04-02-17

ZERO DE CONDUITE: WINTER

zero,zéro de conduite,winter,februari,winterliederen,stilte,sneeuw,seizoenen,sprakeloosheid,radio centraal,106.7,streaming,antwerpen,wit,dansen,trouwen,nieuw begin,lente,zomer,selectie,keuze,rock,pop,country,folk,blues,jazz,soul,indie,resist!

 Zéro de conduite is een stemmingsafhankelijke, twee uur durende populaire popsuite op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve man en een paardenkop. Uniek in het zich steeds verder uitstrekkende universum. Stem af op 106.7 FM. 
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.
jesse sykes 2.jpg

Als de herfst het seizoen is van de melancholie dan is de winter dat van de sprakeloosheid. De winter is het seizoen van de stilte. Van een onuitsprekelijke treurigheid. Van een verlangen naar niet meer dan wat wit. Het seizoen van stille wandelingen in pure witte sneeuw maar ook van het verraderlijke licht van kerstmis en nieuwjaar, wanhopige feesten van het einde - of van een nieuw, vaak zinloos begin.
Maar de winter is ook het wit van de eerste pagina van een nieuw cahier. Nieuwe voornemens, het aanvoelen van grootse avonturen. Het wordt bijna lente. Misschien gaan we wel trouwen? Zeker gaan we dansen, al is het nog traag, onze passen trager dan onze slapende gedachten. Als de lente de liefde is, is de winter de verliefdheid. Het einde en het begin. Waar wachten we nog op? Laten we ons overgeven aan de stilste liederen die we kennen, winterliederen. (En de zomer? De zomer, dat weet iedereen, is uitbundige seks – maar die melodie is voor later).

Veel luisterplezier.

 bettye lavette.jpg

Winter - The Rolling Stones - Goats Head Soup -  Jagger, Richards

Thru The Winter - Bettye LaVette - A Woman Like Me - Dennis Walker

Snow In San Anselmo - Van Morrison - Hard Nose The Highway - Van Morrison

Fifteen Feet Of Pure White Snow - Nick Cave & The Bad Seeds - No More Shall We Part - Nick Cave

Sketch For Winter - The Durutti Column -The Return of the Durutti Column - Vini Reilly

Winter Hunter - Jesse Sykes & The Sweet Hereafter - Oh, My Girl – Jesse Sykes

Flowers In December - Mazzy Star - Among My Swan - Hope Sandoval, David Roback

Through December - Laura Veirs - The Triumphs & Travails Of Orphan Mae - Laura Veirs

January - Thurston Moore - Demolished Thoughts – Thurston Moore

Snowflakes Are Dancing - Kurt Vile - Wakin On A Pretty Daze – Kurt Vile

Winterlong - Neil Young & Crazy Horse - Live At The Fillmore East – Neil Young

Winter In - Gene Clark - White Light - Gene Clark

Australian Winter - Sun Kil Moon - Admiral Fell Promises - Sun Kil Moon

Snowin' On Raton - Townes Van Zandt - At My Window – Townes Van Zandt

If We Make It Through December - Merle Haggard - Down Every Road: 1962-94 - Merle Haggard

Six Feet Of Snow - Little Feat - Down On The Farm - Lowell George, Keith Godchaux

I Felt The Chill Before The Winter Came - Elvis Costello - Secret, Profane & Sugarcane - Elvis Costello

Angel In The Snow - Elliott Smith - New Moon - Elliot Smith

Ghost in the Snow - Damien Jurado - Ghost of David – Damien Jurado

Winterlicht - Raymond Van Het Groenewoud - Een jongen uit Schaarbeek -  Van Het Groenewoud

De Winter - Boudewijn de Groot - Het Eiland In De Verte -  Nijgh, De Groot

Ashes in winter light - Elysian Fields - The Afterlife - Jennifer Charles, Oren Bloedow

Faded From The Winter - Iron And Wine - The Creek Drank The Cradle - Sam Beam

White Winter Hymnal - Fleet Foxes - Fleet Foxes - Robin Pecknold

January Hymn - The Decemberists - The King Is Dead – Colin Meloy

Dead Of Winter - Eels - Electro-Shock Blues – Mark Oliver Everett

January Wedding - The Avett Brothers - I And Love And You - Scott Avett, Seth Avett

Winter Road - Bill Callahan - Dream River - Bill Callahan

Winterlude - Bob Dylan - New Morning - Bob Dylan

elysianfields.jpg

Bonus Tracks 

Song For A Winter's Night - Gordon Lightfoot - The Way I Feel - Gordon Lightfoot

Ten Degrees And Getting Colder - Nanci Griffith - Other Voices, Other Rooms – Gordon Lightfoot

