16-02-15

LIEFDE IN BARRE LANDEN

sandro_Botticelli.jpg

Nog zwak en uitgeput van de voorbije griepweken zag ik op televisie de film ‘Groenland’ van Thomas Kaan, over onmogelijke liefde, jaloezie, obsessie. Was het dan toch Valentijn geworden? Een fotograaf, Belg in Amsterdam, en een jonge vrouw verlangen naar elkaar en lijken hun levens met elkaar te willen delen. Maar ze kijken helemaal verschillend naar wat hen omgeeft – en naar elkaar. Hoe zij kijken en wat zij zien is hoe en wat zij zijn. Hij heeft de blik van een fotograaf – iemand die veel wil behouden, wat hij ziet, de tijd, de momenten. Zij is beweeglijk en merkt scheuren in wat hij als ‘ideale’ beelden ziet. Wat verwacht hij van haar? Dat ze zoals hij wordt? Dat ze met elkaar versmelten? Dat ze zijn spiegelbeeld wordt? Of gewoonweg zijn beeld, een beeld waar hij alles voor over heeft? Maar dan moet ze wel stil staan, niet veranderen van de voorstelling die hij van haar heeft. Dat kan alleen maar heel slecht aflopen, zoals de liefdes in ‘A la recherche du temps perdu’. De liefde van Charles Swann voor Odette de Crécy bijvoorbeeld. Zoals zoveel obsessionele liefdes. In werkelijkheid is de fotograaf niet echt geïnteresseerd in de jonge vrouw. Het gaat alleen maar om liefde. Liefde die soms kouder is dan de dood.

‘Groenland’ is niet echt een geslaagde film. De fotografie is ondermaats en nogal willekeurig. Maar hij zet wel tot denken aan.  Ik herinnerde me dat ik een paar dagen eerder iets over de liefde had gelezen in Rüdiger Safranski’s biografie van Friedrich Schiller. Lang moest ik niet zoeken, heb boek lag nog binnen handbereik. Het fragment gaat over Schiller’s toneelstuk ‘Luise Millerin’ (Kabale und Liebe).

“De volledige transparantie die Ferdinand van Luise verlangt laat bij de ander het verontrustende geheim verdwijnen. Maar leeft die liefde niet ook van de geheimzinnige ondoordringbaarheid van de ander? Kun je iemand nog liefhebben als je hem helemaal hebt doorzien? Zeker, je zult hem tot vervelens toe kunnen beheersen. Maar is het liefde als de geliefde je niet meer voor een verrassing kan plaatsen? In elk geval wil Ferdinand voor zijn liefde het volmaakt transparante ‘jij’. Maar zo’n transparante ander houdt op een ‘jij’ te zijn. Want elk ‘jij’ vormt een uitdagend andere wereld, waarmee je niet eindeloos een kunt worden. Zo’n verlangen naar eenheid berooft de ander van zijn realiteit en maakt hem, als is het maar in mijn beleving, aan mijzelf gelijk. Dat kan een tijdje goed gaan, maar uiteindelijk zal de ander in zijn anders-zijn des te nadrukkelijker uit de beelden waarin mijn verlangen naar eenheid hem heeft opgesloten, tevoorschijn treden. Zo komt het uiteindelijk tot dat zo pijnlijk heen en weer gaan tussen grote communie en hevige vijandigheid, tussen euforisch eenheidsgevoel en grenzeloos wantrouwen.”

Groenland werd veroverd door Erik de Noorman. Leif Erikson bracht er het christendom. Later werd het immense eiland een kolonie van Denemarken. Inmiddels is het een autonome regio, maar mij is de status niet helemaal duidelijk. Denemarken heeft er ongetwijfeld nog veel macht. Van de oorspronkelijke bevolking, de Inuit, schijnt er niet veel over te blijven. De bodem is er echter rijk, en nu de ijskap smelt zal er weldra wellicht ook olie kunnen worden ontgonnen. Erik de Noorman noemde het land Groenland als een vorm van public relations. Een land met zo’n naam leek hem heel wat interessanter dan bijvoorbeeld ‘Bar land’.
eric-de-noorman.jpg

Wat is dat toch met Denemarken? De avond dat ik ‘Groenland’ zag werden in Kopenhagen aanslagen gepleegd. Ik heb de reacties niet gezien, maar ik kan ze mij voorstellen: kil en afstandelijk. De voorbije weken zag ik de Deense serie ‘The Legacy’ (Arvingerne). Zo ben ik ertoe gekomen de Denen op die manier te zien, wat ongetwijfeld kortzichtig van me is. Baseer je oordeel nooit op snelle en populaire fictie. Maar een cultuur die zulke kille personages kan voortbrengen moet zelf toch ook iets kils hebben? In ‘Borgen’ zag ik al zulke ijskoude karakters de revue passeren. Ze slikken hun woorden in en tonen geen passie. Soms zijn ze wel heftig in hun negativiteit. Soms wil ik wel eens naar Kopenhagen. Er wordt verteld dat het een mooie stad is en heel vriendelijk voor voetgangers en fietsers. Echt ecologisch. Maar ik denk niet dat ik er ooit geraak. Wel wil ik mijn vriendin Agata – die ik nooit in het zogenaamde echte leven heb ontmoet – graag eens opzoeken. Ik ken Agata nu bijna tien jaar. We schrijven elkaar niet veel meer. Dat is ooit wel anders geweest. Ik geloof dat we elkaar goed kennen, maar er bestaat natuurlijk een groot verschil tussen geloven en weten. Soms denk ik dat zij het moeilijk heeft als Poolse vrouw in dat geestelijk barre land (zo stel ik het me voor). Maar ongetwijfeld vergis ik me. Agata is sterker dan om het even welke Deen die ik mij inbeeld. Haar eenzaamheid maakt haar hard en stralend als een kleine diamant. Misschien ontmoet ik haar best in een ander land, in Vietnam, Argentinië of ik weet veel waar. Ergens waar kleine diamanten op hun zachtst zijn. Of gewoon in een droom? Dat gaat ook als je ziek bent.

