01-08-15

ZERO DE CONDUITE: HELLO, IT'S ME

la notte 1.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in de kosmos. Stem af op 106.7 FM. Je kunt Zéro eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Net zoals in pop kan in Zéro de conduite heel veel, traagheid, onzin, slecht gedrag, liefdesverdriet, vals gezang, wiskunde, zelfs psychoanalyse. Hoewel ik zelf geen discipel ben van Sigmund Freud, en al evenmin van Jacques Lacan, heb ik toch niet zo’n diepe afkeer van deze stroming in de psychologie en filosofie als Vladimir Nabokov. ‘Ik’, ‘zelf’ en ‘zelfs’: we komen al in de buurt van het nieuwe thema, waar we maar geen Nederlands woord voor vinden: het Franse ‘moi’ en het Engelse ‘me’. Er is natuurlijk altijd ‘ik’, om het met Elvis te zeggen (‘There’s Always Me’), maar dat is toch nog een ander ding. ‘Ik’ volstaat niet. ‘Je est un autre’. Is it ‘me’? Laten we voorlopig maar niet verloren lopen in woorden en spielereien en laten we ons evenmin door spiegelbeelden en dubbelgangers laten bedriegen. Laten we als uitgangspunt het liedje ‘I Me Mine’ van The Beatles nemen:

All I can hear I me mine, I me mine, I me mine,
Even those tears I me mine, I me mine, I me mine,
No-one's frightened of playing it,
Everyone's saying it,
Flowing more freely than wine,
All through the day I me mine.


Deze woorden van George Harrison duiden het complexe probleem op een eenvoudige manier aan. Vanavond komen heel wat eigenschappen van het ‘zelf’, om het ‘ik’ zo maar een keer te noemen, aan bod. In een dertigtal songs, gekozen uit een preselectie van ongeveer vijf uur muziek. Met pijn in het hart heeft de man in mij – of is het een beest? - tientallen zelven het spreken ontzegd. Desondanks is twee uur voor één psychoanalytische sessie bijzonder lang. Maar jullie, luisteraars, zijn bijzondere patiënten, die deze DJ gaarne verwent. Geniet van de tranen en het gelach van het ego.

bobdylan_dougsahm.jpg

Hello It's Me - Todd Rundgren - Something/Anything? (1972)

The Darker Days Of Me & Him - PJ Harvey - Uh Huh Her (2004)

Why did I come here?
Please tell me again
Why did you ask me?
Don't say you forget

The Age Of Self - Robert Wyatt – Old Rottenhat (1985)

Give Me Back My Name - Talking Heads - Little Creatures (1985)

The Selfishness In Man (Leon Payne) - Buddy & Julie Miller - Written In Chalk (2009)

And Me - Ian Matthews & Matthews' Southern Comfort - Later That Same Year (1970)

Less Of Me - The Everly Brothers – Roots (1968)

A Picture Of Me (Without You) - George Jones - Columbia Country Classics - A Picture Of Me (Without You)

The Beast In Me - Johnny Cash - American Recordings  I (1994)

Up To Me - Roger McGuinn – ‘Dylan Uncovered’ (Mojo 2005)

Hey Mister, That's Me Up On The Jukebox - James Taylor - Mud Slide Slim And The Blue Horizon (1971)

You Turn Me On I'm A Radio - Joni Mitchell - For The Roses (1972)

A Brand New Me - Aretha Franklin – Young, Gifted And Black (1972)

All Of Me - Billie Holiday With Eddie Heywood & His Orchestra - Lady Day: The Best Of Billie Holiday

I Want Everyone To Like Me - Randy Newman - Bad Love (1999)

I want everyone - to like me.
That's one thing I know for sure.
I want everyone - to like me.
'Cause I'm a little insecure.

aretha-franklin.jpg

I Said Goodbye To Me - Harry Nilsson - Aerial Ballet (1968)

Don't Think It's Me - Smokey Robinson & The Miracles - Make It Happen (1967)

I Can't Be Me - Eddie Hinton - Country Got Soul Volume Two (2004)

Just Like Me - Paul Revere & The Raiders – Just Like Us (1966)

Call Me Animal - MC5 - Back In The USA (1970, produced by Jon Landau)

The Real Me - The Who – Quadrophenia (1973)

Poor Poor Pitiful Me - Warren Zevon - Warren Zevon (1976, produced by Jackson Browne)

Why Am I So Short? - Soft Machine - The Soft Machine Volume One (1968)

Am I What I Was Or Am I What I Am - Traffic - Here We Go 'Round The Mulberry Bush (1968)

I Me Mine - The Beatles - Let It Be (1970)

That's Not Me - The Beach Boys - Pet Sounds (1966)

I went through all kinds of changes
Took a look at myself and said that's not me
I miss my pad and the places I've known
And every night as I lay there alone I will dream


I Am A Child - Buffalo Springfield - Last Time Around (1968)

Who Am I - Country Joe & the Fish - I-Feel-Like-I'm-Fixin'-To-Die (1967)

Did She Mention My Name - Gordon Lightfoot - Did She Mention My Name (1968)

It Ain't Me Babe - Bob Dylan - Another Side Of Bob Dylan (1964)

Me And My Destiny - Sir Douglas Quintet - The Return Of Doug Saldana (1971)

Nancy And Me - Lee Hazlewood - Poet, Fool Or Bum (1973)

Creeps Like Me - Lyle Lovett - I Love Everybody (1994)

Where I Lead Me - Townes Van Zandt - Delta Momma Blues (1971)

Ask the boys down in the gutter
Now they won't lie cause you don't matter
The street's just fine if you're good and blind
But it ain't where you belong

Things That Scare Me - Neko Case – Blacklisted (2002)

Bittersweet Me - R.E.M. - New Adventures In Hi-Fi (1996)

Heart Of Darkness - Sparklehorse – Vivadixiesubmarinetransmissionplot (1995)

Not Me (Colin Newman) - This Mortal Coil - It'll End in Tears (1984)
morgan-a-suitable-case-for-treatment-1966-001-david-warner-vanessa-redgrave-00m-vnq.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski & Me.

17-11-14

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik - en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde - niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit. 

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif - met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam -
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd - en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde - nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt - of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je - het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens - vooral punten - en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

 

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

15-07-14

REGIONEN VAN DE VERBEELDING

IMG_7951.JPG

In jouw Londen zwerf je rond in een boek, in meerdere boeken, in een hele bibliotheek. De ene wijk is een roman van Virginia Woolf, de andere een gedicht van Keats, wat verderop houden Ian McEwan en Martin Amis de wacht. In de vuile lucht die je inademt zitten, nauwelijks zichtbaar, letters van Shakespeare, het gras op Primrose Hill groeit uit de buik van William Blake. In je Londen bestaat het reële niet. Je wandelt door straten van the Beatles, the Rolling Stones, David Bowie, the Clash en Marianne Faithfull. De meisjes en jongens in Soho, Chelsea, in Brick Lane en Camden Town zijn figuranten in een lange, coole film van een Antonioni-adept. De gevels zijn schilderijen van Peter Blake en Richard Hamilton, de interieurs en de figuren die je je achter de ramen voorstelt creaties van Francis Bacon, Lucian Freud, RB Kitaj en David Hockney. 

