29-09-13

LOVE IN VAIN

8924393335_58325eb3bd_b.jpg


When the train left the station
It had two lights on behind
Whoa, the blue light was my baby
And the red light was my mind
All my love was in vain
All my love's in vain 


...


Foto: Martin Pulaski, Taormina 20 mei 2013.

31-07-13

STORM*

POIX 107.JPG

Op 25 januari 199. zat ik tijdens een treinrit tegenover mijn oude vriend Kowalski. We waren elkaar in het Centraal Station toevallig tegen het lijf gelopen. Bijna onmiddellijk hadden we vastgesteld dat er tussen ons nauwelijks iets was veranderd.

Buiten huilde de wind, donkere regen op de huizen en op de zwarte velden. Ergens onderweg stapten we uit de vuile trein; een klein, bijna vergeten station waar geen levende ziel te zien was. Wat verder een dorpscafé uit een oude Franse film, van Marcel Carné of Jean Renoir.

Kowalski en ik zijn van hetzelfde jaar. Nooit eerder hadden we zo’n hevige storm meegemaakt. Het leek wel de Toorn Gods. Of wilde een tellurisch opperwezen een historische ontmoeting bekrachtigen?

We zaten alleen in de kroeg en keken zwijgend toe hoe ingelijste reproducties van late werken van Van Gogh naar buiten vlogen. Wij observeerden hun grillige vlucht, tot er niets meer te zien was dan de schemerige dorpsstraat. Onwillekeurig greep ik me met beide handen vast aan de rand van de tafel opdat ik toch maar niet zelf ook naar buiten zou waaien, dokter Gachet en Joseph Roulin achterna.


Op één avond overbrugden we bijna vijftien verloren jaren van onze vriendschap. Toch kun je elkaar niet alles vertellen, ook al wil je dat wel; het is in de praktijk niet haalbaar. Er is geen tijd. Er is nooit tijd. ‘L'Atalante’, ‘Zéro de conduite’, ‘La maman et la putain’, ‘La Salamandre’ en ‘The French Connection’ bleken voor ons beiden nog steeds favoriete films. Dat wees voor mij, ondanks de verwijdering, op een diepe zielsverwantschap die was blijven bestaan. Films en popmuziek vormen de basis van een vriendschap, niet afkomst, milieu, maatschappelijk succes of gebrek daaraan.

Mijn oude vriend had plannen voor een roman die ‘Gewond’ zou gaan heten. Hij zei dat ‘gewond zijn’ voor hem een metafoor was voor een eeuwig leven, maar dat begreep ik niet meteen. In ‘Gewond’ zou hij de tragiek van zijn familie (waanzin, zelfmoord, alcoholisme) fictionaliseren. Wat leek wat hij me over zijn familie vertelde op mijn eigen geschiedenis! Zoveel had hij me vijftien jaar tevoren nooit toevertrouwd. Alsof we allemaal personages in een roman van Ken Kesey zijn, dacht ik. Later zou hij het boek verfilmen, zei Kowalski. Ik vroeg hem of ik dan een figurant mocht zijn. Op zijn minst, Schwarz. En je krijgt je eigen chauffeur. Ik zei, zonder enige aanleiding, dat Wim Wenders, Tarkovski en Truffaut engelen zijn. Ik ben zelden origineel in mijn vereringen en ook niet in mijn verwensingen. Ja, zei hij, en als je cocaïne gebruikt is iedereen een engel. Zolang die fase duurt, zei ik, daarna worden ze duivels.

Terwijl we nog steeds op de trein wachtten, die misschien niet eens meer zou komen, spraken we ons verlangen uit naar een vaste woonplaats hier op aarde. In Italië of een ander kortstondig paradijs. Een vestiging. Een verlangen dat je overvalt wanneer de vergankelijkheid van alles wat je koestert of veracht je maar al te duidelijk wordt. Huiskamergeluk was ook iets waar mijn oude vriend, in zekere zin tegen mijn verwachtingen in, behoefte aan bleek te hebben.

Later, omstreeks middernacht, zat het treinverkeer nog helemaal in de knoop. Op de perrons van het kleine station stonden de reizigers elkaar nu in de weg. Ze zagen er tegelijk gelaten en rusteloos en ongeduldig uit. Niemand had veel zin om op een bank te gaan zitten, want dan gaf je misschien de indruk dat je niet naar huis wilde, dat het daar in Weerde eigenlijk ook wel goed was. 
...