A Hazy Shade Of Winter - Simon & Garfunkel - Bookends – Paul Simon

Cold Wind - Spirit - Clear - Jay Ferguson

Fall Breaks And Back To Winter - The Beach Boys - Smiley Smile - Brian Wilson

Winter Night - Scott Walker - Scott 3 – Scott Walker

Winter Lady - Leonard Cohen - Songs Of Leonard Cohen - Leonard Cohen

Winter Song - Nico - Chelsea Girl - John Cale

Winter is Blue - Vashti Bunyan - Just Another Diamond Day - Vashti Bunyan

Wintertime Love - The Doors - Waiting For The Sun – The Doors

Time Will Bring You Winter - Richard Hawley - Standing At The Sky's Edge - Richard Hawley

Winter in the Hamptons - Josh Rouse - Josh Rouse - Rouse, Tashian

Winter Song - The Head And The Heart - The Head And The Heart

Winter's Come And Gone - Gillian Welch - Hell Among The Yearlings - Gillian Welch, David Rawlings

Winter Is Gone - John Renbourn - John Renbourn – Peter Attwood

bob-dylan-new-morning.jpg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski
Afbeeldingen: Hiroshige, Jesse Sykes, Bettye Lavette, Elysian Fields, Bob Dylan

25-08-13

VERZINSELS OMTRENT VERONICA

La double vie de Véronique (1991).jpg

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn aanbid ik nog liefst een denkbeeld, een verzinsel. Laat het maar beginnen met een verrukkelijke sopraan die niet echt bestaat. Alleen al de tong die trilt in haar open mond wijst op de onwezenlijkheid van haar wezen.

Als zij zingt, verwijder ik me van een donker meer waar weduwen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik enigszins gelaten, wat mij achteraf verbaast, over de hoge toppen van een pijnboomwoud, ergens in Centraal-Europa. Slavonië? Ik ben niet zeker.

Dat aanbidden van verzinsels en zinnebeelden – en het verzinnen en verzinnebeelden van de aanbidding - gebeurt meestal in het donker. Zonder omzien, genadeloos haast, stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst. Wat klinkt hun polyfonie opeens koortsachtig, vermetel!

Misschien leeft zij in een droom die telkens terugkeert, een beetje zoals die van Adolfo Bioy Casares? Een droom gedroomd door haar langdurig evenbeeld. Ik bedoel dat het evenbeeld langer duurt dan zijzelf. Hoewel je natuurlijk vaak zelfs niet weet wie de ‘echte’ is en wie de ‘dubbelganger’.

Van het donkere meer ben ik naar een rivier gelopen. Het is - tegen heel wat verwachtingen in - volop lente geworden. In het klaterende water was ik de slaap uit mijn meestal verbaasde ogen. Aan een baadster, die wat op Veronica lijkt, vraag ik over het woud. Nee, zegt de vrouw, in Slavonië is er geen pijnboomwoud. Ik had het moeten weten, zeg ik: ooit stond ik in Osijek op een nagenoeg verlaten landweg te liften, zonder resultaat, waarna ik me genoodzaakt zag mijn laatste geld uit te geven aan een treinkaartje naar Boedapest. Arme man, zegt ze. Helemaal niet zeg ik, ik was zelden gelukkiger.

Als mijn rol dan toch die van aanbidder moet zijn, duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars en oppervlakkigs binnen handbereik, zoveel zenuwslopende beelden, zoveel voedingsstof voor de verbeelding.

...
Foto: La double vie de Véronique (1991)
, van Krzystof Kieslowski, met Irène Jacob.

14-12-11

CYDIA POMONELLA

Voor Amy Winehouse

 

Sap van appels in je appelboom,
groen in de boom van de buren.
Rijp voor de oogst in late zomer
ongeplukt, geur en smaak in de lucht
als huid van onbegrepen vrouwen.
Na Belgische zomer in oktober
rotten ze op te weinig bezongen gras
elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

Je denkt meteen aan David Lynch

en trage escapades, een laat weerzien:
wat woorden over vader, moeder
en stoppen met roken en dit en dat.
Omdat wat familie volhardt, ver verwant.

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,
binnenrijm, tel ik afgunstig voeten
als waren het Dantes of van m'n zestien?

Wat essentie zou blijven bestaan,
niet van appels, van vrouwen, maar
van woorden wordt gezegd. Essentie
van de essentie als het je lukt
met het sap van de wereld
op goede voet te staan als gewervelde.
Dan blijven die kleine druppels nog even
tegen slechte spijsvertering, oorlogen,
tegen schrik en beven en tegen vergeten.

14-04-11

GUMBO

 

professor.jpg

Professor Longhair.

Herinneren wij ons de dagen of is het net omgekeerd? Tijd bestaat en tijd bestaat niet. Toch laten wij onze sporen na in de velden, als het regent in de modder, in de winterse sneeuw, in de zomer klaprozen en insecten vertrappelend. Wij zijn er niet lang, maar willen desondanks niet graag worden uitgewist. Toen ik nog een jongetje was vond ik het altijd erg dat de leraar wat hij met een verzorgd handschrift met krijt op een bord had geschreven weer uitwiste voor nieuwe zinnen, nieuwe algebraformules. Naarmate ik ouder werd ben ik echter het potlood gaan hanteren: eenvoudig om te noteren, nog eenvoudiger om weer weg te gommen. Bijvoorbeeld een voorstelling van Antigone of Medea, waar je zo naar had uitgekeken, maar je moest in bed blijven wegens een astma-aanval, hoge koorst, of onverklaarbare zwaarmoedigheid.