Na zo’n dérive begeef je je naar the Dog & Duck waar Hanif Kureishi achter de toog staat. Hoe lekker, dat Spaanse bier!

IMG_8100.JPG

Peter Ackroyd houdt het allemaal bij elkaar, geeft er betekenis en zin aan.

IMG_8646 baillementshysteriques2.jpg

Als je thuiskomt moet je je, zoals Zizek schrijft, weer laten neerploffen in le réel, wat wel eens een moeilijke opgave zou kunnen zijn. Echt, meen je dat? Ja, want ook in je eigen stad slenter je graag dagdromend door de straten en in de parken, met de stemmen van schrijvers en de beelden van fotografen en kunstenaars in je hoofd. Een estheticus, een schone ziel, een aanhanger van l’art pour l’art dan toch nog altijd? De teleurstelling als je thuiskomt is echter groot. Hoezeer je je ook verzet tegen de val: de zuigkracht van het reële is te sterk. Er zijn niet alleen de grijze, verloederde straten van Anderlecht en de lelijke*, slecht geklede mensen (waar jij deel van uitmaakt). Er zijn ook het WK, de Ronde van Frankrijk, de honderden popfestivals, waar namaakmuziek een alibi is voor het consumeren van slecht bier en zielloze seks; bovenal zijn er de verschrikkingen die Israël in zijn bezette gebieden tegen de bevolking begaat. Je stort onherroepelijk en noodzakelijkerwijs neer in de dagelijkse miserie. En terwijl je neerstort kom je al opnieuw in opstand, of verzin je een nieuwe vlucht in andere regio’s van de verbeelding.IMG_8952.JPG

... 

 

*In ‘De ringen van Saturnus’ schrijft W.G. Sebald dat de Belgen, en met name de Brusselaars, zo lelijk en zo misvormd zijn ten gevolge van de ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie. “In elke geval herinner ik mij heel goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Brussel in december 1964 meer gebochelden en gekken ben tegengekomen dan anders in een heel jaar.”, lees ik op pagina 129. In Sint-Genesius Rode ziet Sebald een scheefgegroeide, spastische biljartspeler “met onfeilbare zekerheid de moeilijkste caramboles maken.”

Foto's: Martin Pulaski, London, juni 2014. Een vrouw in Chinatown; de bibliotheek van John Keats in Keats House; "bouillements hystériques" in Whitechapel Gallery; een meisje in Baker Street Station.

14-03-14

THERAPIE, BOEKEN, THERESIENSTADT

IMG_7100.JPG

IMG_7101.JPG

 

Na een sessie bij mijn therapeut, een keer per week, voel ik bijna elke keer een innerlijke dwang om boeken of muziek te gaan kopen. Gelukkig voor mijn budget zijn die sessies niet altijd overdag en 's avonds zijn ze net zo gezellig, alleen wat gevaarlijker.
Gisteren kwam ik thuis met onder meer enkele zeldzame oude boekjes uit de bibliotheek van een overleden baron. In de Pêle-Mêle in Brussel, voornamelijk Franstalig, vind je soms wel eens van die juweeltjes, en dat voor een prikje. Er is ook een muziekafdeling. Daar kocht ik twee nieuw uitgegeven platen van Sandie Shaw, waaronder ‘Hello Angel’, waarop ze begeleid wordt door the Smiths. Een ding is duidelijk: Sandie Shaw haalt nooit het niveau van Dusty. Ik las dat ze een keer met Jimi Hendrix naar bed is geweest, en dat ze beter kon dansen dan Tom Jones, ook al deed ze het op blote voeten. Ze denkt dat ze in Europa – daarmee bedoelt ze de hele beschaafde wereld die niet tot het Verenigd Koninkrijk behoort – populair was vanwege haar minirokken en kapsel en in Engeland vanwege haar popmuziek.

Het is duidelijk dat ik geblokkeerd ben, al een hele tijd. Ik heb geen zin om te schrijven, ik heb geen zin in seks, ik vind niets de moeite waard. ’s Morgens sta ik vroeg op en voor ik het weet is het weer avond en kijk ik naar een film die me niet echt interesseert. Een vliegtuig verdwijnt van de radar en wij ademen het fijn stof in. Alleen films in de bioscoop doen me soms nog iets, zoals vorige maandag ‘Nebraska’ van Alexander Payne, vijftig tinten écht grijs. Zo ontroerend en reëel en droef en toch bijzonder grappig ook. Ja, in de bioscoop kom ik weer tot leven, daar vind ik mezelf terug.

theresienstadt 001.jpg


Over 'Requiem Theresienstadt' (1963)* van de Tsjechische auteur Josef Bor valt heel wat te vertellen. Ik wist maar heel weinig over wat zich daar in Terezin heeft afgespeeld. W.G. Sebald gaat er in 'Austerlitz' - een meesterlijke roman - dieper op in. Er staan foto's bij, niet eens van slachtoffers, maar van gebouwen, poorten, deuren, die je elke lust in wat dan ook ontnemen. Gisteren, in de Pêle-Mêle sloeg ik het boekje van Josef Bor open en las dit:
"Het belangrijkste camouflage-project, het grote verzamelkamp 'Ghetto Theresienstadt', tot dusver een oord van leed, honger en dood, werd in slechts enkele weken tijds omgebouwd tot en opgetuigd als een gigantisch filmdecor, klaar voor het op een na laatste bedrijf van de Theresienstadt-tragedie. Volgens het draaiboek van Eichman maakten ook levende mensen deel uit van dit decor. En zij begonnen te geloven, te hopen en te leven."

...

*Nederlandse vertaling: 1965. Er werden honderd exemplaren van gedrukt op Boston Tekst Vergé. Mijn exemplaar kreeg nummer 86.

Foto's: Martin Pulaski.

14-12-13

EEN SPIEGEL IS GEEN FOTO

important-c-est-d-aimer-0.jpg

Tijdens een veeleer droefgeestige wandeling in het dorp Anderlecht, nee, helaas niet in het 14de arrondissement in Parijs, besefte ik dat ik ondanks alles en met enige spoed iets moest schrijven over de psychologische en psychoanalytische aspecten van foto’s in speelfilms, al was het maar om een voorbeeld te geven van de diepgang van het oppervlakkige.

Ik heb even de gordijnen toegedaan: de bijna volle maan scheen me te fel in de ogen.

Een spiegel is geen foto. In een spiegel ziet een personage zichzelf weerspiegeld, zoals Narcissus in het water. De protagonist kan tevreden zijn met dat beeld, er van schrikken, zich er boos op maken, of er een mix van tegenstijdige emoties bij voelen zoals Robert De Niro in ‘Taxi Driver’.

