27-03-15

BRINGING IT ALL BACK HOME

 

bringing it all back home.jpg

Vijftig jaar geleden, op 22 maart 1965, verscheen in de Verenigde Staten de baanbrekende, gedeeltelijk elektrische langspeelplaat ‘Bringing It All Back Home’ van Bob Dylan. De zanger en liedjesschrijver keerde folk, realisme en protest de rug toe. Zijn teksten waren nu symbolistisch, surrealistisch en autobiografisch. In Nederland en België zouden we nog tot 1967 moeten wachten op deze lp, die hier onder de titel ‘Subterranean Homesick Blues’ verscheen. Pas in 1970 zou het album in mijn bezit komen. Met de opbrengst van mijn verkoop van ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ aan mijn toenmalige vriend Marc D., kon ik me eindelijk de Nederlandse persing van ‘Subterranean Homesick Blues’ aanschaffen. Ik herinner me nog dat ik ze met trillende handen in de Maison Bleue in Brussel in ontvangst nam. Pas toen hoorde ik nummers als ‘On The Road Again’ en ‘Outlaw Blues’ voor het eerst. Of had Francis Heselmans ze mij al een keer laten horen? Hij was alvast minder arm dan ik en bezat bijgevolg ook een grotere platencollectie. Met de meeste andere songs was ik al vertrouwd via singles en ep’s.

Over symbolistische dichters vond ik dit: “Symbolistische dichters roepen liever de maan op dan de zon, liever de herfst dan de lente, liever stilstaand dan snelstromend water en liever regen dan een blauwe hemel”, schrijft filosoof en kunsthistoricus Michael Francis Gibson: “Ze klagen over treurigheid en verveling, over teleurstelling in de liefde, over machteloosheid en over matheid en eenzaamheid. Ze zijn bedroefd omdat ze ondervinden dat ze in een wereld leven die in doodsnood verkeert”.
Zegt dat niet heel veel over deze fase in het werk van Bob Dylan? Meer wil ik over deze tijdloze plaat niet kwijt. De geschiedenis van ‘Bringing It All Back Home’ is bekend. Hoewel ik dat soms ook wel eens durf betwijfelen.

05-11-14

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

IMMERSIES

la révolution surréaliste.jpg

Maandenlang dompelde ik me onder in de wereld van Geerten Meijsing, dode en levende meisjes, decadente schrijvers, snelle auto’s, sigaren, whisky, verdriet en melancholie, jaloezie, levenslust, Italië en in het bijzonder Lucca en het pittoreske Syracuse, en bovenal een zo goed als ongeëvenaarde literaire stijl, de stijl van een uniek auteur. Het is een microkosmos die ik met veel tegenzin verlaat, ook al is het maar voor enkele weken. Het voorlopige eindresultaat van die immersie mag u van mij verwachten op 18 november reeds, onder de titel ‘Historische stad, historische ontmoeting’.

Nu betreed ik ietwat nieuwe grond, hoewel niet geheel verschillend van het milieu waarin Geerten Meijsing leeft en werkt. Het gaat ook niet om een nieuwe ontdekking, iets nieuws in mijn leven. Met Antonin Artaud, zijn denkwereld, zijn werk, zijn bestaan, ben ik omstreeks 1974 in aanraking gekomen. Het is nu niet het moment om daarover in detail te treden, dan zou de verrassing op 13 november, datum van het ‘evenement’, er helemaal af zijn. Alleen dit: de voorbije dagen heeft de hele sfeer van die magische tijd, vooral van de periode 1975-1977, zich opnieuw van me meester gemaakt. Bij wijze van spreken. Want terwijl ik toen de gewillige onderdaan was van die visionaire realiteit denk ik er nu in zekere zin over te kunnen heersen; mijn blik is scherper, mijn denken en voelen zijn harder geworden, ik ben meer van het hier-en-nu.

Alfred_Jarry.jpg

Toch begint mijn hart sneller te kloppen als ik in het verzameld werk van Artaud zit te bladeren, die prachtige witte Gallimards, of als ik nog maar de namen Anais Nin, Henry Miller, Raoul Vaneigem, Gérard de Nerval, Alfred Jarry en zo meer hoor. Met rechte blijdschap denk ik terug aan de uren dat ik de surrealistische manifesten bestudeerde, of zat te lezen in het grote oranje boek waarin alle afleveringen van La révolution surréaliste waren opgenomen. En opnieuw loop ik met André Breton door de straten van Parijs, hand in hand met Nadja. Voor een amour fou echter is er geen plaats meer in mijn hart. Of misschien toch wel, want wie kent zijn eigen hart en wie kan zonder liefde leven, en wie zonder momenten van waanzin? 
nadja.jpg

Afbeeldingen: La révolution surréaliste; Alfred Jarry; Mme Sacco, helderziende, 3e Rue des usines.

04-11-14

STILTE, ANTONIN ARTAUD

antonin-artaud.jpg

Enkele dagen stilte, tijdens deze stormachtige, kille periode aan de vooravond van meer dan ooit terechte stakingen en allerlei vormen van protest tegen een brutale, harteloze uitbuitersregering. Aan een verslag van de ontmoeting met Geerten Meijsing, in de lente van 2013, werk ik gestaag verder. Het moet een tekst worden de uitmuntende auteur waardig. Maar eerst bereid ik me voor op een avond gewijd aan de revolutionaire schrijver, theatermaker, acteur, kunstenaar, theoreticus, heidense profeet en dichter Antonin Artaud.
Het evenement ‘Omtrent Antonin Artaud’ vindt plaats op donderdag 13 november in Den Hopsack in Antwerpen. Ik breng er enkele korte teksten van Artaud (in het Frans) en richt me daarna in een monoloog tot de man zelf (in het Nederlands, een visionair begrijpt die taal, zelfs als hij dood is) en tot mijn vrienden. Een van die vrienden is Johny Lenaerts, die enkele dagen geleden een mooie inleiding schreef tot het theater van de wreedheid, Artaud’s  misschien wel belangrijkste en nooit werkelijk verwezenlijkte droom.

antonin artaud, artaud, revolutie, anarchisme, surrealisme, waanzin, antipsychiatrie, poëzie, 13 november, antwerpen, den hopsack, omtrent antonin artaud, monoloog, muziek, johny lenaerts, theater van de wreedheid

Ik hoop dat velen op 13 november willen komen meedromen. Ook al is alles van waarde waardeloos en nutteloos hebben we rebelse geesten als Antonin Artaud meer dan ooit nodig en verdient hij onze volle aandacht.

10-08-14

ARCHIPEL VAN HET VERDRIET

La-Comtesse-perverse-1974.jpg

Ik lag in bed, ernstig ziek. In een kleiner en lager bed naast het mijne mijn moeder, om over me te waken. Soms, in mijn koorts, verbeeldde ik me dat ze een agent was die me in de gaten hield. Dan voelde ik me meer een gevangene dan een zieke. Alleszins had ze altijd ten minste een oog wijd open, voortdurend op mij gericht, op mijn gezicht, mijn magere handen.

Je bracht me een bezoek. Het viel me op dat je anders was dan anders, afstandelijker, ziellozer, je huid kleurlozer; je ogen hadden weinig van hun gebruikelijke schittering. Ik lag in bed met alleen een T-shirt en onderbroek aan en schaamde me daar voor, want zeker voor jou wilde ik mooi gekleed zijn. Mijn kleren, zelfs mijn pyjama, lagen onder mijn matras, een vochtige warboel.
Je maakte aanstalten om te vertrekken, wat me, ondanks je teleurstellende verschijning, erg bedroefde. Ik vreesde dat ik gauw zou sterven, of dat je nooit meer zou terugkeren. Van mijn moeder mocht ik niet uit bed komen, je niet omhelzen, geen afscheid van je nemen. Waar vond ik de kracht om zo lang en heftig bij haar aan te dringen? Uiteindelijk stond ze toch een vluchtig afscheid toe, als ik maar niet te dicht bij je kwam. Vliegensvlug haalde ik mijn pyjama onder de matras uit en trok hem aan, zij het met het jasje verkeerd toegeknoopt. Ik was nog niet helemaal aangekleed en schaamde me ook daar weer voor, toen jij al voor de deur stond, met je rug naar me toegekeerd. Je wilde me niet omhelzen, volgens jou omdat het niet mocht. Plotseling zei ik, tegen moeders verbod in (of was het dat van de agent?), met een moed die alleen maar kan voortvloeien uit teugelloze liefde, dat ik met je mee zou gaan tot aan de Oude Bareel. Maar je was al bijna buiten. Wellicht had je mijn woorden, vol verlangen uitgesproken, niet eens gehoord. De droefheid die me daarop overviel was immens. Ik geloof niet dat ik me ooit triester heb gevoeld, niet in een droom en niet in het wakend leven. Toch keek je, net voor je de deur achter je toetrok, nog even om, met tederheid en liefde in je ogen. Die droefheid, omdat je vertrok en omdat je omkeek, was zo ondraaglijk dat ik huilend wakker werd.

