11-10-15

HOE IK REMCO CAMPERT WERD

remco-verjaardag 001 (2).jpg

Lang geleden was ik gedurende enkele maanden Remco Campert. Wat mooi dat hij met de Prijs der Nederlandse Letteren werd vereerd en hoe blij het me maakt dat de schrijver van wie ik in mijn jongensjaren het meeste hield nog in leven is, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten. Zo zag ik in De Standaard een foto van Remco Campert drie jaar geleden wandelend in Amsterdam: zo wil ik er over twintig jaar ook uitzien.

Op school moesten we Ernest Claes, Felix Timmermans en vooral Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo lezen. Geen buitenlandse auteurs, geen Nobelprijswinnaars, geen vrouwen, en vooral niets hedendaags. Ruyslinck en Vandeloo waren weliswaar uitzonderingen op die laatste regel, hoewel hun stijl toch al enigszins voorbijgestreefd was. Las ik hen graag? Ik kan het mij niet herinneren. Van Claes en Timmermans had ik enkele romans gelezen (onder meer ‘De witte’ en ‘Pallieter’) toen ik ongeveer dertien was. Ik hield er niet van. Hendrik Conscience en Alexandre Dumas spraken veel meer tot mijn verbeelding. Dat waren tot mijn veertiende mijn twee literaire helden. Misschien had ik ook al verhalen van Edgar Allan Poe gelezen? Met zekerheid kan ik het niet zeggen. Zo jong hield ik geen dagboek bij. De dagen duurden lang, de tijd bestond niet, of was alleen maar toekomstig. Zeker op saaie momenten in de klas – bijna altijd dus – en in het internaat droomde ik voornamelijk van wat ik in de toekomst zou doen. Dat alles wat ik in die jaren deed zo kostbaar en vergankelijk was, vermoedde ik zelfs niet. Geen dagboek, en in de pocket ‘Verhalen van mysterie en fantasie', uitgegeven bij LJ Veen, staat geen datum. Wat maakt het uit: Poe is vanaf mijn vijftiende de schrijver die mijn verbeelding en dromen stimuleert. Andere schrijvers waar ik van hield waren Ian Fleming, Georges Simenon en, wat later, Dylan Thomas. Maar van hedendaagse Nederlandse literatuur kende ik haast niets. Het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waar ik vijf jaar leerling en ‘geïnterneerde’ was, heeft me ook op dat gebied bijna niets bijgebracht.

Lange tijd heb ik graag catalogi gelezen. In 1967 ontstond in Vianen ECI, een boekenclub die, zo herinner ik mij, een aantrekkelijke catalogus had, waarin ik Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch, Louis Paul Boon en wonder boven wonder Remco Campert ontdekte. Van al die schrijvers bestelde ik boeken. Ik geloof dat er om de drie maanden een stapeltje bij mijn ouders aankwam. Een nieuwe, opwindende wereld ging open: (taal)spel, liefde en seks, wreedheid, huwelijk, dood, de echte wereld van echte mensen. Hugo Raes en Jerzy Kosinski vergat ik bijna. Maar vooral toch Remco Campert. Ik geloof dat ‘Een ellendige nietsnut’ het eerste boek was dat ik van hem las. Het was verschenen in 1960, maar in 1967 was het nog door en door modern. Wat vond ik er zo goed aan? Weet ik veel, na al die jaren… De speelsheid, nogmaals, de luchtigheid, maar ook de ernst, en zeker de eenvoud. Wat ironie was zal ik nog wel niet geweten hebben, hoewel we in de lessen Nederlands te horen kregen wat het verschil was tussen ironie, sarcasme en cynisme. Vervolgens las ik de prachtige verhalenbundel ‘De jongen met het mes’, die toen al bijna tien jaar oud was. ‘Liefdes schijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’ volgden. In 1968 verscheen ‘Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland’, een grappige roman in ‘progressieve spelling’ en uitgegeven onder de naam Remko Kampurt. Er was verwantschap met ‘Candy’ van Terry Southern en ook wel een beetje met ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, maar die boeken waren toen nog buiten mijn bereik.
Van de ene dag op de andere werd ik zelf een Remko Kampurt. Niet uiterlijk, want daar had ik Brian Jones en Steve Marriott voor, en ook niet innerlijk, daar speelden mijn dagdromen en verlangensfantasieën zich af. Waar werd ik dan wel Remko? Ook dat weet ik niet met zekerheid. Wel weet ik dat hij zich meester maakte van mijn schrijfstijl en spelling. Voortaan schreef ik in de Tjeempie!-stijl. Of ik dat ook in mijn schoolopstellen deed kan ik niet achterhalen en evenmin hoe lang ik het volhield Ik vermoed tot mijn 21ste, toen ik filosofie ging studeren en wijs werd.

In 1970, in mijn kleine kamer in de Karmelietenstraat te Brussel, las ik 'Tjeempie!' opnieuw en opnieuw. Al mijn oude en nieuwe vrienden verplichtte ik ertoe het eveneens te lezen, zoniet ging ik ze als idioten beschouwen. Ook in 1970 kocht ik de verhalenbundel ‘hoe ik mijn verjaardag vierde’, met Remco - in rode blazer en bloemenstropdas - omringd door halfblote vrouwen, ongetwijfeld een wensdroom (ook van mij). Het werd een jaar lang de gids bij mijn reis door de dagen van films, wierook, hasjies en liefde.
remcocampert-het-leven-is-vurrukkulluk.jpg

Op de een of andere manier was ‘Het leven is vurrukkulluk’ aan mij voorbijgegaan. Dat las ik ook in 1970, maar het was al te laat. Het leven was lang niet meer zo vreugdevol en luchtig als het voor Remco Campert en zijn vrienden en vriendinnen in 1961 zal geweest zijn. Misschien vond ik het boek ook minder magisch omdat het zo’n goedkope herdruk met geel omslag was. (De tekening van Wout Muller was echter wel erg mooi, dat zie ik nu pas.) Bovendien was het niet in progressieve spelling.

