15-10-14

WE MOGEN ONZE BELANGRIJKE MISSIE NIET UIT HET OOG VERLIEZEN

anita-pallenberg-02.jpg

Bij zonsopgang vertrekken Lana en ik met Paul voor een bijeenkomst van archivarissen naar Hasselt. Ik heb mij er zoals wel vaker niet op voorbereid, weet nauwelijks wat daar besproken zal worden. Zal er wel iets besproken worden? Onderweg praten heeft weinig zin; door het geronk van de motor hoor ik amper wat mijn medepassagiers zeggen. Dan knik ik ja als er neen van me wordt verwacht of zit ik te lachen als ik moet huilen. Zo van die dingen.
Ik probeer wat te lezen in Red Harvest van Dashiell Hammett, maar lezen maakt me ook nu weer autoziek. In de verte trekt een wonderlijk gebouwencomplex in futuristische stijl, ik denk meteen aan de gebouwen van Oscar Niemeyer in Brasilia, mijn aandacht. Het lijkt lang te duren eer we wat dichterbij komen. Dan zie ik dat de gebouwen die de architect vanuit de toekomst naar hier heeft gehaald worden overschaduwd door een glanzende, witte kathedraal in rococostijl. De reusachtige kerk weerkaatst het zonlicht zo sterk dat je er maar een seconde naar kunt kijken. Hoe heet deze plek, vraag ik aan Paul. Hij weet het niet, Diest misschien, zegt hij. Of Diepenbeek? Moet ik nu lachen of huilen?

Lana heeft honger, wat eerlijk gezegd zeldzaam is. Nu ja, ik heb ook honger. Paul wil liever in één ruk doorrijden naar onze bestemming maar kan moeilijk verbergen dat zijn maag rammelt. En Lana heeft een halfdoorzichtig jurkje aan. Hij parkeert zijn Fiat voor een fabriek van Fiat, of dat denk ik eerst toch. Het blijkt een immense kantine te zijn die herinneringen oproept aan mijn vele werkbezoeken aan de Sovjet-Unie. De klanten zitten er aan lange tafels en eten zuurkool met worst. Het ziet er werkelijk gezellig uit, vooral dank zij de neonverlichting. Over een uur treedt een plaatselijke rock & roll-band op. Op de affiche zien the Hip Stars, zo heten de jongens, er echt cool uit. Lana en ik willen graag blijven, we zijn nieuwsgierig, maar Paul vindt dat tijdverlies: we mogen onze belangrijke missie bij de archivarissen in Hasselt niet uit het oog verliezen. Laten we vertrekken, zegt hij. Ik heb nog niet eens de helft van mijn zuurkool op, maar ik geef toe dat ik een trage eter bent.

T
eleurgesteld en nukkig loop ik achter Lana en Paul over een grasveld, groter dan een voetbalveld, naar de Fiat toe. Wat ver toch naar die auto van Paul, mompel ik. Wat gaan we daar in Hasselt doen, ik ben toch ook helemaal geen archivaris, denk ik nog. Daarop maak ik rechtsomkeert, in de richting van de communistenzaal en de coole band. Maar Lana houdt me tegen. Zo staan we daar dan midden op dat grasveld. Lana probeert me aan het verstand te brengen dat we met Paul mee moeten, we hebben geen keuze. Natuurlijk heeft ze gelijk, we hebben geen keuze. Er staan tranen in mijn ogen. Maar een blik op haar blauw jurkje kan wonderen doen.

Geheel onverwachts, zoals opeens een storm kan opsteken of iemand in een menigte kan neerzijgen, verander ik in iemand die ik nooit eerder in de spiegel zag. Ik loop zo hard ik kan weg van Lana en  Paul, die het portier van zijn auto al aan het openen is. Ik loop en loop tot ik een bus zie aankomen. De chauffeur is een van die hoffelijke types die om het even waar voor je stoppen. Na een tijdje zit ik nog alleen in de bus. Praten doen we niet, niet alleen vanwege de motor, mijn hoofd is even leeg als een voetbal. Aan de eindhalte komt de bus tot stilstand. De buschauffeur zegt “terminus”, laat me eruit en wuift me even na.