Eens wakker besefte ik dat Bob  Dylan het helemaal verkeerd had: “She’s an artist, she don’t look back…” Het is net omgekeerd. Als je een kunstenaar bent, een kunstenaar die liefheeft, kijk je gedurig terug, denk maar aan Orpheus.

Ik viel opnieuw in slaap. Nog dezelfde droefheid  torsend kwam ik op een eiland aan dat deel uitmaakte van een grijze en bloedrode, geërodeerde archipel. Na een half uur op het eerste eiland wilde ik naar het tweede, en zo verder. Maar het was moeilijk om van het ene naar het andere eiland te reizen. Er voer slechts één ferry per dag uit, op een onduidelijk uur. In het huis waar ik voorlopig verbleef, mijn kaartje voor de overtocht steeds binnen handbereik, gebeurden allerlei bizarre dingen. Zo was het op sommige dagen een komen en gaan van bedelaars, goochelaars en beschimmelde figuren. Er werd gehoest, gerocheld, gefloten, maar niemand zei een verstaanbaar woord. Troost kon je van geen levende noch van een dode ziel verwachten. Grote aarden potten waren gevuld met oude suikerklontjes en graan dat een muffe geur had. Elke kamer had op zijn minst zes deuren die met zes verschillende sleutels moesten worden geopend en gesloten.

Ondanks de waanzin wilde ik in die droom niet in slaap vallen, omdat ik bij jou wilde zijn, jij die je nu op een van de andere eilanden van de archipel bevond. Als dat niet ging zou ik wachten tot jij bij mij zou komen. Daarom slikte ik pillen, pillen tegen de slaap. De dagen en nachten vlogen voorbij. Mijn voorraad pillen en water om ze mee in te slikken slonk. Ik hoopte, maar tegelijk voelde ik wanhoop: nooit zou er een ferry voor me komen, nooit zou er een ferry voor jou komen. En als we elkaar dan toch zouden vinden, zou onze ontmoeting maar kortstondig zijn, een oogwenk, niet langer.

Het was een heel eind tot de aanmeerkade en het was donker en alles was grijs, de lucht, de zee, de aarde, de wegen, de kamers. Op een dag belde mijn broer aan, dronken, met een nieuwe voorraad capsules, hun houdbaarheidsdatum lang overschreden. Hij zei dat ik me aanstelde en lachte me uit. Onze liefde bevuilde hij met een resem schunnige uitspraken. Ik bleef ernstig, zal er heel boos hebben uitgezien. Hij begreep niets van onze liefde, zei ik.

Later, op een van de kleinste eilanden, in een vertrek vol grillige schaduwen, zei je me dat je zwanger was. Ik wilde je vragen of het van mij was, maar realiseerde me dan dat we al weken niet meer gevrijd hadden en zei niets. Ik wist meteen dat het van een andere man was. Toch nam ik het je niet kwalijk, omdat ik zo blij was dat we even samen waren. Ik vond je buik zo mooi, mooier nog dan in de dagen van onze warmste liefde. Wat was ik triest! Meest van al nog omdat ik wist dat we maar een poos samen zouden zijn en elkaar nu ook weer niet zouden omhelzen. Moest ik ook niet vechten tegen de slaap en waren de antislaappillen niet op? En was mijn broer niet aan het grinniken en ons in ons gezicht aan het uitlachen? En moesten we ons niet haasten vanwege het nakende vertrek van de ferry? En verbood mijn moeder me niet ten strengste om ook maar één woord met jou te wisselen?

De kamers waarin we elkaar zo vluchtig zagen veranderden gedurig van vorm. Soms waren ze opgetrokken uit bamboe, soms uit drijfhout, soms uit beton. Nooit waren ze weelderig, nooit licht en luchtig. Meermaals werd ik midden in een scène - want hoe kan ik deze situaties anders noemen? – wakker, altijd als een romantische, sentimentele vrouw met tranen in de ogen, moeizaam ademhalend. Vreemd was dat ik toch meteen weer wilde slapen, om verder te kunnen dromen, hoe triest het ook allemaal was. Alleen maar, denk ik, omdat ik dan af en toe toch bij je was. Onze toestand, zoals ik hem beleefde, was ondraaglijk, die wirwar van moeilijk bereikbare eilanden - in het azuur in het wilde weg gespatte donkerbruine verfvlekken, drip drip drip - en hoe jij daar en ik hier was, en dat er dan plotseling op een landkaart toch autosnelwegen zichtbaar werden die de eilanden met elkaar verbonden. Op luchtfoto’s kon je ze duidelijk ontwaren. Lange bruggen, een beetje zoals de Seven Miles Bridge in Florida of de Rio–Niterói Brug in Brazilië. Maar geen van die bruggen bracht ons weer bij elkaar. De pillen die mij geholpen hadden om wakker te blijven en, vooral, om de hoop niet op te geven, waren op. Van de toekomst viel niets meer te verwachten, geen geluk, geen ongeluk, geen pijn, geen verdriet, niets. Er viel niets meer te verwachten in deze archipel van het verdriet.

oude barreel3.jpg

30-10-13

DE APANCHENDANS VAN MAX BECKMANN

 

Beckmann,Max Departure, 1932-35.jpg

Max Beckmann, Het vertrek, 1932-135

Drie weken geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens vertelde ik de geschiedenis van een foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky door Daniel Kramer. Ik besefte echter al gauw dat ik voor ik mijn grote voorbeelden kon behandelen eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer kunst en literatuur mij hebben gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-monografieën over Belgische kunstenaars. Een volgend hoofdstuk ging over de rol van Salvador Dalí, een kunstenaar die aanvankelijk zeer veel indruk op me maakte, maar die ik later als een charlatan ben gaan beschouwen. Dat laatste impliceert niet dat ik meteen het hele surrealisme heb verworpen, wel integendeel. De geschiedenis van mijn overgave aan het surrealisme, mijn surrealist-worden, komt wellicht later aan bod.

Maar hoe zit het nu met Max Beckmann? Om eerlijk te zijn weet ik het niet zo goed. Ongetwijfeld is er een verband met Vincent Van Gogh en het expressionisme, een kunststroming die me al vroeg nauw aan het hart lag. Waarschijnlijk werd mijn interesse daarvoor gewekt door de De Sikkel-boekjes over James Ensor, Henri Van Straten en Frans Masereel. Voilà, ik sta weer te plassen in een urinoir in het Koninklijk Atheneum... Gelukkig was het niet dat van Marcel Duchamp want in dat geval zat ik nu nog altijd in de schulden.

Wat ik me nog herinner is dat ik omstreeks 1968 in een of ander cultuurtijdschrift een kleurenreproductie aantrof van Max Beckmanns ‘Apachentanz’ uit 1938.

 max_beckmann_apachentanz_1938_kunsthalle_bremen_der_kunstverein_in_bremen_foto_larslohrisch_vg_bild_kunst_bonn_2012.jpg

Het werk, zelfs in deze povere kopie, sprak me meteen aan. Er waren de hevige kleuren, oranje, blauw en geel. Het beeld had iets carnavelesks – wat me deed denken aan sommige taferelen die ik me uit mijn dromen herinnerde, en ook aan Carnaval in Maastricht en Hasselt, waar ik in die dagen nog niet op neerkeek. En waar ik nu soms naar terugverlang. De lichamen van de twee dansende ‘Apachen’ hebben helemaal niets lenigs of extatisch; eerder zijn ze verwrongen, verkrampt. De vrouwelijke figuur zou net zo goed dood kunnen zijn. Defunctus. Het gelaat van de man lijkt droefheid, melancholie, verbittering uit te drukken. Bevinden de dansers zich op een podium? Op de gezichten van de ‘toeschouwers’ rondom hen zie je vooral grimmige blikken. Hun donkere gestalten hebben iets onheilspellends. Houdt dat verband met de omineuze groene figuur op de achtergrond?