Als de dagen zich de sneeuw herinneren, en daarna het nutteloze bloedspoor, nutteloos omdat het nergens naar leidt, en het gegil van vrouwen en kinderen, hongerige ogen, prikkeldraad, dan zie jij magnolia's in bloei. Alsof er niets ergs gebeurt; de mensen kleine vlekjes op een immens oppervlak. Je herinnert je opeens Pleasant Street, geen magnolia's maar overal de geur van tropische planten, en in de verte het geluid van de tram 'verlangen'. Niet zo heel ver daarvandaan viel de nacht, die zacht was en dreigend als het begin van een hevig onweer, met het enige licht dat van Tipitina's. Vier uur lang het ivoor van Professor Longhair, die nochtans al een hele tijd dood was. Je gezellin die in die hitte zat te rillen van de koorts. Misschien zag ze de sneeuwvlokken van de voorbije winter nog neerdwarrelen.
 
Op het kerkhof, 's anderendaags, was er geen voodoo, zelfs niet vlak bij het graf van Marie Laveaux. Je had een kater van de Corona's, en van het schijnbaar eindeloze gesprek met Eddie Bo over 'Slippin' and Slidin'', waarna heel muzikaal New Orleans de revue passeerde, en was bang dat een 'inboorling' je strot zou oversnijden, zoals ze dat in dat gezegende jaar al bij zeven toeristen hadden gedaan. Maar er gebeurde niets. De 'inboorlingen' waren vriendelijk, wezen je de weg, verkochten je platen voor een appel en een ei, namen je mee in hun taxi's en vertelden dat ze samen met Aaron Neville in de klas hadden gezeten. Ik kreeg de indruk dat in New Orleans ongeveer iedereen met een Neville Brother in de klas had gezeten.

Later zat je met zatte Engelsen in een bootje dat je tot diep in de swamps bracht. De alligators zagen er ongevaarlijk uit. De schipper riep 'Viens!' en gooide stukken kip in hun richting. Ongeveer dezelfde kip aten wij 's avonds in onze gumbo, met grijze naar modder smakende garnalen en catfish gemixt. En met rode bonen en rijst.

Denk je dat de hete, vochtige straten van New Orleans zich nog mijn voetstappen herinneren? Ik liep naar het busstation om te kijken hoe laat daar een bus naar Memphis vertrok. Vroeg - en je moest zien dat je nog veel vroeger bij de bushalte stond. First come, first served. Als de bus vol zat kon je er niet meer bij. Maar weet je, ik kom altijd te vroeg, wacht altijd op jou. En dan duren minuten uren. Vreemd toch hoe de tijd rekbaar is en zelfs niet bestaat. Wij maken de tijd. Wij delen ons leven in in minuten, uren, dagen. Ik wil nooit te laat komen, tenzij op mijn begrafenis. Maar daar zit ik niet bepaald naar uit te kijken. Nee, daar ga ik zeker te laat komen. Ik moet me nog zoveel herinneren. En zoveel moet zich mij nog herinneren, alsof de tijd, de dagen, het landschap mij betekenis moeten geven. Zoveel moet momenten in mijn leven onderlijnen, zoals studenten dat doen met sommige woorden in een zin. Een zin die ze na een dag of zo weer mogen vergeten. Maar niet allen vergeten. Sommigen vergeten nooit. Zij weten wat je onderlijnde momenten betekenen. Waarom? Omdat ze zich in die momenten herkennen. Omdat ze zich afvragen of wij ons de dagen herinneren of de dagen ons.

14-11-10

HET GEHEIME LEVEN VAN ENKELE LETTERGREPEN

 the_freewheelin_bob_dylan.jpg

Er was eens een keer een dag dat ik je glimlach zag en dacht, dit is de waarheid en het leven, hoewel ik nooit in iets absoluuts had geloofd. Zomer, daarna kwam winter, je warme knieën, de Brusselse straten vol sneeuw, zoals op de hoes van “The Feewheelin’ Bob Dylan” – en zoals de jonge zanger en Suze Rotolo, zo liepen wij ook arm in arm door die straten, of armer nog, hand in hand, op zoek naar nog een andere plaats om het warm te krijgen. En ik dronk me vol schaamte en geluk – tot ik wankelde en jij me moest ondersteunen. Zou ik anders niet in de modder vallen? Vanwege die daad traden we in het huwelijk, werden we nachtbruid en nachtbruidegom en zaten we aan tafel kaas te eten en worstjes en Belgisch bier te drinken. En ons huwelijk was op worstjes en trappist gebaseerd. In ons rood boekje stond: als jullie dat niet meer kunnen doen, samen, wordt het huwelijk ontbonden. Ik kreeg zo’n schrik voor die regel dat ik nog meer bier ging drinken, maar vooral ook worstjes eten. Hoe langer hoe meer. Mijn omvang en gewicht durf ik niet meer te vermelden.