 

Schiller-Kabale-und-Liebe-3.-Akt-6.-Szene.jpg

...


19-02-13

OP ZOEK NAAR VERLOREN DAGEN


Verstrikt in de lianen van een droom, verdwaald in een labyrint van venijnbomen, terwijl woorden gezongen door een communistisch meisjeskoor me overspoelden, zag ik Rainer Maria Rilke bij zonsondergang als garnaalvisser op een wit paard over het strand van Oostduinkerke galoperen. Ik weende zoete tranen; bevochtigde een dundrukpagina van ‘A la recherche du temps perdu’.

---

 

(Deze woorden vond ik terug op de achterzijde van een toegangskaart voor de 47ste Handelsbeurs van Brussel in de lente van 1974, een jaar waarin ik veel naar Rock Bottom, Pretzel Logic, Kimono My House en Pin Ups luisterde. Na al die jaren proef ik nog steeds de Ethiopische koffie die we daar in een van die paleizen op de Heizel dronken.)

30-08-12

NAMEN

P1070355.JPG

Samber en Maas. Foto: Martin Pulaski.

Een paar weken geleden ging ik in de stad Namen op zoek naar mijn jeugd. Of het nu bewust was of onbewust, dat weet ik niet meer. Alsof ik in een ver land was aangekomen, in een grote, onoverzichtelijke stad, begaf ik me van het station meteen naar de toeristische informatie voor een plattegrond. De charmante dame in de kiosk hoorde dat ik néerlandophone ben, ondanks mijn Franse of Limburgse R. Mijn eerste teleurstelling. Tot mijn verbazing vroeg ik haar de weg naar het Musée Félicien Rops, waar ik helemaal niet naartoe wilde.

De gezellige straten en stegen in de oude stad konden mij niet bekoren. Op de terrassen van de cafés en de restaurants zaten vrolijke mensen, waardoor mijn latent gevoel van eenzaamheid helemaal doorbrak. In een zijstraat at ik gauw een wat bedorven ‘siciliaanse spaghetti’ en dronk een glas zure wijn, terwijl ik toch een levensgenieter ben. De twee kelners zagen er als middelgrote criminelen uit. Wat later liep ik, een beetje misselijk geworden, onder een blote vrouw met een varken door. Alle wegen in Namen leiden naar Félicien Rops. Ik had zijn museum blindelings gevonden. Is er dan niets anders te zien in die stad? Ik maakte me gauw uit de voeten. Hoe ouder ik word hoe minder zin ik heb om musea binnen te stappen. Ik zwerf liever in parken rond, in doolhoven, in kruidtuinen en op kerkhoven. Soms bezoek ik al eens een kerk. De jongere in mij zou er tegen spuwen. De oudere komt er tot rust. Als er geen andere toeristen rondhangen.

Nogmaals, ik meende mij te herinneren dat je in Namen kon verdwalen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een tweetal minuten lopen bereikte ik de oever van een rivier; de Maas dacht ik. Zo smal, wat een teleurstelling. De tweede. Maar ondanks mijn suffe kop besefte ik al gauw dat ik langs de oever van de Samber liep. Ik stapte door tot ik de plek bereikte waar Samber en Maas samenvloeien. De Maas, Mosa, heilige rivier, rivier van mijn kinderjaren. Hoe vaak had ik er niet, gezeten op het voordek van de aak van mijn ouders, gedagdroomd, gefantaseerd over verre streken, avontuurlijke reizen. Wat mij daar omgaf als kind, al dat water, die lokkende oevers, de hoge heuvels, dat was op zichzelf al een verre streek; het varen was een avontuurlijke reis door een paradijselijke omgeving. De Maas die ik nu ontwaarde, hoewel veel breder dan de Samber, was echter een andere rivier, een rivier zonder betovering, een rivier die je niet tot dagdromen aanspoorde. De hoge bergen waren lage heuvels, het water had niet die mysterieuze geur van in mijn kinderjaren, de schepen leken alleen maar op schepen, transportmiddelen die vrachten van de ene naar de andere plek vervoerden. Ik maakte vlug enkele foto’s, hopend dat ik thuis alsnog iets ‘dieps’ zou ervaren, en keerde terug naar het station.

In de trein naar Brussel las ik nog wat in ‘Marcel Proust’s Search For Lost Time – A Reader’s Guide to The Remembrance Of Things Past’ van Patrick Alexander. Ik was net aan het hoofdstuk ‘Time Regained’ gekomen. In de buurt van Luik-Guillemins las ik het volgende:
“The somber tone of disillusion and world-weariness that pervaded The Fugitive continues in this final volume, and Marcel’s sense of failure and futility is relieved only in the concluding pages. Even the cherished sights of his childhood in Combray depress him. “I was distressed to see how little I relived my early years. I found the Vivonne narrow and ugly alongside the towpath.” The loss of the sense of wonder that the walks along the Vivonne once inspired reinforced his conviction that he will never become a writer, that his imagination has faded and he has nothing to say.”