Een foto van de protagonist is niet zijn weerspiegeling. Het is een ander beeld, meer verwijderd van hem, behandeld, bewerkt, vervormd. In Fritz Langs ‘You Only Live Once’ toont de Wanted-foto van Henry Fonda een ander aspect van zijn persoonlijkheid, van zijn karakter. Je zou kunnen zeggen dat de samenleving (of de ‘gemiddelde’ burger) het Freudiaanse Über-ich is; de handelende Henry Fonda is dan het Ego en de foto staat ons toe een blik te werpen op zijn Onbewuste. Want het is natuurlijk niet waar dat het personage door en door goed is: de foto corrigeert die perceptie, ook al is hij door de politie bewerkt, heeft men van de goede man een boef gemaakt.

Het tragische is dat de ‘gemiddelde’ burger de brave man niet ziet, maar alleen Über-Ich ‘is’, dat hij slechts oog heeft voor wet en orde, en profijt. Hij ziet alleen de boef, degene die de wet overtreedt, de man die hem misschien zal bestelen, zijn vrouw verkrachten of hem zelfs vermoorden. Weg ermee! Weg met de boef!

...

 

Foto: L'important c'est d'aimer (1975), Andrzej Zulawski

20-10-13

WORRY DOLL

IMG_4631.JPG

Misschien was het een hogere macht maar het kan ook een lagere macht zijn geweest, een rechter of een dictator, of een familielid: er was een strenge wet uitgevaardigd in het land, nooit meer in dit leven zouden we elkaar nog mogen zien. Het was in het Zuiden, aan de Atlantische Oceaan, overal waar je keek immense stranden, fijn zand, wit glinsterend in het fel kussende zonlicht. Hier en daar lagen stelletjes met elkaar te versmelten, je kon niet zien waar de ene begon en de andere ophield, zoals op een impressionistisch schilderij of in de liefdesscène in de film ‘Zabriskie Point’.

Jij bevond je in een andere stad, ver weg van me, al wist ik dat ik je met een taxi op enkele uren kon bereiken en je in mijn armen sluiten. Maar de wet verbood het, op straffe des doods. Ik stelde me je voor, met je dunne fuchsia jurk aan, wandelend op net hetzelfde zand als waar ik wandelde, onder dezelfde zon. In mijn hoofd begon een groep te spelen, neen, het was een zangeres, Alison Goldfrapp:

Remember the time
We stood there by the lake
Watching boats and planes
Pretty white clouds

’s Avonds liep ik door de straatjes van de kleine stad - bijna net zo wit als de stranden - waar ik voor onbepaalde tijd verbleef, of ik ging als er maanlicht scheen weer naar de zee om er de zoute lucht in te ademen, hopend dat ik zou genezen van jou. Tegen beter weten in. In mijn hotelkamer dronk ik voldoende Ben Ryé om enkele uren slaap te kunnen vinden, en schrok vaak met schokkende hartslag wakker uit altijd dezelfde nachtmerrie: ik droomde dat je ginds in de verte liep, voor altijd weg van me, dat ik je naam riep, almaar luider, tot het een dierlijke kreet werd. 


Op een middag, half verdoofd door weken van insomnia, zag ik je vanuit mijn open raam. Omdat mijn hotel op een heuvel was gebouwd lag het strand diep beneden me. Het kleine figuurtje dat daar op het strand rustte, niet groter dan de muñecas quitapenas onder mijn hoofdkussen, dat was jij, mijn onmogelijke geliefde. Of was ik aan het hallucineren? Misschien wel, maar ik geloof het niet; ik was nuchter, ik was wakker… Toch was het vreemd je daar zo te zien liggen, in de immense diepte met overal dat wit om je heen, een oneindige ruimte van oceaan en zand en lucht, terwijl het toch ook leek dat ik mijn arm maar moest uitstrekken om je haren te strelen. Kleine, verboden vrucht!

Ik liep naar je toe over een zanderig plateau; in de diepte, dat wist ik zeker,  wachtte je als in een droom geduldig op mij. Spoedig zou ik zoals de andere geliefden op het strand één met je worden en in onze extase zouden we alle wetten vergeten. Na een lange tocht naderde ik de rand van het plateau, dat begon over te hellen, waardoor ik me nog moeilijk recht kon houden. Daar viel ik al, daar lag ik in het zand, me vastgrijpend aan wat witte korrels. Het leek of ik op een overhellend bed lag, en dat ik me vastgreep aan de lakens, aan mijn kussen, aan mijn worry dolls, maar vergeefs. De afgrond…

IMG_4640.JPG

Foto's: Martin Pulaski, 14 oktober 2013.

20-06-13

JAMES GANDOLFINI, TRAUMA'S, THERAPIEËN

tony-soprano-james-gandolfini.jpg

James Gandolfini

Van begin augustus 1997 tot najaar 2003 was ik in psychoanalyse bij een bekwame, empathische en erg aantrekkelijke (vrouwelijke) neuro-psychiater. De aanleiding voor de therapie was een posttraumatische shock waar ik onder gebukt ging nadat ik op een mooie, zonnige zomeravond vlakbij de Grote Markt in Brussel bijna dood was geklopt door bijzonder gewelddadige criminelen. Neus op twee plaatsen gebroken, zware hersenschudding, tanden stukgeslagen, hematoom in het bindweefsel rondom de ogen, et cetera. Voor de Brussels politie een fait-divers. Een onderzoek is er nooit geweest.

gewond1997a.jpg

Martin Pulaski, 26 juni 1997. Foto: Agnes A. of Wilfried D.

In de periode dat die psychoanalyse plaatsvond ben ik fan geworden van ‘The Sopranos’ en in het bijzonder van James Gandolfini en Lorraine Bracco, die de rol speelt van Tony Soprano’s psychiater, Jennifer Melfi. Hoewel ik zelf geen gangster ben en evenmin banden heb met de maffia, maar wel een bewonderaar van Tennessee Williams en Arthur Miller, die veel invloed hebben gehad op scenarioschrijver David Chase, en tevens een aanhanger ben van ‘niet-orthodoxe’ psychoanalyse, zag ik bijzonder veel overeenkomsten tussen mijn eigen therapie en die van Tony Soprano. Bovendien herkende ik veel eigenschappen van 'mijn' psychiater in Jennifer Melfi – en vice versa. Soms zat ik te huilen bij een therapeutische sessie in 'The Sopranos', en vroeg ik me af hoe het toch mogelijk was dat ik zo kon meeleven met een gangster. Andere keren zat ik dan weer te huilen bij mijn therapeute als ik haar als in trance een aflevering navertelde. Realiteit en fictie raakten elkaar, ruilden van plaats.