*
"Miranda: Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet 
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?

Prospero: Zeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.

Miranda: Dat weet ik niet."

Shakespeare, Storm

...

Foto: Martin Pulaski, 2013. 

14-11-11

DODENHUIZEN

 

khnopff.jpg

Door novemberzon en daarna mist, paarden en schapen in nevel gehuld, kwam ik naar je toe, huis van de dood en van leven. In de stad van de doden, waar ik dat huis dacht te vinden, raakte ik al spoedig de weg kwijt. Een groot, naar beton en verf geurend gebouw, oude mensen in rolstoelen, met krukken, druk bezige secretaresses, eindeloze gangen, trage, overvolle liften. Een labyrint. En dan nog het verkeerde labyrint.

Praatte ik met iemand? Nee. Ik belde, belde, sms’te. En zag mijn vergissing in: het verkeerde dodenhuis. Niet bus 13 had ik moeten nemen, maar bus 2. In het andere dodenhuis (en van de levenden) ontving mij een man, een vriend van een vriend, een man met goede ogen. Ik vertrouw niemand meer, met wat ik allemaal heb meegemaakt. Maar deze man vertrouwde ik. En maar goed ook, want toen we afscheid namen gaf hij me een handdruk en dat was die van een mens. Niet vaak schudt iemand je op die manier de hand. Deze man die ik vertrouwde zei me dat ik niet meteen zou sterven. Integendeel. Ik had een lange strijd tegen de dood geleverd. Hij somde van het begin tot het einde op welke daden artsen en ikzelf (onbewust), hadden verricht om mij in leven te houden. Heldendaden. Dat zei hij niet, hij bleef bescheiden over zijn collegae. Hij zei, je hebt vreselijke dingen meegemaakt, de dood voor ogen, wekenlang. Je bent getraumatiseerd. Geen wonder dat je in de mist verdwaalt en in het verkeerde dodenhuis belandt. Geen wonder dat je hier voor me staat met je geschonden lichaam. Een gevallen engel, zei hij. En: een gevallen engel is ook een engel. Je gaat niet zo gauw dood. Je gaat nog veel vrienden ontmoeten, nog veel plezier beleven, nog veel reizen. Je gaat diep doordringen in de dorpen, de straten en rivieren van je leven. Niets staat je in de weg om dat te doen. Er valt nog veel te ontdekken. Er staan je nog verrassingen te wachten, aangename, maar ook onaangename. Je hebt oude en jonge vrienden, en je familie, al is het een heel kleine, het blijft een familie. En er is de horizon die nu boven de mist opduikt. Er zijn steden en landen, bergen, sterren. Straten met namen van dichters en dictators, van operazangeressen. Wist je dat er in New York een steegje naar Thelonious Monk is genoemd? Er zijn crisissen en geboortes. In ruimtestations herinneren mannen en vrouwen zich hun leven op aarde. Hun passies, hun verdriet. Zolang iemand aan je denkt ben je niet verloren. Ga naar huis, door de mist, de zon is nu ondergegaan. Ga naar huis en rust en slaap en leef. Reis daarna naar het Oosten, het Westen, het Zuiden. En kom dan terug naar hier. Je bent hier welkom. Dit is geen huis van de dood. Een huis van de dood bestaat niet. Stel je voor! Nee, dat kun je niet. Noch zo'n huis, noch je verscheiden. Alleen de buitenkant is kenbaar, het ritueel, of noem het uitvaart. Je bent toch een schipperszoon? Vaart. Lange omvaart, korte omvaart. Ik ben vertrouwd met de vormen van wat de dood wordt genoemd, zei hij nog, maar niet met wat hij is. Voor mij bestaat de dood niet. Met de dood moet je lachen. Vooral als je nog leeft. Ga nu maar, je zal niet verdwalen. Ga nu maar. 

15-03-09

NOW LITTLE BOY LOST HE TAKES HIMSELF SO SERIOUSLY


Voor Isabelle, Bart, Jan, Paul en al de anderen.

dreamwilliamblake


“The night was dark, no father was there,
The child was wet with dew;
The mire was deep, and the child did weep,
And away the vapour flew”

William Blake

Ik leef in een droom, of ik droom dat ik leef. Denk niet dat een droom mooi is. Je weet het allemaal al, als je hier in deze streken woont. Soms wordt hij een nachtmerrie, vermoed ik, en word ik een griezel, vermoed ik, want ik zie mezelf niet meer in spiegels als ik daar ben. Ik ga de straat op, de nacht in, waar alleen beregende kasseien mijn silhouet weerspiegelen. Mijn ene silhouet, het andere blijft in de schaduw. Buitenshuis zijn de spiegels altijd in mist gehuld. Of met een dikke laag vet bedekt. Met vilt, met wolvenhuid. Je kent het allemaal al, het is de natuur in ons die spreekt, en wij in de natuur.

