07-10-17

ZERO DE CONDUITE: TALK IS CHEAP

rain parade.jpg


Zéro de conduite is een sfeervol, meestal thematisch programma gewijd aan popcultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve bakvis en drie forellenkoppen. Uniek in het zich steeds verder uitdijende multiversum. Stem af op 106.7 FM. 


Je kunt Zéro via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de zender en de andere radiomakers.  
the_pretenders-pretenders 2.jpg

Vanavond gaan we praten, want ‘talk is cheap’ en conversaties zijn heilzaam voor lichaam en geest. Zelf praten we zo weinig mogelijk, we laten dat aan de liedjes over, die doen dat welsprekend en meestal met welluidende stem. Al dat gepraat is nergens goed voor, zou je echter kunnen opwerpen. Veel beter te zwijgen en te luisteren naar de stilte, zoals Van Morrison en andere mystici ons aanraden. Maar er zijn uitzonderingen, zeker als het gepraat zo melodieus is als dat van Chrissie Hynde of Bobby Charles, zo opzwepend als dat van the Undertones en the Small Faces, zo psychedelisch als dat van the Rain Parade en Green On Red. Om maar enkele voorbeelden te geven. O ja, en wat dacht je van het gepraat in de juke joints en de honky tonks? Sfeervol toch? Hypnotiserend zelfs.

Veel luisterplezier!

(Om het allemaal wat verrassend te houden verklap ik de songkeuze nog niet. De playlist verschijnt hier morgen.)
hypnotised.jpg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

21-02-12

BEWOGEN DAGEN 2.

 

IMG_3184.JPG

Martin Pulaski, Landschapsbureau, mei 2006.

Dit is het tweede deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

11.

Ik weet niet of ik een mooie – in de ethische betekenis - en goede mens ben. Ik doe mijn best, maar heb mijn gebreken. Ik ben egotistisch – een begrip van Stendhal - en misschien wel egoïstisch. Met psychologie loop ik niet bijzonder hoog op. Iemand als Carl Gustav Jung heeft mij nooit geboeid, het collectief onbewuste, de hele mikmak, dat vond ik te zweverig, te metafysisch. Ik ben meer geïnteresseerd in de realiteit, in wat zichtbaar is, in wat mensen – enigszins paradoxaal - in een soort van verblinding met elkaar doen, in wat toevallig gebeurt. Maar teveel realiteit kan je dan weer gek maken.

12.

Ik zou graag weer aan gymnastiek doen, of liever nog: zwemmen, maar het komt er nooit van. Nog niet zo heel lang geleden ging ik twee keer per week zwemmen, nu doe ik niets meer. Ik blijf bij de pakken zitten. Tijd om de pakken uit te pakken.

12.

Waarom ik in nogal wat autobiografische teksten de namen verander? Deels omdat ik me afvraag of de mensen die ik opvoer wel graag hebben dat ik ze opvoer. Deels omdat ik graag namen geef, zo kan ik toch een beetje voor god spelen. Ik verzin namen of laat me beïnvloeden door film, toneel, muziek, literatuur. Er zit geen logica in. X heet in het ene geval Y en in het andere Z. Ik laat me ook wat dat betreft leiden door het toeval.

13.

Ik weet veel over populaire muziek (blues, rhythm and blues, country, soul, rock, enzovoort), maar weinig over de liefde. Een zweep, die je volgens Nietzsche nodig hebt als je bij de vrouwen gaat, bezit ik niet. Ik ben radicaal tegen geweld.

14.

Met een auto rijden? Dan wel ergens waar er weinig auto’s zijn. In de woestijn. Of over the blue highways. Ik heb vandaag veel te veel auto’s ingeademd. De oude wagens waren zo mooi. Als kind droomde ik van Cadillacs en Oldsmobiles en zo. En het Straatsburgdok, en de gebouwen van Le Corbusier (die ik nu verafschuw). Le Corbusier was – misschien onvrijwillig – een fascist.

15.

Waarom zou ik niet twijfelen? Hoochiekoochie en eigenlijk alles wat ik schrijf en meedeel is op twijfel gebaseerd. Twijfelen is bijna hetzelfde als ademhalen. Ben ik onduidelijk? Misschien wel. Ik aanvaard chaos, hoewel ik mij er soms tegen verzet. De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn chaotische, twijfelachtige liefde.

16.

