok niet meer.
Een andere vrouw had me uitgenodigd om bij haar thuis te komen slapen, daar was een bed en alles wat ik maar wenste, maar ik was niet op haar voorstel ingegaan; nochtans was die vrouw even verleidelijk als de eerste. Ik herinner me dat ze beiden zeer licht, niet zwaarder dan donsdekens waren. Een ex-collega gaf me Southern Comfort te drinken en wilde me heftig kussen, maar dat wilde ik niet, want zag ze dan niet dat ik mijn hart had verpand aan die bevallige vrouw nummer 1?
Ik werd vaak wakker tijdens de droom, maar ik beval mezelf verder te dromen, omdat ik wilde weten hoe hij afliep, alsof ik naar een film zat te kijken, en ik droomde verder en verder. Een miereneter met cactussen begroeid, kruiste mijn weg. Ik zag hoe hij zichzelf opat en vroeg me af hoe dat mogelijk was. Het beest was zo aardig dat ik het wilde aaien, maar door de stekels kon ik dat niet. Op het einde, na vele omzwervingen, was ik alleen. Ik had geen duidelijke keuze gemaakt. Ik had al mijn kansen verspeeld.

02-10-07

DE KUNSTENAAR ALS ROLLING STONE


flower child with a knife

Ik was toen niet ik, degene die ik nu ben en niet ben. Het zal 1967 of 1968 geweest zijn. Ongetwijfeld had ik net mijn zeventiende verjaardag gevierd, naar Sergeant Pepper's, the Piper At The Gates Of Dawn, Are You Experienced? en vooral naar Between the Buttons en Beggar's Banquet geluisterd. Brian Jones en Steve Marriott waren mijn helden. Ja,ik was zeventien jaar. Plaats van handeling - pose eigenlijk - is Sint-Idesbald. Ik meen mij te herinneren dat de fotograaf Luc Verjans was. De camera was van mij. De jas was van Luc. De bril, het sjaaltje en het knipmes waren van mij. Etcetera. (Het is niet de eerste keer dat ik deze foto in hoochiekoochie tentoonstel. Er gaat voor mij een onverklaarbare fascinatie van uit. Alsof ik dit nooit ben geweest.)

***

Een achtergrond.

"Wessel keek naar de jongen, die op de divan zat. Hij hield iets in zijn hand dat schitterde.
‘Verdomme, hij heeft een mes,’ zei Wessel. ‘Zie je dat, Dick? Hij is een jongen met een mes. ‘Misschien is het dan toch wel een heel gekke jongen,’ zei Dick. ‘Maar hij drinkt niet. Dat blijf ik onvergefelijk vinden.’"

Uit: Remco Campert, De jongen met het mes, 1959.

14-09-06

VAN SPROOKJES EN DROMEN


Marco vertelt me dat hij Pink Floyds The Piper At The Gates Of Dawn een vrij moeilijke langspeelplaat vindt. Dat zal wel zo zijn, maar het is vreemd omdat ik het zelf een heel ‘gemakkelijke’ elpee vind. Overigens, wat is moeilijk en wat is gemakkelijk? Maar ik ben natuurlijk met die muziek opgegroeid. Ik ben de elpee destijds gaan kopen in Nederland, omdat ze in België niet verkrijgbaar was. Pink Floyd was mij opgevallen door de eerste single, Arnold Layne, die op piratenstation Radio London grijs werd gedraaid.

The Piper At The Gates Of Dawn kwam uit in het magische jaar 1967 en maakte op mij een even sterke indruk als Strawberry Fields Forever, misschien de beste single ooit gemaakt, en A Day In The Life. Die plaat van Pink Floyd was zo sprookjesachtig; ze opende een geheel andere wereld dan degene waarin ik vertoefde, het internaat van het Koninklijk Atheneum in Tongeren. Ooit vertel ik het verhaal hoe ik daar verzeild ben geraakt. Het woord ‘zeil’ speelt er onrechtstreeks een rol in. In de liedjes van Syd Barrett zat een uitgesproken verlangen naar de onschuld van zijn kindertijd, toen zijn moeder hem sprookjes vertelde, oh mother, tell me more... Ik kende die teksten vroeger allemaal uit het hoofd. Nu helaas niet meer. Toen ik onlangs voorlas in de Muziekdoos in Antwerpen, een paar dagen na het overlijden van Syd, bleken er een paar toehoorders aanwezig te zijn die The Gnome nog van buiten kenden. We hebben toen stukjes ervan samen gezongen. Dat vond ik een heel mooi saluut aan Syd Barrett. Ik denk niet dat ik dat vlug zal vergeten.

Overigens heeft The Piper At The Gates Of My Dawn mij geïnspireerd tot het schrijven van een jeugdwerk, het toneelstuk De droom, dat we één keer hebben opgevoerd in datzelfde Atheneum, met vloeistofprojecties, net zoals de originele Pink Floyd. Het stuk durf ik niet meer herlezen, ik herinner me dat het over de strijd tussen goed en kwaad ging, er kwamen elfjes in voor en de Duivelse Avantokani – de jongen die deze rol speelde is nu ergens burgemeester. Ongetwijfeld was ik wat het thema betreft beïnvloed, niet door drugs, maar door de verplichte lectuur van Vondel. Het eindigde allemaal met een extatische dans op Interstellar Overdrive.
Die zomer ben ik ben op televisie geweest, in het programma Tienerklanken, met bloemen in mijn haar. Die had ik geplukt in de tuin van de ouders van mijn vriend Valère. Het waren mijn vijf minuten roem, helaas geen vijftien minuten. Ik werd op straat, tijdens Jazz Bilzen, geïnterviewd door Louis Neefs. Mijn vriend Jos had een video-opname van die aflevering van Tienerklanken. Ik had het tegen Louis Neefs over de oorlog in Vietnam en dat wij de wereld zouden veranderen. Ik zat wat uit mijn nek te kletsen, een jongen van zeventien. Later heb ik dat fragment nog eens teruggezien in een uitzending over de jaren zestig. Jos had het op video. Hij heeft ooit een foto van me gemaakt, in de jaren ’80, met een beeld van mezelf uit die video op de achtergrond. Van de sprankeling in mijn zeventienjarige ogen en van de uitdagende androgynie van mijn modstijl was niets overgebleven. Ik was mezelf geworden, een man zoals iedereen. De droom was over.