De lente kwam. We zaten in de zon in een grachtenstad en dronken weer bier en aten worstjes en kusten elkaar alsof ons leven ervan afhing. Ons leven hing er vanaf. Alles was plezierig; de harde, jonge zon op onze nog blote hoofden, sigarettenrook van vandalen, een knoopje of twee van je jurk open, de straten opengebroken, lawaai van bulldozers en kranen en, later, ganzen en duiven. Daarna de sussende wijn en ogen vol gloed en avontuurzucht.

 

Op een zomerdag vol regen reden we naar de Nederlandse kust om er de horizon te zien, en het zand onder onze voeten te voelen. Maar we bleven liggen, in de zachte kou, dicht bij elkaar, met onze sokken aan – en luisterden naar de natte druppels en hoorden ons ademhalen, ons gehijg. Nooit was de hemel ons zo goedgezind geweest. Je kussen hadden de smaak van champagne, om even een cliché te gebruiken. Je lippen ook. Ik geloof dat ik nog altijd wat van die geur ruik, die je toen uitwasemde, die geur van verlangen en voldoening. Het samenvallen van die twee. Zo was het bij mij. Ik was een met jou, en met de sterren en de wereld, zoals in een van de beste songs van John Lennon, of in een oude mystieke tekst van Hadwijch, Zuster Bertken of Meister Eckhart.

 

Er was eens een keer een hete zomeravond dat je me zei, dat is Venus. Boven de Schelde zag ik iets oplichten, een maan, een ster: nee, nee, Venus. Ja, zei ik, je hebt gelijk. Want ik had in een Hopperachtige wereld geleefd, eenzame kamers, drank, verdriet, monotonie. Daar had je mij uit ontvoerd. En nu zag ik dat in en zag Venus en hoorde je vervoerende stem, die de ‘dingen’ namen gaf, eigennamen, of die nieuwe namen ter plaatse uitvond. En ik was gelukkig als nooit tevoren. Maar hoe beschrijf je geluk? Ik zei dat ik lang geleden ooit achter een konijn had gelopen, na een wilde nacht in Cinderella’s Ballroom en we hadden honger, een dik konijn, maar ik had het niet kunnen vangen. In je ogen zag ik bijna medelijden met me vanwege mijn toenmalige honger, geen veroordeling vanwege mijn bloeddorstigheid, jachtinstinct. Ik was dronken van de Amaretto en van je kussen en dacht dat je een jager in me zag, iets wat ik zelf nooit had gezien. Nochtans had mijn vader een jagersinstinct, en wordt gezegd, zoals je vader was, zo ben je zelf.

 

Een andere keer, ook in de zomer, vertelde je me het verhaal van O. Het verschilde heel sterk van de bekende geschiedenis. Het spijt me en het spijt me ook niet, maar ik kan me dat verhaal niet goed meer herinneren. Dat komt een beetje, denk ik, door de woordspeling in het Frans, van O met eau. In het verhaal van Réage - dat ik niet heb gelezen - is de O het gat, de kut, de anus, de opening in de penis, de mondholte. In jouw verhaal was het de regen, de lavabo, het zweet op onze huid, het geluid van de buren, hoe lang kan dit nog duren, de dorst, de sappen die we bij mekaar opwekten, als nieuw leven, maar ook de olie en benzine in een auto die buiten op ons stond te wachten. Jouw O werd mijn O en is nu de letter die mij het liefst is. Zo lief dat ik graag oto zou schrijven, maar dat ziet er niet uit, dat woord. Auto, dan maar, zegewagen, rijdend hotel, bar, bushokje, schuilplaats, donkere kamer, laatste rustplaats.

 

Er kwam ook wind en vooral regen. Eerst was er het genot van de kleuren die we proefden op elkaars tong, nadat we ze in concertzalen hadden beluisterd. Heb je ooit een kleur gehoord? Gekleurde muziek is de mooiste muziek, zeker met een geliefde aan je zijde die je tegen onheil beschermt. We waren intens gelukkig, zo dacht ik. Ik zei, Bob Dylan. Jij zei, Bob Dylan. Zoals in een lied van Bob Dylan, 'Tangled Up In Blue', een autobiografische song maar tegelijk ook niet. De persoonlijke voornaamwoorden verschuiven voortdurend. En de personen zelf, en het al dan niet biografische, zoals in zijn film ‘Renaldo and Clara’. Dat is het model dat ik gebruik om deze tekst te schrijven. Verschuiving, verglijding. ‘Template’, zeggen ze, maar ik verafschuw dat woord.

De wind en de regen kwamen en we moesten ergens schuilen en onze toevlucht zoeken tot metaforen. Beminnen, liefhebben, genot, seks – konden die woorden herleid worden tot sterke metaforen om een moeilijk leven aan te kunnen? Nee. We moesten opnieuw beginnen.