Alvorens ik een weerwolf word ontmoet ik oude vrienden, die me gelukkig maken met hun levensloopverhalen en hun verjaardagen. Ik ontmoet nieuwe zielsverwanten, van wie ik de voornamen tot mijn spijt meteen weer vergeet. We praten urenlang en ’s anderendaags weet ik niet meer met wie over wat. De antidepressiva, het donkere bier. Deze onbekende vrienden zijn opeens veel belangrijker dan mijn zwakke gezondheid. Ik vergeet waar het station is, waar ik woon, wie ik werkelijk ben. Zijn dit avonturen? Nee, je verdwaalt in een nachtmerrie, waarin de politie je van de straat oppikt: ja, je bent weer eens in de goot gevallen, de kneuzingen bewijzen het. De zakelijke en beleefde agenten geven je een lift naar het station, dat nog uren gesloten is. Je staat voor de gesloten deuren zonder aan iets te denken, zonder te twijfelen. Je neuriet een lied dat Bart Koubaa een paar uur eerder heeft gezongen. De titel ben je vergeten, maar hij zit ergens in je zenuwen, in je hersens. Je beste vrienden zijn boos op je, of waren het, omdat je niet verantwoordelijk bent voor jezelf. Je geeft je over aan hun goedheid, hun troost – maar zij willen die rol niet langer spelen. Je bent veel ouder, je zou bijna hun vader kunnen zijn, of een veel oudere broer. Zij moeten niet voor je zorgen. Ze hebben gelijk. Daarom zijn het je vrienden: om je te zeggen waar je aan toe bent. Dat een dom en vaag avontuur geen avontuur is. Dat je, zoals Brian Wilson, voor je geestelijke gezondheid moet zorgen. Maar het station is gesloten. In een café in de buurt zitten vreemde mannen die een vreemde taal spreken te kaarten. Je kent het spel niet. Voor de rest is er niemand anders aanwezig dan een verbitterde vrouw achter de bar. De vrouw is niet loslippig, maar je mag wel even in een hoek in een stoel zitten slapen, zegt ze. Dat weiger je. Ook al wankel je, je bent te trots om te gaan zitten liggen. Je staat wankelend kaarsrecht en wil praten over het leven. Maar de vrouw is hard en zacht tegelijk: je mag wel slapen maar over haar leven vertelt ze niets. Het leven is hard, waar je ook komt, zegt ze.

Op de trein neemt een meisje uit Taiwan naast je plaats. Ze straalt. Ze heeft stralende ogen. Haar leven is vol geopende zaken, terwijl die van jou bijna allemaal toe zijn. Je praat en iemand luistert. Zij praat en jij luistert. Het is nog ver naar Brussel. Maar Brussel is veel te nabij. De droom mag soms langer duren. Als je maar niet ouder wordt ondertussen, of dement, of doodgaat.

Alles wat niet meer kan gezegd worden, wordt poëzie. Poëzie is de enige waarheid, niet het onzegbare, maar het ongezegde, het ongezegende, het omgekeerde van het loslippige. De adem na storm en afgedwongen stilte. Poëzie is roken en diep inhaleren, zonder de schadelijke neveneffecten. Het is amour fou zonder zelfbedrog, niet seksueel overdraagbaar ziek, maar desondanks uitzonderlijk gevaarlijk. Poëzie is alles wat ik de voorbije dagen niet heb gehoord en niet heb gezegd. Poëzie is bijna-stilte, maar dan heel luid en met heel veel ingehouden verlangen en geweld.

Beeld: Dream, William Blake

29-01-07

NAAKTE OLYMPIA

manet,station,eros,theater,olympia,erotiek,exhibitionisme,seks

In een station. Stel je voor: honderden vrouwen en mannen spoeden zich weg van elkaar. Maar welke bestemming, wat te doen? Ruighoudt, waar lood om glas lacht en ja, nee, niets, liggen liegen. 