Depressie is wat mij betreft geen Marcel Proust-woord. Ik ging het opzoeken in mijn Pléiade-uitgave. Na wat bladeren vond ik op pagina 693 van volume 3 het volgende:

“Mais ce qui me frappa le plus, ce fut combien peu, pendant ce séjour, je revécus mes années d’autrefois, désirai peu revoir Combrai, trouvai mince et laide la Vivonne.” Er spreekt dezelfde ontgoocheling uit als die van mij toen ik de Maas in Namen terugzag. Maar net zo min als Proust de Vivonne maakte de Maas me depressief. Ik zag dat het zo was en niet anders. De jongere ik in mij was verloren gelopen. 

21-08-12

STOCKHOLM ii

 

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.


Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de 'illusie van het nieuwe' te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het 'nieuwe' Vandaar de nood - dat zeg ik - van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Mijn antwoord:

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

 

20-01-08

TOTALE UITVERKOOP

proust,stemmingswisselingen,ellende,markt,vrouwen,te koop,leegte,verveling,vermoeidheid,hoofdpijn,facebook,cyberspace,sodom,gomorra,agata,agata lenczewska-madsen

Gisteren heeft Agata mij gekocht voor 571 dollar. Ik heb Valerie en Agata gekocht voor respectievelijk 640 en 571 dollar. Moet ik er mij zorgen over maken dat ik nog steeds te koop ben? Zo, al vrouwen kopend, verlies ik mezelf in de dagen en de wereld en hoef ik niet aan mezelf toe te komen, daar waar alle raadselen sluimeren.


Ja en ik heb toch ook nog iets moois gelezen over stemmingswisselingen in Prousts ‘Sodom en Gomorra’, een passage die ik maar eens zal citeren:

“Wie heeft dit feit niet waargenomen bij vrouwen, en zelfs mannen, begiftigd met een opmerkelijk verstand, maar lijdend aan nervositeit? Als zij gelukkig, rustig, voldaan over hun omgeving zijn, worden zij bewonderd om hun onschatbare gaven; door hun mond spreekt, letterlijk, de waarheid. Een migraine, een lichte aantasting van hun eigenliefde volstaat om alles te veranderen. Het lumineuze verstand, vinnig, verkrampt en benepen, weerspiegelt alleen nog een geïrriteerd, argwanend, ijdel ik, dat het nodige doet om onaangenaam te worden gevonden.”


En nu begeef ik me weer naar de markt, om te zien wie er vandaag te koop is
.

04-10-07

HET GEHEUGEN, HET ZELF EN DE TIJD

tijd,geheugen,gevecht,herinnering,mijmering,geschiedenis,balans,onderzoek,wereld,proust,wonen,handelingen,schrijven,vergetelheid,politiek

Foto: Martin Pulaski, 2007.

Is de tijd gekomen om een balans op te maken van mijn leven? Het zou niet de eerste keer zijn. Een kritisch ‘onderzoek’ dat licht moet werpen op het nu. Wat doe ik, waarom doe ik het? Wat zijn mijn beweegredenen? Verwerpen wat dient te worden verworpen. Het is een gevecht met mezelf, een afrekening ook, bijna zoals je met een vijand afrekent. Waar en wanneer heb ik mezelf iets voorgelogen? Welke conclusies, welke handelingen waren verkeerd? Het is een moeilijke opdracht, maar wellicht noodzakelijk. 
 

Is er in mijn wereld nog plaats voor idolen? Valse idolen moeten van hun voetstuk vallen – en welke idolen zijn echt?


Op dit ogenblik heb ik de indruk dat ik me tot dusver voornamelijk met bijkomstigheden heb beziggehouden, dat ik dus eigenlijk veel van de mij toegemeten tijd heb verspild. Dan is het echt wel nodig om vanaf nu voor de tijd die me nog rest in de richting van de ‘essentialia’ te gaan.


Waarom zit ik hier, in dit appartement, in deze kamer, die ik zoveel als mogelijk heb ingericht naar mijn eigen smaak? Wat heeft die smaak te betekenen? Ben ik dat, druk ik mezelf daar in uit, of is het een toegeving aan dwingende factoren waar ik geen vat op heb? Want heel vaak lijkt die smaak verkeerd, heel vaak heb ik de indruk dat ik in de verkeerde kamer zit, dat bijvoorbeeld al die boeken weg zouden moeten, dat een quasi lege ruimte veel meer aan mijn ‘karakter’ zou beantwoorden.


Heeft het weinige wat ik nu doe – en het is echt minimalistisch – enig belang in het geheel van mijn bestaan en in het grotere geheel waar mijn bestaan een - slechts bij wijze van spreken - microscopisch deeltje van vormt: de wereld, de geschiedenis, het universum? In zekere zin is deze vraag tevens een antwoord. Maar zo’n uitspraak zegt weinig.