 

Opnieuw naar die winter op je warme, rode schoot, je vurige armen, nachtelijke ritten in besneeuwde of natte of verhitte straten. Je lippen van smeltend goud, je ogen die de nacht verwensten en uitschakelden, je blauw en rood, vooral je rode schoenen, die al bij de zomer hoorden. Opnieuw naar al de plaatsen (waarvan ik alle namen ken), opnieuw naar onze lichamen in de kou en in de zon. Opnieuw naar onze tijd, het geluk, onze tranen van verdriet en genot. Opnieuw naar jou, naar mij. Opnieuw naar het begin waar geen eind aan komt. 

15-10-09

MEXICAANSE GRIEP


MANUEL MANILLA


Die laatste zin, ik zeg geen gebenedijd woord meer, had ik beter niet geschreven. Sindsdien heb ik ook geen woord meer geschreven. Dat voelt vreemd aan, niet schrijven als je weet dat het zou moeten en als je er zelfs alle tijd voor hebt. Zou het lijken op een vogel die niet kan vliegen? Ik kan het aan geen vogel vragen, ik ken de vogeltalen niet.

Ik wil almaar schrijven, maar heel vaak doe ik het niet. Soms beslis ik ertoe omdat ik weet dat het betekenisloze dingen zouden worden, uit verveling ontstaan, andere keren doe ik het niet omdat ik alcohol heb gedronken, onder invloed waarvan je wel mooie woorden en beelden kunt oproepen, maar zonder samenhang noch evenwicht, nog andere keren, zoals nu, omdat ik er de energie niet voor heb.

Voor veel schrijvers lijkt schrijven de eenvoudigste zaak van de wereld. Elk jaar zitten ze op de Boekenbeurs met een nieuw ‘product’, dat er vanzelf lijkt gekomen te zijn. Hoe doen ze het toch? Is het dan allemaal overbodige rotzooi, wat ze schrijven, of zitten er echt parels tussen? Ik zal het wellicht nooit weten, aangezien ik geen werken lees van hedendaagse Nederlandse schrijvers. Alleen voor Geerten Meijsing, Arnon Grunberg en Remco Campert maak ik een uitzondering. Die laatste kun je natuurlijk moeilijk hedendaags noemen – maar voor mij is hij het desondanks. Ik maak tevens een uitzondering voor dichters en dichteressen, degenen die woorden opnieuw uitvinden of een nieuwe kleur / geur geven.

De avond waarop ik mijn vorige tekst schreef zal ik ongetwijfeld al wat koorts hebben gehad. Het stukje heeft inderdaad een koortsachtig toon. Maar ik wist nog niet dat ik ten prooi was gevallen aan de Mexicaanse griep. Hoewel het niet veel uitmaakt waar de griep vandaan komt: ik ben er bijzonder gevoelig voor, zoals alle mensen met zwakke longen. In normale omstandigheden ben ik gevaccineerd, maar door het vroege opduiken van het virus was dat nu niet het geval. Ik ben er gevoelig voor, en meestal zijn er, zoals nu, verwikkelingen. Sinds zondag heb ik een pijnlijke hoest, symptoom van bronchitis, en slik ik antibiotica. Het zal nog wel een week duren eer ik helemaal genezen ben. Ondertussen zie ik door het raam de nazomer voorbijtrekken, de herfstdagen, zie ik de eerste sporen van de winter. Ik heb altijd van de winter gehouden, tot voor enige jaren – opeens kreeg ik het koud, en kon ik geen warmte meer vinden. Doordat die koude zo storend was – en duur – kreeg ik een fysieke afkeer van dat seizoen. Zo erg, dat ik nu alweer naar de zomer snak. Maar ik mag niet altijd maar snakken, want op die manier is mijn leven voorbij voor ik het weet. En dan heb ik de mooiste jaren ervan niets anders gedaan dan gesnakt. Hoe mooi en onvergetelijk de zomer van 2009 ook mag geweest zijn, toch ga ik me, zodra ik genezen ben, onderdompelen in de late herfst en vooral in het zinderende licht van de winter. En wat er dan met mij, met jou gebeurt, daarover ga ik schrijven. Maar eerst nog enkele dagen rusten, slapen, wat lezen en veel nadenken en me herinneren. Er is nog zoveel dat ik me niet herinner.

Afbeelding: Skeletten, door Manuel Manilla. Ik heb een reproductie van dit werk ingelijst op mijn werkkamer hangen. Het is een memento mori. Voor mij heeft die prent niets lugubers, eerder iets feestelijks. De tekening is overigens gemaakt voor het Mexicaanse feest van de doden.

 

11-07-09

UIT HET DAGBOEK VAN EEN BENEVELDE NARCIST

De zomer is voorbij. Er breekt een tijd aan die als een boor je leven binnendringt, die je dagen in een stalen omhulsel dwingt. De wurggreep van de ochtend, de relatieve bevrijding die de avond brengt, en opnieuw, en opnieuw. Het boren neemt toe in snelheid, er verschijnen gaten in een cirkel op je lichaam, in het centrum schijnt alles hetzelfde te blijven. Het centrum is overal en nergens, is alles en niets.