21-08-06

DE MELANCHOLIE VAN DE THUISKOMST

leeg hoofd,verjaardag,budapest,donau,laura,stad,vakantie,reizen,syd barrett,steden,foto,melancholie,schoonheid,martin pulaski

Blauwe Agnes, Martin Pulaski

Ik ben weer thuis. Het verblijf in Budapest was zoals ik verwachtte een intense en zeer opmonterende ervaring. ’s Morgens werd ik gewekt door het zonlicht, de warmte. Ik opende de gordijnen: zes verdiepingen lager stroomde de grootse Donau en aan de overkant van de brede rivier verhief zich het overdreven maar toch ook indrukwekkende parlementsgebouw. Kleinere en grotere boten trotseerden de diepte, met boven hen het verdwijnende ochtendrood en perfect gevormde wolken. 
Ik heb er niets gelezen (met uitzondering van enkele stukjes over de dood van Syd Barrett), weinig muziek gehoord, maar wel heel veel gezien en geproefd. Toch is mijn hoofd nu nog leger dan voor ik vertrok. Ik dacht dat mijn hoofd vol zou zijn van indrukken, maar dat is niet het geval. Ik weet niet of dit erg is. Zulke periodes komen vaker voor in mijn leven. Vermoedelijk zijn mijn hersens bezig met het allemaal te verwerken. Ik laat ze maar hun gang gaan en houd me vooral bezig met praktische dingen.
Het is ook weer wennen aan de donkerte die hier ingetreden is tijdens onze afwezigheid. Donkere dagen maken me zwaarmoedig. Een voordeel echter is dat deze koelte geschikter is om bij te werken.

Zal ik over Budapest schrijven? Ik weet het nog niet. Het is een wat pijnlijk proces omdat schrijven over de steden waar ik van houd (New York, Barcelona, San Antonio, Cadiz, New Orleans, Berlijn, Budapest) de afkeer van mijn ‘eigen’ stad doet toenemen. Toch denk ik dat het moet. De schoonheid en de melancholie bejubelen. De beleefdheid en hoffelijkheid van jonge Hongaren. Het neo-kapitalisme in gevatte bewoordingen verwerpen. En al de rest. Maar ik heb geen notities om op terug te vallen. Het moet allemaal uit mijn hoofd komen, dat nu, zoals ik zei, leeg is. Bovendien is het de verjaardag van mijn Laura. Er staan vandaag nog heel wat dingen op de agenda (hoewel die nog een week gesloten blijft).

05-08-06

TRANEN VOOR ARTHUR LEE

arthur lee,dood,scheepvaart,da capo,syd barrett,in memoriam,radio centraal,orange skies,radio,zero de conduite,pop,popcultuur

We hebben geen tijd. We nemen geen tijd en we geven geen tijd. Ik wil iets schrijven over Arthur Lee, maar ik heb geen tijd, ik moet naar Antwerpen vertrekken voor mijn radioprogramma. Vanavond in Zéro de conduite zal ik natuurlijk wel iets vertellen over Arthur Lee. Enkele songs draaien van Love. Want Arthur Lee is dood. Vreemd, zo kort na Syd Barrett. Arthur Lee was immers net zo eigenzinnig en invloedrijk als Syd. De muziek van Love heeft me van de mooiste momenten van mijn leven bezorgd. Toen ik nog vaak bij mijn ouders verbleef, op de aak, luisterde ik lange tijd bijna dagelijks naar de elpee Da Capo. Zulke mooie en bijzondere muziek had ik nooit eerder gehoord. Teder en gewelddadig tegelijk. En dan waren er ook nog die vreemde, fascinerende titels, zoals Seven and Seven Is en Orange Skies. Vaak zat ik naar de hoes van Da Capo te kijken en me af te vragen wie nu toch die Arthur Lee was. Er stonden zeven jonge mannen op de foto: één van hen moest het zijn, maar wie? Waarschijnlijk de enige gast op de foto die zat te roken. Hij was immers de leider, de bezieler. Het kon niet anders of hij week een beetje af. Hij zat daar ook wat verheven boven de anderen. Arthur Lee, die zich soms arthurly noemde. 


Ik zal er morgen meer over schrijven. Arthur Lee mag niet vergeten worden.

23-07-06

"EEUWIGE ROEM"


Het is geen toeval dat Hölderlin hier weer opduikt. Er is een duidelijk verband met Syd Barrett, zij het niet uitgesproken inhoudelijk. Wat beide mannen verbindt is de verbluffende uniciteit; zij sprongen uit de band, waren op artistiek vlak ver vooruit op hun tijd. Zij waren heldere sterren, onverschrokken in hun jeugd, overmoedige ontdekkers – maar wat doofden zij snel uit! Beiden gingen al op jonge leeftijd de nacht van de waanzin in, zij trokken zich terug in een soort van kunstmatige baarmoeder, de ene in een toren, de andere in het huis van zijn moeder, bij wie hij vaak in de tuin zat, zo wordt beweerd. Wellicht hebben zij het leven ervaren als een ballingschap uit het paradijs, dat gelegen is kort bij het hart van de moeder.