 

lorraine bracco.jpg

Lorraine Bracco

Ik wil niet beweren dat James Gandolfini en Lorraine Bracco de beste acteurs van de wereld waren, maar ze hebben me alvast diep geraakt en een belangrijke betekenis gehad in mijn leven. Toen mijn vrouw me vanmorgen vertelde dat James Gandolfini in Rome is overleden heb ik niet gehuild. Huilen doe ik niet meer. Waarom zou een man nog huilen? Maar ik was geschokt en diep bedroefd. Er was iemand gestorven die ik van nabij had gekend. Geen familielid, geen vriend, maar een lotgenoot, een mens met trauma’s en grote levensproblemen.

Sinds oktober 2012 ben ik opnieuw in therapie bij dezelfde mooie vrouw. Waarom? Dat wil ik voorlopig  geheim houden. Maar ik denk dat de tijd gekomen is om ‘The Sopranos’ te herbekijken. Vraag me echter niet om nog een keer naar Rome te reizen, ook al schijnen alle wegen daarheen te leiden.

 

Vaarwel James Gandolfini, vaarwel Tony Soprano.

23-12-11

HET VRUCHTBARE SAP VAN DE WERELD

 Andrei-Rublev-Andrei-Tarkovsky.jpg

Andrej Tarkovski's 'Andrej Roebljov'.

De tekst ‘Zwijgen en niet luisteren’, met de foto van Jacques Lacan, destijds eigenaar van ‘L’Origine du Monde’ (1886) van Gustave Courbet, een kunstwerk dat op Facebook nog altijd niet mag worden getoond, heb ik op 20 december teruggevonden tussen oude notities. Een datum stond er niet bij. Ik vermoed eind jaren ‘tachtig. Wat me opviel was hoe weinig ik ogenschijnlijk veranderd ben. Die stilte – die me na al die jaren aan Ingmar Bergman en vooral aan Andrej Tarkovski doet denken - en dat zwijgen zijn er nog steeds. Soms dagen aan een stuk niet kunnen spreken. Een soort geestelijke verlamming.

Psychoanalyse is al lang niet meer in het spel. Destijds had ik die Freudiaanse / Lacaniaanse therapie nodig om het alledaagse te kunnen aanvaarden, om me met mijn eigen alledaagsheid te kunnen verzoenen. Met de banaliteit om mij heen en binnenin mij. Want hoe je je ook tegen een fenomeen verzet, verinnerlijken doe je het toch. In een wereld van dwazen word je op den duur zelf een dwaas.

Toch is er een verschil met de periode toen ik die notitie heb geschreven: ik geloof niet in inspiratie. Ik vermoed dat ik er toen ook al niet meer in geloofde. Het gebruik van dat woord was een automatisme, dat ik om eerlijkheidsreden heb laten staan. In enthousiasme geloof ik wel nog: diep ingaan in de wereld, en de wereld diep bij je naar binnen laten komen. En ik geloof in hard werken. Het belangrijkste echter denk is het zwijgen te boven komen. Je moet spreken en luisteren, soortgenoten, verwante en niet zo verwante zielen ontmoeten, je moet liefhebben. Ik denk dat een kunstwerk, een gedicht alleen uit liefde (eros) - en mededogen - kan voortkomen, of uit zijn tegendeel: afkeer, weerzin; noem het haat. Of heilige verontwaardiging. Alleen liefde maakt je sterk genoeg om een wereld te maken. En haat om een wereld te vernietigen.

Ik las iets treffends in het recentste werk (2011) van Stefan Hertmans, ‘De mobilisatie van Arcadia’: “Schrijven wordt een praktijk, een dagelijkse oefening die het leven bevestigt, door de eigen eindigheid om te zetten in een innerlijke oneindigheid: die van de eindeloze mogelijkheden van de schriftuur. We moeten dus de eigen dood op ons nemen om te kunnen schrijven; niet zomaar de anonieme, indifferente dood, maar de eindigheid die is toegesneden op het eigen leven." 

20-12-11

ZWIJGEN EN NIET LUISTEREN

LACAN.gif


Het is als een van die mislukte psychoanalytische sessies in de sombere jaren tachtig, bij Jan Cambien.  Een van die sessies waarbij je geblokkeerd was en het hele uur (eigenlijk 40 minuten) geen woord gezegd kreeg.  Zo zit je nog altijd voor je papier.  Af en toe een druppel inspiratie, enthousiasme.  Maar negennegentig procent walging, levensmoe­heid.  "Ik heb niets te vertellen".  Toch weet je dat het wat dieper, een heel klein beetje dieper in jou kolkt.  Je bent zo bang voor het banale dat je er banaal van wordt. Hoe komt het dat werken je zo met weerzin vervult, ook als het voor jezelf is?  Vroeger loste je dat op met een pilletje.  Nu gaat dat niet meer, je moet het allemaal op eigen krachten doen.

01-02-11

WORSTELEN MET DE TIJD

 danièle delorme gérard blain.jpg

Danièle Delorme, Gérard Blain.

Je zit te wachten op de tijd, de dagen toen zij er nog niet was. Toen jij er nog niet was. Iets wat lijkt op een voorafgegane geschiedenis, een biografie die nog moet geschreven worden. Er was eens. Er zal eens. Once upon a time you dressed so fine. Dat moest nog komen, zal nog komen. Er is altijd die rode jurk die je vanuit het verleden naar de toekomst zal dragen en Van Morrison hoor je al zingen: Fair play to you. Je zit te wachten op haar vermoeide blik, die zo betovert, ook als ze niet moe is, alleen maar door het leven geraakt, als door een blinde god, een engel met net iets te kleine vleugels om als een kraanvogel weg te vliegen, naar landen die we in die dagen nog niet kenden.


Wat kenden we voor de tijd? Alsof de kinderjaren de sleutel bezitten tot een geheim dat ons leven rijker zou kunnen maken en onze omhelzingen hartstochtelijker. We kennen niets en we weten niets zonder de jaren. Dagen in valleien en op heuvels, in Europese steden en in Azië, films, oude trofeeën door grootouders uit Congo meegebracht, souvenirs uit de tweede wereldoorlog, het gekreun in een kleine koude kamer in Amsterdam. Postzegelverzamelingen met beeltenissen van alle koningen van de wereld, allemaal dood nu. Het leven van onontdekte volkeren door televisieploegen ontluisterd. En vervolgens breekt de algemene ontluistering aan. Beautiful friend!

Het was mooi om op klokken te schieten, zodat de wijzers stilvielen, las ik in een oud boek. Ja, dat moet mooi zijn geweest. Toen we nog geen namen hadden, of onze namen nog niet besmeurd waren door de anderen, degenen die ons de das om willen doen, degenen die het nooit goed met ons voor hebben gehad. Want je weet heel goed dat zulke mensen bestaan. Ze zitten hun ziel uit  te spuwen als ze het water van hun aardappelen afgieten in de gootsteen. Ze weten niet wat ze willen. Ze willen vooruit in het leven en gaan over lijken. Ze gaan ervoor. Ze hebben nooit een ziel gehad. De ziel bestaat niet, zeggen ze, en er bestaat nog veel minder een eeuwig leven.