Alice leunt door het raam, bijna tuimelt ze naar beneden, maar gelukkig niet, en roept je toe dat alles nog goed gekomen is. Alles, vraag je. Je weet wel, zegt ze. Oh, ja, met de cactus, zeg je, gelukkig maar.

Geluk is het woord, en liefde. Twee gloeiende punten op de vliegensvlug draaiende cirkel van onverstaanbare uitspraken.

Je bent een narcist, zeg je luidop tegen jezelf. Alsof je met een ander bent, of alsof je spiegelbeeld tot leven is gekomen. Je merkt dat je steeds vaker met jezelf converseert. Is het zoals de rasta’s met hun I and I? Misschien, maar misschien ook niet. Je hebt geen affiniteit met religie. Zelfs de poëzie is nu in nevelen gehuld. Gelukkig weet je nog dat je niet moet vooruit zien te komen in het leven. Stilstaan is de boodschap. Bijna alsof je er niet bent. De tijd draait geen kringetjes. De tijd is een punt. Nu. En dan weer een punt. Altijd anders, altijd hetzelfde.

Je bent moe en lusteloos. Je zegt dat reizen je goed zal doen. Naar de Provence, naar Umbrië, naar Sherwood Forest. So long Marianne…  Ja, Alice, reizen zal je goed doen. De tijd zal vanzelf wel bijdraaien of wegwaaien naar een ander gewest. De woestijn wordt een regenwoud en het regenwoud een woestijn. Saracenen hakken het hoofd af van de eerste bisschop van Perugia. Maar enkele ogenblikken later, nadat het bloedend over de straatstenen rolde, staat het weer stevig op zijn romp. Waar zijn die vervloekte Saracenen gebleven? Koud in hun dennenhouten kisten.

Alice beweert dat de wereld toebehoort aan de zachtmoedigen. Een narcist is niet zachtmoedig. Hij wil heersen, over zichzelf, de woorden, de wereld. Zijn geliefden moeten voor hem knielen, anders grijpt hij in, schudt hij het geweld dat sluimert in zijn ziel weer wakker en hakt er op los. Maar een narcist heeft ook lief, zegt Alice. En vooral heeft hij honger en dorst zoals alle mensen en dieren. Een narcist heeft verdriet en kwijnt uiteindelijk weg van eenzaamheid. Want geen mens hoort zijn stem, zijn zuchten.

De zomer is voorbij, tijd voor de boogaloo, de funky chicken. “Boven ons een hemel van staal”. Herinner je je nog dat boek dat N. je schonk, Alice? Daar stond het allemaal al in. De danspassen, recepten voor cocktails, de gepaste klederdracht, welke schoenen, welke muziek. Zelfs de erupties van de meest nabije vulkaan stonden er in.

Sluit Alice de ramen? Je kijkt niet meer om, dat is gevaarlijk. Dat zegt iedereen. Je mag nooit omkijken, alleen links en rechts. Daar loert het gevaar. Maar eens om de hoek kijk je toch om, en loopt dan door, in de richting van lichten, altijd maar door, al beneveld door wat je verwacht van de immer verlichte nacht.

 narcissus

Narcissus, Michelangelo Caravaggio, 1598

08-08-08

DUYSTERNIS MAAKT JE BANG


Boeken verliezen betekenissen

Als je ze tot bekentenis kunt herleiden.

De wereld ontbeert zin.

Liefde heeft een schroef los.

Of twee, drie.

Op het verlangen zit roest en roest rust.

Een zwaluw bracht lente in omloop

Met verfgeur en lokkend gevaar.

Je likte je baard, hoed op het hoofd.

Maar na wat lauwe regenbuien

Trekt de zomer nu aan je voorbij

Met mooie meisjes en talen die je niet spreekt.

Nutloos je woorden.

Op een zonnig terras zit je wat voor je uit te zwijgen

En neemt al gauw naar bed de tram.

Naar de winternacht die lang en donker als de grond is,

Donker als de afgrond.

De donkere winternacht.

En dan het woord afgrond ook nog eens een keer.

Verdwenen stemmen en raadsels.

In liefde gestemde akkoorden.

Je hoort muziek zonder wonden, zonder wonder.

De duysternis, zelfs, maakt je bang.

De duysternis maakt je bang.

09-07-08

ARBEIDERS

 

schrijven,werken,zomer,wachten,schip,auto,huis,vader,jeugd,arbeiders,scheepvaart,bob dylan,ecologie,appartement,huur,astma,woning,seizoenen,joni mitchell,stephen stills,gevoeligheid

Eugene de Salignac, Brooklyn Bridge Workers.

Mijn vrouw en ik wonen in een appartement dat we huren. Dat is ongewoon voor mensen van onze leeftijd. Zowat iedereen die we kennen bezit een huis, een auto, soms zelfs een ‘buitenverblijf’. Voor mijn autoloos bestaan heb ik een duidelijke uitleg. Ik heb nooit willen rijden. Op mijn negentiende ben ik in de hoofdstad gaan wonen, en daar is een auto meer een last dan een lust. Voor grote afstanden maakte ik gebruik van mijn duim. Dat ging heel goed in die dagen. Nu zijn er goedkope vluchten, zolang het nog duurt. Ik was een groene jongen toen er nog maar weinig groene jongens waren, hoewel iemand als Stephen Stills al wel een ‘Ecology Song’ had, en er was natuurlijk ook ‘Big Yellow Taxi’ van Joni Mitchell, wat later nog eens gecoverd werd door Bob Dylan.