Blijkbaar kennen anderen mij beter dan ik mezelf ken. Maar waarom zou ik mezelf moeten kennen? Is dat geen onzinnige eis? Ik probeer mij te concentreren, maar het gaat niet. Ik ben ziek. Zie je, alweer geklaag… Vandaag kan ik helemaal niets schrijven. Er zijn zo van die dagen, weken soms. Alleen maar van die korte zinnetjes, die nergens naar leiden. Van die korte zinnetjes, waar ik vroeger zoveel omwegen voor maakte, als het moest zelfs via 'gevaarlijke' cafés aan de Midi, waar Albanese misdadigers met elkaar afrekenden, of reizen in Amerika in oncomfortabele greyhoundbussen.

17.

Ben ik een rare meneer? Ik vind mezelf geheel normaal. Sommige andere mensen vinden mij waarschijnlijk nogal bizar. Ik kan zelfs niet meepraten over den Anderlecht of Het Eiland... Ik zou wel willen, maar ik kan niet.

 

18.

Ben ik een goed opgevoede, beleefde man? Misschien ben ik wat vreemd, hoewel ik dat betwijfel, maar ik ben er nogal zeker van dat ik beleefd, zelfs hoffelijk ben, hoewel dat door m'n schuchterheid soms niet wordt opgemerkt. Bovendien heb ik het gevoel dat goede manieren nu geen rol meer spelen. Maar ik schud ze ook niet zo maar van me af, zoals Patti Smith dat kan, die soms op de grond spuwt. Ze doet dat overigens sierlijk, elegant bijna.

19.

Ik drink nu een tweetal liter water per dag. Je moet dat water natuurlijk ook weer kwijt, en wij zitten in een landschapsbureau, wat als ik me niet vergis een eiland wordt genoemd. Ik heb gelezen dat het idee voor zulke kantoorruimtes van Le Corbusier komt. Waar ik werk gaat zowat iedereen die het kan weg. Het is er niet vrolijk. Maar ik heb geen ambities wat dat betreft en blijf dan maar tot het bittere einde (2010).

Als gevolg van dat werken in een landschapsbureau slapeloze nachten, of slaapgestoorde nachten, met als gevolg het opgebruiken van reserves. Nu ook tot juli een 'moeilijke' periode op het werk. Dat gaat daar met golven. Soms is er bijna niets te doen, en dan opeens moet alles tegelijk gebeuren.

 

20.

De liefde is mijn grootste taal.

20-02-12

BEWOGEN DAGEN 1.

 

gedachten,autobiografie,herinneringen,aforismen,2005,2006,internet,blogs,flickr,hoochiekoochie,schrijven,spreken,eenzaamheid,lezen,zelf,ego,egoïsme,egotisme,troost,vriendschap,huwelijk,liefde,werk,ministerie,chaos,literatuur,kunst,ziekte,gezeur,drinken,feest,zelfbeeld,anderen

Martin Pulaski, Zelfportret met Jack Nicholson, 2006.

Dit is het eerste deel van ‘bewogen dagen’. Deze overpeinzingen ontstonden in de periode 2005-2006. Ik heb ze de voorbije dagen gewikt en gewogen.

1.

 Ik lees nog maar weinig boeken. Er was een tijd dat ik bijna onophoudelijk las, maar nu zijn er zoveel meer dingen die om aandacht vragen. Ik bedoel voornamelijk het sirenengezang van het vermaak, maar niet alleen dat. We moeten onze schaarse tijd nuttig, zinvol en gevarieerd besteden, want hij vliegt, voor we het weten is alles voorbij.  Kon ik maar van dat gevoel af dat de tijd een vijand is, een dief. Kon ik maar in het nu leven. Van ogenblik tot ogenblik. En me er niet druk over maken of ik al dan niet lees, al dan niet reis, al dan niet liefheb of haat.

2.

Er bestaan twee soorten eenzaamheid. De positieve eenzaamheid die je rust brengt en je terugschenkt aan jezelf. Hoewel je in die toestand alleen bent met en in jezelf is hij toch niet mogelijk zonder gesprek, dialoog, vriendschap, etcetera. Uit de positieve eenzaamheid kan veel goeds ontstaan; ze is goed voor je geestelijke en fysieke gezondheid. Van ijdel gepraat krijg je hoofdpijn of oorontstekingen.

Je hebt eveneens negatieve eenzaamheid. Wanneer je je afgezonderd, geïsoleerd, buitengesloten voelt. Als er niemand is om mee te spreken, om mee te lachen. De andere, degene met wie je het gewicht van de wereld van je af kan schudden. Het feest van het samen-zijn. Als je dat allemaal mist. Dan is de eenzaamheid verlammend. Als je geen verwante zielen vindt. Als je het gevoel hebt dat de wereld er niet voor jou is. En het paradijs al helemaal niet.

