19-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (3)

tilda swinton - young adam.jpg

Dag 2: 3 november 2016 (middag)

[‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende (min of meer) acht notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.]

Grapes of Wrath.jpeg

Dat bemoedigend gevoel als je op zoek bent naar een woord, het ligt op het tipje van je tong, en je partner, vriend of vriendin vindt het voor jou! Mij overkwam het nog een keer tijdens een gesprek met Ever M. Ik kon maar niet op het woord ‘…’ komen. ‘Carter’* zei Ever bijna meteen. Ik was al een paar dagen in ‘The Grapes Of Wrath’ aan het lezen en vertelde Ever over een passage uit dat boek omdat hij het over auto’s en motoren had. Zo was er iets wat we konden delen. Ik ken helemaal niets van auto’s, van motoren, van machines, ook de terminologie (waar Steinbeck duidelijk wel vertrouwd mee was) is me vreemd. Voor Ever zal het een koud kunstje geweest zijn om het woord voor me uit zijn geheugen op te diepen. Auto’s en vooral oldtimers zijn z’n passie. Het is een passie die ik niet deel maar die me ook niet onverschillig laat, want veel van die oldtimers zijn zulke mooie auto’s. Alleen al voor de elegante wagens die erin rondgereden worden vind ik Hitchcocks ‘Vertigo’ en ‘Psycho’ meesterwerken. Het gebeurt wel eens dat ik alleen maar naar een film van Nicholas Ray of om het even welke film uit de jaren vijftig kijk voor de auto’s. Wat een verschil in stijl met de gedrochten die ik dagelijks in onze straat zie geparkeerd staan. Maar Ever bewonder ik vooral als tekenaar. Hij is een van de originelen. Velen, vooral jonge tekenaars, kopiëren zijn stijl, maar niemand kan zijn vakkundigheid evenaren, en zijn verbeeldingskracht nog minder.

psycho car 2.png

Ik had in metrostation Veeweide zitten lezen. Opeens stond Ever voor me. Ik had hem al jaren niet meer gezien en schrok even, hoewel hij daar toch vriendelijk voor me stond te glimlachen. O, Eddie, zei ik, ik had je bijna niet herkend. Dat zal door mijn pet komen, zei hij bescheiden, normaal draag ik een hoedje. We hebben nooit veel tegen elkaar gezegd, waarschijnlijk omdat we allebei schuchter zijn, in onszelf gekeerd. Maar nu kwam het opeens allemaal vanzelf. We herkenden elkaar als mensen die nog veel willen doen maar die beseffen dat ze zo weinig tijd hebben. Je ontbijt, drinkt een tweede kop koffie en het is alweer tijd voor de lunch. Je hebt een uur naar onzin op de radio zitten luisteren, wachtend op een interessant onderwerp. Je kunt nog beter wachten op de dode god (die je het eeuwige leven zal schenken). Ik praatte met Ever over mijn passies, op dat ogenblik Steinbeck en de Depressie, en hij over die van hem, het werken aan die mooie oude auto’s dus, maar ook over de eenzaamheid van een tekenaar, dagenlang alleen op zijn kamer. Ik begreep dat er overeenkomsten tussen ons bestaan die ik vroeger nooit gezien had. Maar ik was zoveel ouder toen… Wat jammer dat ik aan Beekkant de metro verlaten moest en zo noodgedwongen het gesprek afbreken.

ever-meulen-40.jpg

Wat kom ik hier toch graag, zei ik. Maar dat zal wel niet de bedoeling zijn van de therapie, neem ik aan. Ach, zei ze ad rem, dan kom je nog eens buiten. Het was een grappig antwoord, maar het maakte me ook triest. Was de ondertoon van haar opmerking niet dat er binnen afzienbare tijd wel eens een einde zou kunnen komen aan onze wekelijkse gesprekken – of veeleer monologen? Sinds 1997 ga ik – met twee onderbrekingen – op visite bij deze begripvolle, empathische vrouw. Een veertigtal minuten in haar elegant gezelschap maakt me niet gelukkig maar geeft me meestal wel voldoende kracht om weer een tijdje met mezelf en mijn kleine wereld om te gaan. Daarmee wil ik niet zeggen dat er niets anders bestaat dan “ikzelf en mijn kleine wereld”. Ik voel het aan zoals Walt Whitman: ik ben een kosmos, ik omvat veel dingen. Daar maak jij ook deel van uit, lieve vriendin, lieve vriend, lieve lezer. Maar ook de verwoesting van Aleppo en Mosul en veel van het andere vreselijke dat zich voordoet. Waarom kom ik toch zo graag bij jou, vroeg ik. Omdat je hier helemaal vrij bent, antwoordde ze. Ik zweeg even maar vond dan toch de moed om iets over met haar vrijen te mompelen. Normaal zou zoiets nooit in mijn hoofd opkomen, daar ben ik veel te schuchter voor. Maar nu had ik het gezegd, ook al was het maar een woordspeling. Ik bedoel wel vrij om te zeggen wat je wilt, zei ze, na een korte stilte. Ik schoot in de lach, zij ook. Natuurlijk, zei ik, ik maakte een flauwe grap. Ik vind ‘The Leftovers’ een geweldige serie, zei ik. Heb je daar al iets van gezien? Meestal als ik naar boeken of films verwijs en haar vraag of ze die gelezen of gezien heeft is het antwoord negatief. Dan ben ik altijd enigszins teleurgesteld. Ik weet zo weinig over haar, zo weinig. Op een keer, toen ze in een vertrouwelijke bui was, zei ze me dat ze van Trixie Whitley hield. Wat een ontgoocheling! Maar ik geloof niet dat ze dat heeft gemerkt. Meestal vertel ik haar alles wat er in mijn hoofd opduikt, maar er zijn grenzen. Ik twijfel niet aan haar intelligentie ook al heeft ze Daniel Menaker’s ‘De behandeling’ niet gelezen of ‘Het rijk der zinnen’ niet gezien. Meermaals probeer ik haar duidelijk te maken dat ik onmogelijk ‘neen’ kan zeggen, waarop zij steevast antwoordt dat ik dat wel kan. Jij kunt heel goed 'neen' zeggen, zegt ze dan. Waarop ik me telkens moet bedwingen om niet de slappe lach te krijgen, vraag me niet waarom. Op een gegeven moment dacht ik dat ik haar zag slapen. Je bent niet aan het luisteren, zei ik. Jawel, zei ze, en ze herhaalde de laatste zinnen die ik uitgesproken had.

SanFranciscoErdbeben1906.jpg

Daarna stond ik opnieuw in de lelijke straat met de lelijke flatgebouwen waar de onbereikbare mensen lopen en de vreselijke auto’s voorbijrazen. Met mijn hoofd nog in een soort van mistig gebergte stak ik de straat over naar de bushalte. Ik was gehaast want een half uur later zou ik na drie maanden ontbering nog een keer mijn hartsvriendin zien. We hadden al heel wat afspraken moeten afzeggen wegens ziekte van een van ons beiden, hevige regens, hittegolven, gijzelingen en een aardbeving met een magnitude van zes op de schaal van Richter. Daarover gaat mijn volgend verslag. Nog één of twee keer slapen. En vooral wakker blijven, want het leven is kort.

***

*Carter: niet president Jimmy Carter maar “omhulsel, huis waarin de kruk of –excentriekas van een motor ligt, genoemd naar J.H. Carter (geen lid van the Carter Family).

Afbeeldingen: 'Young Adam', David McKenzie; 'The Grapes Of Wrath', John Ford; 'Pscho', Alfred Hitchcock; Tekening Ever Meulen; Aardbeving San Francisco, 1906.