Hölderlin was in zijn tijd geen populaire dichter, maar hij oefende desondanks aantrekkingskracht uit op de jongere generatie. Hij kreeg heel wat bezoek, in weerwel van zijn weinig coherente monologen en zijn eentonig pianospel. Syd Barrett was een levende legende. Bekende en minder bekende, vooral Britse, popzangers volgden zijn voorbeeld, zoals David Bowie en Kevin Ayers. Hölderlins dood heeft weinigen beroerd, later is zijn aanzien gestegen, vooral bij filosofen als Nietzsche en Heidegger. Een van zijn voornaamste volgelingen in de Nederlandse taal was Lucebert, een van onze beste dichters. Syd Barretts dood heeft velen geraakt, zowel tijdgenoten, mensen van mijn leeftijd, als jongeren. Beide kunstenaars zullen zolang er mensen bestaan verder leven.

12-07-06

SYD BARRETT: WHEN I LIVE I DIE


Syd Barrett is dood. De echte plaatsvervanger van Hölderlin. ‘Gekke pauzen’ worden niet verkozen, ze verkiezen elkaar en zichzelf en wij herkennen hen meteen. Heiligen. Ik heb voldoende geschreven over Syd Barrett. De man heeft mijn leven veranderd zoals niemand tevoren en niemand sindsdien, tenzij misschien Bob Dylan (waar Syd de spot mee dreef). Hoe heeft hij mijn leven veranderd? The Piper At the Gates of Dawn, is het antwoord. Ja, ik heb genoeg gepraat en geschreven over Syd Barrett. Ik was vaak in zijn nabijheid, in zeer verschillende situaties en levensomstandigheden. “I really love you and I mean you”. Talloze zinnen en fragmenten, in dat mooie Syd-Engels, dringen zich aan me op, en maken me duidelijk dat ik niet nog meer onzin moet neerschrijven dan hijzelf al deed. “When I live I die”, een bijna willekeurige zin uit No Man’s Land (The Madcap Laughs). "The wind blows in tropical heat". Ik heb Syd Barretts teksten nooit willen lezen en zeker niet doorgronden. Zijn woorden, elk woord een afgrond, zijn ongeëvenaarde uitspraak ervan, volstonden. Hij was de eerste popzanger die uitgesproken, delicaat Engels zong, en niet een soort van ‘blues-Amerikaans’, wat in zijn tijd in Groot-Brittannië de gewoonte was. Niemand schreef songs zoals Syd Barrett, niemand bespeelde op zulke originele wijze de elektrische gitaar. Sprookjes, vuurwerkvonken, dromende subtiliteit, romantisch futurisme. Hybris en 'waanzin'. Een nieuwe plaatsvervanger heeft zich nog niet aangediend. Er is geen Olympische medaille aan deze discipline verbonden.

"Oh where are you now
pussy willow that smiled on this leaf?
When I was alone you promised the stone from your heart
my head kissed the ground
I was half the way down, treading the sand
please, please, lift a hand
I'm only a person whose armbands beat
on his hands, hang tall
won't you miss me?
Wouldn't you miss me at all?"

"I tattooed my brain all the way."

Goodbye Syd: my book is closed, I read no more.

11-07-06

VOOR EN NA DE REGEN 3

 

syd barrett,pop,popcultuur,vriendschap,zuiden,rock n roll,schwerin,tongeren,bush,osama bin laden,bob dylan,julie driscoll,rostock,marokkaanse vriend,zeemanscafe,john fogerty,elvis,bad nauheim,hakenkruizen,concentratiekampen,dennenbomenlucht,limburg

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam.

3.

In de jaren tachtig voerden muziekgolven mij via omwegen naar het platteland in het Zuiden van de Verenigde Staten. Samen met Teddy Bear maakte ik de lange, imaginaire reis, die nu nog voortduurt. Wij kickten op Carl Perkins, Charlie Rich, Bobby Charles' Tennessee Blues en altijd opnieuw op Sin City van the Grievous Angel.

Bij Marco hoorde ik voor het eerst I Wonder If I Care As Much. We stapten een platenzaak binnen waar een elpee Van Mott The Hoople in het uitstalraam lag. At the Crossroads, Laugh At Me, alsof Dylan herboren was in onze straten. Wandelen in het Zoniënwoud, altijd zingend: I See A Bad Moon Rising, Syd Barrets The Gnome (“I want to tell you a story bout a little man”.) Vriendschap het hoogste goed.

In Rostock dragen Hoessein & ik een bak bier & glimlachen elkaar toe. Marokkaanse vriend, mag ik je mooie stem nog eens horen? Dans nog een keer met bleke Lena in dat zeemanscafé in Rostock. Ik zal toekijken met buikkrampen, van die Duitse worsten. Bij het slot van Schwerin valt de regen op de zwanen. "Geel rijmt op haar wispelturigheid, zoals anijs op ijskoud water."

En wat jij, John Fogerty, Amerikaanse zanger, met je door een Indiaanse god gezegende stem? Je weet het wel: het is blijven regenen. En het zal blijven regenen. When It Rains It Really Pours (“I got troubles, troubles, troubles: when it rains, it really pours”). En elke maand zal de maan ons met liefde en onheilspellende dromen verrassen. Ja, Sinister Purpose, maar de vriendschapstrein vertrekt toch ook weer uit zijn klein stationnetje 's morgens in de vroegte. Neem het bittere maar met het zoete, mister Fogerty, & doe de groeten aan Tom, je dode broer, als je bij hem op visite gaat.

Ook Elvis roep ik op. De ravenzwarte Elvis zingt opnieuw Bill Monroe’s Blue moon of Kentucky. (“Blue moon of Kentucky keep on shining”). Yes, sir! In Bad Nauheim croont hij voor de soldatenmeisjes die zich dan onder hun ganzenveren donsdekens betasten, daar waar het zo zacht is. In dat land waar kort tevoren hakenkruizen aan de dennenbomen groeiden. Mijn oude professor – maar hij niet alleen - had daar de geur van brandend vriendenvlees doorstaan. Elvis is bij me gekomen. "Are you sorry we drifted apart?" vraagt Elvis. "Yes," zeg ik, "You were my First real hero, you and Yuri Gagarin. We are so alone now…On our own in the deserted rooms." "I know what you mean," zegt Elvis. "Yes" zeg ik, "I stood at your grave in Memphis. At your real grave, I mean, the mighty Mississippi." "Aloha from Hawaii", mompelt hij nog. Of versta ik hem verkeerd?