Later las ik dat Beckman het werk schilderde toen hij in ballingschap leefde, in Amsterdam. Op 19 juli 1937, dag van de opening van de Entartete Kunst in München, was hij met zijn vrouw Quappi daarheen gevlucht. Max Beckmann zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Gedurende zijn periode in Amsterdam (1937-1947) voltooit hij enkele van de grootste kunstwerken uit de 20ste eeuw.
Maar nogmaals, dat wist ik allemaal niet toen ik die reproductie uitknipte. En ook niet toen ik ze met me meenam naar Brussel, waar ik film ging studeren. Op mijn kamer in de Karmelietenstraat had ik de ‘Apachentanz’ tegen de muur gekleefd. In die periode (1969-1970) raakte ik bevriend met een andere filmstudent, Guillaume Bijl, die een nogal wild leven leidde en heel veel wist over kunst. Af en toe bleef hij in mijn kamer overnachten, hoewel dat niet het juiste woord is. Het was overdag dat hij in mijn bed kwam slapen, als ik zelf op de filmschool zat. Hij was dan uitgeput van een hele nacht dansen met een of andere miss België. Ik vermoed dat hij me ‘sympathiek’ vond omdat ik van the Rolling Stones en Dylan hield en meer nog vanwege die kleine Max Beckmann in mijn kleine kamer. Dat ik op Roman Polanski leek  - in zijn ogen toch - droeg er denk ik eveneens toe bij. Als we elkaar ontmoetten was het altijd: ‘Dag Polanski’, ‘Hallo Fellini’, want hij leek dan weer op Federico Fellini.

Wat mij betreft was het niet door de gigantische artistieke waarde van het werk van Max Beckmann, waar ik toen maar een vermoeden van had, maar door een prentje aan de muur dat ik een vriend werd van een heel eigenzinnige kunstenaar, van wie ik de volgende jaren erg veel zou leren. In die eerste maanden in Brussel besefte ik pas ten volle dat vriendschap misschien wel van het grootste belang is voor het verwerven van kennis en inzicht in culturele aangelegenheden (en niet alleen daarin). Via Guillaume Bijl leerde ik veel over kunst en kwam ik later in Anwerpen in aanraking met veel andere unieke en boeiende kunstenaars, die vaak ook bijzonder lieve mensen waren. Hen ben ik allen dankbaar.
guillaume_bijl.jpg

 Guillaume Bijl

18-10-13

DE DOOS VAN PANDORA

Mes-in-het-Water-mesinhetwater3.jpg

Een week geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens wilde ik het over de Duitse schilder Max Beckmann hebben maar al gauw besefte ik dat ik eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer de kunst mij heeft gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-boekjes.

Daarnaast was er televisie. Mijn ouders keken nogal veel naar Duitse zenders, die kon je in Limburg net iets beter ontvangen, in tegenstelling tot de Belgische. Waarschijnlijk hield het ook verband met vaders vreemde fascinatie voor alles wat Duits was; vreemd omdat hij krijgsgevangene was geweest en daarna in het verzet was gegaan (de Witte Brigade). Zeker op Duitse zenders werden al wel eens behoorlijke films uitgezonden, vaak in Polen, Tsjecho-Slovakije en Hongarije en soms ook wel in Zweden gemaakt. En af en toe was er een kunstprogramma. Of is dit een herinnering die niet klopt? Want dat gebeurt natuurlijk ook met herinneringen. Je denkt dat het zo gebeurd is, maar op een dag ontmoet je iemand in een café, je raakt in gesprek, je ontdekt dat je samen op school hebt gezeten, je vertelt hem of haar een bepaalde gebeurtenis die je leven toen heeft veranderd – daar twijfel je niet aan - en dan zegt die persoon, nee, zo was het helemaal niet, je vergist je, het was zo en zo.

dali 001 (2).jpg

Maar goed.  Op een dag zag ik een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog dagen, misschien wel weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Ik wilde ook een Dalí worden, of toch iemand zoals hij, een soort van magiër met een heel eigen, absurde humor (wat zelden het geval is bij magiërs of occultisten, denk maar Strindbergs ‘Inferno’ – wat een door en door ernstig boek!). Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, dat dat jaar (1968) verschenen was bij Privé-domein, een uitgeverij die ik nog niet kende. Ik zie nu dat de betreurde dichter, romanticus en surrealist Gerrit Komrij het werk heeft vertaald. 

Dat boek was een doos van Pandora (ogenschijnlijk onheil, maar ik zie het enigszins anders, net zoals ik de gevallen engel verkies boven de vlekkeloze, ver weg achter de wolken); ik heb er enorm veel uit geleerd. Alleen al de namen met hun exotische klanken: Sigmund Freud, Max Ernst, Gala Gradiva, Figueras, Paul Eluard, André Breton, Le Chien Andalou, Gaudi, Sint Ignatius van Loyola, Vermeer, Burggraaf de Noailles, Schiaparelli… En de openingszin: “Toen ik zes jaar was wilde ik keukenmeid worden. Toen ik zeven was, Napoleon. Sedertdien hebben mijn ambities, evenals mijn grootheidswaanzin, steeds grotere vormen aangenomen.”

Kort daarna schreef ik het toneelstuk ‘De droom’, qua vormgeving sterk beïnvloed door de verbeeldingswereld van Dalí, zij het door de omstandigheden op school veel naïever en vooral primitiever, en inhoudelijk helaas een kopie van Vondel en enkele verhalen van Edgar Allan Poe, maar toch ook heel erg psychedelisch, waardoor het niet al te oubollig zal geleken hebben (ik vermoed integendeel). Ik dacht op dat moment dat ik net als Dalí een genie was en dat ik daar helemaal niets voor moest doen – dat het allemaal uit de lucht kwam vallen, of uit de doos van Pandora ontsnapte: een zoete ziekte.

Kijk, nu wilde ik het eindelijk over Max Beckmann hebben en ben tegen alle verwachtingen in bij Salvador Dalí beland – en bij mezelf en bij mijn ‘droom’. Het lijkt wat op de film van een andere surrealist, Luis Buñuel, ‘Le charme discret de la bourgeoisie’, waar het een aantal vrienden uit de burgerij maar niet lukt om samen aan tafel te gaan en van een heerlijke maaltijd te genieten. Altijd komt een droom, een nachtmerrie, een groep soldaten, een wandelende dode, roet in het, hm, eten gooien.

droom68 001 (2).jpg

'De droom', Martin Pulaski, Tongeren, 1968.                                                                                   

 

In volgende stukjes zal ik het – zo hoop ik nog altijd, dankzij de doos van Pandora - over de kunstenaar par excellence Max Beckmann hebben, maar ook over het symbolisme; het surrealisme; Nicolas de Staël; Malevitsj en het suprematisme; 1973 en Europalia Groot-Brittannië; William Blake; William Turner, Francis Bacon en mijn onderdompeling in de Antwerpse kunstscène aan het eind van de jaren ’70. Wat daarna volgt kan moeilijk nog genealogie worden genoemd.

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

03-12-12

VERONICA SATORY (ANASTASIS)

veronicasatory.jpg
Kinderdorp Molenberg, Rekem.(Hier zat ik vier jaar opgesloten.Van 1958 tot 1962. De hel van mijn kinderjaren. Ik heb er niet een mooie herinnering aan.)

Have you ever loved the Body of a woman?
Have you ever loved the Body of a man?
Your father—where is your father?
Your mother—is she living? have you been much with her? and has she been much with you?
—Do you not see that these are exactly the same to all, in all nations and times, all over the earth??

Walt Whitman, I Sing The Body Electric


La symptomatologie est toujours affaire d’art.

Gilles Deleuze, Présentation de Sacher-Masoch

***

‘Anastatasis’ is de titel van een lange semi-autobiografische tekst die ik in 1976 schreef voor het tijdschrift voor filosofie, Aurora. Hoewel ik niet gelovig ben – onder meer over hoe ik mijn geloof verloor gaat die tekst – blijft dat woord ‘anastasis’ me fascineren. Wederopstanding, herrijzenis, nieuwe geboorte, zelfs renaissance – meer bepaald de herrijzenis van Jezus Christus. Maar ook ziek zijn en genezen.

Die tekst kan ik onmogelijk nauwkeurig en in zijn geheel herlezen. Vanwege mijn fascinatie voor surrealisten als André Breton en Francis Picabia is hij geschreven in een stijl die ‘écriture automatique’ wordt genoemd. Daarnaast is de invloed van beatschrijvers als  Jack Kerouac en William Burroughs merkbaar. Beide stijlen gaan met slordigheid, onnauwkeurigheid gepaard. In zekere zin schrijf je er maar op los. Toch zit zo’n tekst vol waardevolle vondsten en nog interessanter zijn de herinneringen die erin voorkomen. Wat waren mijn herinneringen nog levendig en helder. Mijn ideeën over ziekte, geneeskunde, farmaceutica waren merkwaardig, verontrustend en niet bepaald origineel. Ik was wat dat betreft ongetwijfeld nog sterk onder de indruk van mijn lectuur van ‘L’anti-Oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari.