 

14-12-14

DE BETOVERING VAN BOEKEN

viva 6.jpg

Elke stad bevat meerdere steden, sommige zichtbaar, sommige onzichtbaar. Gisteren trof ik in Brussel zo’n onzichtbare, ondergrondse stad aan. Ik had altijd al wel een vermoeden gehad dat ze bestond, maar nu weet ik het zeker.
Om vijf over tien kwam ik in het Hotel van Cleve in de Ravensteinstraat aan, goed op tijd dacht ik voor de boekenverkoop van het Filmmuseum (officieel Cinematek, een naam waar ik me nooit mee zal verzoenen), een van de fijnste instellingen van dit land. Enigszins verbaasd stelde ik vast dat er al vrij veel boekenliefhebbers in de grote ruimte aanwezig waren. In haast volstrekte stilte, alsof ze een eredienst  bijwoonden, stonden ze over tientalen dozen vol schitterende boeken over voornamelijk film gebogen. Ik zag dat sommigen al flinke stapels torsten. Het kleine publiek hier riep herinneringen op aan de tijd toen ik filosofie studeerde, evenals aan de periode dat ik ongeveer vijf avonden per week in het Filmmuseum doorbracht. Ernstige, gepassioneerde mensen, vervuld van een hartstocht voor schoonheid, voor wat ik alleen maar ‘het geestelijke’ kan noemen. Ieder voor zich maar toch verenigd in dezelfde passie.

Wat een prachtige boeken voor zo weinig geld. Het stemt wel tot nadenken dat ze nog maar zo weinig waard zijn; in Hotel van Cleve gemiddeld drie euro. Nieuw hebben ze stuk voor stuk een tienvoud gekost. Sommige zijn collector’s items. Maar ze moeten dan wel een collector vinden die erin geïnteresseerd is.

Hier een lijst van de trofeeën waarmee ik naar huis ben teruggekeerd. Gelukkig was ik niet alleen of ik had de helft van wat ik had geselecteerd achter moeten laten.

pierre_clementi_theredlist3.jpg

John Ford, door Joseph McBride en Michael Wilmington, in de mooie Cinema Two-reeks van Secker & Warburg.
Faulkner and Film, door Bruce F. Kawin. Over de interactie tussen film en literatuur, met aandacht voor de verfilmingen van Faulkners romans en de originele scenario’s van de schrijver.
Abel Gance, door Norman King, British Film Institute Books. Over een van mijn favoriete regisseurs, met veel aandacht voor zijn meesterwerk ‘Napoléon’. In ‘Napoléon’ speelt Abel Gance de rol van Saint-Just, wat geen toeval is.
Fields For President, door W.C. Fields. Een pocketuitgave uit 1972, toen Fields opnieuw werd erkend als een van de grootste komieken ooit, “one of the original antiheroes so currently in vogue with today’s “let it all hang out” generation.”
Memoirs of a Mangy Lover, door Groucho Marx. “The craziest Don Juan in the history of seduction.”
Samuel Fuller, door Nicholas Graham, in de Cinema One-reeks in samenwerking met het British Film Institute. Graham onderzoekt de thema’s en methodes van de grote Amerikaanse filmregisseur.
Quelques messages personnels, door Pierre Clémenti. Pierre Clémenti was een van de antihelden van mijn generatie. Hij acteerde in films van onder meer Bertolucci, Pasolini en Buñuel. De mooie, lieve jongen zat twee jaar in een Romeinse gevangenis opgesloten vanwege bezit van een kleine hoeveelheid cocaïne, zeer waarschijnlijk door de politie zelf in zijn kamer verstopt. Zo ging de gevestigde orde in die dagen om met wat nu iconen worden genoemd, in het oog springende exponenten van de tegencultuur. Brian Jones, Julian Beck en Judith Malina zijn andere voorbeelden.
The Rolling Stone Inverviews, Vol 2, verschenen in 1973, toen Rolling Stone nog een links tijdschrift was, een van de invloedrijkste bladen van de tegencultuur. Interviews met o.m. Bob Dylan, Van Morrison, Johnny Otis en Leon Russell.
Child of Satan, Child of God – Her Own Story, door Susan Atkins en Bob Slosser. Dit heb ik gekocht om mijn honger naar de Manson Family te stillen. “When she met Charles Manson, she felt she had met the world’s savior.” Het ironische is dat Susan Atkins er duivelser uitziet nadat ze de Heer heeft gevonden dan toen ze discipel was van Manson.
Superstar, door Viva. Hier ben ik werkelijk heel blij mee. Ik zoek er al tientallen jaren naar. Ooit gelezen in een vreselijke Nederlandse vertaling.
“The scandalous bestseller by the Underground film idol.” “A smashing stag movie set between covers!”.
Lovesick Blues. The Life Of Hank Williams, door Paul Hemphill. Verschenen bij Viking in 2005.
The Life and Times of Little Richard, door Charles White.
De schrijver wordt Dr. Rock genoemd, niet alleen omdat hij geneesheer is. En Little Richard? “After hearing Little Richard on record I bought a saxophone and came into the music business. Little Richard was my inspiration.” Dat zegt David Bowie.
Don’t Tell Dad. A Memoir, door Peter Fonda. Ik ken betere acteurs en regisseurs dan Peter Fonda, maar hij komt uit een bijzonder interessante familie en hij was een van de jongens die de sixties een gezicht gaven. Dit is het boek waar ik het meest nieuwsgierig naar ben.
Elia Kazan. A Biography, door Richard Schickel, uitgegeven door HarperCollins in 2005. In weerwil van zijn verraderlijke hart ben ik een groot bewonderaar van zijn werk.
Hoe kan het anders, met films als ‘A Streetcar Named Desire’, ‘On the Waterfront’, ‘America America’, ‘Baby Doll’ en ‘The Arrangement’?
Adventures Of A Suburban Boy, door John Boorman. Boorman is de regisseur van onder meer ‘Point Blank’, ‘Hell In the Pacific’, ‘Deliverance’ en ‘Zardoz’. Paul Auster schrijft over dit boek het volgende: “Boorman proves himself to be a master storyteller in this beautifully and deeply affecting memoir.”

Om elf uur verliet ik de onzichtbare stad en keerde met twee papieren zakken vol  leven, lijden en dromen – maar ongetwijfeld ook inzichten en levenslessen - terug naar onze eenzame vertrekken. Nu hoop ik alleen maar dat de winter heel lang mag duren. Geen donkere, maar stralend lichte dagen, zodat de blik scherp is en de letters duidelijk afgetekend zijn op het soms al wat vergeelde papier.

the-hired-hand-peter-fonda.png

Afbeeldingen: Viva en Agnes Varda tijdens het draaien van 'Lion's Love'; Pierre Clementi; Peter Fonda in 'The Hired Hand'.

18-06-14

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways... Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen - op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.
viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik - maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

 

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

 

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen - en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

...

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.
Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto's: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let's All Make Love in London, Julie Christie

 

 

 

11-03-13

DE TUIN

il-giardino-dei-finzi-contini.jpg

Il giardino dei Finzi Contini, Vittorio De Sica


Achter je woning bevond zich een weelderige tuin, die op zonnige dagen meer weg had van een park, en soms, vroeg in de ochtend,  op een vakkundig aangelegd bos leek (waarin je ondanks het planmatige je weg kon verliezen). Elke keer als ik je een sein gaf, op papier of elektronisch, stond je me er met al wat verrukking in je blik op te wachten. Het gebeurde nooit dat je er niet was, op de gebruikelijke plaats, in de schaduw van een van de esdoorns wat verderop in de tuin; zelfs als ik vermoedde dat je belet zou zijn zag ik van ver al een glimlach op je mond. Ik had heel goede ogen.