Had ik een geweer ik schoot niet op mensen of dieren, maar op klokken. Maar waarom op klokken? Is er iets mooiers dan een klok? Je mag nooit onberedeneerde uitspraken doen. Op wat zou ik dan wel schieten? Mieren zijn dieren. Laat me even nadenken; misschien zou ik best op geweren schieten. Ik heb altijd van westerns gehouden, vooral van die scènes in westerns waar de ene revolverheld de andere zijn revolver uit de hand wegschiet. Niemand sterft, maar er is een spel gespeeld en een van beiden heeft gewonnen. Het mooie is ook hoe ze eerst met hun voetstappen de grond meten, en dat je weet dat ze zich aan de regels kunnen onttrekken en de andere in de rug schieten. Dat gebeurt. Ik denk dat het nu de regel is. Als ik nog kan denken, in deze sterke tijd, die zich zo wellustig aan me opdringt, bijna alsof hij wil zeggen dat ik niet besta, geen voetnoot ben in de geschiedenis, maar een atoom tussen massa’s andere atomen.

De tijd bestaat niet, maar telt toch al onze stappen, naar elkaar toe en van elkaar weg – en alle andere denkbare stappen die we zetten, en zelfs datgene wat sommigen misstappen noemen. Er is geen maat, maar alles wordt gemeten. Elk lied is wiskunde, ook al voel je alleen je hart kloppen. Maar je hart klopt matig. Ook al is het een verraderlijk hart, of een trouw hart, of een laf hart, het klopt matig. In een huis of in een schip op de donkere oceaan. Je hart klopt op het ritme van je verlangen. Het verlangen van je ziel. Vergis je niet! De menselijke driften maken een mens driftig en dom. Maar je verlangen wijst je de weg naar de sirene die je niet kent en niet wil kennen maar wil ontsluieren. Je verlangen is een raadsel op zoek naar een raadsel. In haar mysteries wil het worden ingewijd – en daarna vallen licht en duisternis in je leven samen en misschien kan de tijd dan gewoon zijn zin doen. Alsof hij het voor het zeggen heeft, zonder taal, zonder teken.

tijd, kindertijd, western, paradijs, klok, dagen, uren, verlangen, driften, freud, psychoanalyse, dood, leven, genot, lust,

Finis Gloriae Mundi, Valdes Leal

06-08-10

LAURIERROOS

droom,verlangen,romantiek,surrealisme,psychoanalyse,begeerte,drift,rimbaud,bob dylan,hendrik marsman,engel

Je stak de straat over net nadat de arbeiders van de vuilnisdienst hun werk hadden gedaan. De riempjes van je schoenen glinsterden nog, zoals de sterren op het water van de Schelde, toen  je mijn droom binnenstapte. Je onthulde mij het geheim van de laurierroos, een giftige bloem die ik je onnadenkend had geschonken, omdat ik ze in verband had gebracht met Laurier. Voortaan noem ik je niet langer Laurier, ook niet in mijn dromen (hoewel ik dat laatste niet kan beloven).

 

Als mijn geheugen me niet in de steek laat, en terwijl ik deze woorden neerschrijf gaan mijn gedachten onwillekeurig naar Arthur Rimbaud en Bob Dylan, twee boezemvrienden, dan stapte ik enkele dagen later een houten huis binnen. Vierentwintig kamers waren er eerst, maar geleidelijk aan ontdekte ik er meer. Een van de kamers was een heel bijzondere bibliotheek: in de rekken stonden bloemen, planten, groenten. Een gids noemde hun namen, vertelde over hun eigenschappen, hun geur en smaak, hun geneeskundige krachten, en in sommige gevallen ook hun giftigheid. Want veel van wat wij mooi vinden en lekker is giftig, soms dodelijk. Je weet maar al te goed dat de Blauwe Bloem Novalis een jonge dood schonk. Maar over jong gestorven dichters en muzikanten had de gids het niet. Hij was iemand die ‘ja’ zegt tegen het leven – en uit alles wat hij vertelde bleek dat hij net als ik wist dat je er maar een hebt. Hendrik Marsman schreef het al zo overtuigend in zijn gedicht ‘Lex Barbarorum’: “ik erken maar een wet: / leven.”

Ik nam afscheid van de vriendelijke gids en ging de andere kamers verkennen. Ze waren even geheimzinnig, aantrekkelijk, geurig als de bloemen. En in hun kleuren, vormen en afmetingen verschilden ze heel sterk, net zoals bloemen en planten dat doen, denk aan een myosotis en een zonnebloem. In sommige kamers dansten vrouwen, mannen, kinderen, in andere werd er gegeten en gedronken, in weer andere werd aan action painting gedaan. In een ruime, lichte kamer, met azulejos betegeld, zag ik je baden in een bad dat op een schelp leek, het schuim op dat van de zee toen Venus werd geboren. Elders werden aan kinderen met blauwe mutsen op sprookjes verteld. In een grote ruimte zaten mannen en vrouwen in lange gewaden naar klassieke Indische muziek te luisteren. Ik herkende sommige melancholische melodieën.

 

Je stond nog nat van het baden in stralend licht en zei: “ik erken maar een wet, en dat is leven”.  Ik dacht aan Hiroshima, aan de vreselijke dingen van vandaag, maar desondanks kon ik je geen ongelijk geven. Desondanks sprak ik als antwoord ongeveer dezelfde woorden uit: ”leven, dat is de enige wet die ik erken.” Zoals je daar stond in dat stralende licht, als een warm geworden boodschapster van de vreugde, kon ik je alleen nog maar omhelzen. Een engel omhels je niet, tenzij in een droom.

 

Inmiddels was het donker geworden en het weer tropisch. Je gaf me een vlinderachtige kus en verliet het huis. Ik keek door het raam. Beneden stond een koor bestaande uit Noordzeevissers te zingen. La Paloma, zongen ze, een lied dat iedereen kent. Je was naakt, vanwege de hitte. Niemand raakte je aan, je stralend lichaam. Niemand raakt een engel aan. Een engel verzengt. Ik sloot de ramen, vanwege de muggen, en sloeg mijn boek open en las je verhaal.