In het paradijs is iedereen iedereens spiegelbeeld, niemand heeft er een eigen gedachte, een eigen woord. Maar natuurlijk bestaat er geen paradijs. Eenzame mensen zoals Dante en Milton hebben dat bedacht als troost. Ik heb Dante al lang niet meer gelezen, maar ik weet dat hij een eenzame mens was.

3.

Over de donkerte in mij kan ik weinig zeggen. Ik denk dat ik te weinig oog heb voor de mogelijkheden die het leven biedt. Ik denk dat ik me te veel bezig houd met het negatieve, met gemiste kansen. Maar een zwaar leven? Dat geloof ik niet. Af en toe zak ik nog eens door, en dan voel ik me een paar dagen ellendig, maar dat veroorzaakt geen ware donkerte. Want als ik doorzak – wat een lelijk woord - ontmoet ik nogal eens verwante zielen, en dat biedt troost. De troost van vreemden, zoals Tennessee Williams zei.

4.

Vaak blijf ik op allerlei vragen het antwoord schuldig. Laat mij nadenken, waarna ik hopelijk mijn gedachten op papier zal kunnen zetten. Het gaat niet om een paar lichtvoetige danspasjes. Ik wil tijdgebrek niet als excuus gebruiken. Maar ik doe het toch even. Ik werk nu enkele dagen thuis, waardoor mijn verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van mijn baan toeneemt. Ik werk op een laptop die geen internetaansluiting heeft, beneden in de eetkamer, en niet hier in mijn werkkamer, waar de kans om ‘afgeleid’ te worden door boeken en sirenengezang te groot is. (Ik ben de inhoud van iTunes kwijt, meer dan zesduizend liederen; ik probeer dat al twee dagen te herstellen. Kleine problemen, het dagelijks leven…).

5.

Mijn gedachten zijn chaotisch. Ik zit met beleidsnota’s in mijn hoofd die ik moet analyseren en beoordelen. Maar ook met mijn verslaving aan mijn weblog (hoochiekoochie) en flickr. Is het wel een verslaving? Ik weet het niet. Alleszins heb ik er bewust voor gekozen om met een blog te beginnen. Ik had me uit de wereld van de ‘literaire mededeling’ teruggetrokken. Schrijven deed ik nog wel, maar de resultaten bleven in de la liggen. Af en toe deed ik eens mee aan een poëziemanifestatie of zo. Mijn laatste ontgoocheling was het einde van een literair tijdschrift hier in Brussel waar ik aan meewerkte. Brutaal heette het, voor een deel mijn geesteskind. Maar sinds mei vorig jaar heb ik me op die nieuwe vorm van mededelen gestort. Laat ik het een milde verslaving noemen.

Toch nog dit: ik denk niet dat ik vanuit een soort exhibitionisme foto’s op flickr zet. Het is eigenlijk een getuigenis, een autobiografie. Elke foto is een onderdeel van dat lange verhaal dat mijn leven is. Een verhaal met lacunes, met een subtekst, vulgair en subtiel tegelijk – en alles daartussenin.

6.

Ik ben ziek geweest, gisteren de hele dag in bed, donderdag te losgelaten feest gevierd, hybris, denken dat je alles aankunt, maar het lichaam... dat zit ook vandaag nog vol gif. En straks vertrek ik voor een personeelsfeestje naar Brugge. Alweer een feest, ik heb er geen zin meer in, kan er niet tegen. Ik zou veel liever hier alleen zijn en het gif uitzweten. Maar het zij zo.

7.

Ik ben degene die jij je voorstelt, niet degene die ik ben. Jij bent degene die ik me voorstel.

8.

Zijn we vanwege onze woorden al niet verantwoordelijk voor elkaar?

9.

Ik denk dat je kunt zweven én hier blijven, met je voeten op de grond.

10.

Het is goed dat je vrienden hebt, vrienden die je kunt vertrouwen. En: waarom geen vrienden die je niet kunt vertrouwen?

23-12-11

HET VRUCHTBARE SAP VAN DE WERELD

 Andrei-Rublev-Andrei-Tarkovsky.jpg

Andrej Tarkovski's 'Andrej Roebljov'.