Ik sta aan de rand van een maïsveld. Hoewel besluiteloos besluit ik verder te lopen over een asfaltweg met twee smalle rijstroken. Er is geen verkeer. Na vele kilometers kom ik aan de Zuid-Willemsvaart. Wat verderop zo’n oude, pittoreske sluis. Het beton overwoekerd door onkruid dat lekker ruikt. Braamstruiken, netels, varens, lisdodde. In groene overalls gehulde, zwijgende vissers op twee, drie meter afstand van elkaar. Hun gerei glinstert in de late middagzon. Gefascineerd door het water dat ongewoon helder is buig ik voorover, waardoor mijn bril in het kanaal valt. Ik kan hem duidelijk zien liggen op de bodem, maar het is te diep om hem zelfs maar aan te kunnen raken. Misschien kan de jongeman die net komt aangewandeld me helpen. Hij ziet er behulpzaam uit, dat merk ik meteen aan de blik in zijn ogen. Bovendien heeft hij van die hoge visserslaarzen aan. Hij negeert echter mijn verzoek en vraagt of ik mijn vakantiegeld al heb ontvangen. In diezelfde behulpzame ogen zie ik dat hij het antwoord op die vraag kent. Maar hoe kan hij wat dan ook over mijn vakantiegeld weten? Van Colombo, zegt hij. Ach zo. Ik doe mijn schoenen uit, rol met wat moeite mijn broekspijpen op en wil in het water stappen. Colombo staat nu glimlachend naast de blonde jongen. Dat hij blond was had ik nog niet gezien. Mooie schoenen, zegt Colombo, naar mijn versleten witte schoenen wijzend. Ja, zeg ik, het zijn Italiaanse. Siciliaanse eigenlijk, in Agrigento gekocht. In Italië maken ze de mooiste schoenen, voeg ik er nog aan toe. Je weet maar nooit met Colombo.
federico bahamontes.jpg

Ik ga aan boord van een schip, richting Charleroi. Onderweg praat ik met twee oude schoolkameraden; een van hen is Antoine, een jongen met wie ik bijna alle dagen ging fietsen toen mijn bijnaam nog Bahamontes was. Wat een mooie naam toch, daar moet ik ooit eens een gedicht over schrijven! Na een poos daagt het me dat ik op het verkeerde schip zit – het vaart precies in de tegenovergestelde richting, en nog wel naar Gent. Antoine lacht om mijn verstrooidheid. Dat is niet slecht bedoeld – hij weet immers niet welke afstand ik al heb afgelegd. Vanop het dek kijk ik aandachtig naar het kanaal, en vooral naar zijn ligging, hoe het in het landschap is ingebed. Er is iets dat niet klopt. Ik herken dit landschap niet. Deze waterweg werd verlegd, op zijn minst twee kilometer in westelijke richting. Daardoor heb ik me dus vergist. Ja, alles ziet er hier anders uit, het water, de populieren, zelfs het zonlicht.

Aan de Tolhuissluis in Gent ga ik aan boord van een ander schip, dit keer in de goede richting mag ik hopen. Ik strompel de trap af, ga op een bed liggen en val meteen in slaap. Tot we in Charleroi aankomen slaap ik door. Ik droom over een geheime zending naar Hasselt, over massale vissterfte, over een communistische invasie en over een hartelijke ontmoeting met Richard Nixon en zijn stafchef H.R. Haldeman, die een super-8-filmpje van me maakt. In Charleroi ontwaak ik uit die lange slaap als de aak aanmeert bij de Zieke Grond. Ik haast me naar het station, drink gauw twee koffies, en stap op de trein naar huis. Het is genoeg geweest.

Weer thuis krijg ik meteen het gevoel dat ik ga stikken. Wat gebeurt er toch met me! Ik waad door stapels reclame, brochures, folders, kranten en literaire bijlagen, omslagen, herfstbladeren, duivenveren, ijsschrapers, schoenveters en begeef me wankelend naar de keuken waar ik wat water wil drinken.  Daar stel ik vast dat twee knoppen van het gasfornuis open staan. Er moet al een grote hoeveelheid gas zijn ontsnapt. Bliksemsnel draai ik de knoppen toe en open de ramen.