Plotseling staat met rode lippen Olympia naakt in hun midden, haar huid wit afgetekend tegen hun uittocht. Kijk naar me. Mijn geslacht oog in oog met wat moet gebeuren, de zwaluwen boven het slagveld.

De zon op, dinsdagochtend. Stemmen van Grieken. Weg van haar schande geven zij zich aan licht, branding, als vermoeide, overwinterende sfinksen.

28-12-06

ALS ER TOEKOMST WAS ZOU ZIJ JE UITLACHEN


Je zit wat ziek en enigszins levensmoe aan een tafel in de stationsrestauratie in M. In die hoop donkere stenen vraag je je af hoe je weer gezond kunt worden. Wat maakt je ziek en levensmoe? Waar ben je naar op zoek? Een andere stad? Een ander leven? Misschien wel. Is het niet je diepste wens dat alles anders wordt? Dat je terechtkomt in een plaats waar geen wanhoop is, geen ademnood, drank in zeer kleine hoeveelheden, geen drugs, geen geneesmiddelen, geen woede, geen ruzie. Nee, het gaat niet goed met je. Zeg maar: het gaat slecht. Je zou je gebrek door rijke gedachten moeten kunnen verjagen. Maar meteen sleuren ze je mee naar kamers zonder uitzicht. Soms denk je, ik ben de erfgenaam van Edgar Allan Poe, een man zonder vaderland, in zekere zin een Amerikaan, maar dan alleen maar van de geest. Amerika: je kent het land beter dan het hart van je geliefde. Maar wat maakt het uit. De tijd is een zakkenroller. Ook hier temidden van die donkere stenen, waar niets een diepe gedachte of een intens verlangen belichaamt. Je kon net zo goed als Poe op het einde in de goot liggen. Je laten gaan in een verlammend verlangen naar je noodlot. Maar je laat je nog niet gaan. Daar waar de grens begint blijf je staan, als voor een lange, donkere tunnel. Is het nog wel een plaats, een ruimte, daar waar je staan blijft? Je zou het niet kunnen zeggen, bij gebrek aan een moedertaal, een vaderland. Vader? Zijn beeld doemt op, de boerenzoon, de schipper, het natuurlijke kind. Een onontwarbaar kluwen van liefde en haat. Het beeld van je vader wordt verdrongen door herinneringen aan een film, In Cold Blood, beelden van zonen, van moordenaars.

Ook al zou je fris en monter zijn, zou je er nog keelpijn krijgen en grijze vlekken op je huid. Het is zo’n station waar bepaalde mensen – degenen die weinig weerstand bieden - onherroepelijk ziek in worden. Er hangt inderdaad iets ziekmakends in de lucht in die koude, kille ruimtes. De meeste mensen daarentegen passeren er twee keer per dag en merken er niets van. Sterke en onverschillige mensen, onderweg van de ene vergetelheid naar de andere. Jij bent echter een buitenstaander, iemand die nog net niet in de goot ligt, de sterren en de maan weerspiegeld in een plas regenwater.

Een poos kleurenblind zijn zou er niet slecht zijn. De restauratie zou het decor van een film noir worden. Opeens is het een magische plek. Je ziet het meteen gebeuren. Voor de deur stoppen een paar witte, bootachtige wagens; mannen met borsalino’s op het hoofd en anjers in de knoopsgaten stappen uit, vrouwen met diepe decolletés onder de pels. James Cagney’s gevaarlijke grijns, Gloria Grahames misprijzende koortsblik, een mengeling van afkeer en wurgende seks. Maar zij in dat station? Of in een hotelkamer in het vermolmde hotel aan de overkant van de straat? De gangstergodin wachtend op haar vriend, de moordenaar Jim? Nee, jongen, dat kan niet. Je bent niet eens kleurenblind. Dit is doodgewoon de restauratie van het station van het provinciestadje M.

Ken jij een stationsrestauratie, een zogeheten buffet, waar de tijd voortsnelt als een Eurostar? Waar de diensters glimlachen als net verkozen schuimwijnprinsessen? Neen, dat is ondenkbaar. Je hebt er nochtans al veel versleten in België. Je kent het klappen van de zweep. Je kent de kneepjes van het vak. Illusies zijn een prettig tijdverdrijf. Maar desondanks besteelt de tijd je waar je bij zit. Als er toekomst was, zou zij je uitlachen.