De tekst ‘Zwijgen en niet luisteren’, met de foto van Jacques Lacan, destijds eigenaar van ‘L’Origine du Monde’ (1886) van Gustave Courbet, een kunstwerk dat op Facebook nog altijd niet mag worden getoond, heb ik op 20 december teruggevonden tussen oude notities. Een datum stond er niet bij. Ik vermoed eind jaren ‘tachtig. Wat me opviel was hoe weinig ik ogenschijnlijk veranderd ben. Die stilte – die me na al die jaren aan Ingmar Bergman en vooral aan Andrej Tarkovski doet denken - en dat zwijgen zijn er nog steeds. Soms dagen aan een stuk niet kunnen spreken. Een soort geestelijke verlamming.

Psychoanalyse is al lang niet meer in het spel. Destijds had ik die Freudiaanse / Lacaniaanse therapie nodig om het alledaagse te kunnen aanvaarden, om me met mijn eigen alledaagsheid te kunnen verzoenen. Met de banaliteit om mij heen en binnenin mij. Want hoe je je ook tegen een fenomeen verzet, verinnerlijken doe je het toch. In een wereld van dwazen word je op den duur zelf een dwaas.

Toch is er een verschil met de periode toen ik die notitie heb geschreven: ik geloof niet in inspiratie. Ik vermoed dat ik er toen ook al niet meer in geloofde. Het gebruik van dat woord was een automatisme, dat ik om eerlijkheidsreden heb laten staan. In enthousiasme geloof ik wel nog: diep ingaan in de wereld, en de wereld diep bij je naar binnen laten komen. En ik geloof in hard werken. Het belangrijkste echter denk is het zwijgen te boven komen. Je moet spreken en luisteren, soortgenoten, verwante en niet zo verwante zielen ontmoeten, je moet liefhebben. Ik denk dat een kunstwerk, een gedicht alleen uit liefde (eros) - en mededogen - kan voortkomen, of uit zijn tegendeel: afkeer, weerzin; noem het haat. Of heilige verontwaardiging. Alleen liefde maakt je sterk genoeg om een wereld te maken. En haat om een wereld te vernietigen.

Ik las iets treffends in het recentste werk (2011) van Stefan Hertmans, ‘De mobilisatie van Arcadia’: “Schrijven wordt een praktijk, een dagelijkse oefening die het leven bevestigt, door de eigen eindigheid om te zetten in een innerlijke oneindigheid: die van de eindeloze mogelijkheden van de schriftuur. We moeten dus de eigen dood op ons nemen om te kunnen schrijven; niet zomaar de anonieme, indifferente dood, maar de eindigheid die is toegesneden op het eigen leven." 

16-03-10

LES MOTS ET LES CHOSES


Voor Gerry Rafferty.

Alpendroom is een woord dat in je taal niet bestaat. Maar lees maar: hier staat het. Staat het je tegen? Een apenbroodboom, daarentegen? Nee, ook niet echt. Een apenbroodboom is een baobab. Hij wordt zo genoemd omdat apen er in zekere zin gek op zijn. Zoals sommige mensen op kreeft, kaviaar, champagne.

Je oefent voor Mister Universe? Dan moet je wel wat weten en veel kunnen dragen. En verdragen. Het concilie van Trente, het verdrag van Verdun. Een accordeon, een ukulele, een ocarina. Je moet niet alleen de woorden kennen maar ook de dingen waar ze naar verwijzen.

En instrumenten moet je kunnen bespelen of hanteren. Je hanteert geen woorden. Je hanteert voorwerpen, dingen. Je gaat er mee om alsof ze kostbaar zijn. Dat moet: iemand heeft ze uitgevonden. Mensenlevens hebben de dingen gekost. Niet de steen of het vuur. Maar het wiel en de mandoline. De piramide en het brandblusapparaat. Het mes en de granaat.

Hoe lang heeft whisky geduurd? Het slachten van een kip; prei, knolselder, erwten, tomaten; de kleine dingen die een cockpit van een vliegtuig er zo gevaarlijk en onbeheersbaar laten uitzien en tegelijk je geloof in het kunnen van mensen versterken? Het heeft allemaal lang geduurd. Denk maar aan de atoombom op Nagasaki. Dat was nog wat anders dan een stoomboot die arbeiders naar hun werk voerde. En ’s avonds laat weer terug naar hun donkere dorpen.

En als ik zeg dat ik je liefheb? Als ik zeg, geweldig? Daar zit veel geweld in en het woord liefde wordt nu opgeroepen. Hoor je mijn roep? Mijn woorden die bestaan en niet bestaan.

Jij, het mooiste woord – is het daarom dat we het niet uitspreken kunnen?