Vanwege die vondsten en duidelijke herinneringen zou ik ‘Anastasis’ heel graag uit de dood opwekken, zou ik van dode woorden weer levende willen maken. De vervuilde taal van toen keurig oppoetsen, voorzichtig, zoals je dat met oud vinyl of met breekbaar porselein en kristallen glazen doet. Zo graag dat ik er misschien ooit eens aan begin. Maar meteen volgt dan de gedachte: er gebeurt zoveel in deze tijd, laat het verleden het verleden, een wederopstanding is – voorlopig - niet nodig.

Een maar zeer gedeeltelijk schoongemaakt fragment:

“Toen kozen wij voor rock & roll. Met een gretigheid en een genoegen die we tevoren nooit hadden gekend namen we dat nieuwe geluid in ons op, eigenden het ons toe.
Ik volgde het vijfde leerjaar°. Op een dag zat ik bang en verlegen naast mijn vriendinnetje, Veronica Satory°°. Juffrouw Bakkers was even de klas uit. Wat kon ik doen? Van satori zouden we pas later horen, ook lustgevoelens herkenden we niet, mochten we niet eens kennen. Er was alleen een vreemd, intens verlangen om dicht bij elkaar te zijn. Aanrakingen waren niet nodig. Nee, we deden helemaal niets en waren, denk ik, toch heel even heel innig verenigd.
Wat een mooie naam was dat toch, Veronica Satory. Die zal ik wel nooit vergeten. Ik zal tien of elf geweest zijn, onschuldig, een hart van boter, ogen als korenbloemen… Een vlugge blik op haar perfect Grieks gelaat deed niet alleen mijn hart smelten, ik werd er helemaal week van. Haar magere benen zaten in ruwe wollen kousen, hier en daar gestopt, waar zij zich helemaal niet voor schaamde. Altijd zag ik om haar lippen het begin van een glimlach spelen.”

Daarna volgt een fragment over hoe ik me omstreeks 1962 rock & roll toe-eigende. Tot dan had ik er alleen maar met de oren van mijn zeven jaar oudere broer naar geluisterd. Naar zijn helden Elvis Presley, Gene Vincent en altijd Fats Domino. Die reuzen onder ons werden - tot ik voor het eerst the Beatles en the Rolling Stones op de radio hoorde – ook mijn helden. Daartoe moest ik me echter losweken van mijn broer. Ik moest een eigen schrijn oprichten voor die ogenschijnlijk bovennatuurlijke wezens. En ik moest leren dansen op hun wild en duivels ritme. En zo, al dansend voor mijn duivels, vond ik mezelf uit, zo was ik niet langer eenzaam, zelfs niet toen Veronica Satory al lang uit mijn leven was verdwenen.

***

°
In het Kinderdorp Molenberg in de bossen van Opgrimbie.


°°
Met een goedkope boxcamera heb ik in die dagen een foto van Veronica Satory gemaakt. Klein, zwartwit; ik zie haar nog altijd met die mysterieuze glimlach. Nergens vind ik hem terug. Zelfs vandaag, uitgeput en hoestend, heb ik er uren naar gezocht, om hem hier boven te kunnen plaatsen. Nergens vind ik de foto van Veronica Satory terug.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012

02-03-12

BEWOGEN DAGEN 6.

 

the-velvet-underground-white-light.jpg

The Velvet Underground - White Light / White Heat - Originele hoes (1968).


51.
The Flying Burrito Brothers is en blijft mijn favoriete country-rockgroep. Wellicht omdat Gram Parsons, Chris Hillman & Co voor mij de wereld van de countrymuziek hebben ontsloten. Ik denk dat ik de enige Belg ben die al in 1969 ‘Gilded Palace Of Sin’ bezat. Ben ik nu een snob? Wacht dan. Ik ben waarschijnlijk ook de enige Belg die ‘White Light / White Heat’ heeft aangeschaft toen die LP in 1968 uitkwam. Mijn vroegere vriend Guy Bleus mag hier ook wat komen bluffen als hij zin heeft: hij was de eerste jongen die ‘The Velvet Underground & Nico’ bezat, de originele versie met de schilbare banaan.

52.
Als je schrijft is het belangrijk dat je niet opgeeft. Je hebt discipline en regelmaat nodig. Je moet elke dag een paar bladzijden schrijven, zelfs al stellen ze niet veel voor. Dat is een zware opgave, maar je hebt geen keuze: je moet blijven schrijven, desnoods tot je erbij neervalt.  Geen goesting? Die komt vanzelf, al schrijvend.

53.
De weinige dingen die ik weet en ken deel ik graag met vrienden, met mensen die ik zielsverwanten noem. Dat is natuurlijk een vaag begrip en met vage begrippen moet je oppassen. Voor je het weet ben je aan het veroordelen en uitsluiten. Voorzichtig zijn dus, niet in het minst omdat ik zelf vaak uitgesloten ben geweest, vooral op de lagere en middelbare school.

54.
Er is zoveel onder de zon en de maan dat ik niet begrijp. Wat is tijd? Hoe is het universum ontstaan? Waarom doen muizen en mensen wat ze doen? Het gebeurt dat ik zelf niet begrijp wat ik heb geschreven. Soms schrijf ik heldere, bijna rationele teksten, soms keer ik terug naar mijn surrealistische beginselen, waarbij de droom de belangrijkste voedingsbodem is. Soms is mijn geschrift een mengvorm: een herinnering aan een droom waarin de analyse al enigszins is verwerkt. Het wordt stilaan tijd voor een verhaal over psychedelische muizen in een smeltend universum.

55.
Uitroeptekens zijn bijzonder lelijke tekens. Ze wijzen op woordarmoede, misschien zelfs op gevoelsarmoede. Ja, ik verafschuw uitroeptekens. Maar er zijn dagen dat ik niet zonder kan, als ik me moe voel, of opgewonden, of geen woorden vind, of als mijn gevoelens zoek geraakt zijn. Laten we ze vermijden!

56.
Ik moet toch eens naar de Wannsee. Dat heb ik nooit gedaan omdat de nazi’s daar op 20 janurari 1942 een conferentie hebben gehouden om voor eens en voor altijd het ‘jodenprobleem’ op te lossen. Zonder twijfel de vreselijkste conferentie ooit. Desondanks wil ik er graag naartoe, al lang, omdat mijn uitverkoren schrijver Heinrich von Kleist daar zelfmoord heeft gepleegd met Henriette Vogel, zijn vriendin. Ze hadden een 'zelfmoordcontract'. Hij was het leven beu, als mislukt officier uit een traditionele Pruisische officiersfamilie, en zij leed aan kanker. Hij heeft haar op haar verzoek doodgeschoten en vervolgens zichzelf gedood.

57.
Anselm Kiefer is voor mij een van de belangrijkste kunstenaars van de tweede helft van de vorige eeuw. Zijn werk lijkt zwaar en zwaarwichtig, door en door Germaans. Maar er zit ook iets lichts en lichtgevends in, waardoor je bijna gaat zweven als je er lang naar kijkt. Ik vind het zo belangrijk omdat de geschiedenis erin verwerkt is. Het is geen kunst met geheugenverlies. Anselm Kiefers werk staat voor mij op dezelfde eenzame hoogte als de poëzie van Celan en Hölderlin. Het zijn overigens de poëtische accenten die van zijn doeken en sculpturen gezangen maken.

58.
Ik geloof niet dat je om de weg te vinden in mijn teksten een roadmap nodig hebt. Toegegeven: ik ga meerdere kanten uit, laat me leiden door het toeval, ben impulsief, enzovoort. Toch denk ik dat er ergens een centrum is in mezelf dat het allemaal samenhoudt en dat er in wat ik voortbreng daardoor ook een samenhang is.

59.
Over mijn gedichten heb ik niets mee te delen. Of ik zou heel lang moeten nadenken, mezelf analyseren, wat ik niet kan en niet wil. Vaak vertrek ik van een woord, of van enkele woorden. Soms van dromen. Daarna werk ik dat verder uit, meestal door associatie.  Ik schrijf wat me aan woorden of beelden tegemoet komt snel neer, en probeer dat vervolgens te ordenen, visueel, ritmisch. Met het oog op klank en beeld vervang ik woorden door andere. Als ik te lang aan een gedicht werk verknoei ik het meestal. Een gedicht schrijven is een daad van liefde, op zijn minst voor de taal.