Serge Groussard, kom hierheen, of vergat je dat je vier jaar lang de bossen met me deelde, ver van de ouders & pralines bij de koffie? Serge Groussard je zag mijn zweren groeien in de zuivere dennenbomenlucht. Mijn lippen, mijn tong blauw van de bosbessen, die we in het zweet ons aanschijns moesten plukken voor de zusters van onze smarten. Herinner je mijn Veronica Satory, naam van zijde en Demeters ogen. Ik zag dat ze vochtig werden als we elkaar vluchtig aanraakten op de schoolbank – juffrouw Bakkers was even een plasje gaan doen?

Dansen in de Chemin de Fer in Tongeren, Proud Mary (“Rolling, rolling on the river, Proud Mary keep on rolling…”). Elke zaterdag in de King & Queen met Josy, mijn hoofd verloren in haar blonde lokken. Verboden liefde, volgens haar ouders. Een langharige, ongewassen schipperszoon, & jij die apothekeres of laborante moest worden. Alle kleuren die ik kende vonden een weg naar je naam: Josy. Why Am I Treated So Bad, dat was Julie Driscoll, Aretha's blanke zusje. A Kind Of Love In, Dylan’s This Wheel's On Fire (“rolling down the road”).

Ja, een aanval van nostalgie als ouder wordende man. Sinds die kerels op de maan wandelden zijn er al veel mensen gestorven, veel ganzen, everzwijnen, mussen & kleinere dieren. Microben die ik met antibiotica om de hoek help, hebben jullie een ziel, het eeuwige leven? De twin towers zijn ook al foetsie. Twee grote kaarsen in rook opgegaan, dank zij de Allergrootste, de Heer die over alles waakt & ieders weg uitstippelt. Zegt president Bush, zegt Osama Bin Laden, zegden de zusters van onze smarten.

VOOR EN NA DE REGEN 2

syd barrett,pop,popcultuur,dansen,vrienden,school,provo,hasselt,londen,alken,guillaume bijl,jeugd,juke box,montaigne,sister ray,tongeren,pink floyd,velvet underground,beatles,skalden,swinging sixties,mick jagger,keith richards,droom,mei  68,mecca,kinks,jazz bilzen,bilzen,monique,antwerpen,jan,albert ayler,televisie,londerzeel,rome,junkies

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

2.

Een nachtelijke ontmoeting in een huis in opbouw in Londerzeel. Malletje, Sarah (haar naam leer ik pas later kennen, de smaak van haar lippen). Negentienjarige zielsverwanten kickend op The Free.

Mijl in Londerzeel. "Ik ben de roadmanager van Jethro Tull" zegt hij & mag gratis binnen. Zijn Albert Ayler geeft hij me in ruil voor een dag Bed Peace met ex-miss België. Later voegt Rina zich aan Mijls zijde, mijn beste televisieavondvrienden. Bij jullie zag ik Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Van Kooten & De Bie. Waar ben je, Rina, zijn er nog sporen van je ziel, stofjes in de lucht die ik inadem? Wat is er met je boeken gebeurd? Met je geliefde Claire Goll? Ik mis je middernachtgesprekken, met letterlijke citaten uit interviews in de Humo - die ik zelf weigerde te lezen.

Marie liepen wij - ik was toen al een wij - jaren later in Rome tegen het lijf. Nee, mijn geheugen bedriegt me, ze fietste ons tegemoet op de Corso. Marie, die me aan Griet herinnert, Antwerpse junkie, en dan was er die andere uit de Middaglijnstraat in Schaarbeek, die in onze punkwoning in de Palfijnstraat onderdak vond & toch weer aan de spuit ging. Duchateau met zijn blikken doosjes. Met zijn pervitinepilletjes. Met – vele jaren later - zijn videocamera op onze huwelijksdag. Waar is die verdomde video, vriend? Ik wil zien wie wij waren in januari 1999 toen we innerlijk bruisend over de Anspachlaan liepen.

Ook Monique mag ik niet vergeten. Uit Alken. In mijn armen in Hasselt. In Blankenberge. Mijn eerste genotsvlees. Haar liefdesbrieven bewaar ik in een doos waar rode schoentjes in hebben gerust, die dansten op het ritme van the Slits, Clash en Television. Grijsgedraaide platen, brieven witgelezen

Paul V in Bilzen. Een Face, zoals ik. Een hele regenachtige middag speelde ik in zijn dichtbevolkte kelder ‘impromptus’ op de piano en zong de ziel uit mijn lijf. Bij The Small Faces in Diepenbeek kuste ik een Flower Power meisje. We waren twee uur lang lovers & ze dronk van mijn zakflesje Gordon’s Gin. Was ik niet zelf een Steve Marriott, een magere Tin Soldier, met lange haren & een hippe zonnebril, die ik in Maastricht had gekocht. Liefde op het eerste gezicht. Hoe heette je toch? Heb je nog altijd die modzonnebril van me? Denk je nog aan ons gekus als je de bril uit je oude prullendoos tevoorschijn haalt? Voor ons was de muziek het sacrale. Dylan's It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry, the Pink Floyds See Emily Play, the Pretty Things' Hey Rosalyn.

Op mijn eentje op het voordek van het ouderlijk schip. Bij het binnenvaren in het Straatsburgdok liet ik de beat weergalmen: Substitute, It's My Life (“and I do what I want”), I'm Free, All Day And All Of The Night. Of ik zat te lezen in het provoblaadje Lynx in café de Dolfijn in Maastricht, in café Skalden in Hasselt, Witch Doctor op de jukebox, Child Of The Moon. Kickend op Mick Jagger & Keith Richard, It's The Singer Not The Song, Got To Get Away. Een avond in juni, 1967, in the Mecca in Londen, dansend met de kleine Johannes en Lucas en de meisjes. Overal in de swinging London straten Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en Are You Experienced?.