Ik proef je tong in je woorden ook al zwijg je hardnekkig. Mijn tong in je zwijgende hals. Ontsporende taal. Maar kijk wat er staat. Er staan sporen naar jou. Naar jouw woorden. Kijk hier heb ik mijn mond op jouw mond. Met enkele woorden. Zo doe je het toch maar. Misschien niet alles maar heel veel bestaat in je taal. Een struisvogelveer, een elastiekje, een haar, een wolkenkrabber, een granaatappel.

 

 

 

13-08-09

RIJKE MAANDEN


berlinfriends

De voorbije maanden zou ik rijke maanden durven noemen, zoals de velden en boomgaarden waar ik met de trein voorbijreed en de door volle maan verlichte straten van de steden waar ik verbleef. Wij slingerden elkaar geen verwijten naar het hoofd. Zelf sliep ik weinig, imsonia, maar bleef er toch rustig bij. Op een vreedzame manier bekogelden wij elkaar met rijke lijstjes – ze gingen de halve wereld rond. Deels wilden we elkaar tonen wie we waren, deels wilden we dat de anderen zouden worden zoals wij, en wij zoals hen. Ook wilden we bewijzen dat we niet de eersten de besten waren, dat we niet zomaar konden worden vervangen, in weerwil van het adagium dat iedereen vervangbaar is.

Dat is gewoonweg niet waar. Je bent onvervangbaar. Niet omdat je Marcel Proust, Virginia Woolf, Herodotus, Céline of Thomas Hardy hebt gelezen; Bob Dylan, Bach, Joy Divison, Bessie Smith, Bill Evans of Ornette Coleman hebt beluisterd. Niet omdat je de hele nacht extatisch rock & roll heb gedanst (terwijl dat muziekgenre al lang niet meer bestaat). Niet omdat je van Wong Kar Wai, Wim Wenders, Nicholas Ray, Ingmar Bergman of Antonioni houdt. Niet omdat je in Waterloo was, aan de Grand Canyon of in Timboektoe. Niet omdat je whisky, tequila, porto, absint of Orval hebt gedronken. Nee, daarom niet, maar om al deze redenen samen - en vele andere - die je tot een uitzonderlijke enkeling maken. Iemand die een eigen project heeft en iets aanvangt met wat hij op zijn weg ontmoet, met wat hem in de schoot wordt geworpen. En jou, en jou.

Zonder in details te willen treden waren de voorbije maanden voor mezelf rijke maanden. Ik heb nauwelijks iets geschreven, wat nochtans het essentiële is van wat mij onvervangbaar zou moeten maken. Of dat werkelijk zo is laat ik in het midden. Hierboven heb ik het over de kunst van het combineren gehad, en eerder deze maand schreef ik over het schervenbestaan. Ook als je niet schrijft, als je niets doet, draag je bij aan de wereld.

Ik heb door Italië gereisd, vooral Umbrië en het altijd zinderende Rome. Musea heb ik er nauwelijks bezocht; ik heb er gewandeld, gegeten, gedronken, het leven gevierd. In Brussel zag ik een mooie tentoonstelling van het werk van Sophie Calle (waar ik al eerder over schreef). Ik had bovendien het genoegen kennis te maken met nieuwe vrienden, ongetwijfeld voor wat mij nog rest van mijn leven. Vriendinnen eigenlijk, uitzonderlijke vrouwen. Waarom vrouwen? Wellicht omdat ik zelf nogal vrouwelijk ben. Ik ben geen macho, niet competitief, spreek niet luid, streef niet naar een belangrijke positie in de maatschappij (dat laatste is niet echt vrouwelijk meer; bestaan het echt vrouwelijke en het echt mannelijke wel? Is het ook wat dat betreft niet een combinatie?). Ik zie graag vrouwen, letterlijk en figuurlijk, ben graag in hun gezelschap, vind het fijn met hen, met jullie, te converseren – bijna een van jullie te zijn. Ook al ben ik tevreden met mijn huwelijk ben ik toch ook altijd verliefd. Sommigen schrikken daar voor terug, wellicht omdat dan plots de man in mij naar boven komt. Dat spijt me, maar zonder die verliefdheid, zonder die eros zou ik niet lang leven. Eros is wat mij, als ik uiteengevallen ben, weer in elkaar steekt, zoals een mechanieker een oude Bugatti. Eros vuurt mij aan en helpt mij, soms, de woorden vinden die ik niet zoek. Degene die ik zoek zijn de bekende, versleten, degene die ik niet nodig heb. Eros probeert mijn scherven weer aan elkaar te lijmen. Wat niet lukt, maar het is wel – tijdelijk – een groot genoegen.