Hoe vaak we hand in hand in je tuin wandelden, zonder er daadwerkelijk te verdwalen, weet ik niet meer: het lijkt zo lang geleden, alsof het in een andere eeuw gebeurde, de negentiende misschien. En mogelijk had een vriend-tuinarchitect van Goethe of Schiller de heerlijke omgeving wel bedacht. Er was zelfs een doolhof te zien, een beetje zoals in The Shining, maar zonder de lugubere connotaties. We spraken er altijd op zachte toon, of fluisterden, en lachten om allerlei dwaze dingen.

Wat keek ik uit naar die zorgeloze momenten, daar in jouw tuin.  Het speels en toch innig samenzijn had iets sensueels, sensueler denk ik nu dan het strelen van je clitoris, sensueler zelfs dan wanneer je zachte lippen de gevoelige huid van mijn penis in beweging brachten.

Op een dag moest je naar een stoffenwinkel. Je had een stof gekocht, ik herinner me niet welk textiel het was; je kon er patronen in ontwaren die naar het mariene leven verwezen. Ik wist hoe goed je kon naaien: het zou ongetwijfeld een jurk worden in de stijl van Alexander McQueen, zonder dat je hem zou imiteren.

Nu moest je de rekening betalen. De verkoopster haalde een lijvig document uit een lade: de factuur. Talloze bladzijden vol ingewikkelde letters, cijfers en andere symbolen. Je begreep er niets van en werd boos. Het ontging me wat er aan de hand was en durfde me er niet in mengen. Uiteindelijk slaagde je er toch in om het verschuldigde bedrag te betalen. Weer op straat wierp je me enkele boze blikken toe. Zo had ik je nooit eerder gezien, alsof ik tot op dat ogenblik in je nabijheid altijd betoverd was geweest – en nu niet meer. Ik vroeg je wat er scheelde. Je zei dat ik me geen zorgen moest maken, het zou wel overwaaien. Bovendien had je je maandstonden, dan was je altijd prikkelbaar, zei je.

Tijdens een lange busrit naar het Zuiden verloor ik je uit het oog. Ik moest in een stad zijn, heuvelachtig, pittoresk, waarvan ik de naam vergeten ben. Daar bevond zich de boekwinkel met de beste en vooral qua design mooiste boeken. Hoewel het geen grote stad was vond ik de weg naar de winkel niet. Niemand kon me uitleg geven omdat in die stad een taal werd gesproken die ik niet kende. Ik geloof dat ik alle straten al twee of die keer had doorzocht toen de lucht opeens onheilspellend donker werd. Zomaar: eerst stralende zon, dan alles purper en zwart. De mensen om me heen begaven zich gehaast naar een plek, ergens bergafwaarts. Ik volgde hen, ongerust als ik was. De verzamelplaats bleek een tunnel of een grot te zijn. Daar was het niet zo donker als buiten.

Inmiddels was de lucht helemaal zwart geworden. In de verte hoorde ik geronk, gedaver van motoren. Vliegtuigen? Bommenwerpers? Ik probeerde dichter bij de uitgang te komen, wat moeilijk was met al dat volk. Ik vroeg een man en een vrouw of ze wat plaats wilden maken. Waarom, vroegen ze. Ik vertelde hen dat ik nog niet lang geleden geopereerd was. Dat ik drie maanden in een ziekenhuis had gelegen, waarvan twee weken in coma, dat ik nog erg zwak was en dat mijn wonde nog niet helemaal was genezen. De man en de vrouw bekeken me nu aandachtig. Maar daarbuiten bleek nu de Apocalyps toch werkelijk te zijn begonnen. We hielden onze adem in, wachtend op een openbaring.

03-12-12

ONENIGHEID / TEMPEST

ONENIGHEID.jpg

Bob Dylan is de grootmeester van de onenigheid. Lees zijn teksten, beluister zijn songs, hoor zijn unieke stem. Niet is het eens met niets, niemand met niemand. Al van in het begin, en van voor het begin. I wish that for just one time you could stand inside my shoes and I could be you. You’d know what a drag it is to see you.

Die week hoorde ik niets anders dan Bob Dylan. Niet zo ongewoon voor mij, maar ik wilde te weten komen welke Bob Dylan mij het meest raakte, het meest ontroerde. Ik kon het maar niet eens worden met mezelf, met de stemmen in mij, met de stemmen in jou, met de vele stemmen - en maskers - van de zanger. Op een donderdag koos ik voor ‘John Wesley Harding’, jij koos voor ‘Blonde On Blonde’, Dylan gaf kennelijk de voorkeur aan zijn nieuw werk, ‘Tempest’.

In het station omhelsden we elkaar, zoals Renaldo en Clara, of waren het Bob en Sara – of waren het onze doodgewone, ongemaskerde zelven, zonder show, zonder make up? Het leek of er jaren tussen ons waren verzonken in vergetelheid; jaren, die ondanks hun onzichtbaarheid prikkels als van cactussen, sporen als van vossen of wolven hadden achtergelaten. Zoals zo vaak als we elkaar terugzagen hadden we weinig te verbergen: we waren open en oprecht voor elkaar. Wat verhuld bleef wisten we niet of wilden we niet weten.

Ik had er veel zin in. Je ogen, de wind die door de gemene straten joeg, de late zomerzon, het schuim in de cafés, elkaar dromen vertellen, en liever nog, verhalen van alledaagse waanzin. Niet weten waar je loopt omdat de wind in je hoofd is gaan liggen en de zon opeens niets meer wil verklaren. Wat is het heerlijk om op die manier te verdwalen en ergens aan te komen waar alles vertrouwd lijkt, maar toch unheimlich is. Alsof gele rozen geen doornen hebben en iedereen heeft leren lachen. De hele wereld, of dat stuk dat je ervan ziet, wordt opeens even erotisch als jij. Lust dringt binnen in voorbijgangers, in interieurs, in het spel van licht en schaduw, lust geeft alle dingen een bedwelmende geur.