 

 

24-08-09

OPGEJAAGD WILD


richardgerstl-self_portrait_laughing

I think that maybe I’m dreaming
… Opgejaagd wild, wild opgejaagd door lust en onlust. Ontevreden met mijn berusting, met mijn uitputting, met mijn duistere en glasheldere verlangens. Zo reis ik  van de ene streek naar de andere, van de ene stad naar de andere, van het ene kasteel naar het andere. Op zoek naar je-ne- sais-quoi. Amuseer ik me ook, geniet ik van wat ik ruik, voel, zie, hoor, neem ik de scherven wereld in mij op, om er later op mijn manier van te getuigen? Ik weet het niet. Soms denk ik, jazeker, soms denk ik, zeker niet. Je weet dat ik een twijfelaar ben. Je weet dat ik weet dat ik weinig weet en van nog minder zeker ben. Je weet dat ik tevens weet dat het ‘beter’ is weinig te weten dan te denken dat je veel of zelfs alles weet. Je weet dat ik vaak niet eens weet wat ik doe. Opeens, bijvoorbeeld, ontwaak ik in een stilstaande trein in een uithoek van België. Verdoem mijn ziel, wat doe ik hier. Snel de trein terug op. De kaartjestknipper trekt niet eens zijn schouders op als hij mijn treinkaart knipt. Ik weet dat ik dat woord niet mag gebruiken, kaartjesknipper, maar dat is wat hij doet. Of hij zet er een stempel op. Een verdwaalde reiziger, zal hij denken. Of hij denkt helemaal niets, het zijn z’n zaken niet. Door mijn onverantwoord gedrag verwijder ik mijn vrienden van me. Niet dat ik me van mijn vrienden verwijder. Het is omdat ik zo graag bij ze blijf dat ik treinen mis, of te veel drink en me daarna van richting vergis, een verkeerde beslissing neem. Straks blijft er niemand over. Zulke dingen doe je niet ‘op mijn leeftijd’. Alsof mathematische leeftijd bestaat. Net zoals mijn schoonbroer, een psychiater, word ik opnieuw zestien, maar op hevigere, bewustere wijze dan toen. De opstandigheid is niet langer op een gevoel van onrechtvaardigheid gebaseerd, maar op jarenlange waarneming van een absurde realiteit.  De afkeer van een valse rechtvaardigheid, van een valse naastenliefde, van een valse liefde, van een vals geluk en van dwaze doelen, waar velen zelfs willen voor sterven, of op zijn minst hun lustgevoelens willen voor onderdrukken. Op een jarenlang ondergedompeld zijn in de realiteit is onze opstandigheid gebaseerd. Maar wacht, tegelijk is de jeugdige onnozelheid gebleven - onduidelijkheid, verwarring, een aan psychose grenzende negativiteit (zoals die van Bob Dylan in ‘Just Like Tom Thumb’s Blues’ – waar echter poëzie hem uit de maalstroom van het verderf redt).

Het zijn op hol geslagen driften en de aantrekkingskracht van het weinig bekende en gekende. Ik wil geen gevaarlijk leven leiden, dat is belachelijk, maar ik wil evenmin berusten in gerieflijkheid, het behangpapier van degenen die naar de dood verlangen. Verlang ik zelf dan niet naar de dood? Ja, natuurlijk – zoals iedereen, omdat het onze bestemming is. Het is een heel stille stem, die echter niet ophoudt ons te roepen; zij kent al onze namen. Het is stompzinnig om niet te verlangen naar wat onverschillig op je wacht. Maar verlang ik daarom naar jouw dood? Zeker niet. Ik wil niet dat je onheil onverkomt, ik wil je niet afnemen wat je hebt. Wat zou ik er mee doen? Ik heb weinig nodig, ook al omring ik mij met veel kleinigheden. Ik trek een muur rond me op, bestaande uit scherven werkelijkheid, of echo’s, afgietsels ervan. Die muur moet me wellicht verhinderen om te vertrekken. Maar ik wil voortdurend vertrekken. Het is waar dat als ik in Venetië of Madrid ben, dat ik dan weer naar huis verlang, zoals de matrozen van de Sloop John B. Maar eenmaal thuis wil ik meteen weer vertrekken. Naar een andere streek, naar een andere stad, naar een ander kasteel. Waarschijnlijk is het doordat ik zo hartstochtelijk bij je wil blijven dat ik almaar weg wil, naar waar de wind me voert, of duidelijker gezegd, het openbaar vervoer, de trein, de boot, het vliegtuig.

Als ik gelovig zou zijn, zou ik meezingen met Take My Hand Precious Lord, maar ik ben niet gelovig. Ik geloof alleen maar in de liefde, en de liefde maakt me ziek en wanhopig. Ik geloof alleen maar in de lust, maar de lust voert me naar de dood. Ik geloof alleen maar in de vriendschap, maar de vriendschap vertroebelt mijn zicht, doet me mijn gezicht verliezen. Zo voel ik me dan schuldig en denk ik dat ik door iedereen in de steek word gelaten. Zo denk ik aan vertrekken – en zo zal het blijven tot het einde, amen. Of?

MORTELLERANDONNEE


Afbeelding 1: Richard Gerstl, Zelfportret lachend, 1908.

Afbeelding 2: Isabelle Adjani in 'Mortelle Randonnée van Claude Miller, 1982.

17-04-09

GEMASKERD EN ANONIEM


bullleogierinlestricheurs

‘Larvatus prodeo’ schreef ik vandaag op Facebook. Het is een fragment van een uitspraak van de jonge Descartes. De verwijzing komt vaak terug in mijn notities. Waarom? Ik weet het niet. In het dagelijks leven probeer ik zo echt en waar als mogelijk te zijn. Ik houd niet van valsspelers. (Hoewel de film van Barbet Schroeder, ‘Les tricheurs’, mij nooit onberoerd zal laten – maar zijn personages zijn echte valsspelers, in casino’s en zo – dat is een groot verschil met vals spelen buiten het casino.) Om duidelijker te zijn: ik houd niet van mensen die zich anders voordoen dan ze zijn. Ik houd niet van aanstellers, bluffers, leugenaars. Of beter gezegd: ik denk dat ik niet van zulke mensen houd, want in werkelijkheid kan ik dat niet weten. Wie is waarachtig en wie vertelt leugens en speelt een rol? Bovendien, wat de zaak nog moeilijker maakt, ben ik verlekkerd op acteurs die hun rollen spelen alsof ze hen op het  lijf zijn geschreven. Alsof… Ja, alsof, omdat ik goed weet dat bijvoorbeeld Marlon Brando niet samenvalt met het hoofdpersonage in ‘Last Tango In Paris’, terwijl ik elke keer weer denk dat hij die wanhopige man is op zoek naar liefde en troost. Het is evenwel een personage, een masker.

brando

 
Zelf ben ik ook een personage. Lavatus prodeo. Gemaskerd ga ik door het leven, hoe naakt ik ook wil zijn, en zelfs ben. Vrienden, kennissen, onbekenden in de metro, ontmaskeren mij meteen als iemand die zo-en-zo is. Een slak zonder huis, om een frase te gebruiken, dat ben ik. En toch denk ik dat ik gemaskerd ben en wil ik mezelf van mijn masker(s) ontdoen. Het is duidelijk een verhaal van mise-en-abîme ( in het Nederlands het ‘Droste-effect’, jammer dat er van de Belgische Oude Pol niets is overgebleven).