Mei 1968. Kicken op Let's Spend the Night Together, Matilda Mother & op mijn eigen experimenteel toneelstuk "De droom", waarin de in werkelijkheid voortdurend gepeste en verstoten Kikkeroog - zo werd hij genoemd, ik ben zijn voornaam vergeten - van het getreiter werd gered. Een catharsis zonder dat wij het wisten. Kickend in de kelder van het Atheneum op The Velvet Undergrounds Sister Ray, met Popov & Fiat de andere spitsbroeders. In "De droom" zaten zolang het stuk duurde drie kortgerokte meisjes zwijgend neer. Zitten, zwijgen en mooi zijn. Meer mocht niet van de prefect. Meisjes die samen met jongens repeteerden, dat was des duivels, vond de prefect. Korte rokjes en lange haren waren al schandalig genoeg.

Zo heb ik de draad toch weer te pakken: vriendschap is het allerhoogste, zoals ook Montaigne wist.

VOOR EN NA DE REGEN 1

sixties,meisjes,vrienden,vriendinnen,scheepvaart,flower power,pop,john fogerty,syd barrett,winkel,fietsen,dorp,jeugd,jeugdherinneringen,popcultuur

Opgedragen aan mijn jeugdvrienden & aan John Fogerty en Syd Barrett

Deze tekst over vriendschap en popcultuur - en het ontstaan van het ene uit het andere - verscheen hier al eerder - op 15 juni 2005 - maar er stonden te veel fouten in en de namen werden niet consequent gehanteerd. Mijn slordig gebruik van het ampersand behoud ik vrijwillig. Het is een speelse verwijzing naar de beat generation en naar de brieven en dagboeken van Virgina Woolf. Deze 'herneming' wijst niet op een gebrek aan inspiratie.

Waarin jeugd en volwassenheid aan bod komen en vooral de schakel tussen beide stadia, de vriendschap. Als de onschuld schuld wordt, dan blijft de vriendschap vanop een afstand toekijken, dan zijn vrienden engelbewaarders, zoals in Wim Wenders' Der Engel über Berlin. Als wij - ook al geloven we niet in god en zijn geboden - onze dagelijkse zonden begaan zorgen wij er gelijkertijd ook voor dat onze vrienden iets heiligs krijgen. Elke vriend is vrij van zonde; zeker is dat zo in de herinnering. Wat klinkt dit allemaal plechtig. Maar dit is een intentieverklaring. De plechtigheid wordt in de uitvoering van het plan vanzelf ondergraven. Wie zonder humor is werpe de eerste steen.


1.

Was dat het hoogtepunt van mijn leven? Hello Mary Lou stroomde uit de mini-transistor. Ik reed achter Marie-Louise aan, uit het dorp weg, op het zadel van mijn glitterende fiets de prijs die mijn vader me waard vond, hij met zijn tedere, beminnende ogen. Over de veldwegen, langs korenbloemen en klaprozen. De blauwe ogen van Marie-Louise, als zij stil blijft staan in de Dorpstraat en ik haar langzaam voorbij rijd, openen mijn ogen voor een nieuwe religie. Geur van vers asfalt hangt om mijn hoofd, scherp en zoet parfum van de toekomst. Wat ik in je zocht was mijn eigen rosebud, mijn graal, vera icona achter sluiers verborgen.

Weken later reed ik zij aan zij met Omer, een winkeljongen, en slagersdochter Claire. Nahijgend zaten we daarna op de canapé in de kamer. Achter het établissement, tussen kartonnen dozen vol chocolade van het merk Jacques - bananen vond ik het lekkerst - en unheimische parafernalia door Louise's broer meegebracht uit Belgisch Congo. De fijne haartjes op Claire's rechterarm deden de haartjes op mijn linkerarm rechtkomen. Maar ook haar geheim bleef onbereikbaar. Ik vond er slechts sporen van in het zingen in haar stem, in de manier waarop ze in haar reep chocolade beet.

Omer, Pierre, Tintin: de bende van James Bond. De bende van Illya Kuryakin, man van Uncle. Ik roep jullie, oudere kerels, op in mijn geteisterd en getreiterd hoofd. Ik wil jullie terstond zien. Ik wil jullie nog een allerlaatste keer voor de eerste keer laten horen: Jefferson Airplane's Share a little joke with the world outside.
De oude geest van middernacht maakt zijn entree. Jullie staan stil, alles bevriest, er is weer oeverloos tijd, zoals toen wij liftend door Duitsland in Stuttgart stil stonden, auto's, uren, minuten tellend. En zongen, altijd zongen:
Sweet hitchhiker.
Hitch hike baby.
Wish I was back on the bayou.
Wish I was a catfish swimmin' in the deep blue sea.
Gonna find me a cajun queen, down on the bayou in New Orleans.
Elkaar gerimpeld, met zweethandjes, begroeten. Schrikken van die met grijs bespatte hoofden, die nog met moeite glanzende spiegels van de ziel, die mondenvol berusting: Pierre, Omer, Tintin.

Ja, Marie-Louise, Claire. Ja, Margarita. Salut les Copains! Ja, Brigitte met het kapsel van Françoise Hardy. Margarita's zus Melinda is een lerares op wie ik echt verliefd ben. Zij ook op mij, zegt ze, maar ze is al verloofd, groot ongeluk is dat.
Op een zomermiddag in het zwembad in Rekem had Sylvia niets anders meer aan dan een bikini. Die avond in het clubhuis moest ik haar wel kussen en schreef ik een gedicht in assimilengels: Sylvia in the wood. Asters zus heet Lucia. Ze woont tegenover cinema Eden in Rekem. Kijk, daar lig ik met haar te dromen in het gras op de 'kip' tussen de zachte paarden die er zo gelukkig uitzien, wellicht omdat zij de hele wereld kunnen vergeten. Het echte leven, voor de langgerekte doodsstrijd.