Waarom we geen huis hebben heeft voor een deel met vroegere armoede, te maken, werkloosheid, economische crisis in de jaren zeventig, maar ook met onverschilligheid en verkeerde keuzes. En ik dacht altijd, je kunt het toch niet met je meenemen op je laatste reis. En was eigendom geen vorm van diefstal?

Op dit ogenblik wordt er aan het huis gewerkt. Al meer dan vijf jaar slapen wij in een vochtige slaapkamer. Vocht sijpelde er binnen, het was er klam, koud, heel ongezond. In mijn werkkamer, waar het grootste deel van mijn boeken staat, regende het zelfs binnen. Al die jaren hebben wij de eigenaar gebeld en aangetekende brieven gestuurd.  Dat er iets moest gebeuren, dat ik elk jaar zieker werd. Er gebeurde niets. En nu opeens, als mijn vakantie begint, als ik wat wil schrijven, van de rust genieten, staan de arbeiders voor de deur. Het dak is een paar weken geleden hersteld. Daar hebben we geen last van gehad. De dakwerkers gingen via een ladder het dak op. Ik heb hen maar enkele keren gezien. Nu wordt er binnen gewerkt. De schimmel en het rot moet van de muren, er moet opnieuw worden geplamuurd. Overal verfschilfers, overal stof. Ik kan maar moeilijk ademhalen. En ik voel me niet op mijn gemak. Als ik een boterham wil eten voel ik me bijna een indringer in mijn eigen keuken, want daar wordt ook gewerkt, daar ligt ook overal stof.

Aan een vriendin schreef ik: “ Ik ben een socialist. Maar dat is niet meer dan theorie. De praktijk is dat ik overgevoelig ben;  hoe erg, dat besef ik nu pas. Ik wist het wel, maar dat het mij tot in mijn kern kon raken, dat wist ik niet. Dat belet me niet om respect te hebben voor arbeiders. Maar ik kan met hen niet op een ongedwongen wijze omgaan, ik ken hun taal niet, hun codes; ik heb het nooit geleerd."

Destijds toen ik klein was mocht ik van mijn vader nooit iets doen op het schip, schoonmaken na het lossen van een vracht, de stuurhut verven, binnen vernissen, geen sprake van, want ik was zogenaamd zwak en ziek. Ik was een astmalijdertje. Maar die houding van mijn vader heeft me pas écht zwak gemaakt. Wat mijn vader natuurlijk niet wist, hij was geen psycholoog, zijn bedoelingen waren goed. Het hard labeur was voor mijn oudere, veel sterkere broer ( hij heeft evenmin een eigen huis).  Ik moest maar lezen of naar muziek luisteren. Of fietsen met de vrienden. Of, later, toneelstukjes spelen. Toch jeukten mijn vingers om een verfborstel vast te houden, toch wilde ik de handen uit de mouwen steken. En nu verdraag ik niets meer.

Daaruit concluderen dat ik mij verheven voel boven een arbeider, dat zou verkeerd zijn, want het is gewoonweg niet zo. Ik vind dat iemand die boeken leest ook niet beter is dan iemand die geen boeken leest. Nee, ik ben gewoonweg anders. Het is een hypergevoeligheid, en die is niet alleen lichamelijk.

Nu wacht ik op het einde van de zomer, de rustige dagen van de herfst. Op een tijd dat ik eindelijk mijn meesterwerk kan schrijven. Ja.

30-01-07

ALS OP EEN WINTEROCHTEND

ochtend,jas,wintersport,metro,foto,martin pulaski,winterkleren,seizoenen,klootjesvolk,kleding

Scwhab's in Memphis, Tennessee, 1992. In deze winkel kocht de jonge Elvis Presley zijn tot zedenverwildering aansporende kledingstukken.


Vanmorgen ging alles verkeerd. Het scheren wilde niet vlotten. Het water uit de douchekraan was te heet. Ik deed lang over mijn ontbijt, had een slechte cd opgezet (iets van the Jon Spencer Blues Experience), de koffie was te sterk, ik kon maar niet wakker worden, hoewel ik nauwelijks geslapen had. Is dat overigens niet paradoxaal, niet kunnen slapen en toch niet wakker kunnen worden?