Een gevecht met mezelf is een gevecht met mijn verleden, met mijn geschiedenis. De vragen zijn wapens die kunnen verwonden, doden zelfs. In hoeverre ben ik het zelf die ze stel, en komen ze niet als vreemde voorwerpen in mijn hoofd terecht, opgedoken uit het duistere, onbekende? Voel ik nu een behoefte aan controle? Het vragen zelf is problematisch, de manier waarop een vraag wordt geformuleerd is altijd op zijn minst gedeeltelijk bepaald door vormen uit het verleden.


Er is niets dat niet is aangetast door de tijd. Er bestaat geen vacuüm waarin voorwerpen en gedachten onaangeroerd bewaard blijven. Er is geen positie van waaruit we gevoelloos en objectief kunnen terugkijken op wat was, op wat we hebben verricht of nagelaten. Het geheugen zelf faalt, omdat het net zo goed aan de tijd is onderworpen. Zijn zuivere en juiste herinneringen mogelijk? Als ik me niet vergis dacht Proust van wel. Misschien is het hoogmoedig van mij om Prousts hypothese te betwijfelen, maar zo is het nu eenmaal. Ik geloof er niet in. Wij vervormen alles. Van A maken wij A kwadraat en B geven we  – misschien onterecht – een negatieve waarde.


Gelukkig, zeggen we meer dan eens, is er de vergetelheid. Zelfs essentiële gebeurtenissen uit ons leven, vooral uit de kinderjaren, kunnen we vergeten – soms voor altijd, ook een lange psychoanalyse weet ze niet weer op te rakelen. Zo’n falen werpt een schaduw op elke ‘verhelderende’ herinnering, op elke analytisch-onderzoekende, kritische terugblik. Er is zelden helderheid, ook al kauwt de halve wereld op het woord ‘verlichting’. Iemand heeft het licht uitgedaan, er schijnen alleen nog wat waakvlammetjes te branden. We kunnen wel geregeld de aangename indruk krijgen dat we onszelf wat beter kennen – we zijn oud genoeg om het nu wel te weten – maar zeker kunnen we daar nooit van zijn.


Wij leven in een politieke en culturele wereld waar het geheugenverlies toeneemt. Wijst dat niet op verval en ontbinding?


Als ik aan een gevecht denk, denk ik meteen ook aan een reis. Het afrekenen waarover ik het hierboven had gebeurt tijdens een reis door de tijd. Ik reken af met mijn vijand, de vijand in mij, en tegelijk reken ik af met stukken tijd, met ‘het verleden’, waarvan ik niet weet of het wel het juist herinnerde verleden is. Ik heb dan wel oude, vermolmde normen en waarden verworpen, maar wat ik overhoud is onzekerheid en chaos. Daar moet ik het mee doen, daar moet ik mijn toekomst op bouwen. Een moeilijk begin voor een tweede of derde adem. Maar als het moet spreek ik mezelf wel tegen.

01-10-07

WANDELEND OVER PÈRE LACHAISE

pere lachaise,kerhof,roem,dood,parijs,documentaire,bob dylan,vele anderen,planet waves,bertrand,patrice chereau,modigliani,maria callas,faust,truffaut,chopin,goethe,melies,jim morrison,henri-georges clouzot,andre bazin,simone signoret,vera clouzot,yves montand,marilyn monroe,stephane heuet,jeanne hebuterne,proust,rimbaud,tbc,allen ginsberg,hugo,heddy honigman

Véra Clouzot, in Le salaire de la peur.


Het graf van Jim Morrison komt niet in beeld, alleen pijltjes en het woord Jim. Break on through to the other side, yeah. We chased our pleasures there. 

Het graf van Amedeo Modigliani. ‘Schilder en Jood’, zo stelde hij zichzelf voor.  “In Nice verkocht Modigliani enige werken aan rijke toeristen, maar slechts voor enkele francs per stuk. Het geld dat hij had, verdween overigens toch gauw richting drugs en alcohol.” Op 35-jarige leeftijd stierf de kunstenaar (24 janurari 1920), zijn vriendin Jeanne Hébuterne pleegde twee dagen later zelfmoord. Zij “werd begraven in het Cimetière de Bagneux, bij Parijs. Pas in 1930 mocht zij van haar verbitterde familie rusten naast Modigliani en werd zij herbegraven.” Modigliani schilderde radieuze vrouwenportretten; zachte gebogen lijnen van hun hoofd, ogen en lichaam; warme, sensuele kleuren.

Stephane Heuet legt, met een teder gebaar bloemen op het eenvoudige zwart marmeren graf van Marcel Proust. Heuet, een vriendelijke, bescheiden man, “werkte zeven jaar als marinier, voordat hij besloot zijn loopbaan een artistieke draai te geven. Gefascineerd door het werk van Marcel Proust besloot hij diens werk in stripformaat uit te brengen.” In 1998 verscheen 'A la Recherche du Temps Perdu’. Ik weet nu eindelijk hoe een ‘madeleine’ eruitziet. Ik dacht dat het van die langwerpige cakejes waren, maar ze hebben eigenlijk een schelpvorm.