Droste

 
Als kind wilde ik balletdanser worden. Ik hield ervan me te verkleden, trok de schoenen van mijn moeder aan en een sjaaltje van mijn tante Georgette – en dan danste ik op de muziek die uit de transistorradio kwam. Bobbejaan Schoepen, Will Ferdy, Perry Como, het is te lang geleden om het mij nog duidelijk te herinneren. Maar ik herinner me wel nog het heerlijke gevoel dat ik had als ik die hooggehakte schoenen van mijn moeder aan mijn voeten had. Laat anderen maar rolschaatsen zal ik hebben gedacht. Zo hield ik ook van Romy Schneider in Sissi. Het was niet alleen maar dat ik door de film(s) ontroerd werd: ik identificeerde me met het personage Sissi. Ik was Sissi. (Overigens ben ik ook Lassie, Fury, Ben Hur, Billy the Kid, Captain America en Andrej Rublev geweest – om mij tot films te beperken, de lijst mag niet eindeloos worden).

nijinski

 

Wat betekent dit allemaal? Het is alleszins iets om over na te denken. Bestaat er een zelf, een identiteit? Of veranderen wij voortdurend? Bijzonder indrukwekkend vond ik Bob Dylans uitvoering van zijn ‘When I Paint My Masterpiece’ in zijn (eigen) film ‘Renaldo and Clara’. Waarom? Omdat hij die song zong met een masker op. Overigens heeft hij veel later in zijn leven nog een film gemaakt die ‘Masked And Anonymous’ heet en is elk concert van de meester een aaneenschakeling van maskerades, vooral door de metamorfoses die zijn songs ondergaan.

dylan 

 

Gemaskerd ga ik door het leven, als een mens. Maar eigenlijk ben ik niets.  Eigenlijk ben ik niets zonder jou, die me zegt dat ik besta en wie ik ben. Geloof ik je echter? Ik betwijfel het. Mijn illusies zijn sterk. Toch. Het woord ‘ik’ behoort tot de taal, en zo verdwijn ik en ‘ik’ ‘zelf’ er weer in, in jouw woorden, in jouw taal. In jouw taal draag ik geen masker meer. In jouw taal ben ik onzuiver verlangen.

abc

Illustraties:

Bulle Ogier in Les Tricheurs van Barbet Schroeder.
Marlon Brando en Maria Schneider in Last Tango In Paris.
Droste Cacao

Nijinski
Bob Dylan in Renaldo and Clara

Alfabet

01-04-09

VERGETEN DROMEN, GRENZEN VAN HET HART

Het is altijd moeilijk om een droom die je had na te vertellen. Niemand leest graag dromen van onbekenden, zelfs niet van bekenden. Ik heb een droomboek van Jack Kerouac waar ik alleen wat in heb gebladerd, ik geloof in 1972, toen ik bij Leopold Flam filosofie studeerde. De man wees ons bijna dagelijks op het immense belang van dromen en sprookjes voor het leven. Nu lees ik helemaal geen dromen meer, geloof ik. Lange tijd heb ik me geoefend in het noteren ervan, en in ze analyseren. Dat was in de dagen dat ik de luxe had om ’s nachts op te staan om wat dingen te noteren; ik kon mijn tijdsgebruik zelf bepalen. Nu noteer ik bijna nooit meer een droom. En zeker kom ik er niet voor uit bed. Als ik een gedicht schrijf is het nooit, in tegenstelling tot bij iemand als Coleridge, op een droom gebaseerd.  Dromen interesseren me nog, maar alleen zijdelings. Het lijkt wel of ik van de nachtbruid ben gescheiden.
Dream_Vision_1525-Dürer
 
Op een nacht heb ik van je gedroomd. Door de ruis van de dagen is hij weliswaar al wat uitgewist, zo gaat dat met dromen. Ik vraag me af waar die uitgewiste dromen naartoe gaan? Is die informatie definitief weg, of zit ze ergens voor wie weet welk eventueel gebruik in de toekomst opgeslagen?

We bevonden ons in een soort vakantiekolonie. Een heel groot gebouw, met een zestal verdiepingen, een immense keuken, allerlei zaaltjes bestemd voor vergaderingen en vreemde, wellicht perverse zaken. Overdag hadden we met elkaar gepraat. Een intens, diep, beklijvend gesprek. Woorden als sterrenstof, zinnen als vallende sterren. Daarna verloor ik je, zoals Orpheus Eurydike. Mijn verlangen om bij je te zijn was groot. We waren als kinderen onschuldig, zoals de mensen zeggen. Ik ging je zoeken, door lange gangen, een labyrint: de vakantiekolonie.

Na ‘uren’ vond ik jouw kamer, waarvan de deur op een kier stond. Ik was niet helemaal zeker of het wel jouw kamer was - en zelfs al was het jouw kamer: ik liet de kier een kier en liet je slapen, als je al sliep. Ik verwijderde me, met veel spijt in mijn hart. Want ik had je graag in mijn armen gehouden en gekust. Maar die kamer was vreemd, de deur als een grens waar je niet door mag.

 Afbeelding: droom van Albrecht Dürer, 1525 (Antwerpen).

01-02-09

VERGEET NIETS, VERGEET NIEMAND


Je staat open in het veld van de taal en wacht tot iets groters, iets hogers, iets anders je aanspreekt. Er zijn dagen waarop je jezelf wilt verliezen in een niemendalletje, in een niets, in een leegte. Er zijn dagen waarop je weet dat het spel is gespeeld, dat er niets is, dat niets op je toekomt. Er zijn dagen waarop je niet eens meer huilt maar doodeenvoudig je nagels knipt. Alsof er niets aan de hand is.

Je staat onder een donkere hemel, met wolken van staal en uitgedoofde sterren, de maan een sikkel in de hand van een waanzinnige dronkaard. Je loopt over een duistere landweg, alleen, op weg naar de mogelijkheid van een feest. Je loopt naar een mogelijkheid. Je mond vol leugens op zoek naar een waarheid en bevestiging. Je loopt naar het licht, naar het water, naar een volmaakte verstrengeling met iets, iemand.

Het volmaakte is verstrengeld, vastgehecht aan de fossielen van het kwaad. De grond is met doornen bedekt, met grauwe krantenknipsels, met waardeloos geworden geld. De grond onder je voeten is vuil. Je raakt verstrikt in de braamstruiken van je geschiedenis. Je roeit echter je geschiedenis niet uit.

Net achter de horizon klinkt een mondharmonica, een fluitje, hinnikende paarden. Bliksem raakt een eenzame es. Zie je de engel op je schouder zitten? Hij fluistert je nieuwe woorden in. Ik ben een vrouw, zegt hij. Ik ben een engel. Niets heeft me gestuurd, niemand verwacht me. Jaag me nu niet meteen weg. Wacht, blinde jager, vergeet je warme jas niet, vergeet je verdriet niet, je vertrouwen, je trouw aan jezelf. Vergeet niets.

20-10-08

DE DRAAGLIJKE ONVERANTWOORDELIJKHEID VAN HANIF KUREISHI

kureishi

Met veel plezier sta, zit of lig ik te lezen in Hanif Kureishi’s ‘Something To Tell You’. Op de cover van de pocket wordt hij de “bestselling author of The Buddha of Suburbia” genoemd, alsof hij sindsdien niets meer heeft verricht. De man is bijzonder productief, soms overdrijft hij en lijdt zijn werk onder dat ritme – maar deze roman vind ik heel goed, en grappig. Zo goed dat ik er al twee exemplaren van bezit, een pocket voor in bed en de metro, een hardcover om naar te kijken. Overigens was de pocket duurder dan de hardcover.