10-04-06

TWEE BROERS

fietsen,eiland,vliegtuig,broer,station,ds,el paso,engels,spaans,border radio,soul,hippie,tim buckley,kolenmijn,mijnwerker,vader,streekkrant,moeder,dood,alleen,aldi,bier,rio grande,verwelkt,leeg,texas,deejay

Hoe vervoert hij zijn fiets naar het eiland en van het eiland weer naar huis? Hij vraagt zich af of hij ermee op het vliegtuig kan, in de trein en de bus. Hij is op weg naar zijn broer, maar het is niet duidelijk of hij droomt of waakt. Zijn broer woont nog steeds thuis, in het dorp aan de rivier en het kanaal. Zal zijn broer hem komen oppikken als hij aankomt in het station van G. (want hij heeft beslist om toch maar de trein te nemen)? Hij weet het niet. Wij weten het ook niet. Evenmin weten we of het een kanonschot is, achter de horizon, of een donderslag, of een oude auto misschien. Het zou wel eens een DS kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij zijn broer nog wel zal herkennen. Misschien is zijn gezicht gerimpeld en opgezwollen van de drank. Hij is lang weggeweest. Een soort van zelfgekozen ballingschap in El Paso, Texas. Hij heeft er Engels geleerd, zij het op de Texaanse wijze uitgesproken, en een beetje Spaans, tussen de immigranten uit Latijns-Amerika, verschoppelingen die in donkere stegen hun wijsheid moeten verbergen. You just can't live in Texas, if you don't have a lot of soul. Dat liedje werd veel gedraaid op zo'n border radio. De deejay was een oude hippie waarschijnlijk, want hij draaide ook wel eens Wings van Tim Buckley.


Zijn broer was er niet. Hij heeft twee uur gewacht en dan maar de bus genomen. Nu komt hij in zijn geboortedorp aan, waar het donker is als in de gangen van een kolenmijn. Zijn vader, die lange tijd mijnwerker is geweest, heeft hem daar vaak over verteld, over die donkerte. Zijn broer zit aan tafel, bij het licht van een lamp van 40 watt. Met ogen die er vermoeid uit zien, maar dan kan ook door dat zwakke licht zijn, zit hij de zoekertjes in de Streekkrant uit te pluizen. Of zijn het de overlijdensberichten? In de kamer ruikt het naar oude koffie en bier. Zijn broer stelt voor om wat te gaan fietsen. Een goed idee, zegt hij. Maar als hij buiten komt is het alsof hij blind is. Ze fietsen naar het kanaal. Hij is er gerust in dat hij niet in het water zal rijden. Hij voelt instinctmatig welke weg hij moet volgen; bovendien rijdt zijn broer aan zijn zijde, als een door god verwenste engelbewaarder.
Eerst is de weg van beton, maar al snel wordt het mulle grond, waar het moeizaam rijden is. Ze zullen in het bos aangekomen zijn. Gaandeweg klaart de hemel op. Daar komt de zon al op. Het heeft allemaal niets te betekenen, denkt hij. Het leven stelt niet veel voor, of het nu donker is of licht. Toch begint de hele omgeving nu licht te weerkaatsen, alsof alles betoverd raakt door hun aanwezigheid. Van zijn broer en hem. Dat licht gaat zijn verstand te boven. In Texas heeft hij alles wat idyllisch of pittoresk kan worden genoemd afgezworen. We kunnen hem moeilijk ongelijk geven. Wat verder is de bodem vervuild. Donkerbruine olievlekken ontsieren het witte Kempense zand.

Hun moeder is gestorven. Zou hij haar durven kussen, of eens knuffelen? Neen, dat kan niet, dat is iets wat zij zelf ook nooit deed. Het zou ongepast zijn om dat nu wel te doen. Het moet een koud weerzien zijn. Terugfietsend beseft hij dat hij alleen is op de wereld. Zijn broer is er nog wel, ja, maar die blijft hier in het bijna leegstaande huis. Hij mag bij zijn broer intrekken, heeft hij gezegd. Ze kunnen kaarten, haring eten, grote flessen bier van de Aldi drinken, fietstochten maken naar de mergelgroeven, of nog verder, tot in Duitsland. Voor hem heeft het geen zin meer, na Texas. Na wat daar is gebeurd, bij de Rio Grande.
Zijn broer zegt dat hij een deksel voor de theepot zal kopen. Die theepot staat op een traptrede, een porseleinen pot met een tinnen deksel. Immens droefgeestig maakt dat ongerijmd beeld hem. Het zal nooit meer beter worden. Het is een lege, verwelkte wereld.