60.
Je herkennen in anderen, in schrijvers, kunstenaars, maar ook in ‘gewone’ mensen, dat is een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.


schrijven,autobiografie,pop,populaire cultuur,anselm kiefer,heinrich von kleis,velvet underground,flying burrito brothers,snobisme,rationalisme,surrealisme

Martin Pulaski - Pop 2005 (selectie). 

03-10-11

OVERWOEKERDE PADEN

bassani.jpg

Giorgio Bassani.

Vier uur lang slenterde ik door het centrum, van het Sint-Katelijneplein naar de Oude Graanmarkt, naar de Passaporta, waar ik slaperig als ik me voelde 'Slaap' heb gekocht, een verhaal van Murakami met mooie illustraties, en een roman van Arthur Japin, de auteur die ik op dit ogenblik het liefst lees. Telkens als ik uit een boekwinkel kom heb ik wat surrealisme aangeschaft; nu was dat 'Onbevlekte Ontvangenis' van André Breton en Paul Eluard. En na dat uur of zo van boekgengestreel vervolgde ik mijn wandeling over de Adolphe Maxlaan, naar Waterstone's voor wat tijdschriften, tot in het voorgeborchte* van de hel dat Fnac heet. De moed ontbrak me om op een van de gezellige terrassen te gaan zitten. Met niemand om mee te praten, en niet wetend wat gedronken. Ik zag me daar in betere tijden samen met vrienden praten, lachen, een Westmalle of een Orval drinkend, een met de bron van het leven.  Wat waren we destijds gelukkig (ook al wisten we het niet), zoals veel mensen die daar nu zaten.

Die avond was ik moe van in de stad rond te dolen, op zoek naar mezelf. Ik zat op het terras naar de sterren te kijken, maar die waren te ver weg om me te kunnen troosten. Een heerlijke zomeravond, maar ik voelde me ellendig, heel precies door de bijna magische weersomstandigheden, en omdat ik me al die mooie dagen en avonden met mijn vrienden bleef herinneren. Ik heb lang in het donker gewacht op slaap. Eerst had ik geprobeerd Vittorio De Sica's 'Il Giardino Dei Finzi-Contini' te bekijken, een film die ik waardeer, net als de gelijknamige roman van Georgio Bassani waarop hij is gebaseerd. Lang heb ik niet gekeken, mijn gedachten dwaalden af naar zomervelden in Limburg, naar al lang overwoekerde paden. 

 andre breton,giorgio bassani,ferrara,finzi-contini,vittorio de sica,cesare pavese,knut hamsun,nostalgie,eenzaamheid,wandelen,de wandelaar en zijn schaduw,brussel,stad,droefheid,vrienden,liefde,ziekenhuis,slaap,murakami,sterren,troosteloosheid,tijdverspilling,facebook,surrealisme,dérive

Dominique Sanda, in Il Giardino dei Finzi-Contini.

Sinds ik thuis ben uit het ziekenhuis ben ik niet meer blij, niet meer gelukkig. Ik heb het gevoel dat niemand meer van me houdt. Misschien is het niet waar, misschien is het een obsessie van me, maar ik zak dieper en dieper weg en ik weet niet hoe ik verder moet. Ik sta op een kruispunt, zonder zelfs een ziel om aan de duivel te verkopen. Was er maar een duivel, was er maar iets. Maar er is niets, er is niemand.

Hoe traag ik nu ben. De geringste inspanning is mij te veel. Meermaals zet ik het op een bijna hysterisch huilen omdat ik de eenvoudigste dingen niet kan doen. Denk ik. Als ik hard genoeg ben voor mezelf kunnen veel dingen toch wel. Er wordt gezegd dat ik sterk ben, omdat ik de beproevingen in het hospitaal overleefd heb, maar ik voel me extreem zwak. Het is heel moeilijk om je dat voor te stellen.

Ik zit hier maar de hele dag, te wachten op ik weet niet wat. Als de zon schijnt zoals vandaag word ik bijna gek van onbestemde emoties, van rusteloosheid, van het verlangen om ver weg te zijn van hier, met vrienden te praten en te lachen. Alles wat er niet is. Ik denk dan aan de melancholische romans van Cesare Pavese, en aan het lot dat in het midden van zijn leven op hem wachtte. En dan overvalt mij wanhoop, troosteloosheid. Ik verval in negativiteit, kan niet meer lachen, schrijf een slecht gedicht of verspil mijn tijd met zinloos gedoe op Facebook. Binnenkort ga ik weer met de kaarten spelen, of Domino.Stoer

 

surrealisten.jpg

Surrealisten. André Breton: bovenste rij, midden.

 

*Cfr. Paus Gregorius I.

03-12-10

DE RODE DRAAD: EERSTE VERSIE

 Trois_couleurs__Rouge_1994.jpg

Irène Jacob in Trois couleurs: Rouge.

“Nu besef ik pas hoe ijdel dat was; want had ik in hun situatie zelf soms niet kunnen moorden of stelen?” Jean-Louis Trintignant (Le juge), in 'Trois couleurs: rouge' van Krzysztof Kieslowski.


Het bloed van een lam. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed.

Terneergeslagen bloed.

 

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Een verfoeid verkleinwoord, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vol van licht boven de warme golven van de Schelde.

 

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld.In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken.

Het onweer is rood en donker.  Als we fietsen, op de vlucht voor de dood. Zoveel rode en blauwe fietsers, zoveel van hen al vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsen naar het verleden, pijlsnel naar een luguber feest van Edgar Allan Poe. Op rode muziek danst het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang.

 

Het rood in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. Le rouge et le noir en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Je rode lippen. Les lèvres rouges –  made in Belgium. Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gekust. Tot de lippen bloeden van schaamte. Maar niemand schaamt zich om rood.

 

Terwijl vampieren zich vermaken op zo’n bal stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis.

Het bloed van Sharon Tate moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’, is het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes.

 

Michael Madsen snijdt iemands oor af, met genoegen, en met hetzelfde genoegen beluisteren we zijn vergane stem. Elk woord is een gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gesnuif. Waardoor we vluchten. Vluchten in elkaar.  Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars. (Later de gebroken ribben.) (Later de lotgevallen.)

Hoest je bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen warme kat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij de moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?


(Ontwerp.)

31-08-10

KEERPUNT: JOHNNY ACE

 

leven,liefde,muziek,verliefdheid,johnny ace,subcultuur,leugens,surrealisme,écriture automatique,wending,russische roulette,v,for you

Als ik zou zeggen, ‘Pledging My Love’ van Johnny Ace is het mooiste lied dat ik ken? Wat zou dat betekenen? Niets. Miljoenen mensen noemen de titel van het mooiste lied dat ze kennen; ze worden op de ritmes, melodieën, stemmen van die songs verwekt, ze huwen op de klanken van hun charme, ze sterven bij het gesnik van hun verdriet. Toevallig ben ik - toen ik al geen tiener meer was - gek geraakt op oude bluesballads als ‘Pledging My Love’, wellicht omdat ik in die tijd mijn eigen emoties wilde herkennen, en songs als die van Johnny Ace aan het resultaat van die queeste tegemoet kwamen. Mijn leven was begonnen in en met mijn moeder. Als kind kende ik alleen maar het water. Op de achtergrond rookte mijn vader zelfgerolde sigaretten. Ik groeide op met ‘Ben Hur’, ‘Spartacus', 'Shane', Elvis, the Beatles en the Rolling Stones. ‘De leeuw van Vlaanderen’ en ‘De zwarte tulp’. Dit is geen autobiografie, ik sla hele stukken over.

Met Henry (soms ook Harry genoemd), een reptielenvriend, speelde ik luchtgitaar op ‘Vincebus Eruptum’ vooral op hun versie van ‘Summertime Blues’. Eddie Cochran behoorde mijn oudere broer toe, dit was onze muziek, de jongens en meisjes van de jaren zestig. Blue Cheer speelde op dat ogenblik de luidste muziek ter wereld. Honderden honden stierven tijdens hun openluchtconcerten. Het vreemde is dat niemand klacht indiende. In België hebben ze nooit opgetreden.

leven,liefde,muziek,verliefdheid,johnny ace,subcultuur,leugens,surrealisme,écriture automatique,wending,russische roulette,v,for you


Johnny Ace zingt nu, voor hij zich op een kerstavond bij een spelletje Russische roulette een kogel door het hoofd jaagt;  hij croont, “I’m crazy to be in love with you”. Vele jaren later, ik had ‘Touchez pas au grisbi’, ‘L’Atalante’, en ‘High Noon’ gezien, hoorde ik ‘Strawberry Fields Forever’ op de transistorradio. En een nieuw leven begon. Bijna heel dat leven is terug te vinden in vroegere notities hier op hoochiekoochie. Ik was gelukkig en ongelukkig, droef als een clown, opgewekt als een VTM-superster. En daarmee bedoel ik niet Viva, noch Edie Sedgwick.