Vissers vond ik vreemde mensen. Waar bijvoorbeeld haalden ze hun übermenschengeduld vandaan? Mijn eigen vader ging vissen in de kiezelputten. 's Avonds kwam hij thuis met snoek & karper die naar modder, naar petroleum smaakte. Marcel Maris woonde aan de rand van het Bos. In de tuin van z'n ouders stond dat clubhuis waar Sylvia werd gekust en in verzen gegoten. Van die visser werd gezegd dat hij dom was. Een boerenzoon, met goede ogen, dat was hij zeker.

Ook mijn liefste vriend Josse was een visser. Josse, jij klootzak, in rook opgegaan, zonder nog een woord tegen mij te zeggen. Ik liep met Laura op het strand van Cadiz en jij stortte je op de Leuvense straatstenen. Mika’s ritueel in de Cinderella: "Heb jij Josse nog gezien?" "Nee, ik heb hem niet gezien." "Waar zou hij zijn?" "Ik weet het niet, misschien in zijn stamcafé."

19-02-06

MONSTERS, FILMS, SLAPELOZE NACHTEN

las vegas,zelfportret met vrienden,nabokov,pop,associaties,droom,slaap,william blake,frida kahlo,monsters,film,billy wilder,ray milland,syd barrett,goya,irrationeel,rationeel,fantasmen

Tussen waken en dromen, vorige nacht, dacht ik terug aan een passage uit de nostalgische trip ‘Zelfportret met vrienden’ (15 juni 2005 in hoochiekoochie). Oude gezichten kwamen me weer voor de geest: ik zag de naam van een vriend, die in de tekst zeker voorkomt, opflitsen als op een billboard in Las Vegas (of in een film die zich daar afspeelt, Casino bijvoorbeeld, of Leaving Las Vegas, zelf ben ik nooit in die ‘stad van de zonde’ geweest). Die naam hield me door alle associaties die eruit voortvloeiden lange tijd uit mijn slaap, maar nu ik er wil naar teruggrijpen, omdat ik denk dat het belangrijk was, en er iets over wil schrijven, schiet me niets meer te binnen. Ik heb de autobiografische tekst al twee keer nagelezen en hier en daar een correctie aangebracht, en zelfs een paar namen veranderd, maar de associaties blijven achterwege. Natuurlijk had ik de voorbije nacht moeten opstaan en snel noteren wat me door het hoofd ging, maar ik was ervan overtuigd dat ik me alles nog zou kunnen herinneren. Niet dus. Wellicht was het dan toch niet zo belangrijk, maar ik voel me desondanks behoorlijk gefrustreerd. Het is alsof je een voorwerp binnen handbereik hebt, maar je kunt er net niet aan, en er is ook geen enkel voorwerp dat je kan helpen om het toch nog naar je toe te halen. Misschien heb ik daarna te goed geslapen, en is de herinnering daardoor te diep weggezonken?


De nacht ervoor had ik nauwelijks geslapen. Ik dacht werkelijk dat ik gek werd. Als ik mijn ogen sloot doken allerlei monsters op, eerder van menselijke dan van niet-menselijke aard. Zoals ik nu de associaties met de naam niet kan oproepen, kon ik toen de wangestalten niet verjagen. Waar kwamen ze vandaan? Wat was er met me aan de hand. Als ik dan even het licht aandeed verdwenen ze meteen, alsof het vampiers waren. Misschien moet ik voortaan met een groot kruisbeeld op mijn borst naar bed of wat lookbollen op mijn nachtkastje leggen in plaats van boeken. Ongetwijfeld was het een soort van delirium, maar hoe ben ik daaraan ten prooi gevallen? William Blake zag engelen en duivels en kon daar goed mee leven, hij converseerde er zelfs mee. Dat was bij mij niet het geval. Ik hoopte alleen maar dat ik niet gek zou worden, dat ik mijn ogen zou kunnen sluiten en niets meer zien van die gedrochten, dat ik de slaap zou kunnen vatten. Voor het slapen gaan had ik naar de vrij middelmatige Frida – over het leven van Frida Kahlo – gekeken. Daar komen ook nogal wat monsters en vreemde creaturen in voor, goed in beeld gebracht, maar niets om bang voor te worden, speels als eruitzagen, ook al waren het vaak geraamtes en doodshoofden.: typisch Mexicaans. Zouden zulke oppervlakkige beelden, als dagrest, zulke ernstige gevolgen kunnen hebben? Moeilijk te geloven. Gelukkig waren het geen beestjes, die ik zag, of ik zou nog gaan denken dat ik alcoholist ben, zoals Nicholas Cage in de hierboven genoemde film Leaving Las Vegas, of erger nog, zoals Ray Milland in The Lost Weekend, Billy Wilders schitterend portret van een alcoholist .

Ook nog voor het slapengaan had ik wat liggen lezen in Nabokovs eigen voorwoord bij zijn Bend Sinister. Ik had het vervelend en vergezocht gevonden: zijn verwijzingen die me niet echt meer interesseerden, zijn woordspelingen, anagrammen en ‘russismen’, zijn gecultiveerde wereldvreemdheid en politieke onverschilligheid. Ik had daarop toch een paar bladzijden in de roman zelf gelezen, maar zonder dat het me iets deed. Daarna duisternis en monsters. Misschien, en dat hoop ik echt, zal het de slaap van de rede geweest zijn. Ik ben zeer verheugd dat de rede er weer terug is, ook al verheerlijk ik vaak, misschien te vaak, het irrationele, zoals gisteren in mijn lofzang op Syd Barrett. Maar zo is het nu eenmaal en zo ben ik nu eenmaal: ik zal met mezelf moeten leven. De rede gaat niet zonder het irrationele, zoals het leven niet zonder de dood gaat en liefde niet zonder haat en ontmoeting niet zonder afscheid.