Toch heb ik niet alleen twee fijne vrouwen beter leren kennen: in Berlijn maakte ik kennis met een andere zielsverwant, een Duitse Texaan. Tijdens warme Berlijnse nachten praatten we over reizen, soulmuziek, vrouwen, Hongaren, tequila, mezcal en andere geneugten des levens. Dronken werden we van Tsjechisch bier en wodka. Berlijn drong bij mij langs elke porie naar binnen (dat doet het altijd – het is de stad waar ik het liefst verblijf). In mijn hotel maakte ik kennis met een zwarte familie die alle kleuren van de regenboog had en over heel de wereld verspreid leefde: nu waren ze bij elkaar voor een huwelijk van een ‘ver’ familielid. Ik was welkom aan hun tafel en samen dronken we wijn tot net voor de zon opging. Deze mensen zal ik nooit meer ontmoeten, ze zijn met te veel, te verspreid, te rhizomatisch. De Texaan - hij lijkt op Harry Dean Stanton -zal ik zeker nog weerzien. Alleen al om hem te horen vertellen over zijn oude vrienden Nick Cave en Blixa Bargeld. Nick Cave woonde bij hem in ten tijde van The Birthday Party. Hij schreef er, onder invloed van alle mogelijk drugs, ‘And the Ass Saw the Angel’.

En zo ging ik de afgelopen maanden op en neer, ging ik weg en keerde ik weer. Zat ik de gek uit te hangen in de Daringman of een ander Brussels café en treurde ik om de dood van Willy Deville, Michael Jackson en de anderen die nu voorgoed begraven liggen in de zomer van 2009. Ook wat de dood aangaat was het een rijke tijd. Maar de dood is niet het einde, het is het begin, niet in de wederopstanding, daar geloof ik allemaal niet in, maar in dit leven zelf. De verwezenlijkingen van de doden, hun nu stille woorden, hun versteende daden, komen in een nieuw daglicht en inspireren zo nieuwe, jonge mensen, degenen die deze planeet zullen koesteren en in stand houden. Ik hoop dat ze niet vergeten dat ze veel redenen hebben om boos te zijn en te blijven. Ik hoop dat ze de tegenstellingen waaruit de wereld en waaruit wij bestaan nooit uit het oog verliezen.

Maar ook als mijn hoop nergens op slaat waren het rijke maanden.

Foto: Martin Pulaski, Berlijn, juli 2009, Jelena, Mari & Ed.

08-10-08

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces

The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now,
You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich

Afbeelding: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

19-04-07

MIJN UREN BIJ ELSE


Lange tijd ging ik bij een psychiater te rade. Ik moet echt radeloos geweest zijn. Maar ze was niet alleen een psychiater, ze was eveneens een mooie, aantrekkelijke vrouw. Zeven jaar lang ging ik bij haar. Twee keer per week, bijna een uur onderweg naar haar toe, veertig minuten bij haar in de zetel, bijna een uur terug naar huis. Ze heeft vast veel aantrekkingskracht op me uitgeoefend, want ik weet wel zeker dat ik niet gek of zwaar depressief was of iets dergelijks. Een van mijn grootste problemen was, denk ik nu, dat ik mij te normaal vond worden. Het bijzondere dat ik altijd gedacht had te bezitten leek mij uit de handen te glijden, me te ontglippen, zoals men zegt. Ik ben bij Else op visite geweest van 1997 tot 2004. Dat is een lange tijd. Ik vermoed dat ik met niemand anders, met uitzondering van mijn levensgezellin, zoveel uren samen heb doorgebracht.

Op een avond vroeg Else me waarom ik haar niet wilde kwetsen, iets wat ik tijdens de vorige sessie had gezegd. Ik kon het moeilijk verklaren. Het spreken viel me opeens heel moeilijk, kennelijk ten gevolge van opkomende hoofdpijn en duizeligheid. Een dikke tong leek ik te hebben. Eigenlijk wil ik niemand kwetsen, zei ik. Het is een rationeel uitgangspunt. Zeker vrouwen wil ik dat niet aandoen. Nee, niemand, ik wil niemand kwetsen. Ik probeer agressiviteit te vermijden, ik wil zachtaardig zijn. Daar zitten ook egoïstische motieven achter: ik wil dat de mensen mij liefhebben, mij graag zien. Als ik hen kwets, maak ik dat alleen maar moeilijk voor ze en dat wil ik vermijden.
Maar als je je gevoelens van woede, van boosheid onderdrukt, dan ben je niet vrij, dan ga je daar onder gebukt, zei ze. Je gaat al gauw de rol spelen van het slachtoffer, van de zieke, van de zwakke. Dat mag niet blijven duren, want zo bereik je niets.