We zullen voor altijd samenblijven, als vreemden in de nacht. Ik bewaar mijn liefde voor jou. Verrassingen zijn er niet meer. Iedereen weet alles. Ik verwijs niet naar de manifesten van André Breton. Je weet dat ik vanavond aan écriture automatique doe. Geen sleutels in mijn handen, en de handjes van de tijd staan – helaas – even stil.

Ik wil om deze avond te vieren niet afzakken naar de lagere regionen van de hel, waar extreemrechtse nationalisten in helverlichte frituren rondhangen. De clichés van de dag. Maar om deze avond te vieren wil ik er desondanks op wijzen dat er een lied van John Lennon bestaat dat ‘Across The Universe’ heet, en dat Hüsker Dü de schoonheid van ‘Eight Miles High’ onderkende, zoals Mario Praz dat in zijn 'Romantic Agony' - ik gebruik bewust de Engelse titel - deed met alle romantische schrijvers, ook al moest hij, vanwege politieke omstandigheden, er een moraliserend sausje over gieten. Ik heb de indruk dat er nu alleen nog maar sausjes worden gegoten, umsonst, en bijna niemand nog echt om iemand geeft. Dat het verleden het verleden moet blijven; en wij scheuren de pagina’s uit onze agenda’s – de pagina’s van elke gebeurtenis die ons heeft getekend. Onze media schotelen ons brood en spelen voor. Iemand springt van een berg, die of die is dood, de Amerikanen trekken zich terug uit Irak (of is het eigenlijk Iran?), maar niet echt. De doden alleszins niet. Wij leven maar tegelijk leven we niet.

Je wordt oud als je het avontuur mist. Maar wat is het avontuur? Al die mensen die het gaan zoeken aan de voet van de Himalaya en dan hun luxe naar boven laten dragen door sherpas en dan toch nog naar beneden tuimelen of echtelijke ruzies krijgen? Al die mensen die op exotische stranden liggen, om Oostende toch maar te vermijden – een stad waar alles gebeurde, waar op zijn minst James Ensor hun maskers schilderde, zoals Jean Vigo die van de bourgeoisie op het strand van Nice. Je moet toch zeker naar Timboektoe gaan, al is het maar omdat je hond zo heet. Want een hond heb je ongetwijfeld, nu, op deze vergevorderde leeftijd.

Wat doe je dan, als je iedereen de rug toekeert? Je toont allen die je kennen of een beetje kennen je ware gezicht. Je keert niemand echt de rug toe. Je vrienden, kennissen, vijanden moeten je maar aanvaarden zoals je bent. Je hebt niets te verbergen. Je zit voor het raam met je vrouw, met je vriendin. Je zegt dat je ongelukkig bent, dat je gelukkig bent, dat je teveel drinkt, dat je een zeurpiet bent, dat je gek bent, dat je je leven moet veranderen. Je moet je leven veranderen, liefste. Het leven is kort. Wellicht was je ooit wild en ben je uit wilde ouders geboren, maar die tijden zijn lang voorbij. De tijd heeft je zeden verzacht. De tijd heeft je op je knieën gebracht. Wat wil je nog meer?

 

leven,liefde,muziek,verliefdheid,johnny ace,subcultuur,leugens,surrealisme,écriture automatique,wending,russische roulette,v,for you

Richard Brautigan


Je wil het leven liefhebben, zoals Hendrik Marsman, zoals die en die. Je wil niet in droefheid verzinken zoals de schrijver van Trout Fishing In America, die altijd zo opgewekt leek, maar zich een kogel door de kop schoot vanwege alcoholisme, in navolging van zijn grote voorbeeld, Ernest Hemingway. Je wil je ook niet dooddrinken, zoals de beste schrijver van de 20ste eeuw, Fernando Pessoa. Je wil leven en liefhebben, zoals niemand anders. Je weet wie je liefhebt. En wie je liefhebt heeft jou ook lief. En zo, op die manier, blijven deze woorden, deze melodieën bestaan. En niet anders. Er zijn geen andere woorden. Er is niets anders. Maar wat er is, is mooi, zoals ‘Les Nuits d’été’ van Berlioz. En zoals 'Plegding My Love' van Johnny Ace.

06-08-10

LAURIERROOS

droom,verlangen,romantiek,surrealisme,psychoanalyse,begeerte,drift,rimbaud,bob dylan,hendrik marsman,engel

Je stak de straat over net nadat de arbeiders van de vuilnisdienst hun werk hadden gedaan. De riempjes van je schoenen glinsterden nog, zoals de sterren op het water van de Schelde, toen  je mijn droom binnenstapte. Je onthulde mij het geheim van de laurierroos, een giftige bloem die ik je onnadenkend had geschonken, omdat ik ze in verband had gebracht met Laurier. Voortaan noem ik je niet langer Laurier, ook niet in mijn dromen (hoewel ik dat laatste niet kan beloven).

 

Als mijn geheugen me niet in de steek laat, en terwijl ik deze woorden neerschrijf gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Arthur Rimbaud en Bob Dylan, twee boezemvrienden, dan stapte ik enkele dagen later een houten huis binnen. Vierentwintig kamers waren er eerst, maar geleidelijk aan ontdekte ik er meer. Een van de kamers was een heel bijzondere bibliotheek: in de rekken stonden bloemen, planten, groenten. Een gids noemde hun namen, vertelde over hun eigenschappen, hun geur en smaak, hun geneeskundige krachten, en in sommige gevallen ook hun giftigheid. Want veel van wat wij mooi vinden en lekker is giftig, soms dodelijk. Je weet maar al te goed dat de Blauwe Bloem Novalis een jonge dood schonk. Maar over jong gestorven dichters en muzikanten had de gids het niet. Hij was iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven – en uit alles wat hij vertelde bleek dat hij net als ik wist dat je er maar een hebt. Hendrik Marsman schreef het al zo overtuigend in zijn gedicht ‘Lex Barbarorum’: “ik erken maar een wet: / leven.”

Ik nam afscheid van de vriendelijke gids en ging de andere kamers verkennen. Ze waren even geheimzinnig, aantrekkelijk, geurig als de bloemen. En in hun kleuren, vormen en afmetingen verschilden ze heel sterk, net zoals bloemen en planten dat doen, denk aan een myosotis en een zonnebloem. In sommige kamers dansten vrouwen, mannen, kinderen, in andere werd er gegeten en gedronken, in weer andere werd aan action painting gedaan. In een ruime, lichte kamer, met azulejos betegeld, zag ik je baden in een bad dat op een schelp leek, het schuim op dat van de zee toen Venus werd geboren. Elders werden aan kinderen met blauwe mutsen op sprookjes verteld. In een grote ruimte zaten mannen en vrouwen in lange gewaden naar klassieke Indische muziek te luisteren. Ik herkende sommige melancholische melodieën.

 

Je stond nog nat van het baden in stralend licht en zei: “ik erken maar een wet, en dat is leven”.  Ik dacht aan Hiroshima, aan de vreselijke dingen van vandaag, maar desondanks kon ik je geen ongelijk geven. Desondanks sprak ik als antwoord ongeveer dezelfde woorden uit: ”leven, dat is de enige wet die ik erken.” Zoals je daar stond in dat stralende licht, als een warm geworden boodschapster van de vreugde, kon ik je alleen nog maar omhelzen. Een engel omhels je niet, tenzij in een droom.

 

Inmiddels was het donker geworden en het weer tropisch. Je gaf me een vlinderachtige kus en verliet het huis. Ik keek door het raam. Beneden stond een koor bestaande uit Noordzeevissers te zingen. La Paloma, zongen ze, een lied dat iedereen kent. Je was naakt, vanwege de hitte. Niemand raakte je aan, je stralend lichaam. Niemand raakt een engel aan. Een engel verzengt. Ik sloot de ramen, vanwege de muggen, en sloeg mijn boek open en las je verhaal.