05-06-05

VERDRIET NA HET FEEST


carceri_round_tower2


Vandaag, na het vanwege mijn verjaardag uitbundig feestvieren in Antwerpen, ben ik ten prooi gevallen aan een groot verdriet.
De voorbije nacht ben ik overvallen in de buurt van Brussel Zuid. Een Marokkaanse jonge man heeft me nadat we samen een glas bier hadden gedronken, op straat plotseling bedreigd met een mes. Ik moest mijn portefeuille, m'n sleutels en m'n gsm afgeven. Ik vermoedde al eerder dat hij een dief was, maar doordat we op vertrouwelijke toon hadden zitten praten en grappen maken in de kroeg, was ik toch zeer verrast door zijn lafhartige daad. De laffe smeerlap! In mijn portefeuille zat natuurlijk geld, m'n identiteitskaart en m'n abonnement voor de mivb. Ach, ik heb zoveel verdriet dat ik niet meer tot nuanceren in staat ben. Waarom lopen er zoveel slechte mensen rond? En waarom zijn het altijd toch weer Marokkanen die van mij een slachtoffer maken? Nadat ik overvallen was wilde ik een taxi nemen aan het station van Brussel Zuid. De -ook weer Marokkaanse - chauffeur weigerde me mee te nemen omdat ik geen geld op zak had. Ja natuurlijk, ik was immers beroofd. De man werd erg agressief toen ik hem mijn enige bezittingen toonde: een foto van Patje en mezelf die avond gemaakt in een pasfotokabine in Antwerpen en dan dat prentbriefkaartje met Cliff Richard op. En ook nog een Parker balpuntpen. De taxichauffeur rukte me deze voorwerpen uit de handen, scheurde vervolgens de vrolijke foto en de afbeelding van Cliff Richard aan stukken en wierp ze in de vuilnisbak. De balpuntpen stopte hij in zijn jaszak. Daarna stapte hij weer in z'n taxi en schoof het raam toe. Ik heb de snippers uit de vuilnisbak gehaald. ze liggen hier voor me op tafel. Omdat ik niet in staat meer was om het hele stuk naar huis te lopen heb ik me dan nog een keer laten beledigen door een andere Marokkaanse taxichauffeur, die nog voor ik iets kon vragen ostentatief z'n raampje toedraaide en het fuck you gebaar maakte. Ik was wanhopig en ben luid beginnen brullen. In het station ben ik op zoek gegaan naar politie. Na ongeveer een halfuur zoeken heb ik twee stationspolitieagenten gevonden die me aankeken alsof ik de misdadiger was. Ze konden me niet helpen. Ik moest aangifte gaan doen van wat we mas overkomen in het politiekantoor van Sint-Gillis. Om vier uur 's nachts. Ik vroeg waar dat kantoor dan wel was. In Sint-Gillis, hé, wisten ze me nog mee te delen, met een vuile grimas. Ik ben dan maar te voet op weg gegaan. Onderweg is een Belgische taxichauffeur gestopt, een vriendelijke man, en die heeft me naar huis gevoerd. Misschien klinkt dit racistisch, en ik ga niet zeggen dat ik niet racistisch ben want dat zeggen alle racisten, maar ik heb me altijd - en actief - verzet tegen rassenhaat en discriminatie. Sitiuaties als deze maken me echter moedeloos. Waarom maken die verdomde dieven de Marokkaanse gemeenschap zo gehaat? Beseffen ze niet wat ze doen? Kan het hen niet schelen? Het is een vreselijke wereld als je niemand meer kunt vertrouwen. Wij zitten hier nu met de schrik op het lijf: we hebben het gevoel dat ze hier elk moment kunnen inbreken. De bende waar die jongen voor werkt heeft nu mijn adres en al mijn sleutels. Die kerels schrikken niet terug voor geweld. Voor een paar euro snijden ze je de keel over, daar twijfel ik niet meer aan. Ik wil weg uit deze verdorven stad. Ik wil nog enkele jaren in vrede leven en met een veilig gevoel op straat lopen. Mijn onveiligheidsgevoel is namelijk niet subjectief maar objectief. Ik wil de vrijheid hebben om feest te vieren, een glas bier te drinken met een vreemde, zonder daarna met de dood bedreigd te worden en al mijn bezittingen te moeten afgeven.