Ik zet de televisie aan voor het laatavondnieuws. In Hasselt is in de koffer van een Fiat een grijze plastieken zak met daarin het in stukken gezaagde lijk van een nog onbekende vrouw aangetroffen. De gangster Johnny Stampanato zou erbij betrokken zijn. Zijn naam klinkt vertrouwd, maar wie was het toch ook alweer? Ik zet de televisie af, slik een valium en probeer me voor te stellen hoe Brenda Lee er nu uitziet. Daarna komen de dromen.

 mickey cohen johnny stampanato2.jpg

30-06-09

IN MEMORIAM PINA BAUSCH


Pina_Bausch

Sluitingstijd, etenstijd - maar de doden vallen je lastig, verminken je tijdsindeling, je plannen. Nu is het weer Pina Bausch, na de zogenaamde popkoning, de echte grote dame van het hedendaagse danstheater. De choreografe uit Wuppertal is 68 geworden.

Ongetwijfeld zal er veel over haar worden geschreven, maar anderzijds zullen tieners en oudere jongeren weinig nachtwakes houden en kaarsen branden. Nu, ja, ze verdient ook wel iets originelers dan dat. Daar ga ik nu over nadenken. Misschien zal ik, ondanks de hitte, enkele danspasjes wagen.

De groep van Pina Bausch was het eerste contemporaine danstheatergezelschap dat ik ooit zag, zij het op televisie. Die beelden uit lang vervlogen tijden zullen me altijd bijblijven.

Foto copyright de Volkskrant.

07-01-09

LANGE HETE ZOMER VAN LIEFDE


LucasVanLeyden

“We’re all stars but some of us are looking at the gutter” las ik ergens, een uitspraak van Oscar Wilde, gelezen door een dwarsligger. Ik wilde er eerst nog “gutter twins” van maken, maar ging dat niet wat te ver? Was de oorspronkelijke omkering niet voldoende om duidelijk te maken hoe groot mijn afkeer is van gevonden uitspraken, ook al doe ik het zelf meer dan me lief is? Ik stel vast, en ik ben ervan overtuigd dat jullie dat ook doen, dat we intellectueel en qua imaginatie erg lui geworden zijn. Altijd maar herkauwen als koeien, ja, als verdomde koeien, of ligt die vergelijking niet voor de hand? Niet is wat het lijkt, maar door verwijzingen, citaten, gekende en minder gekende grappen, doen we alsof alles wel is zoals het is. We doen bijvoorbeeld alsof het koud is buiten, terwijl het eigenlijk warm is in vergelijking met de nucleaire winter die we ons dertig of twintig jaar geleden hadden voorgesteld, toen we met honderdduizenden op straat kwamen om onszelf tegen die vreselijke kou te verweren, om te pogen het tij nog te keren.

Het tij  is niet gekeerd. Het mag dan warm zijn buiten, maar de meesten van ons liggen nog altijd in de goot en kijken naar domgemaakte sterren. Nucleaire energie wordt opnieuw als een nobele bron van warmte gepropageerd. Grenzen worden gesloten; aan mensen zoals jij en ik wordt  geweigerd  in een goed uitgerust ziekenhuis te sterven. Niet dat het een feest is om op een westerse operatietafel de geest te geven, maar zonder morfine of water doodgaan in een brokkelige woestijnstad lijkt me veel erger.

Ik heb geen nieuwjaarswensen, behalve deze: dat iedereen overal welkom zou zijn, dat we allemaal zouden kunnen inzien dat we af en toe naar dezelfde volle maan kijken. En dat iedereen, en dat is helaas een verwijzing, zonder paspoort de grenzen over zou kunnen gaan. Dat je de ene dag zonder schoenen aan je voeten de sneeuw in moet, of het schroeiende zand, en de volgende dag over groen gras in een gematigd klimaat je weg kan zoeken, omringd door vriendelijke en begripvolle soortgenoten. Dat we allemaal menschen worden, zo snel mogelijk, en liefde weer veel meer gaat betekenen dan seks en Sodom en Gomorra. Ik geloof namelijk dat er niets is waartoe de mensen niet in staat zijn. Dat kan gewoonweg niet, als je een nucleaire winter kunt bedenken en verwezenlijken. Laat het daarom nu eens een lange hete zomer van liefde worden. Een jarenlange zomer, zonder soldaten, politie, wapens, uitbuiting en verdrukking. En een Orpheus die niet omkijkt, ook al denkt hij aan de vreselijke mogelijkheid dat Euridike in de goot ligt. Mag dat? Ja, het mag.