 

 

14-04-09

IK HOOR THE MARVELETTES ZINGEN

postbode,antwerpen,sixties,vrijheid,pop,vriendschap,liefde,telefoon,rock,scheepvaart,popcultuur,namen,bob dylan,spelen,autobiografie,fotografie,surrealisme,tanden,eenzaam,soul,rolling stones,the beatles,k,songs,stoned,motown,nico,facebook,beach boys,barack obama,aretha franklin,brian jones,bulle ogier,francois brouns,matti b,marvelettes,jacques dutronc,les tricheurs,smokey robinson,schipperszoon,schippersleven,straatsburgdok,herbert tobias,supremes

Ik hoor the Marvelettes zingen. Er zit teveel vis in de zee en er gaat iets mis met de post. Postman, stuur me een brief! Wat gebeurt er toch met deze wereld, als de jager gevangen wordt door zijn wild? The Beatles waren gek op the Marvelettes, en op Smokey Robinson, volgens Bob Dylan de beste dichter ooit. Later vroeg hij zich af of hij niet te zat, te stoned,  was geweest en eigenlijk Rimbaud had bedoeld. Ik denk het niet. De wereld is surrealistisch of is niet. Je moet gevaarlijk leven, liefhebben als een gek en spelen. Spelen en een tricheur zijn, zoals Jacques Dutronc en Bulle Ogier. Noem ik teveel namen? Wil je dat ik persoonlijker word? Het privé-leven uitgestald. Nee. Ik ben het Noorden niet kwijt, evenmin als het Zuiden, zeker het Zuiden niet, waar zij leven die hun hoofd onder een oksel dragen.


Altijd gaat het zo: beste postbode, is er een brief voor mij? Nee. Voor jou niet, wanhopige jongen, je zou beter wat minder drinken, je stinkt uit je bek, mag ik zo eerlijk zijn? Wacht nog even, postbode, ik zal mijn tanden poetsen met mineralen, gemalen bisschoppenruggengraat, vlinderstof, op mijn gouden borstel diamanten… Maar is er geen nieuws van K.? Met de donkere ogen, met de twistende letters. Ik keek naar een portret van Nico in ‘Cocktailkleid von Oestergaard’, een foto van een onvolprezen fotograaf, Herbert Tobias.

The Marvelettes zingen nu over een playboy, maar laat die maar passeren.  K. met de donkere ogen heeft bezit van mijn gedachten genomen. Mijn telefoonnummer is “Beechwood 4-5789, any old time”. Een hese stem, en ik, mijn lichaam, afstevenend op de dood, zoals dat van iedereen die je nu kent of niet kent. Alleen weet ik wat een voorsteven is, een boot, de voorkant, het Straatsburgdok, Strawberry Fields Forever. Die dingen komen altijd terug. Een leven lang. Alles verandert maar tegelijk verandert niets. Vreemd, ik weet het. Daar aankomen, in het Straatsburgdok, met die pure popmuziek op de transistorradio, God Only Knows, Like A Rolling Stone, Reflections, en niemand die van iets weet. De freaks moeten nog vanonder de stenen komen. Dat zullen ze doen, en dan is alles om zeep (die ze zelden gebruiken). Ik ben weer een Steve Marriott, een Otis Redding, een Aretha Franklin, een Brian Jones. Nu. Niet gelukkig en niet ongelukkig, maar in het moment.

Dank aan the Marvelettes. Dank aan Barack Obama. Dank aan facebook en aan alle vrienden die me inspireren. Dank aan rock & roll. I love you, that’s the way that it goes. Forever. For sentimental reasons.

nico - herbert tobias

Afbeeldingen: 
Boven: The Marvelettes
Onder: Nico - Ohne Titel (Nico im Cocktailkleid von Oestergaard) / Herbert Tobias.

13-04-09

VIERKANTEN OM JE TIJD IN ONDER TE BRENGEN

 

mozaiek


Het neo-surrealisme viert hoogtij op facebook. Een goede zaak . De voorbije dagen spelen we het spel ‘Twaalf Vierkanten’, dat sterk afhangt van het toeval en vaak tot verrassende resultaten leidt.

Je gaat zo te werk:

Ga naar Google – afbeeldingen zoeken.
Typ je antwoord op de twaalf vragen hieronder.
Kies een afbeelding uit een van de eerste drie pagina’s.
Gebruik deze website  (http://bighugelabs.com/flickr/mosaic.php) om je collage te maken.
Sla de afbeelding op in je afbeeldingenmap.
Zet de collage of mozaïek op je blog of op facebook.
Vergeet niet er deze instructies bij te plaatsen.

VRAGEN

1.     Wat is je naam?
2.     Wat is je favoriete gerecht?
3.     Waar woon je?
4.     Wat is je favoriete kleur?
5.     Wat is je favoriete film?
6.     Wat is je favoriete drank?
7.     Wat is de vakantiebestemming van je dromen?
8.     Wat is je uitverkoren dessert?
9.     Beschrijf jezelf in één woord.
10.  Hoe voel je je nu?
11.  Van wat/wie houd je het allermeest?
12. 
Wat wil je worden als je groot bent?

22-01-09

EEN NIEUWE SAMENLEVING, EEN NIEUWE MORAAL

gelijkheid,verleden,geschiedenis,leven,sixties,feminisme,kunst,nieuw,intolerantie,wereld,toekomst,ecologie,luisteren,verbeelding,cultuur,surrealisme,communisme,gemeenschap,moraal,modern,individu,samenleving,modernisme,verantwoordelijkheid,20ste eeuw,communie,realisme,revolutie,facebook,obama,rimbaud,broederschap,omwenteling,inaugurele rede,zusterschap,aanwezighied

 Vandaag gingen mijn gedachten terug naar de min of meer geslaagde en gedeeltelijke en geheel mislukte pogingen  om de maatschappij, ‘het systeem’, de man, de vrouw, de verhoudingen tussen man en vrouw, de arbeidsverhoudingen, het economisch bestel, de machtsverhoudingen en zelfs het leven te veranderen. Zelf vond ik vanaf een bepaalde, enigszins bewuste leeftijd dat, zoals de surrealisten hadden gezegd, het leven moest worden veranderd. Lange tijd al houd ik me de uitspraak van Rimbaud voor ogen dat we ‘absolut moderne’ moeten zijn, wat ongetwijfeld niet hetzelfde betekent als opnieuw expo-brood eten of in stoeltjes uit de jaren ‘vijftig gaan zitten. We nemen plaats op stoelen en in zetels die het toeval ons aanwijst.


Ik kreeg zonder zelfs een kroniek of een geschiedenisboek ter hand te nemen (ik denk aan ‘1968’ van Mark Kurlansky, ‘De Russische revolutie’ van Marcel Liebman, ‘Ten Days That Shook the World’ van John Reed, de werken van Eric Hobsbawn, ‘In Europa’ van Geert Mak, ‘Timebends’ van Arthur Miller, ‘There’s A Riot Going On’ van Peter Dogget, etc.) een sterke indruk dat de hele twintigste eeuw een aaneenschakeling is geweest van pogingen tot revolutie, van werkelijke revolutie, van pseudo-revolutie (in salons en ministeriële kabinetten), van contra-revoluties, van staatsgrepen, van militaire regimes, van dictatoriale verdedigingen tegen revoluties en mogelijke revoluties, van – vanuit het zogenaamde standpunt van nationaal-socialistische revoluties en fascistische omwentelingen – etnische verplaatsingen en nooit eerder geziene etnische ‘zuiveringen’ en uitroeiingen.

Ik kreeg tevens de indruk dat de halve eeuw die ik heb meegemaakt, zonder ooit een oorlog aan den lijve te hebben ‘gevoeld’, alleen de gevolgen ervan, een verschrikkelijk, gewelddadig, ongewoon verwoestend tijdperk is geweest.

Welke rol had ik gespeeld in dit alles? Ik moest even een glas wijn drinken, twee glazen, om de vraag te laten bezinken. Vervolgens dacht ik, jongen, vergeet het maar. Er is muziek, film, kijk nog een keer naar ‘Last Tango In Paris’, een meesterwerk toch? Is er ooit iemand beter geweest dan Marlon Brando en hoe zit het nu met Maria Schneider? Of speel wat spelletjes op Facebook. Mijn vrouw kan ik niet lastig vallen: zij slaapt al. Een zware dagtaak staat haar te wachten. Zij helpt jonge mensen uit ontwikkelingslanden aan studiebeurzen in ons welvarend gebied van taalonenigheid (hoewel ik daar zelden iets van merk, tenzij bij fascistische heethoofden). Jongen, zei ik, je moet het alleen oplossen. Wat heb je gedaan?