Het feit dat ik normaal – een kleine burger - dreigde te worden leek Else helemaal geen probleem te vinden. Ze weigerde een regel van me te lezen. Dat was niet goed voor de therapie, meende ze. Nochtans beweerde ik aan writer’s block te lijden en hoopte ik dat zij me daarvan zou kunnen genezen. In mijn gedachten was zij mijn ideale lezeres, maar zelfs het weinige wat ik nog schreef scheen haar koud te laten. Dat schrijven zal wel terugkomen, zei ze. Dat ik mijn oude dagboeknotities zat te herwerken – bij gebrek aan inspiratie, aan nieuwe ideeën – vond zij wat vreemd. Je investeert je energie in het verleden. Is dat om iets moois na te laten aan de nabestaanden? En nu dan?

Dat boeken hun magische aantrekkingskracht verloren hadden was evenmin een drama. Mijn compulsief boekenkopen zou er door afnemen, dacht ze. De last van zoveel ongelezen boeken zal minder zwaar worden. Maar dat ontkende ik. Die last blijft even zwaar, zei ik, wordt zelfs zwaarder. En ik blijf als een geobsedeerde kopen, boeken en CD’s, stapels, meer dan ooit tevoren. Bovendien beleef ik er nog maar weinig plezier aan, of ik moet eerst champagne of Southern Comfort of zo drinken. Dat kost mij fortuinen, nog veel meer dan deze sessies.

En nu zit ik aan die uren bij Else te denken, die duizenden mooie uren dat ze mij aan het woord liet en me ongetwijfeld zat te bekijken, terwijl ik daar buiten ergens in een boom in de tuin mijn diepste gedachten zocht, of in de patronen op het tapijt een woord terugvond dat ik al jaren begraven had. Wat hield ik van die uren met Else, ook al moest ik door de bijtende kou om haar te bereiken! En als ik van die uren hield, hield ik dan ook niet van Else? Wilde ik niet voor altijd bij haar blijven? Wilde ik niet dat uren dagen werden en dagen weken en weken maanden, tot het aardedonker zou worden en stil, tot alle woorden waren opgebruikt?

01-03-07

SLAAPSTOORNISSEN EN LEGE AGENDA'S


1.

Het verdient aanbeveling je uit te spreken, niet zo vaak zoveel voor je te houden. Je emoties en je gedachten moet je veruiterlijken. Als je iemand graag ziet, moet je dat zeggen. Iemand eens een keer knuffelen, dat moet gewoon. Als iemand je kwetst of beledigt, mag je je niet laten doen, je moet je verdedigen. Je mag je niet in een hoekje laten drummen. Je moet echt je gedachten en indrukken uiten, niet alleen maar alles verinnerlijken en opsparen. Al wat je niet uitspreekt vindt op een andere, vaak zelfdestructieve manier een uitweg, soms in bepaalde stoornissen, kwalen en obsessies, in ergernis, neerslachtigheid en melancholie.

Je moet je eigen weg gaan, doen waar je zin in hebt, zonder anderen te kwetsen of te benadelen. Als je zin krijgt om aan sport te doen, doe je dat toch gewoon, in plaats van te wikken en te weggen en er uiteindelijk van af te zien. Van uitstel komt afstel, zeggen de mensen en ze hebben gelijk. Als je zin hebt om naar de film te gaan, ga je naar de film en wacht je niet tot je een partner vindt om je te vergezellen. Zo kun je nog lang wachten. Een tentoonstelling, een concert, een wandeling in het bos: hetzelfde.

Het is voor jou echter heel moeilijk om dingen alleen te doen, om ergens op je eentje naartoe te gaan, om zonder gezelschap een vriend, kennis of familielid een bezoek te brengen. Je bent niet bepaald jong meer maar dat zou je toch moeten aanleren, of opnieuw aanleren. En ook het positieve gevoel van in eenzaamheid te genieten van om het even wat. Schoonheid openbaart zich wellicht nog het vaakst en in de beste omstandigheden aan de eenzame wandelaar.

2.