De graven van Yves Montand en Simone Signoret. Montand zingt ‘Le temps des cérises’, a capella. Twee blinden lopen over straat, hun witte stokken als voelsprieten de straatstenen aftastend. Wat later zitten ze in het gezelschap van een blinde vrouw in een woonkamer te kijken naar ‘Diabolique’ met Simone Signoret en Vera Clouzot. Wat zien de drie blinden? Ze zien wat ze horen. Ze geven commentaar. Vertellen elkaar wat ze zien. Lachen met tragische gebeurtenissen. Maar het is lachen tegen beter weten in. “Met het klimmen der jaren tartte Signoret de conventies door haar uiterlijk te verwaarlozen. Ze bleef stevig whisky drinken, afslanken interesseerde haar niet, haar fotogenieke gezicht zwol op.” Yves Montand had een korte, heftige relatie met Marilyn Monroe. “Haar psychische problemen, deels geërfd van haar moeder, verergerden door haar chronische medicijngebruik.” Toch ligt Marilyn Monroe niet op Père Lachaise begraven. Of misschien toch wel, in het hart van Yves Montand. In het hart van vele vereerders. Vergeet toch ook maar niet ‘La chair de l’orchidée’ van Patrice Chéreau. Waanzin ligt altijd op de loer. “Je est un autre.” Bijna een reclameslogan. "Tant pis pour le bois qui se trouve violon." Maar nee, niet afgedwaald, Rimbaud bevindt zich elders.

Een jonge Japanse studeert piano in Parijs. Ze speelt Chopin. Lange stilte voor ze het stuk aanvat, als om de ziel van Fryderyk Franciszek op te roepen. Lang geleden stonden wij voor het graf van Chopin. Mijn geliefde kreeg een hoestbui. Ik hoopte oprecht dat het geen tbc was. Nee, de liefde is sterker dan de dood.

Maria Callas, zang geworden liefde, heftig klinkende schoonheid, vuur opgerakeld uit de ziel. Zag je haar ogen een andere wereld ingaan als ze die aria uit Tosca zong, was het Vissi d’arte? Ik ben niet zo goed in opera. Mijn leven speelt zich in de cinema af. En woorden geven mijn maat aan, zonder dirigeerstokje. Woorden, woorden, woorden… “Es gibt ein Glück, allein, wir kennen’s nicht; / Wir kennen’s wohl und wissen’s nicht zu schätzen.”

Georges Méliès heeft samen met de gebroeders Lumière de cinema uitgevonden en hele stukken van dit zelf, dat zichzelf niet kan definiëren, tenzij verwijzend naar hoofdstukken en shots en flarden dialogen. Je zag de geest van Méliès voortleven in een van zijn geestige trucages. Ik denk nu onwillekeurig aan 'La chambre verte' van Truffaut. Ook veel te jong gestorven, die beminnelijke man, die van de vrouwen hield. Zijn graf bevindt zich, zoals dat van Rimbaud en zoals het ware leven, elders.

De gids Bertrand heeft leren lezen van de opschriften op de zerken van Père Lachaise. Hij toont ons het graf van de dichteres Lisa Mercoeur, gestorven op 24-jarige leeftijd. Haar moeder heeft het grafmonument laten ‘versieren’ met gedichten van de dochter. Zelfs in steen gebeitelde woorden wist de tijd genadeloos uit. Tijd, de genadeloze rode lijn die door onze levens loopt. “Time is an ocean but it ends on the shore.”

Lang is het geleden dat wij over Père Lachaise wandelden. Zonder plannetje zochten we het kennelijk monumentale graf van Victor Hugo, maar zonder resultaat. Als kind was ‘De ellendigen’ een van mijn favoriete boeken. Ik heb er nooit een verfilming of televisieserie van willen zien: op de middelbare school werd mijn liefde voor Victor Hugo kapot gemaakt. Toch denk ik nu soms nog dat ik een personage uit 'Les misérables' ben.'We zochten dat graf omdat het vermeld wordt in een hoestekst van Bob Dylan, zo dacht ik. Planet Waves, het lijkt bijna de titel voor een dichtbundel van Allen Ginsberg. Alles is verweven. Holy, holy! Maar het geheugen bedriegt: Dylan verwees naar het huis van Hugo. Maar huis of graf, is er veel verschil? Overal zwierven er rode katten tussen de graven. Ik vatte het plan op om een roman te schrijven over het leven van deze merkwaardige dieren. Ze zouden de zielen van een aantal Père Lachaise-bewoners gaan incarneren in de woorden die ik nog altijd moet schrijven. Ik geef het geheim hier prijs en daar laat ik het bij. Er zijn nog veel meer doden, maar die laat ik aan anderen over.

Deze impressies zijn gebaseerd op de documentaire ‘Forever’ van Heddy Honigmann.

01-02-07

LEZEN EN LATEN LEZEN

geerten meijsing,voorlezen,simenon,mario praz,mentor,proust,lezen,boeken,passie,literatuur,leugens

De voorbije dagen las ik ter vermaak Georges Simenon. Dat is een beetje door Geerten Meijsing gekomen, die in de dubbelroman – het eerste deel is van zijn zus Doeschka – ‘Moord en Doodslag’ de Belgische veelschrijver zo ophemelt. Geerten Meijsing heeft me echt zin gegeven in Simenon, zoals hij me vroeger in de richting van Mario Praz en George Gissing heeft gestuurd. Moet ik me daar schuldig over voelen? Over dat aangename tijdverdrijf? Jullie zullen waarschijnlijk zeggen: maar nee, waarom zou je wel. Ik weet het echter niet. 