En zo opeens verdwijnt de onenigheid. Is iedereen het eens met iedereen en niemand leeft nog in onmin met niemand. Want van in het begin is iedereen heilig als een eiland, is iedereen een naakt lichaam dat moet beminnen om te kunnen vergaan.

~~~


Oorspronkelijk gepubliceerd op 4-11-2012.

30-08-12

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:

“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen. 

12-03-12

ZOMERHAVEN

 

P1040326.JPG
Foto: Martin Pulaski, 2011.


Schrijf je dan maar neer dat hij hier zit, de onmogelijke duiveluitdrijver?
Noem hem een misplaatste engel met een bos tulpen en een paraplu.
Augustus vult hem op met stro, zijn hersens broeiend, niet groter dan een vlo.
Dat hij hier zit, met in zichzelf dat weinige dat stenen smelten doet.
Dat hij opkijkt: daar ligt de stad die kreunt onder de voeten van vrouwen.

En vervolgens voeg je toe:
Dat hij denkt: zoveel begeerte heeft deze schaduw van kerncentrales niet verdiend.
Maar de schepen van de haven heeft een wat afwijkende mening over die topic.
Kijk maar, dames en heren.
Poederdoosmeisjes stappen uit hun ondergoed, vlijen zich neer in mijn koelte.

Dat hij hier zo traag zit, een schim bezeten van tijd, onderworpen aan schaduwgroei.
Lang geleden gevlucht voor wat speels was onder de zon, leeuwen en leeuweriken.
In open plekken was dat in donkere bossen waar nu oorlog woedt.
Waar de wereld boete doet voor hij weet niet wat precies.
Waar de aarde bloedt tot ze geen longen meer heeft en de zon geen hart.
 

Schrijf tenslotte zijn slotsom neer:
Topic: het begrip kenobject stamt uit de kennistheorie en wetenschapsfilosofie.
Pas sinds Immanuel Kant (1724-1804) wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen het kennend subject en de werkelijkheid als Ding an sich.
Oever 27 / 12 + 12 + 12 + 12 = 48

 

03-10-11

OVERWOEKERDE PADEN

bassani.jpg

Giorgio Bassani.

Vier uur lang slenterde ik door het centrum, van het Sint-Katelijneplein naar de Oude Graanmarkt, naar de Passaporta, waar ik slaperig als ik me voelde 'Slaap' heb gekocht, een verhaal van Murakami met mooie illustraties, en een roman van Arthur Japin, de auteur die ik op dit ogenblik het liefst lees. Telkens als ik uit een boekwinkel kom heb ik wat surrealisme aangeschaft; nu was dat 'Onbevlekte Ontvangenis' van André Breton en Paul Eluard. En na dat uur of zo van boekgengestreel vervolgde ik mijn wandeling over de Adolphe Maxlaan, naar Waterstone's voor wat tijdschriften, tot in het voorgeborchte* van de hel dat Fnac heet. De moed ontbrak me om op een van de gezellige terrassen te gaan zitten. Met niemand om mee te praten, en niet wetend wat gedronken. Ik zag me daar in betere tijden samen met vrienden praten, lachen, een Westmalle of een Orval drinkend, een met de bron van het leven.  Wat waren we destijds gelukkig (ook al wisten we het niet), zoals veel mensen die daar nu zaten.

Die avond was ik moe van in de stad rond te dolen, op zoek naar mezelf. Ik zat op het terras naar de sterren te kijken, maar die waren te ver weg om me te kunnen troosten. Een heerlijke zomeravond, maar ik voelde me ellendig, heel precies door de bijna magische weersomstandigheden, en omdat ik me al die mooie dagen en avonden met mijn vrienden bleef herinneren. Ik heb lang in het donker gewacht op slaap. Eerst had ik geprobeerd Vittorio De Sica's 'Il Giardino Dei Finzi-Contini' te bekijken, een film die ik waardeer, net als de gelijknamige roman van Georgio Bassani waarop hij is gebaseerd. Lang heb ik niet gekeken, mijn gedachten dwaalden af naar zomervelden in Limburg, naar al lang overwoekerde paden. 

 andre breton,giorgio bassani,ferrara,finzi-contini,vittorio de sica,cesare pavese,knut hamsun,nostalgie,eenzaamheid,wandelen,de wandelaar en zijn schaduw,brussel,stad,droefheid,vrienden,liefde,ziekenhuis,slaap,murakami,sterren,troosteloosheid,tijdverspilling,facebook,surrealisme,dérive

Dominique Sanda, in Il Giardino dei Finzi-Contini.

Sinds ik thuis ben uit het ziekenhuis ben ik niet meer blij, niet meer gelukkig. Ik heb het gevoel dat niemand meer van me houdt. Misschien is het niet waar, misschien is het een obsessie van me, maar ik zak dieper en dieper weg en ik weet niet hoe ik verder moet. Ik sta op een kruispunt, zonder zelfs een ziel om aan de duivel te verkopen. Was er maar een duivel, was er maar iets. Maar er is niets, er is niemand.

Hoe traag ik nu ben. De geringste inspanning is mij te veel. Meermaals zet ik het op een bijna hysterisch huilen omdat ik de eenvoudigste dingen niet kan doen. Denk ik. Als ik hard genoeg ben voor mezelf kunnen veel dingen toch wel. Er wordt gezegd dat ik sterk ben, omdat ik de beproevingen in het hospitaal overleefd heb, maar ik voel me extreem zwak. Het is heel moeilijk om je dat voor te stellen.

Ik zit hier maar de hele dag, te wachten op ik weet niet wat. Als de zon schijnt zoals vandaag word ik bijna gek van onbestemde emoties, van rusteloosheid, van het verlangen om ver weg te zijn van hier, met vrienden te praten en te lachen. Alles wat er niet is. Ik denk dan aan de melancholische romans van Cesare Pavese, en aan het lot dat in het midden van zijn leven op hem wachtte. En dan overvalt mij wanhoop, troosteloosheid. Ik verval in negativiteit, kan niet meer lachen, schrijf een slecht gedicht of verspil mijn tijd met zinloos gedoe op Facebook. Binnenkort ga ik weer met de kaarten spelen, of Domino.Stoer

 

surrealisten.jpg

Surrealisten. André Breton: bovenste rij, midden.

 

*Cfr. Paus Gregorius I.

29-08-08

HITLERS BUNKER, KLEISTS GRAF


Van de Potzdamerplatz liep je via de Leipziger Platz naar de Leipziger Strasse en sloeg vervolgens de Gertrude-Kolmar-strasse in. Hoewel er niet veel meer te zien was dan wat sociale woningblokken bleef je staan.

We zijn er, zei je.

Was het hier op deze plek, vroeg ze.

Nee, het was daar, waar die sociale woningenblok nu staat, denk ik, zei je.

Daar? Dat zou je niet zeggen, ze ze. Allemaal kleine flats, met geraniums op de balkons.

Maar ik zou er alvast niet willen wonen, boven zo’n akelige bunker.

Er is geen bunker meer, zei ik. De bunker werd opgeblazen. Het Rode Leger. Daarna, toen de blokken werden gebouwd, werden de overgebleven gaten met steenafval opgevuld.

De bunker bestaat nog wel in de herinnering van veel mensen, zei ze.

Ja, het idee van de bunker, zei je.

Je zweeg en probeerde je de bunker voor te stellen. Maar je zag alleen maar beelden die je op televisie en in films had gezien. Fictie heeft de werkelijkheid gevuld, zoals het steenafval de gaten van de opgeblazen bunker. Maar hier heeft Hitler (Bruno Ganz) een punt gezet achter het duizendjarige rijk. Hitler, Eva Braun, Goebbels en de ‘onschuldige’ kinderen. Wie was er nog aanwezig in de bunker? In de verre toekomst zal dat misschien even raadselachtig zijn als de kruisiging van Jezus Christus nu. Het is immers al vaak betwist wie er bij het kruis stond, toen Jezus Christus stierf. Jezus Christus…