Psychiaters en psychoanalysten schijnen in trek te zijn bij schrijvers. Het hoofdpersonage in Siri Hustvedts ‘The Sorrows Of an American’ is een pyschiater; in de roman van Kureishi is een psychoanalyst aan het woord. En hoe!

In Kureishi’s roman staan veel dingen die roepen om geciteerd te worden. Zoals dit:

“That word. Responsibility. When I watched Miriam on her TV ‘agonies’, it was the most-used word, apart from ‘I’. Owning your acts. Seeing yourself as an actor rather than victim. I am all for responsibility; who wouldn’t be? We are all responsible for our selves. But what are our selves? Where do they begin and how far do they extend.”

Is het niet waar? Iedereen moet de hele tijd zijn verantwoordelijkheid nemen. Ik heb zoiets van, naar verantwoordelijke mensen toe: het is tijd voor iets nieuws. Laten we het leven en de wereld veranderen, nu we er nog tijd voor hebben. Het is tijd om antwoorden te verzinnen, nieuwe woorden, nieuwe zinnen. Om vragen te stellen. Of niet soms?

12-09-08

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


mb 1968


Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging - in plaats van filosofie te studeren - leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! 
moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Foto: copyright Martin Pulaski.

23-04-08

ACTEUR EN MASKERADE

 

north by northwest2

De acteur stelt zich niet bloot aan zijn publiek. Zelfs als hij naakt op het podium staat is hij niet bloot. De toeschouwer ziet zijn naaktheid als een omhulsel, een lichaamomvattend masker, want de acteur draagt inderdaad een masker. Het masker is zijn rol, het spel met de anderen is zijn maskerade. Ook de toeschouwers zijn gemaskerd, maar bij hen is het geen spel, maar zeer vaak bittere ernst. Niet dikwijls kan een toeschouwer met zware problemen die tijdens zelfs een bijna perfecte opvoering van King Lear vergeten. Hopelijk voor hem zijn er toch momenten waarop hij zich bijvoorbeeld met Cordelia identificeert, of met Gloucester, het maakt niet echt uit met wie, het is maar een hoop die ik heb. Gaan niet alle mensen gemaskerd door het leven? Soms denk ik, nee, niet alle mensen, er zijn uitzonderingen, laten we zeggen: gekken en moordenaars. Maar speelt de moordenaar niet de rol van moordenaar? En de gek de rol van gek? Een korte episode van ongemaskerd zijn stelt de moordenaar in staat echt mens te zijn. Maar de prijs voor die menselijkheid wil geen mens echt betalen. Hetzelfde geldt voor de waanzin. Wie wil waanzinnig worden om mens te kunnen zijn? En dan nog maar heel kort, want al snel worden moordenaar en waanzinnige in de patronen van de maskerade, van de berusting gedwongen. Geneesmiddelen en straf, artsen en rechters hebben die functie en opdracht. Je weet toch dat alles normaal moet verlopen. Sterke, jonge mannen, vol dromen en verlangens, gaan de oorlog in alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar beste polemologen, is oorlog wel een normale zaak? Zeg het me, want ik heb zo mijn twijfels. 

Na de voorstelling heeft de acteur zijn masker afgezet; hij heeft snel wat gemakkelijk zittende kleren aangetrokken, het spel is afgelopen. Als hij het café binnenstapt zie je dat hij nog wat nazindert, nog wat gloeit – de natrillingen van het genezende spel. Heel even zie je vanuit je ooghoek, terwijl je een slokje wijn neemt, de echte mens, zonder masker, op de grens van de gespeelde vervreemding en de echte, die waar wij in leven. Alles wat ik hier vertel is niet nieuw. Het thema van de vervreemding en de maskerade komt in duizenden boeken, films en toneelstukken voor. Een mooi voorbeeld is het personage Roger Thornhill (Cary Grant), in Hitchcocks ‘North By Norhtwest’. Het gaat om een doorsneeburger die verward wordt met een geheim agent, George Kaplan. Al van in het begin van het verhaal maakt alles wat Thornhill doet hem verdacht. Zijn gedrag maakt als het ware duidelijk dat hij George Kaplan is, terwijl dit toch niet het geval is. Deze man komt in een meta-maskerade terecht, waar niets is wat het lijkt, en het tegelijk toch is wat het is. Als je lang nadenkt over deze film stort je hele wereld in. Je weet niet meer wie je bent. Wat is je essentie, datgene wat je ziel wordt genoemd? Wat is je psyche? Ben je degene die je denkt dat je bent of ben je veeleer degene die door de anderen wordt bekeken en beoordeeld? Er zijn nog talloos veel andere voorbeelden van verhalen over maskerade en ontmaskering, over dubbelgangers en mensen zonder gezicht. Mag ik ‘Les yeux sans visage’ van Georges Franju aanbevelen? Of een biografie over Artur Rimbaud? Waarbij ik ervan uitga dat een biografie over Arthur Rimbaud niet echt over de dichter en avonturier gaat. Net zoals ‘Professione: Reporter’ van Antonioni niet echt over een reporter gaat. Veel lees- en kijkplezier!

11-04-08

OPSTAND VAN HET ES

Beste lezer wees niet bevreesd, ik ben niet naar Macao vertrokken. Ik zou niet eens weten waar die exotische plek zich bevindt en of ze hoegenaamd nog bestaat. Nee, de waarheid is prozaïscher. Dit schrijfbedrijf is tijdelijk gesloten wegens insubordinatie van het Es. Een mens is nooit de meester in zijn huis, dat weet u. Met andere woorden: ik heb eigenlijk niks te zeggen, maar voer uit wat mij wordt opgedragen. Het Es is in opstand gekomen. Een zware hoest, gepaard gaande met de secretie van onnoemelijke lichaamsvochten, uitputtingsverschijnselen en ademnood zijn er het gevolg van. Ik moet er nu zorg voor dragen dat ik mijn Es opnieuw te vriend maak. Maar zonder dat hij het weet poog ik met behulp van antibiotica zijn meest geniepige agenten uit te roeien. Andere middelen worden eveneens aangewend. Het resultaat is echter nooit vooraf gekend. Wij leven in een onheilspellende duisternis. Maar liefde, zegt men, kan wonderen verrichten. De dokter, een man van genade, heeft net mijn huis verlaten. Nu ben ik weer alleen om dit geschil te beslechten. In afwachting van een herstel van dit eenmansbedrijf verwijs ik u naar mijn recente en minder recente geschiedenis. Daar zijn nog wel wat edele metalen te vinden, als ik dat zo mag zeggen.

Ondertussen schijnt een heilzame zon, waar ik zelf geen heil van verwacht, in deze donkere, vochtige vertrekken, vol woorden en hels kabaal.