18-02-06

SYD BARRETT EN JAMES JOYCE


madcap-laughs


Gisteren verwees ik terloops naar de waanzinnige stem die “my book is closed, i read no more” zingt. Ik had het over de antiheld par excellence, Syd Barrett, de oprichter van Pink Floyd, een band die maar één geslaagde lp maakte: de eerste en meteen ook de enige met Syd, het meesterwerk van de psychedelica, The Piper At the Gates Of Dawn. Het dromerige, feeërieke en hallucinante van de muziek die daarop te horen, te beleven valt, heeft mijn jonge jaren diep beïnvloed. Na Syds vertrek in 1968 maakte de groep nog wel aangename achtergrondmuziek, geschikt om jasmijnthee bij te drinken of te blowen en wat te zitten dromen, met de nadruk op zitten. Liggen kon ook nog wel. Bij The Piper At the Gates Of Dawn kon je echter niet zomaar wat zitten wegdromen. De ongewone muziek, de vreemde gitaarsolo’s, de bizarre verhalen, de door en door Britse stem van Syd Barret, namen je mee naar een andere wereld, heel ver weg en toch heel dichtbij, waar je gedurende ongeveer een half uur – hoewel tijd in werkelijkheid ophield te bestaan - een ander leven leidde, vol vuur, interstellaire blauwe regen en eigenzinnige aardmannetjes. Ik ga echter niet de geschiedenis van Pink Floyd of van Syd Barrett schrijven, die vind je op talloze websites en in slecht geschreven boekjes. Ooit, als ik meer tijd heb, en mijn Ome Wim-gehalte nog zal zijn toegenomen, zal ik over mijn eigen avonturen met Syd Barret en Pink Floyd vertellen.

Over het optreden van Pink Floyd in het Pannenhuis in Antwerpen (toen een van de hipste steden van Europa), op 23 feburari 1968, toen Syd Barrett de groep net had verlaten, heb ik het hier waarschijnlijk al gehad. Ik zou het eens moeten opzoeken. Vaak als ik dat verhaal vertel geloven mijn toehoorders me niet. Hoe kan dat nu, zulke ‘supergroep’ n zo’n klein café! En toch is het waar, ik heb getuigen en een dagboek of wat daar in die tijd moest voor doorgaan.

Syd Barrett leed helaas aan wat toen nog schizofrenie werd genoemd. Eigenlijk wist niemand precies wat het was waar hij aan leed. Zelfs Ronald Laing, de beroemde anti-psychiater, schrijver van The Politicis of Experience And the Bird of Paradise, wist het niet. In die toestand heeft Syd twee met niets vergelijkbare elpees gemaakt, The Madcap Laughs en Barrett. Er is ook nog Opel, een samenraapsel van restjes, waar de platenmaatschappij hoopte munt uit te slaan, toen Syd Barrett bekend was geworden bij een nieuwe generatie. Mijn generatie vrat haar kinderen op en spuwde ze weer uit, zeker als ze wat vreemd of eigenzinnig deden.
Op The Madcap Laughs staat een hemelsmooi gezongen gedicht van James Joyce, Goldenhair. Voor mij zegt het alles over de geestesgesteldheid van Syd en over zijn beslissing om zich terug te trekken uit het publieke leven. Voor James Joyce is het een eenvoudig gedicht; gezongen door Syd Barrett wordt het een epifanie die je telkens weer naar de keel grijpt.

Golden Hair

Lean out your window, golden hair
I heard you singing in the midnight air
my book is closed, I read no more
watching the fire dance, on the floor
I've left my book, I've left my room

For I heard you singing through the gloom
singing and singing, a merry air
lean out the window, golden hair...


Mag ik hier de volledige Piper At the Gates Of Dawn, Madcaps Laugh, Barrett en ook nog ‘Jugband Blues’, het enige lied van Syds hand op ‘A Saucerful Of Secrets, de tweede elpee van Pink Floyd (als geheel zeer beluisterbaar omdat de geest van onze antiheld er nog in rondwaart), sterk aanbevelen? Of heeft iedereen dit allemaal al?

22-08-05

WAAROM IK NOOIT EEN HIPPIE BEN GEWEEST


mods in tongeren

Nu ik terug ben uit Berlijn wil ik, voor ik wat vertel over de indrukken die ik daar opdeed, even verduidelijken waarom ik nooit een hippie ben geweest, wat verwanten, vrienden en kennissen – die het kunnen weten – nochtans beweren; een authentieke hippie zelfs, zeggen sommigen. Dat zijn degenen die me op televisie hebben gezien in een documentaire over Jazz Bilzen 1967. Ik was in hun ogen een hippie omdat ik toen kennelijk de uitspraak heb gedaan “ik houd van bloemen". Er zaten ook bloemen in mijn haar. Die kwamen uit de tuin van mijn tante Berb in Neerharen. De interviewer, Louis Neefs, vroeg me waar ik van hield en waar ik tegen was. Ik was destijds tegen de oorlog in Vietnam. Ik heb die reportage zelf ook gezien, toch al weer een tijdje geleden, bij een derde herhaling. Ik had er bij mijn vriend Jos in Leuven al een fragment van gezien op video. Toen de documentaire een tweede keer werd uitgezonden heeft Jos dat fragment zeer toevallig en spontaan opgenomen, verrast zo opeens zijn vriend op televisie te zien. Hij heeft toen ik bij hem op bezoek was een foto gemaakt van me, zoals ik op dat ogenblik was, al enigszins verwelkt, met op de achtergrond het stilstaande beeld van mezelf in 1967 met die bloemen op mijn jas en in mijn haar. Het was duidelijk dat ik van bloemen hield. Ja, ik herinner me nu heel goed dat ik ook tegen die oorlog in Vietnam was en voor de vrede. De mensen moesten maar eens wat liever gaan worden voor elkaar. Er was al meer van voldoende haat in de wereld. Ik was helemaal weg van flower power en love-ins. Maar het spijtige was dat ik in Limburg nogal alleen was met zulke standpunten en gevoelens - en met lang haar. Was ik op mijn zeventiende dan toch een hippie? Ik heb altijd gevonden dat ik een mod was, zeker in 1967. Ik hield van modieuze kleren. Roze, turkooizen of gele fluwelen jassen, gestreepte broeken, hemden met bloemenmotieven… Mijn haar was geknipt – bij een kapper in Maastricht - zoals dat van Steve Marriott van The Small Faces, mijn favoriete Britse beatgroep in die dagen en een van de weinige die ik in die periode ook live heb gezien, in Diepenbeek. Een meisje dat ik die avond ontmoet had - veel gestreel en gekus - heeft mijn zonnebril als aandenken bewaard. Ik weet niet meer hoe ze heette. Wat zou er met haar zijn gebeurd? Ach, beter dat ik het niet weet. (En zo spring ik maar van de hak op de tak…)