Het is in iedere geval een duidelijke map, zei ze. De contouren van waar de Rijkskanselarij en de bunker zich bevonden zijn goed aangegeven.

Maar je ziet er niets meer van, zei je. Alsof je teleurgesteld was.

Je wilde overspoeld worden door de recente geschiedenis van Berlijn. Misschien omdat je je schuldig voelde over je liefde voor het huidige Berlijn. De volgende dag ging je naar de Wannsee. Het is een romantische buurt, ideaal om te wandelen, te fietsen, te lopen. Maar in een van de prachtige villa’s aan de Wannsee werd tijdens een conferentie op 20 januari 1942 over  de ‘Endlösung’ van het 'Joodse probleem' beslist. Je las het lange, taaie, saaie, zeer technische verslag van de vergadering. Het was moeilijk om je emoties onder controle te houden. Het was moeilijk om  niet in huilen uit te barsten. Het was moeilijk om niet luidkeels te gaan schreeuwen.

Je ging weer buiten en kwam al wandelend over een zandpad onder de dennenbomen weer wat tot rust. Op de terugweg naar het station maakte je een omweg voor het graf van Heinrich von Kleist. Deze geniale Duitse schrijver en toneelauteur ligt er begraven in een klein bosje, tussen dicht struikgewas. Alsof men zich schaamt voor zijn zelfmoord. Terwijl het verhaal van de uitroeiing van miljoenen mensen een bijna aangenaam tijdverdrijf is geworden. Je schaamde je ervoor dat je de villa van de Wannseeconferentie had bezocht en je besloot nooit een stap te zetten in een van die oorden van de verschrikking.

Je keerde terug naar de Auguststrasse, naar je hotel. Overal op de terrasjes zaten jonge mensen van het leven te houden. Je kon je niet voorstellen dat zij ooit een uniform zouden aantrekken. Je kon je niet voorstellen.


out in the street, the shiny happy people

18-03-08

AAN DE LIEFDE GELEDEN

Je hebt als alle jongens aan de liefde geleden, zelfs tijdens die zomer toen alles gonsde en alles licht was om je heen, zodat het wel leek of je een van de uitverkorenen was. Veel twijfels had je maar je was ook zeker van de richting die je insloeg. Later hoorde je dat dat het kruispunt was geweest. 

Uit het groen vertrok je al wat gebogen, in cirkels van waanzin gevangen, trots op je hart en zijn woorden, je sterke, magere armen uitstrekkend naar wat je niet kende. Spiegels noch lege bladzijden schrikten je af.

Daar liep de massa bekoorlijk onder de torens over de lanen in september. Het was de grote schoonmaak van je zinnen. Veel van wat je geleerd had keerde je binnenstebuiten; je ademde moeilijk maar ging toch tegen de stroom in, met maandenlang een purperen jas aan, de jas van de heilige die je zou worden.


De jaren bevlekten je vel. Je droomde de dagen weg. Je beschreef een ontsnapping uit de grenzeloze psychose van wat de wet heet.

Je ging naar je bron om jezelf te ontginnen, niet voor het goud, want dat was maar een woord, maar voor het erts van een waarheid. Een waarheid die niemand vermoedde. Schuld en boete betekenden niets daarmee vergeleken. Zou men je vermoorden als men het wist wat je bezielde?

31-07-07

INDUSTRIE, ZWAARSTE STRAF VAN GOD


“God strafte deze stad met industrie. Industrie is de zwaarste straf van God.”

Joseph Roth, Hotel Savoy.

30-03-07

ODE AAN DE GROOTSTAD EN DE RIJPE LEEFTIJD


shaving preparations # 6

Op mijn eigenzinnige wijze baan ik mij een weg door het leven. Ik ben geen vrolijke jongen, dat weet ik. Ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid tegen een gebrek aan vrolijkheid, tegen teveel levensernst, tegen een te hoge zuurtegraad, ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid me om donkere dagen te doorstaan. (It’s been a blue, blue day, zingt Ian Matthews…) Martine, een bezoekster van deze blog, schrijft “dat het leven inderdaad niet altijd een pretje is, maar dat er veel aan onszelf is gelegen om het zo aangenaam mogelijk te maken.” Ze heeft gelijk. We mogen niet toestaan dat anderen ons het leven zuur maken. Domme of vijandige woorden mogen ons niet van ons stuk brengen. Onze huid moet dik zijn, figuurlijk dan wel. De vraag is wel hoe je zulke dikke huid krijgt, als je geboren bent met een dunne? Het zij zo. We mogen al evenmin berusten in onze zwaarmoedigheid (of er een aangenaam tijdverdrijf van maken). There's more to the picture than meets the eye...

Ik had het in mijn vorige tekst over de onaangename kanten van de grootstad, over de vervreemding, de vervuiling, het feit dat je er vaak onzichtbaar bent. Maar ik wil er toch ook op wijzen dat ik zielsveel van grote steden houd, ook van Brussel. Alleen al bij het horen van stadsnamen als Berlijn, Boedapest, Wenen, Lissabon en New York krijg ik een warm, hunkerend gevoel. Ik zou meteen een hotel en een vlucht willen boeken en mijn koffers pakken. Het moet snel gaan, een vliegtuig vliegt niet snel genoeg! Nu, onverwijld, wil ik over Broadway lopen, langs The Strand, er een half uur of zo wat van die fraai ingebonden Amerikaanse boeken doorbladeren; de geur van de Oranienburgerstrasse opsnuiven, een groot glas Tsjechisch bier drinken in café Oranium; door de straatjes van Alfama slenteren, en er ergens in de schaduw inktvis eten, ik hoor de droeve stem van Mariza al op de achtergrond weerklinken; of op een Weens plein koffie zitten drinken, een glas Grüner Veltliner mag ook.

Zonder de sfeer en de mogelijkheden die een grootstad biedt zou het leven voor mij nog veel minder zin hebben. Dat geldt ook voor Brussel. Als de zon schijnt begeef ik me hier graag tussen de mensen, ook al begroeten ze me niet; ik ga naar toneelvoorstellingen in het Kaaitheater, de KVS of Les Brigittines, naar concerten in het Koninklijk Circus, de AB en de Botanique – en naar de bioscoop (hoewel dat lang geleden is). Ik heb me al vaak afgevraagd tot wanneer ik naar de Botanique en de AB en zo zal gaan. Tot het bittere einde misschien? Maar ik zal als halfkale grijsaard zeker vreemd bekeken worden door de mooie jonge goden. Wat maakt het ook uit: daar zal ik niet wakker van liggen.
In Brussel zijn talloos veel winkels waar je tweedehands boeken of platen kunt kopen. Gisteren heb ik in de Fnac een prachtig boek over Paula Rego aangeschaft. Eergisteren voor een prikje bij de Slegte een zeer mooie uitgave van George Eliots Middlemarch, een kanjer van een boek, moeilijk om in bed te lezen, dat wel.

Van leeftijd gesproken. Gisteravond in de metro naar huis ben ik beledigd en gecharmeerd tegelijk: een jonge vrouw vroeg me of ik niet op haar plaats wilde zitten. Ik schrok even, maar heb toch bijna meteen ja gezegd, dan kon ik verder lezen in Restless, van William Boyd, dat nogal meeslepend is. Ik ging ervan uit dat het lieve en aantrekkelijke meisje aan de volgende halte zou uitstappen en vond haar vraag getuigen van charme en hoffelijkheid, twee eigenschappen die ik erg mis in deze stad. Ze bleef echter zeker nog een tiental minuten (zeven haltes) staan. Nu is het bewijs geleverd dat ik echt een oude man ben. Ik zal dan toch wel duidelijk zichtbare rimpels hebben (die ik in de spiegel niet zie) ofwel zie ik er heel ziekelijk uit, dat is ook mogelijk. Als ik die man mijn plaats niet afsta valt hij zodadelijk over mij heen, heeft ze misschien gedacht. Wie zal het zeggen… Ik heb niet haar naar haar beweegredenen gevraagd.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