Ik doorbladerde gisteren mijn agenda van 2006 en stelde tot mijn verbijstering vast dat mijn actief leven op één jaar zienderogen is afgenomen. Nu is het bijna een passief leven geworden; het is alsof ik een metamorfose heb ondergaan. Ik ben een kever geworden en lig op mijn rug. Sinds januari 2006 heb ik geen film meer gezien in de bioscoop. Ik ben nochtans een passioneel filmliefhebber. Theaterbezoek neemt ook af. Ik zit meer en meer thuis. Ik bekijk films op dvd, ik beluister muziek, ik lees een beetje, ik zit voor mijn computer en krijg zitvlees. Waar zijn mijn fietstochten gebleven, mijn wandelingen in het Zoniënwoud? En wat is er met mijn slaap gebeurd? Ik slaap gemiddeld nog drie uur, de rest is onrust, een soort mentaal geklapwiek. Lachen zou ik moeten doen, vanuit de buik, daar schijn je goed van te kunnen slapen. Heel graag zou ik ’s morgens eens uitgerust opstaan en rustig een kop koffie drinken. Nee, nogmaals, ik moet mijn leven opnieuw veranderen. Kan iemand mij helpen? 

17-03-06

SPREKEN OF NIET SPREKEN


Probleem van het begin van de 21ste eeuw: de onmogelijkheid om te spreken over de werkelijkheid. Alles is oppervlakte, stijl, metataal, beeld. Velen zitten opgesloten in hun lichaam en kunnen niets uiten over wat er rondom hen gebeurt. Wat er rondom hen gebeurt is het andere, het vreemde. Zelfs hun eigen lichaam ervaren ze als iets vreemds, als iets wat moet veranderen. In de magazines gaat het vaak over zulke mensen: plastische chirugie, een andere kop voor mij. Andere oren, poten. Ook op televisie, in talkshows, in reality-shows. Hun lichaam is niet van hen. Weg ermee! Andere symptomen: zelfverminking, body art, autisme, toxicomanie en seksverslaving.

Jijzelf spreekt ook niet graag meer. Als je sommige mensen - vooral beroemdheden, popsterren en dergelijke, maar ook ‘belangrijke’ mensen zoals vorsten, politici en hoge ambtenaren - bezighoort, denk je vaak: zwijg toch, jongen, wat een gelul, wat een nietszeggendheid. Blaas niet zo hoog van de toren! De werkelijkheid is elders. Niet in jouw woorden. Ga eens een kijkje nemen, buiten. Je denkt dat niet altijd, er zijn uitzonderingen. Willem Dafoe hoor je graag praten, alleen al voor het timbre van zijn stem. Mark Lanegan heeft ook zo'n stem. Heel mannelijk, denk ik. Het zijn stemmen die me soms wel eens aan houthakkers doen denken. Ik was beter zelf houthakker geworden, houthakkers moeten niet praten. Tenzij tegen de bomen. Of spreek ik mezelf weer tegen? (Denk nu niet dat ik niet graag vrouwenstemmen hoor.)

04-10-05

MENSEN AAN HET WOORD LATEN


Vorige vrijdag zag ik op Arte Laure Adler, een al wat oudere maar nog bijzonder mooie vrouw en directrice van France Culture, de zogenaamde schandaalauteur Michel Houellebecq interviewen.

denken,spreken,filosofie,jacques derrida,laure adler,michel houellebeck,televisie,varia,arte

Dit feit op zich betekent natuurlijk niets: de man heeft een nieuw boek uit en er daar moeten zoveel als mogelijk exemplaren van worden verkocht. Wat wel zeer merkwaardig was en alle lof verdient was het zeldzame fenomeen dat een interviewer haar gesprekspartner liet uitspreken, en zelfs liet aarzelen en, nog ongewoner, zwijgen. Soms duurden Houellebecqs monologen meerdere minuten en zat hij volgens mij te raaskallen. Maar dat geeft niet, integendeel, iemand die raaskalt op televisie en niet onderbroken wordt door een of andere brulaap met een slecht kapsel is een evenement op zich.
Een paar jaar geleden waarschuwde Jacques Derrida voor het verloren gaan van het denken in de media, precies doordat mensen die denken en – uitzonderlijk – aan het woord gelaten worden nooit de kans krijgen om hun gedachten uit te spreken. Bij denken hoort veel twijfel, aarzeling, stilte. In de media rust daar een taboe op. Alleen vlotte jongens en meisjes krijgen enige aandacht. Laura Adler probeert nu kennelijk het denken en het ongehinderd uitspreken van gedachten voor de ondergang te behoeden. Hopelijk zal ze in haar opzet slagen. Een eenling kan heel veel bereiken.

“Nous, les spectateurs, assistons impuissants à l'homogénéisation inexorable d'un modèle télévisuel régi par l'esprit de profit et l'obsession de la concurrence.”
Laure Adler