Afbeelding: Lucas Van Leyden, Lot en zijn dochters, 1530

02-06-07

EEN NIEUW PAAR SCHOENEN


old brown shoes

Wat heb ik nu weer gedaan! Daags voor mijn verjaardag een foto van een grafsteen, zelfs al is het een ‘opmonterende’, op mijn blog gezet. Nu staan al jullie mooie en vertederende verjaardagswensen als commentaar bij een zerk van Herbert Marcuse, een filosoof die overigens volledig uit de mode is. (Want niemand denkt nog aan revolutie, tenzij het over waspoeders en schoonheidsproducten gaat. De grote vijand van het proletariaat heet nu cellulitis of sinaasappelhuid. Maar ik mag niet klagen, het is tenslotte mijn verjaardag.)

Zo zie je maar hoe onnadenkend en onberekenend ik ben. In verband met die grafsteen, bedoel ik. Ik heb geen levensplan, en ik heb evenmin een plan de campagne voor mijn blog. Ik ga inderdaad impulsief te werk, als er al van werk sprake kan zijn. Vandaag zing ik alvast de lof der luiheid. Maar doe ik dan niets vandaag? Toch wel. Ten eerste schrijf ik dit korte stukje. Ten tweede vertrek ik over een uur of zo naar Antwerpen, voor mijn radioprogramma, ten derde vier ik feest en zal ik cava drinken, ten vierde, dat zullen we wel zien. Misschien koop ik wel een nieuw paar schoenen? Of krijg ik ze cadeau, je weet maar nooit.

 

Ik vind het heerlijk om aandacht te krijgen. Verjaardagswensen van jullie, van vrijwel onbekenden op MySpace, prentkaarten van mijn vrienden, lieve sms’jes van andere vrienden (die geen kaartjes in huis hebben of misschien geen mooie postzegels), een warme zoen van mijn geliefde, en straks veel kussen, denk ik, van mijn Antwerpse vrienden, met wie ik het glas zal heffen. Op het leven, op de rijpe leeftijd, op zowel nadenkendheid (vooral ten aanzien van onze aarde) als op extase, op de liefde, en toch ook wel op Herbert Marcuse’s ‘weitermachen’! Salud!

Krijg ik dat paar schoenen nu?

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

24-02-07

DE TWEE IRENES


Ik zou gaan lunchen met mijn vriendin Irene. Maar dan bleek dat ik ook nog met een andere vrouw had afgesproken, die eveneens luisterde naar de naam Irene. Ik werkte in een ministerie waar tevens les werd gegeven. Het was een oud gebouwencomplex, met een patio in het midden.

Omstreeks tien uur ‘s morgens kreeg ik het bericht dat een inspecteur met me zou komen praten over een nieuwe methode die in het werk zou worden toegepast. De methode was op wiskunde gebaseerd. Die mededeling irriteerde me mateloos. Ten eerste omdat de man tijdens de lunchpauze zou komen, ten tweede omdat ik een afkeer had van wiskunde en ook niets aan mijn werkmethode wilde veranderen. Om twaalf uur stipt klopte de inspecteur op de deur van mijn bureau. Op een pleintje wat verderop zag ik Irene ongeduldig staan wachten op me. Toen ik merkte dat ze mij door het raam zag kijken deed ik haar teken dat het nog een vijftal minuten zou duren.

Maar geheel onverwachts stonden mijn broer en mijn moeder nu in mijn kamer. En waar was de tweede Irene? Wat moest ik doen? De inspecteur liet ik duidelijk verstaan dat een wiskundige werkmethodehervorming mij niet aanstond. Ik zou er weliswaar over nadenken en later weer contact met hem opnemen. De man, die een zekere autoriteit uitstraalde, was duidelijk beledigd. Ik zou nog problemen krijgen, dat was duidelijk te voelen aan de handdruk bij het afscheid. Mijn moeder en mijn broer toonde ik waar ze het brood en het beleg konden vinden. Ze mochten eten wat ze wilden, zei ik.

Een volgend probleem was de verdwijning van mijn schoenen. Ik vroeg me af of ik op mijn sokken met de twee Irenes kon gaan lunchen. Misschien kon ik onderweg gauw een paar nieuwe schoenen kopen. Maar dan moest ik nog kunnen verklaren waarom ik met die twee Irenes tegelijk had afgesproken.