Er was een tijd dat ik me alleen bij Marcel Proust thuis voelde, bij wijze van spreken. Hij was me zo vertrouwd. Het was alsof zijn verteller me rechtstreek toesprak (en soms in het oor fluisterde).
Soms, als ik zelf niet meer tot lezen in staat was, las Laura voor. Ik heb het nu over lange tijd geleden, toen er nog koude winters bestonden. Inmiddels zijn er praktisch bezwaren ons leven binnengeslopen. Dat voorlezen deed zij alleen 's nachts; overdag was lezen en me laten voorlezen uitgesloten. Van de ochtend tot het vallen van de avond ging ik in vrijwillige ballingschap uit het leugenachtige 'rijk van de literatuur'. Zodra de avond viel werd ik weker en liet ik mij haar leugens welgevallen. Overdag las ik ook wel, maar die lectuur stond ten dienste van mijn eigen werk. Ik deed opzoekingen, verzamelde documentatiemateriaal, maakte aantekeningen, en dergelijke meer.

Met dat materiaal deed ik uiteindelijk niet zoveel. Als ik er nu over nadenk, na al die jaren, over dat ‘werk’, dan kan ik dat niet anders beschouwen dan een andere vorm van aangenaam de tijd verdrijven. En is dat niet het beste wat wij kunnen doen, de tijd die de grootste dief is, zo veel mogelijk verdrijven?

Afbeelding: manuscript van Marcel Proust.

26-11-06

HEEFT MEFISTO DE TOEKOMST IN HANDEN?


Daar staat Peter Gorissen met een revolver in de hand. Bijna op de rand van het podium. Ik heb nog dertien kogels, zegt hij. Ik geef mij niet over. Ik maak er een eind aan en neem er twaalf van jullie mee. Ik zit in de zaal, niet ver van deze man, die De Dikke speelt, de naamloze nazi-minister van cultuur, waar ik meteen Göring in had herkend. Peter Gorissen speelt niet, hij is. Daarom ben ik nu heel bang dat hij echt dertien kogels in zijn revolver heeft en dat hij echt op het publiek, en misschien op mij, zal schieten. Ik acht Peter Gorissen daartoe in staat. Zozeer bewonder ik hem als acteur. Maar nu ben ik doodsbang. Ik kan me ook niet verbergen achter de theaterbezoeker voor me, want die heeft tijdens de pauze de zaal verlaten. Vreemd is dat, want dit is theater zoals het maar zelden te zien is, van een overweldigende schoonheid getuigend, elke seconde, in elk aspect – maar het is geen vrijblijvende schoonheid, dit is gevaarlijke schoonheid. Of beter nog: schoonheid die ons wijst op het gevaar rondom ons, en op de grote verantwoordelijkheid die wij met zijn allen hebben. Maar dat zijn bedenkingen achteraf. Met angst en beven kijk ik toe hoe Peter Gorissen de revolver richt. Zijn demonische blik, vol doodsverachting. Maar dan keert hij de zaal de rug toe, stopt het wapen in de mond en…

Ik heb hier nu een boek voor me liggen, de Gedichten van Hugo Claus, een verzamelbundel uit de periode 1948-1963. Dat boek heb ik lang geleden van Peter gekocht. Hij was op bezoek bij mijn beste vriend Jos, Peters neef. Peter deed zijn boeken van de hand omdat hij naar de Verenigde Staten vertrok, om er te gaan studeren in Los Angeles. Dat is bijna dertig jaar geleden. Sindsdien is er veel gebeurd in de wereld en in onze persoonlijke levens. Jos heeft zich het leven benomen. Als ik me niet vergis heeft Peter ernstige geestelijke inzinkingen gekend. Maar ondanks die tegenslagen is hij een schitterend acteur gebleven. Ook in dit stuk, Mefisto Forever, van Guy Cassiers en Tom Lanoye, schittert hij. De andere spelers moeten overigens nauwelijks voor hem onderdoen. De klasse van Dirk Roofthooft kennen we allemaal. Zijn melancholische pretoogjes kunnen de tragiek van een verhaal zeer geloofwaardig maken. Ik zal nooit vergeten hoe hij me in het café van De Bottelarij ooit troostte toen ik door te veel alcohol, en na een lang gesprek met een Amerikaanse operazangeres, ten prooi viel aan diepe melancholie – een zware aanval van verlatingsangst. Het werk van Guy Cassiers volg ik op de voet van sinds hij als jonge theatermaker van start ging. Vroeg in de jaren ’80 zag ik hem samen met zijn vader aan het werk in een gelijkvloerse verdieping aan de Cogels-Osylei. Was het een theatervoorstelling? Met zo’n twintig lotgenoten mochten we het appartement betreden. Er werd ons koffie aangeboden. Al gauw kregen vader en zoon ruzie. Er ontstond een stevige scheldpartij. Was dit komedie? Moesten we lachen? Huilen? De scène duurde gelukkig niet al te lang. Vervolgens mochten we de woning weer verlaten. Ik weet nog altijd niet wat ik toen heb meegemaakt. Wat ik wel weet is dat de vier Proust-voorstellingen van Guy Cassiers tot het beste theater behoren dat ik ooit heb gezien. En nu bereikt hij – samen met zijn ploeg - met Mefisto Forever weer zulk hoog niveau. Alleen ga je niet echt met een gelukzalig gevoel naar huis, na een voorstelling die je waarschuwt voor het reële gevaar van het huidige fascisme. Ik was me daar al wel van bewust, maar wat deed ik er eigenlijk tegen? Kunnen wij ooit voldoende doen? Wegkijken is niet de boodschap. Maar wat is dan wel de boodschap? Weinigen van ons hebben het talent van Guy Cassiers om de waarheid tot diep in de ziel te laten doordringen.