Na een uur ‘voorbereidingen’ was ik klaar om de deur uit te gaan. Maar ik had niet op de ritssluiting van mijn bruine leren jas gerekend. Die rits wilde niet toe. Maar daarna wilde ze ook niet meer open, zodat ik maar zeer moeilijk uit die jas geraakte. Zelfs Harry Houdini zou het er moeilijk mee hebben gehad. Uiteindelijk is dat wel gelukt, en heb ik nog enkele vergeefse pogingen gedaan om de rits toch weer op het spoor te krijgen. Vervolgens moest ik op zoek gaan naar een andere jas. Het probleem is dat ik weinig winterkleren heb. Ik ben alleen maar op de lente en de zomer ingesteld, waarschijnlijk ter compensatie van mijn winters temperament. Tenslotte heb ik mij tevreden moeten stellen met zo’n rood wintersportgeval dat ik ooit in een (echte) koortsbui heb gekocht en maar één keer heb gedragen. De eerste en - voor vandaag - enige keer dat ik die jas aanhad zag ik overal om mij heen wat in de jaren zestig ‘klootjesvolk’ werd genoemd met zulke rode wintersportjassen aan zich naar het werk haasten. Talloos was hun aantal. Het is dan ook een zeer lelijk kledingstuk. Het moet een bizarre koorts geweest zijn, dat ik zulke jas heb kunnen kopen. Wintersport haat ik met een groot genoegen. Als ik het woord après-ski hoor, grijp ik naar mijn imaginaire revolver, om Goebbels te parafraseren. Ja, soms ben ik wel eens gewelddadig in mijn verbeelding.

In de metro lag links van me op de zitbanken een dakloze te slapen. Hij verspreidde een geur om wierookstokjes van sandelhout bij te branden. Maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik had mijn rust teruggevonden, ondanks het feit dat toen ik onderweg was naar metrostation Bizet de oortjes van mijn iPod niet in mijn oren wilden blijven zitten en dat de stem van Mark Everett vreselijk kraakte.
Aan station Beekkant bleef de metro staan. Dat doet hij meestal wel, maar nu veel langer dan anders. De dakloze moest de trein verlaten, wat geen eenvoudige onderneming was. Waarom mocht de man zijn roes niet uitslapen? Hij stoorde niet echt, de metro zat niet eens vol. Alleen die geur een beetje… Maar dan zouden overdadig geparfumeerde dames ook de metro moeten verlaten, want daar krijg je hoofdpijn van. Regels zijn regels, hoorde ik de twee metrobeambten blaffen. (Zijn dat pursers? Of wat is de naam van hun beroep?) En bevel is bevel, dacht ik.
En toen… En toen… En toen moest de dag nog beginnen.

27-09-06

WHO KNOWS WHERE THE TIME GOES?


mother and dad

Sinds de vorige notitie is er een hele afstand gelopen door heel wat lange afstand-lopers. Ik van mijn kant ben traag geweest. Maar is een schildpad traag? The hands on the clock keep turning time, hoor ik nu net Sandy Denny zingen. Niets is toevallig, denk ik soms. Sandy Denny is jaren geleden dronken van een trap gevallen, teveel flessen gekocht in het nachtwinkeltje om de hoek. Ze liet een dochter van een jaar ongeveer achter. Sandy Denny heeft een door geen enkele populaire zangeres geëvenaarde stem. Ze wordt bij de folkzangeressen onderverdeeld, maar ze overstijgt alle genres. Luister eens naar Who Knows Where The Times Goes…

De ondraaglijke traagheid van het bestaan als iedereen zegt: sneller, sneller, sneller! RAP. Help! Ik kan niet meer volgen. Nochtans bewonder ik sommige mensen vanwege hun werklust, hun energie en hun inzet. Ze lijken zeven dagen te werken en nul uur niets te doen. Ik denk dat ik op een hele ‘werkdag’ ongeveer 3 uur niets doe, tenzij: 1° tijd verliezen; 2° afzien van de tijd. Er zijn zelfs dagen dat ik helemaal niets doe. (Trouwens, mijn winterslaap is in het verschiet.)
Wat zou alles eenvoudiger en lichter zijn als tijd niet zou bestaan. We zouden er kunnen van uitgaan dat hij inderdaad niet bestaat, dat alleen dag en nacht en de seizoenen bestaan. We zouden kringlopen kunnen aanvaarden, en de eeuwige terugkeer. Een troostende gedachte.
Deze overwegingen doen me denken aan Haruki Murakami, die op zijn veertigste (in 1989) plots een enorme schrik kreeg. De beste jaren van zijn leven waren voorbij, de meest productieve, dacht hij, hij zou zich enorm moeten haasten om nog iets duurzaams tot stand te brengen.

Op mijn veertigste dacht ik daar helemaal niet aan. Ik voelde mij nog een jonge man en genoot van het leven. Ik had wel een aan het pathologische grenzende angst voor de dood, maar dat ging slechts om momenten die ik heel snel weer vergat. Ik besefte niet dat ik mijn kostbare tijd verspilde met oppervlakkigheden. Ik besefte niet echt hoe kort het leven is. Inmiddels zijn we zestien jaar later en besef ik het wel. En toch wil ik nog af en toe het surrealistische spelletje spelen dat tijd niet bestaat. Maar ik doe niets liever dan werken. Ik wil niets anders meer dan werken als een homo ludens.

Foto: Martin Pulaski, Ouders na de oorlog.