Mijn muzikale helden waren dus die Engelse beatgroepen: Small Faces, Kinks, Who. Ik hield ook van The Rolling Stones. Between The Buttons vond ik een schitterende elpee. Je moet eens naar de foto op de hoes kijken: zijn dat hippies? Natuurlijk niet. En van Bob Dylan, heel zeker. Bob Dylan, dat is toch nooit een hippie geweest, hij was veeleer een anti-hippie.

Later, in 1970, na het debacle van Altamont en het bijna profetische lied Gimme Shelter, had ik als barman in de Dolle Mol in Brussel een afkeer van de hippies die er kwamen, vooral omdat ze stuk voor stuk aan bewustzijnsvernauwing leden. Ze waren nergens in geïnteresseerd als het niets met drugs, volle rijst, namaak-blues (door blanken gespeeld) en vooral Jimi Hendrix te maken had. Domme mensen vond ik hen. In De Dolle Mol weigerde ik platen van Jimi Hendrix te draaien. Maar de countrymuziek waar ik destijds zo van hield mocht niet, die was niet hip genoeg. Wat wel mocht – omdat nogal wat Vlaamsche schrijvers aan de toog hingen - was De Zotte Morgen van Zjef Vannuytsel, maar die haatte ik helemaal. Samen met Max dreef ik de spot met die naïeve hippies. Maar Max vond dat ik toch nog enigszins aan de verkeerde kant stond: ik ging naar films kijken als Jeremiah (een cowboyhippiefilm). En ik had contacten met Robert, een softdrugs-dealer. Robert was geen slechte jongen maar zeker niet mijn vriend. Ik hield vooral niet van de muziek waar hij van hield (Cat Stevens en kierewiete folk). Door mij heeft hij Lou Reed en The Velvet Underground en David Bowie leren kennen en is zijn smaak wat veranderd. Robert was een kennis van Sarah. Via Sarah heb ik eens wat Congolese wiet van hem gekocht. Ik dacht eerst dat hij een oplichter was: volgens mij zat er gewoon thee in het luciferdoosje. Bij nader inzien bleek het toch echte goede Congolese marihuana te zijn. Maar wist ik veel. Ik was een Limburgse mod, die nog nooit wiet had gezien.Ik geef toe dat ik een tijd lang van de roes van hasjiesj en - in mindere mate - van wiet heb gehouden. Het was zo prettig om onder invloed naar sommige muziek te luisteren. Vooral naar die van Jimi Hendrix!

Sinds 1967 was ik een absolute fan van The Velvet Underground. Dat was de volmaakte anti-hippie rock & roll band. White Light White Heat was een van mijn vijf uitverkoren elpees. Als ik die oplegde waren al mijn vrienden na vijf minuten de deur van mijn kamer uit. Niemand hield van die muziek. Letterlijk niemand. Tot in 1972 of 73, in die ellendige periode van de glam, toen Lou Reed met ruggensteun van David Bowie succes kreeg met Transformer. Ik heb ook nooit van The Grateful Dead gehouden (ik maakte wel een uitzondering voor hun countryplaten). Woodstock vond ik vreselijk vervelend. Santana was om te schreien. En dan al die Britse hippiegroepen zoals Third Ear Band, Edgar Broughton Band, weet ik veel wat nog allemaal. Bah! Nadat Syd Barrett Pink Floyd de rug had toegekeerd hield ik die groep ook voor bekeken. Van Syd Barrett hield ik enorm veel omdat hij surrealistische sprookjes schreef, en een heel eigenzinnige gitaarstijl had en zeker ook wel omdat hij zich heel goed kleedde. Ik bewonder Syd Barrett nog steeds. De intellectuele ‘goeroe’ en anti-psychiater Ronald Laing, die ik destijds vereerde, heeft hem niet kunnen genezen van zijn schizofrenie. Ronald Laing is nu dood, Syd Barrett zit waarschijnlijk ergens rustig te genieten van de bloemen in zijn Engelse tuin.

Nadat ik filosofie was gaan studeren kreeg ik een beter inzicht in waar het in feite allemaal om ging. Lang haar of kort haar was niet belangrijk. Er was niets mis met outsiders, met de tegen de stroom invaren, met de beat-generation of met pop art en dergelijke dingen. Er was niets mis met rock & roll. Maar wat heel duidelijk werd was dat de wereld moest veranderen en dat kon je niet door je op te sluiten in een subcultuurtje. De wereld kon je alleen maar veranderen als je deel werd van een gemeenschap. Je kon je leven zin geven door te lezen en te schrijven, of iets anders te doen, maar dat volstond niet als je het in je eentje bleef doen. En nog volstaat dat niet. De paradox waar ik moest uitgeraken was - en is - dat je je oorspronkelijkheid, je eigen-aardigheid, verliest als je deel wordt van de gemeenschap. Hoe moet je dat dan doen? Dat is de vraag.