19-03-06

BEAT GENERATION ALS VOORBEELD


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb een fijn kleinood gevonden, een dubbel-cd van Allen Ginsberg, getiteld ‘First Blues’. Toen ik jong was, was ik een groot bewonderaar van Ginsberg en van William Burroughs, Jack Kerouac, Gregory Corso, Diane DiPrima, Lawrence Ferlinghetti… Wat de beat generation werd genoemd. Mijn levensstijl in de eerste helft van de jaren ’70 was voor een groot deel gebaseerd op Kerouacs ‘The Subterraneans’ en ‘The Dharma Bums’. Later ben ik dat allemaal gaan relativeren, behalve ‘Naked Lunch’ van William Burroughs en Kerouacs ‘On the Road’.

Ik heb dan ‘rijkere’ literatuur aangetroffen, zoals Proust, Pavese en Musil en de westerse filosofen. Maar de bewondering voor deze subversieve mannen en vrouwen uit de Verenigde Staten is nooit geheel verdwenen. Om de zoveel jaar nam ik nog wel eens zo’n vergeelde paperback ter hand. ‘Howl’ is een echt meesterwerk. Dat zal de tijd doorstaan. En nu zit ik dan te luisteren naar deze cd. De eerste liederen klinken bijzonder gezellig, je krijgt meteen zin om mee te zingen. I’m going down to San Diego. In het tweede nummer gaat Burroughs naar Puerto Rico, on the Vomit Express, duidelijk een buitengewoon feestelijke trein. Bob Dylan en Scarlet Rivera zitten ook in deze trein.

Deze namiddag heb ik een aantal scans gemaakt van tijdschriften en boeken uit de jaren ’60 en die heb ik op flickr gezet. Ik denk dat ik er ‘Howl’ nog ga aan toevoegen. Ja, dat ga ik doen, en iets van Jack Kerouac ook. Deze muziek geeft mij daar heel veel zin in. Ik zal me wel moeten haasten, want de lamskoteletjes zijn bijna klaar.

23-07-05

GEORGE HARRISON EN GEETA DUTT


geeta dutt 2

All Things Must Pass
van George Harrison is ongetwijfeld een mijlpaal in de populaire muziek; de beste soloplaat van een Beatle. Vreemd woord overigens, Beatle, zo in het enkelvoud. Het had altijd Beatles moeten blijven, de groep had nooit mogen uiteenvallen, en John, Paul, George en Ringo hadden eeuwig moeten leven, yeah yeah yeah. Dat was het minste wat God voor ons had kunnen doen. My Sweet Lord! Maar even ernstig nu: Harrisons melodieën zijn adembenemend, zijn stem gaat door merg en been, de productie – van Phil Spector – is onberispelijk. Als je de plaat niet kent, raad ik je aan eens te luisteren naar I’d Have You Anytime, If Not For You – beter bekend in de versie van Bob Dylan - en de titeltrack natuurlijk.

Het allermooiste lied, denk ik, heb ik helaas maar een keer gehoord, op een avond in 1987, toen ik op televisie naar de film Kaagaz Ke Phool van Guru Dutt zat te kijken. Een mooie, melancholische film, bijna even goed als De muziekkamer van Satiyajit Ray. Toch waren mijn gedachten even afgedwaald van het verhaal, tot ik de stem van Geeta Dutt hoorde, een en al gelukzalige droefheid; en voor wat er toen met me gebeurde vind ik geen woorden. Het was een zinsverbijsterende ervaring, je mag al blij zijn als je er zo één hebt in je leven; Proust schrijft er over in Op zoek naar de verloren tijd. Geeta Dutt en de liederen Dekhi Zamaane ki Yaari en Waqt ne Kiya Kya Haseen Situm, dat moet het allerhoogste zijn wat een mens qua expressie van emoties kan bereiken.
Sinds 1987 ben ik al op zoek naar die muziek, en naar de film, zonder resultaat. Maar misschien zoek ik niet hard genoeg, misschien ben ik bang voor de teleurstelling die ik zeker zal voelen als ik deze muziek nogmaals zal horen.

20-07-05

EEN AANTAL SPOREN


CINEMA2


Als ik niets te vertellen heb, kan ik ook niets bedenken. Ik heb geen fantasie en kan niet liegen. Als ik niets te vertellen heb zijn er drie mogelijkheden:

1.Ik geef je helemaal niets.
2.Ik geef je oude verzinsels.
3.Ik laat in mijn kaarten kijken (sporen).

Liefde

Liefde als een bron van groot moreel gevaar, “door haar partijdigheid en de ermee gepaard gaande extreme kwetsbaarheid, die de koppeling met jaloezie en woede vrijwel onontkoombaar maken.” Dat las ik tot mijn grote schrik in ‘Oplevingen van het denken’ van Martha Nussbaum.