30-12-06

DE HUID VAN ORPHEUS

orpheus,hel,verlaten stad,gangen,bob dylan,muziek,stad


"And if my thought-dreams could be seen
They'd probably put my head in a guillotine
But it's alright, Ma, it's life, and life only."

Bob Dylan


De buitengewone ervaringen escaleren. Op mijn zintuigen kan ik niet langer rekenen. Toch weiger ik elke mystificerende interpretatie: niet de religie zal me klein krijgen.

In welke stad dool ik rond? Het jachtseizoen is geopend. Ik loop tussen flatgebouwen, tussen paardenkastanjes, ben opgejaagd wild. De schaduwen groeien, de zon wordt zeer klein. Alleen lichamen zie ik, ongedifferentieerde, hoofdloze lichamen. Uit gaten in gebouwen schieten handen tevoorschijn. Ook de lichamen hangen hun handen om mij. Andere handen omklemmen revolvers, de loop op mijn voorhoofd gericht. Ronde, zwarte gaten: ingangen van solide, stalen corridors. In een van de gangen zie ik mijn spiegelbeeld rennen. Ik bevind me in een gang in een gebouw waar ik een grote hoeveelheid projectieschermen zie hangen. Er wordt niets op geprojecteerd. Ook hier lopen lichamen op en af, moeiteloos, zonder voeten en zonder een uitgesproken gezicht.

Maar wat nu? Wat moet ik nu denken? Nu ik sommige steriele lichamen herken: vrienden van vroeger, kennissen, familie. Ik vraag hen of zij me ook zien, of zij me ook herkennen. Nee. Ze reageren niet eens. Niet één van de sterielen geeft een antwoord. Ze lachen ook niet. Nee, helemaal niets.

Een wirwar van kamers. Allemaal te sterk verlicht. Ik krijg er pijn van aan de ogen. Waar is mijn zonnebril? Toch ga ik ergens binnen. Hier zitten sommigen op stoelen. Alweer sterielen, die niet bewegen. De anderen, die niet op stoelen zitten, lopen in kringetjes. Ze zijn zo overdreven onrustig dat ik er zelf onrustig van word. Hun insectachtige silhouetten kruipen over de vaalgroene wanden. Het mechanische van hun stappen. De manier waarop zij elk obstakel vermijden. Een beetje zoals slakken dat doen. Waarom zien ze me niet? Ik krijg het koud, voel me koortsig. Ik word duizelig. Ik roep het uit: dat toch iemand me ziet, dat toch iemand me ziet.

Een brede boulevard in de middagzon. Bomen met zilvergrijze bladeren. Geen blad dat trilt. De rijstroken zijn leeg, geen auto’s, geen verkeer. Ik zit op de trappen voor het portaal van een kathedraal. Duizenden voetgangers glijden voorbij. Nu verbaast het me niet meer dat ze me niet opmerken: ik heb niet één voorbijganger gezien die geen kogelhoofd had. Voor het portaal van de kathedraal van de stad der kogelhoofdigen kom ik weer tot bewustzijn.

Ik ben me ten volle bewust van mijn bestaan. Er zijn tranen in mijn ogen. Waarom werd ik de voorbije nacht nog een keer in de huid van Orpheus genaaid? Ik neem een slok water en zet mijn geheugen van me af.

15-11-06

VRIJDAGAVOND IN PORTO

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

Gina Pane

Onze ideale gastvrouw Cristina had ons uitgenodigd voor een vegetarisch etentje in haar ruime en smaakvol ingerichte appartement dat uitkijkt op de Avenida dos Aliados. Aan de overkant van de boulevard, die veel weg heeft van een plein, kun je lekker gaan eten of koffie drinken in Guarany, een van de mooiste cafés van Porto. Bij het binnenkomen in Cristina’s salon werden wij meteen zacht ondergedompeld in de samba van de Braziliaanse zangeres Elis Regina en de tijdloze composities van Antonio Carlos Jobim. 


We hadden rode Evel en witte Platano Reserva meegebracht, lekkere wijn uit de Douro-streek. Cristina’s woning is een oord van muziek, poëzie en kunst. Ze bezit honderden tijdschriften, de meeste over kunst, literatuur en mode. Het enthousiasme waarmee ze boeken, tijdschriften en voorwerpen toont waar ze van houdt, en erover praat, doet me terugdenken aan jaren ’70 en ’80, toen ik zelf zulk enthousiasme ten toon spreidde als er vrienden te gast waren. Heel even had ik weer de indruk dat tijd niet bestaat, dat mijn jonge geest nog steeds in een jong lichaam huist. Maar een of andere spierkramp of een ander symptoom van aftakeling brengt me snel terug tot de realiteit. We praten over onze levens, onze families, vaak zijn het verhalen over ziekte en dood, alsof de melancholie van Porto ons aan haar onweerstaanbare wetten onderwerpt. Maar we hebben desondanks veel plezier; we drinken er lustig op los; af en toe laat de kat Marcello zich zien, hij wordt graag gestreeld; Cristina rookt de hele tijd flinterdunne sigaretten. Af en toe maakt zij een foto met een van haar Nikons. Ik durf mijn Canon niet eens uit mijn rugzakje halen, ik bevind me in het gezelschap van een echte fotografe.

Als het bijna middernacht is begeven we ons naar het Museu Serralves, waar een tentoonstelling opent over de jaren ‘80 (ANOS 80: UMA TOPOLOGIA). Het museum ligt een heel eind buiten het centrum van Porto. Na eerst een korte botsing zonder blikschade – voor Cristina’s deur - en een woordenwisseling met een boze chauffeur wordt het toch nog een vrolijke rit: om in de stemming te komen zingen we flarden liedjes van Duran Duran, Human League en ABC. Weet je waar Duran Duran die gekke naam vandaan heeft, vraag ik? Natuurlijk, zegt Cristina, dat komt uit Barbarella. Ondanks haar jonge leeftijd weet ze alles over die antieke films. Ze houdt het meest van Polanski’s Rosemary’s Baby.
In het museum is het buitengewoon druk. Veel bezoekers hebben zich in de stijl van de jaren ‘80 gekleed (of zoals zij zich die stijl voorstellen; sommigen zullen wellicht het tijdschrift The Face ter hand hebben genomen om wat voorbeelden te vinden.) Hoewel ik denk dat heel wat van hen op de gratis drank zijn afgekomen zie ik toch niemand met een glas wijn of bier. Aangezien ik al wat aangeschoten ben, vind ik dat niet erg. Later blijkt dat de drank in een rokerige kelder wordt geschonken. Het is dan al veel te laat om nog iets anders dan Coca Cola te bemachtigen.

In de vele zalen van het schitterende museum zien we werk van heel wat Belgen: onder meer van Thierry De Cordier, Lili Dujourie, Luc Tuymans en Jan Vercruysse. Het valt op hoezeer België en de Belgische kunsten geliefd zijn in Porto. Al de eerste dag van ons verblijf in de stad troffen we in het kleine museum waar Cristina werkt monografieën aan van Belgische kunstenaars en zagen we vertalingen in het Portugees van gedichten van Leonard Nolens. In het Museu Serralves liep een kleine tentoonstelling over het lichaam in de kunst van de 20ste eeuw net af. Heel interessant, met werk van Hugo Ball, Marcel Duchamp, Herman Nitsch, Günther Brus en het Wiener Aktionismus, de performances van Gina Pane, de bizarre aanwezigheid van Valie Export, de lichaamskunst van Yves Klein, de poëtische lichaamstaal van Joseph Beuys en de directe lichamelijkheid in het abstract expressionisme van de manisch-depressieve kunstenaar Jackson Pollock. De curator van die tentoonstelling was de Belg Guy Schraenen. Een overzichtstentoonstelling van het werk van Luc Tuymans was net afgelopen. De banieren hingen nog in de straten. Cristina zelf was vol lof over toneelgroep Stan, Ultima Vez, Anne Teresa De Keersmaeker, de Belgische rock van deus, Dead Man Ray, Rudy Trouvé en nog heel wat andere(n). Als anti-chauvinist was het bijzonder moeilijk om aan deze passie te weerstaan. Toch heb ik sinds die avond nog altijd geen Belgische cd’s gekocht.