Natuurlijk was die vraag mij ingegeven door de inaugurele rede van president Barack Obama. De tijd van intolerantie, zoals die door filmregisseur D.W. Griffith aan het begin van de vorige eeuw werd getoond, is voorbij. De tijd dat zwarten niet welkom zijn in een restaurant of café zijn voorbij. De tijd dat ik in 1968 in Maastricht aan mijn lange haren door het grind word gesleurd en met de dood bedreigd is voorbij. De tijd dat ik in het midden van de straat mijn vriend niet mag zoenen is voorbij. De tijd dat je voor een kruisbeeld of welk ander religieus symbool moet knielen is voorbij. De tijd waartegen zich Bob Dylan zo verzette (en al lang over zwijgt) is nu voorbij. Zelfs William Zanzinger is dood. Ik moet me ook niet meer boos maken op Sam Shepard, die het in zijn logboek over the Rolling Thunder Revue over Willams & Zinger had. Niemand is perfect. Sam Shepard was een goede drummer en stond aan de goede kant. Ten minste, als je er van uitgaat dat ik ook aan de goede kant stond, sta.

President Obama gaf in zijn speech de indruk dat die tijd – van pogingen tot verandering, van permanente revolutie, van intolerantie en onwetendheid – nu voorbij is. De verantwoordelijkheid voor de samenleving, die de geschiedenis ons heeft doorgegeven, ligt bij onszelf. Wij moeten het nu echt wel zelf doen.  We moeten niet alleen maar hopen, geloven, met onszelf bezig zijn, met muziek, met kunst, met vermaak en cultuur. Wat we zeker niet moeten doen is onszelf verrijken ten koste van de anderen. Wat we zeker niet moeten doen is op de anderen neerkijken, hen vernederen, miskennen, hen geheel uit het oog verliezen omdat ze bijvoorbeeld ziek of zwak zijn. Wij mensen hebben elkaar nodig. De wereld is een ingewikkeld geheel. We moeten het zelf doen. We moeten naar de anderen kijken: wat willen jullie? We moeten vriendschap sluiten. En uiteindelijk moeten we ook voor degenen die geen vriendschap willen, de fanatici, de mensen die uitgaan van bloed, bodem en geweld, moeten we voor hen op onze hoede zijn. Met onze overtuigingskracht, met onze kunst, met onze schoonheid moeten we hen voor de wereld winnen. Omdat die tegenstelling blijft moeten we een moraal hanteren, een betere moraal dan die we hadden, een waarin niet religie maar wel rede en droom een rol spelen. Waar een positieve verbeelding van een menselijke werkelijkheid in communie met het zijn (en wat voortdurend in het zijn geworteld is en eruit ontstaat) de grondslag van is. Als we die moraal niet uitvinden, vernietigen we niet alleen onze geschiedenis en alles wat we hebben vernietigd en opgebouwd maar blazen we ook alle bruggen op naar een mogelijke toekomst waarin de mensen nog aanwezig zijn.

05-09-08

SCHRIJFOPDRACHT (MAAKT MACHT)


Schrijf oorlog.

Schrijf wraakzucht.

Schrijf afgunst.

Schrijf leugen.

Schrijf mystiek.

Schrijf water.

Schrijf kots, pulp.

Schrijf lichter, lood.

Schrijf machine, geweld.

Schrijf asbest, luchtweg.

Schrijf moeder, gewonde.

Schrijf wijn, genade, stomp.

Schrijf liefde, wortel, begin.

Schrijf koning, zilver, granaat.

Schrijf raad, cel, verwantschap.

Schrijf madrigaal, moord, benzeen.

Schrijf lam, roest, agaat.

Schrijf lust, offer, stof.

Schrijf koorts, atmosfeer, hoest.

Schrijf foto, tulp, musketier.

Schrijf arabesk, walnoot, erts..

Schrijf hemel, knikker, lof.

Schrijf laboratorium, sonate, vel.

Schrijf rust, middel.

Schrijf vijg, rivier.

Schrijf afstand, plezier.

Schrijf astrakan, man.

Schrijf opdracht, spel.

Schrijf glorie, gebergte.

Schrijf weg.

Schrijf stijl.

Schrijf stil.

Schrijf woede.

Schrijf obsessie.

Schrijf vocabulaire.

Schrijf en vergeet.

27-05-08

NAAR PARAMARIBO

Na lang aarzelen besliste ik om toch maar een Duvel te drinken. Ik moest die avond naar het ziekenhuis en wist dat ik na tien uur niet meer uit bed zou kunnen. Ja, om halfzeven ’s morgens, dat gelukkig nog wel. Zo weinig mogelijk drinken, had ik me ingeprent. Maar het mooie weer, de terrasjes... Het centrum van Brussel op zijn mooist. Overal zaten toeristen en jonge mensen sterk Belgisch bier te drinken, alsof het voor hen een dagelijks gebruik was.

We gingen aan een tafeltje zitten in de PP, helemaal alleen op het terras. Alleen omdat de zon niet tot daar reikte. Waar de zon scheen zaten talloze meisjes in bloei.

Laura was voor het werk naar Gent geweest. Ze vertelde me een paar ditjes en datjes, over universiteiten, over collega’s, hoe goed ze met hen kan opschieten.

“Een collega van me vertrekt binnenkort naar…”

Op dat ogenblik schoot de naam Paramaribo me te binnen.

“Paramaribo”, zei ze.

Tussen mijn gedacht en haar uitgesproken ‘Paramaribo’ was geen tijd verlopen. Haar ‘Paramaribo’ en dat van mij vielen volkomen samen.

Al gauw zouden we weer afscheid moeten nemen, zou ik alleen in mijn hospitaalbed liggen, mijn lichaam aangesloten op een machine.

Vandaag heb ik nog wat vrouwen gekocht. Maar degene die ik echt wil bezitten is onbetaalbaar. Het schrijven zit me vandaag trouwens niet in het bloed. En geld regenen doet het ook al niet. Wat een man die ouder wordt niet allemaal moet meemaken!

28-04-08

SO MUCH WATER UNDER THE BRIDGE

 

Wat je niet mag vergeten.

De tafels van vermenigvuldiging.

Het kapitaal.

Het concilie van Trente.

Karl Marx' Stellingen over Feuerbach.

Piratenverhalen.

Les misérables.

River Deep, Mountain High.

Bootjevaren met je broer in de dokken van de Antwerpse haven.

Het bloedgleufmes.

Een bange nacht op grens tussen Duitsland en Limburg.

Juni 1997, Kiekenmarkt Brussel.

Vrienden bij wie je terecht kan omstreeks middernacht.

Maanden verlaten in de Limburgse bossen en dan expo 1958.

Vechten op speelpleinen.

De geboorte van je zoon.

De naam van je zoon.

De namen van iedereen die je ooit liefhad.

Nadja.

Erwin.

Raoul Vaneigem. 

Landverraders, schurken en augurken.

“Il faut être absolument moderne.” (Arthur Rimbaud)

Like A Rolling Stone op de transistor-radio in 1965.

“I would leave you if I could because I know that you’re no good, but I love you.” (Jimmy Holiday, 1967, uitgevoerd door Clydie King).

Neil Young.

Karen Black in “Five Easy Pieces”.

Death Letter Blues.  (Son House versie)

Hoochie Coochie Man. (Willie Dixon).

Het eiland Kreta.

Het slangenmuseum in Albuquerque.

Jimpy, mijn hond.

De straten van Brussel, Antwerpen en New York.

De koolmijnen.

De geur van de varkens op een kleine boerderij in Neerharen.

De Schelde, de Douro en de Mississippi.

Vrouwen in mijn dromen.

De smalle, gevaarlijke steenwegen in de jaren zestig.

De songs van Gerry Goffin en Carole King.

De films van Rainer Werner Fassbinder en Nicholas Ray.

Gary Cooper, Wim Wenders en Peter Handke.

De vrolijke wetenschap.

4 letzte Lieder. (Richard Strauss/ Elizabeth Schwarzkopf)

William Blake, Friedrich Hölderlin, Walt Whitman en Lucebert.

De Maas tussen Luik en Dinant.

“Well, Billy Joe never had a lick of sense, pass the biscuits, please.(Bobbie Gentry)

En deze regels.

“The next day everybody got up

Seein' if the clothes were dry.

The dogs were barking, a neighbor passed,

Mama, of course, she said, "Hi!"

"Have you heard the news?" he said, with a grin,

"The Vice-President's gone mad!"

"Where?" "Downtown." "When?" "Last night."

"Hmm, say, that's too bad!"

"Well, there's nothin' we can do about it," said the neighbor,

"It's just somethin' we're gonna have to forget."

"Yes, I guess so," said Ma,

Then she asked me if the clothes was still wet.”

(Bob Dylan, 1967)

De geur van nieuwe boeken.

Fietswielen draaiend in de zon.

Schaduw in de zomer op het gazon.

Soulmuziek en mondharmonica’s.

De smaak van water.