Inmiddels had mijn missionariswerk vruchten afgeworpen. De meesten van mijn toenmalige vrienden hadden op z’n minst één werk van Remco gelezen.  Boeken uitlenen deed ik met enige tegenzin. Maar voor de werken van mijn lichtvoetige held maakte ik een uitzondering. Zo raakte ik eerst ‘Tjeempie!’ kwijt. Erwin, aan wie ik het uitleende, belandde in een gevangenis en later in een psychiatrische instelling. In een van die twee lugubere oorden zal Liesje wel op de brandstapel zijn beland. Ik ben niet vergeten hoe Erwin en ik en als we weer een keer stoned waren zaten te schaterlachen als we elkaar een stukje voorlazen uit ‘Het paard van Ome Loeks’. Mijn vriend Jos D. stapte in 1991 uit het leven. Het stapeltje boeken dat hij nog van me had zag ik nooit meer terug. Maar dat geeft niet. Hij gaf me tientallen kostbare boeken, die ik nog altijd koester.

Nu het leven niet langer verrukkelijk was kon ik Remco Campert voorlopig de rug toekeren en me met ernstiger dingen gaan bezig houden: huwelijk, Hegel en bluegrass. De rest is niet om over naar huis te schrijven.
tjeempie1.jpg

 

15-03-08

EEN VOGEL VOOR DE KAT


Ik beweer dat het een vogel is die daar zit.
Een veelkleurige vogel op een draad nu nog,
Maar toch al een vogel voor de kat.

Onder een magnolia rust de kat

In een tuin waar Vinkenoog een stickie rookt.

Een tuin aan een droom van Marianne Moore

Ontsproten met een echte schildpad in een hoek.


En de kat die onder de magnolia te spinnen ligt.

Of er dan geen vuiltje aan de lucht is

Terwijl nochtans de rook ten hemel stijgt

En er als van engelen gezang klinkt?


O lieve jongen, zegt zij, kon ik je toch maar

Van je ijdele hoop voor altijd genezen.

En je ogen openen voor het sluipend gevaar.

19-06-05

DE JONGEN MET HET MES


flower child with a knife

Op het portret zie je mijn andere kant.
Portrait of the artist as a violent young man. Ben ik nog steeds dezelfde? Ik kan me de jongen van de foto zelfs niet meer herinneren. En waar is hij genomen? Wel weet ik nog dat ik in die periode De jongen met het mes van Remco Campert las. Misschien leverde hij de inspiratie voor de pose. Het mes is nog steeds in mijn bezit, heb ik vandaag tot mijn verrassing vastgesteld, toen ik grote schoonmaak hield in een van mijn archiefkasten. Het zit vol schaamte weggedoken in een schoendoos achter een stapel vergeelde misdaadromans. Mijn stijl (jas, zonnebril, sjaaltje, haarsnit) was helemaal afgekeken van mijn grote held Brian Jones. Het feit dat hij net als ik astma had droeg er ongetfwijfeld toe bij dat hij de hoogste plaats innam in mijn pantheon van popidolen. De zonnebril is achtergebleven in Diepenbeek, op het mooie hoofd van een meisje dat ik ontmoet had tijdens een concert van the Small Faces.

11-04-05

TEACH ME TO FORGET YOU, WALLY TAX


wallly tax 2


Nederland was zo al geen bezoek meer waard en nu Wally Tax overleden is mag dat land van de kaart worden geveegd (ik maak een uitzondering voor Bergen en Schoorl, echte dichtersoorden).
The Outsiders waren in het midden van de jaren zestig van de vorige eeuw de ruigste en beste beatgroep van Nederland, en na the Rolling Stones en the Who, van de hele wereld. Wally Tax was hun charismatische zanger en mondharmonicaspeler.Als hij zong kreeg je meteen kippenvel. Dat is niet zomaar een gratuite bewering: ik heb het echt meegemaakt in de Teeny Club in Hasselt, omstreeks 1967. The Outsiders speelden loeihard, en produceerden zeer hoge tonen. Een week later in het Koninklijk Atheneum in Tongeren hoorde ik Ron Splinters gitaarsolo’s nog altijd nafluiten in mijn oren. Eigenlijk hoor ik dat geluid nog steeds een beetje. Maar wat ik vandaag vooral hoor is die soulvolle, tegelijk dreigende en strelende stem van Wladimir Tax. De man was ongeveer vijftig procent romanticus en vijftig procent punk. De muziek die hij schreef (samen met Ron Splinter) was emotionele, tedere en boze rock &roll. Hoe vaak heb ik niet geluisterd naar Afraid Of the Dark, Teach Me To Forget You, The Filthy Rich, Touch en natuurlijk Lying All the Time. Ik heb die platen ook niet van de hand gedaan of op zolder gelegd: ze horen – zij het vooral in cd-vorm – bij mijn wereld. Net zoals de romans van Remco Campert, de essays van Simon Vinkenoog (die over the Outsiders heeft gepubliceerd in het boek Vogelvrij) en de platenbesprekingen van Jan Donkers – allemaal Grote Nederlandse Helden - blijken de liedjes van Wally Tax en Ron Splinter bouwstenen voor mijn bestaan te zijn geweest. “You thought me how to love you / Now better teach me how to live without you.” Het leven heeft weer wat minder zin in mij. Zo blijf ik nu zonder woorden achter tot iemand ze weer tot leven wekt. Jij?