Maar ik wil even terugkeren naar de jaren ’80-tentoonstelling. De curator, een mij onbekende Duitser, had zeer veel materiaal uit de periode bijeengebracht. Naast de reeds genoemde Belgen werd ik vooral getroffen door het werk van Marleen Dumas, Richard Deacon, Jenny Holzer, Ilya Kabakov, Martin Kippenberger, Matt Mullican, Raymond Pettibon, Richard Prince, Cindy Sherman en Jeff Wall.

Lang na middernacht begaven we ons met een groepje dronken vrienden – zeer nieuwsgierig naar de Belgische politiek en demografie - van Cristina naar de goedkoopste bar van Porto, die echter net ging sluiten. Een geluk, zo kon ik zaterdagochtend, the day after, toch nog op tijd uit bed voor het ontbijt. In mijn hoofd zoemde nog steeds Inutil Paisagem van Antonio Carlos Jobim en Elis Regina. Ik had het klaargespeeld de hele vrijdag geen druppel Porto te drinken.

vrienden,museu serralves,wonen,porto,kunst,elis regina,evel,cristina regadas,antonio carlos jobim,platano,appartement,anos 80,uma topologia,muziek,zingen,eighties,midderenacht,drinken,stad

13-11-06

EEN ZWERVER KOMT THUIS


casa de serralves

De rusteloosheid zit me in het bloed. Ik ben graag thuis tussen mijn boeken en mijn muziek en ik breng veel tijd door aan mijn computer, werkend aan oude en nieuwe teksten, of contacten onderhoudend met mijn cyberspacevrienden. Vroeger zat ik graag aan een tafel met een boek en potloden. Al lezend onderstreepte ik en schreef uitspraken die me troffen over in een werkschrift. Dat was grondstof voor mijn eigen schriftuur. Nu gebeurt het nog maar zelden dat ik met een boek aan tafel zit en nog minder dat ik zinnen onderstreep. Ik vind het zin-loos en nutteloos, haast compulsief gedrag. Als ik nog lees is het vooral in bed. Aan tafel eet en drink ik wijn, en als er bezoek is praat ik ook wel wat. Maar van thuis blijven is de pret af. Genieten van de hierboven genoemde bezigheden doe ik niet langer. Zelfs de beste film op dvd gaat me al snel vervelen. Een volledige cd beluisteren is onbegonnen werk. Na drie songs heb ik het wel gehoord. Meer van hetzelfde! Bespaar mij het cocoonen. Het zwerven zit me in het bloed. Ik wil weg van huis. Het liefst verblijf ik in een hotelkamer. Daar kom ik eindelijk wat tot rust, daar slaap ik enige uren aan een stuk. Ja, ik cocoon in een hotelkamer, en zelfs in een metrostation. Ik houd van het flaneren in een nog niet kapotgeflaneerde stad. Ik verplaats me wel graag met metro en tram, desnoods zelfs met de bus, maar wat ik echt boven al verkies is te voet gaan. Dat is in mijn ogen de beste manier om een stad of een land te verkennen. De voorbije dagen in Porto heb ik mijn schoenzolen niet gespaard. Het is een heerlijke stad om in te wandelen. Vervallen, maar schrijnend mooi van (oude) architectuur. ’s Middags de geur van gebakken vis en altijd – ook al hoor je hem niet echt – de droeve klanken van de fado. Beleefde, bescheiden, wat schuchtere mensen. Ze spreken stil, alsof ze zich enigszins schamen voor hun aanwezigheid. Het katholicisme heeft er zijn akelige sporen getrokken, maar ook de kerken, vaak parels van barokkunst, baden in het helderste licht van de Atlantische Oceaan. Overal waar je kijkt zie je azulejo’s – en bovenal in het São Bento station -, een troost voor het te veel gelezen en geleden hebbende, vermoeide oog.

Terug in België, in Brussel: de duisternis hier is wat mij meteen opvalt, de terneerdrukkende duisternis en pas daarna de vochtige kou. Je hele appartement is al na een week afwezigheid een vreemde plek geworden, vijandig aan je lichaam. Het is gaan toebehoren aan die donkere wereld van vocht, kou. Het heeft iets vijandigs gekregen. Net als veel inwoners van dit land is het niet gastvrij, zelfs niet jegens zijn oude vertrouwde bewoners, die het nochtans koesteren en zelfs met liefde bejegenen. Misschien is het appartement zich bewust van mijn ontrouw, van mijn diepe wens om het voor altijd de rug toe te keren en een zwervend bestaan te gaan leiden. Mijn kamers mogen echter op twee oren slapen: gebrek aan financiën, zwakte en vermoeidheid kluisteren mij gemiddeld veertien uur per dag aan ze vast. Tussen hun muren ontvang ik nieuwe woorden en luister ik naar soul, blues, country, en voortaan ook fado of bekijk ik nog een keer Days Of Heaven. De straten van mijn stad ontwijk ik zoveel mogelijk. God die niet bestaat, laat het maar regenen op de slechte mensen!

Foto: Martin Pulaski,
Casa Seralves in Porto.

21-08-06

DE MELANCHOLIE VAN DE THUISKOMST

leeg hoofd,verjaardag,budapest,donau,laura,stad,vakantie,reizen,syd barrett,steden,foto,melancholie,schoonheid,martin pulaski

Blauwe Agnes, Martin Pulaski

Ik ben weer thuis. Het verblijf in Budapest was zoals ik verwachtte een intense en zeer opmonterende ervaring. ’s Morgens werd ik gewekt door het zonlicht, de warmte. Ik opende de gordijnen: zes verdiepingen lager stroomde de grootse Donau en aan de overkant van de brede rivier verhief zich het overdreven maar toch ook indrukwekkende parlementsgebouw. Kleinere en grotere boten trotseerden de diepte, met boven hen het verdwijnende ochtendrood en perfect gevormde wolken. 
Ik heb er niets gelezen (met uitzondering van enkele stukjes over de dood van Syd Barrett), weinig muziek gehoord, maar wel heel veel gezien en geproefd. Toch is mijn hoofd nu nog leger dan voor ik vertrok. Ik dacht dat mijn hoofd vol zou zijn van indrukken, maar dat is niet het geval. Ik weet niet of dit erg is. Zulke periodes komen vaker voor in mijn leven. Vermoedelijk zijn mijn hersens bezig met het allemaal te verwerken. Ik laat ze maar hun gang gaan en houd me vooral bezig met praktische dingen.
Het is ook weer wennen aan de donkerte die hier ingetreden is tijdens onze afwezigheid. Donkere dagen maken me zwaarmoedig. Een voordeel echter is dat deze koelte geschikter is om bij te werken.

Zal ik over Budapest schrijven? Ik weet het nog niet. Het is een wat pijnlijk proces omdat schrijven over de steden waar ik van houd (New York, Barcelona, San Antonio, Cadiz, New Orleans, Berlijn, Budapest) de afkeer van mijn ‘eigen’ stad doet toenemen. Toch denk ik dat het moet. De schoonheid en de melancholie bejubelen. De beleefdheid en hoffelijkheid van jonge Hongaren. Het neo-kapitalisme in gevatte bewoordingen verwerpen. En al de rest. Maar ik heb geen notities om op terug te vallen. Het moet allemaal uit mijn hoofd komen, dat nu, zoals ik zei, leeg is. Bovendien is het de verjaardag van mijn Laura. Er staan vandaag nog heel wat dingen op de agenda (hoewel die nog een week gesloten blijft).