Teleurstelling

“Het streven van gisteren gold voor het ik van gisteren en niet voor dat van vandaag. Wij zijn teleurgesteld dat datgene wat wij zo graag bereikt noemen, zo nietig blijkt te zijn.” Toen Samuel Beckett dit schreef in verband met Marcel Proust vertelde hij niets nieuws. Dit idee vinden we reeds bij Kant terug en, nog meer uitgewerkt, bij Schopenhauer. “Zodra we iets krijgen waarnaar we hebben verlangd ontdekken we dat het niets voorstelt, en leven we alweer in de hoop op iets beters, hoewel we tegelijkertijd ook vol spijt verlangen naar wat voorbij is. Met het heden nemen we maar voorlopig genoegen, en we beschouwen het alleen als de weg naar het doel.” Dat schrijft Schopenhauer in ‘Over de nietigheid van het bestaan.’Onze dorst naar bezit is onlesbaar, ongeacht het object van ons verlangen.

Dichtkunst

“De goede dichters van epen danken al die mooie poëzie niet aan vakmanschap, de oorzaak is dat zij van god vervuld en bezeten raken. Hetzelfde doet zich bij de goede lyrici voor. Zoals de korybantenvolgers als hun geest helder is niet kunnen dansen, zo maken de lyrici die mooie liederen niet als hun geest helder is. Maar wanneer ze onder invloed komen van harmonie en ritme, ontstijgen ze zichzelf en raken ze bezeten. Zoals de Bacchanten die honing en melk uit de rivieren scheppen wanneer ze bezeten zijn, maar dit nalaten wanneer hun geest helder is – zo werkt ook de ziel van de lyrici, naar ze zelf verklaren.
Want de dichters zeggen ons, dunkt me, dat hun zoete liederen die ze ons brengen, eerst uit de van zoete honing overvloeiende bronnen in zekere tuinen en dalen van de Muzen gepuurd hebben. De bijen gelijk – en vliegen kunnen zij ook al. Ze spreken de waarheid: een licht gevleugeld en heilig ding is de dichter, die niet kan scheppen eer hij vol van god en leeg van zinnen raakt, zijn verstand hem niet meer hindert. Zolang hij nog over zijn verstand beschikt, is geen mens in staat te dichten en te profeteren.” Plato, Ion.

01-06-05

OMGEVEN DOOR ALLERHANDE OBJECTEN


lucian freud - closed_eyes


Problemen!
Ik heb een iPod gekocht, en toch ben ik geen dief. Als je een dergelijk toestelletje aanschaft word je nochtans via een sticker gewaarschuwd dat diefstal van liederen een doodzonde is, of iets dergelijks. Je kunt er zelfs voor gestraft worden, geloof ik. Met wat is me onduidelijk, het zou wel eens verbanning kunnen zijn naar een streek waar geen muziek bestaat. Dat is dan zeker niet de hel, want daar zitten de allerbeste muzikanten, onder wie Wolfgang Amadeus Mozart en Robert Johnson. Iedereen weet toch dat Wolfgang een vrijmetselaar was; en Robert verkocht op een kruispunt in de staat Mississippi zijn ziel aan de duivel, net zoals Faust. Op mij is die waarschuwing echter niet van toepassing, want zoals ik al zei ben ik geen dief. Voorlopig toch niet. Wat ik doe met die iPod is combineren, verbanden leggen, verzamelingen maken, radioprogramma’s - alleen maar voor mezelf - samenstellen. Ik gebruik daarvoor mijn zeer uitgebreide cd-collectie, die onder meer door iPod en i-tunes stilaan overbodig wordt. Soms laat ik mijn iPod gewoon zijn zin doen en dan word ik telkens weer verrast door zijn goede smaak: hij is een uitstekend mixer. Maar wat is er dan aan de hand? Het probleem is dat ik niets meer doe. Ik schrijf niet meer, lees niet meer, bekijk geen films meer en beluister nog nauwelijks muziek! Al mijn vrije tijd gaat naar het op harde schijf zetten van mijn uitverkoren songs en daar dan weer selecties uit maken voor mijn ipod. Doodmoe van dat zenuwslopend met schijfjes jongleren ga ik dan (veel te laat) naar bed en doe meteen het licht uit, zonder eerst nog een uurtje of een half uurtje wat te lezen in het verzameld werk van Giorgio Bassani of in 'Op zoek naar de verloren tijd', of in om het even welk ander meesterwerk. Wel stop ik voor ik het licht uitdoe de oortjes van de ipod in mijn oren, na eerst vlug een selectie gemaakt te hebben van wat ik bij het in slaap vallen wil horen. (Dat boek van Martha Nussbaum over de emoties zal nog lang ongelezen blijven liggen, denk ik.) Die ipod is een verjaardagsgeschenk aan mezelf: morgen is het mijn verjaardag (ook die van Markies De Sade, Thomas Hardy en Charlie Watts). Ik begin te vermoeden dat ik mezelf er de duivel mee heb aangedaan. Hoe meer je toestaat dat de objecten je leven gaan beheersen, hoe ongelukkiger of ontevredener je wordt. ’s Nachts keer je dan terug naar een wereld zonder objecten en ’s morgens word je uitgeput en vooral boos wakker: terug in de werkelijkheid. Het paradoxale van zo’n iPod is dat het een object is waarmee je je voor de andere objecten kunt afsluiten. Een ideaal cadeau voor narcisten en escapisten die vol angst en beven door het leven gaan.

Reproductie: Lucian Freud, Closed Eyes.