23-05-06

DE OUDE MAN EN DE DOOD



Met zijn allen willen ze zijn dood, met bier en stront zullen ze hem opvullen (als was het stro). Het zit hem tot daar. Een oude man die moet sterven. Zie je hem zijn tuin bevochtigen met een druppelteller? Vooral de paarse tulpen krijgen extra veel aandacht. Zie je hem om vijf uur 's middags razen tegen het razende verkeer?

Nooit liep hij iemand in de weg. Hij had het beste voor met jan en alleman. Hij probeerde het goede te doen. Dat zegt hij keer op keer. Maar wie luistert naar de oude, verbitterde heer?

Een gesprekstherapie dan maar? Een zachtaardige vrouw die hem zou begrijpen? De oude man gelooft er allemaal niet meer in. Dat ze naar de kloten lopen, verdomde oplichters.

Om zes uur staat hij op de hoek van zijn straat om zich wat te laten beledigen. Rampzalige, sukkelaar, hij kan niet eens praten over het weer.

Het maakt allemaal niets uit voor de man die ze willen opvullen met bier en stront. Wat heeft dit leven voor zin? Hij kan even goed dood. Zijn hele bestaan speelde hij voor idioot. Had hij niet veel beter van het leven geprofiteerd? Een idioot is hij, die zich altijd heeft laten gebruiken. Pispaal van de dommekloten. Ja hij is beter dood. Maar hij moet wel voor ogen houden dat nogal wat mensen tevreden zouden zijn. Dan hebben ze weer iets om over te praten.

De stad gonst van het elektrische leven en daar zit hij met zijn ziel blauw van verdriet, alleen met een kloppend hart en vier muren. Niemand zal hem begraven in de woestijn. Hij is niet geobsedeerd door de dood. Hij is geobsedeerd door niets. Het geluk is voor hem weggelegd.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan de nagedachtenis van Louis Paul Boon. Boon was ook nogal eens een donker boontje.

03-05-06

SPECIMEN DAY


Vandaag was een echte 'specimen day'. Van de ene zon kom ik in de andere terecht. En het is toch dezelfde. Ik voel me genezen. Dat het allemaal weer goed komt ook. Er is veel toevalligs onder die ene zon, maar er zit ook een lijn in, er zitten meerdere lijnen in, die veel richtingen uitgaan. Spiralen, zullen we maar zeggen. Naar het middelpunt toe, van het middelpunt weg.

Nu komt het erop aan me van het genezende gif te ontdoen, en mijn eigen kracht weer terug te vinden. Ik zou geen goede monnik zijn, geloof ik. De natuur overweldigt maar ik gedij het best in de nabijheid van de stad, waar alles gebeurt. Waar de mensen elkaar zoeken en elkaar uit de weg gaan.

17-03-06

DE STAD COCAIGNE


torenbabel


Laura en ik bevinden ons ergens in het Oosten, in een land dat op Nepal lijkt. We bereiken een stad die waarschijnlijk ‘Cocaigne’ heet. Ze heeft niets gemeen met de toeristische foto's die je vaak te zien krijgt maar beantwoordt wel enigszins aan de 'Heilige Stad' die ik soms in mijn verbeelding zie. Bepaalde scènes uit Pasolini's '1001 Nacht' komen in de buurt van wat ik bedoel. In deze Stad bestaat geen tijd, ze is er altijd geweest. ‘Cocaigne’ straalt een verblindende schoonheid uit. (Literatuur is benadering, meestal zinloze poging, kunstmatigheid; schoonheid is echt.) Komen er geen reizigers naartoe? Toch wel. Vooral pelgrims willen deze Stad bezoeken. Het reusachtige bouwwerk waar we nu binnengaan heeft maar één functie: de stad laten zien. Daartoe zijn helemaal boven in gebouw kijkgaten gemaakt, net iets groter dan schietgaten. Het bouwwerk, dat spiraalsgewijs hemelwaarts klimt, en in dat opzicht doet het denken aan Breughels ‘Toren van Babel’, is voorzien van reusachtige roltrappen waarlangs duizenden mensen stijgen en dalen. Ondanks dat grote aantal bezoekers wordt de stilte hier niet verstoord. Lange tijd blijven we door de kijkgaten de betoverende pracht van de 'Heilige Stad' aanschouwen. Nog helemaal onder de indruk gaan we weer naar beneden. Pas na een tijd valt me de hoge snelheid van de roltrappen op. Plotseling dreig ik Laura te verliezen: haar roltrap schiet opeens nog veel sneller dan de mijne de diepte in. Zonder ook maar na te denken ruk ik aan een noodrem, met als enig resultaat dat mijn roltrap bruusk tot stilstand komt en Laura voorgoed in de diepte verdwijnt. Nooit zal ik haar terugvinden. Toch zoek ik, blijf ik zoeken, binnen en buiten en aan elke uitgang ook al is het aantal uitgangen van dit gebouw niet te tellen. Aan welke uitgang heb ik de meeste kans om haar terug te zien? Ik zal er een moeten uitkiezen en daar op de uitkijk blijven staan, hopend op een gelukkig toeval. Maar ik weet dat het zinloos is in deze menigte, in dit labyrint. Had ik toch maar haar adres.

12-03-06

ALLES IS VERGEVEN EN VERGETEN

stad,boulevard,droombeelden,droom,kinks,pop,lusco-fusco,kunstberg,brussel,afgrond

Ik begeef me naar de stad. Daar wandel ik over een boulevard die een typische Parijse sfeer uitstraalt. Zal ik naar De Slegte gaan? Neen. Ik stap een tweedehands vinylzaak binnen. Aangename verrassing: ik vind een aantal platen van the Kinks waarvan ik het bestaan niet eens kende. Het blijken geïmporteerde elpees te zijn. Ik neem ze uit het rek om de hoesnotities vlug te lezen en ze eventueel aan te schaffen. 

"Deze is veel beter", zegt de jonge verkoper, een misprijzende blik op de Kinks-platen werpend. Hij toont me een zeldzame grammofoonplaat van iemand die ik ook graag hoor - beweert hij - maar ik ben niet geïnteresseerd, nu toch niet. De verkoper blijkt Jean D. goed te kennen. Er volgt een gesprek over ditjes en datjes en wat later sta ik weer op straat. Ik besluit toch naar De Slegte te gaan. Maar met dit cahier zo los in mijn handen zal ik niet durven binnengaan... Welk cahier? Nu pas stel ik vast dat ik het niet meer bij me heb. Ik keer terug naar de platenzaak. Gelukkig ligt het nog op de toonbank. Als ik de platenzaak weer verlaat loop ik Gina tegen het lijf.
"Alles is vergeten en vergeven", zeg ik tegen haar. We lachen, opgelucht.

Later, als de avond valt, loop ik met Lemmens door de lusco-fusco straten. Hij vindt dat ik te weinig moeite doe om deze stad beter te leren kennen. We bereiken de Kunstberg. Nu moeten we naar beneden, langs de gevaarlijk gladde trappen. Beneden mij lonkt de diepte. Ik voel op voorhand al de kilte als van in een lege sluis. De omgeving is in een donkerblauwe nevel gehuld. Licht gaat aan en uit. Als vuurwerk spat het open. Soms is de lucht blauwglanzend als een spiegel van water. De verticale stootborden van de treden zijn zo hoog dat ik niet zomaar van de ene op de andere kan stappen. Ik moet telkens een sprongetje maken. Aangezien het plat van de treden zeer smal is, waag ik daarmee mijn leven. Lemmens is al beneden. Ik geloof dat hij een andere weg heeft gevonden.

Afbeelding uit Der Himmel über Berlin van Wim Wenders.