15-11-14

ENKELE NOTITIES 'OMTRENT ANTONIN ARTAUD'

Artaud Abel Gance (Marat).jpg

Ik kijk terug op een geslaagde avond omtrent Antonin Artaud, een performance, als ik het zo mag noemen, maar net zo goed een feest van het woord en van de ware vriendschap, in Den Hopsack in Antwerpen. Uitgeput van slapeloze nachten en een luchtwegeninfectie vond ik in de taal een partner om mij op zo goed als onbekend terrein te begeven. Ik bedoel niet het onderwerp maar de ruimte. Mijn ‘poëtische’ optredens zijn schaars. Ik twijfel aan de kracht van mijn woorden, vooral vraag ik me af of ik ze wel voldoende leven kan geven. Ik herinner me een rampzalig non-optreden tijdens een zogenaamde nacht van de poëzie, ook in Antwerpen, in 2012. Geen mens die ook maar één woord wilde horen van mijn breekbare verzen. Of misschien toch één, maar zeker niet meer. Zich dichters noemende brulapen kregen het dronken publiek wel op hun hand. Zo heb ik het altijd geweten: hoe luider je roept en hoe sterker je je voordoet hoe populairder je bent. Voor een tijdje.
Donderdagavond was het anders. De ruimte was intiem, de luisteraars waren open van geest en oor en niet vooringenomen. Wat een dankbaar publiek. Het heeft me zin doen krijgen in meer performances, maar zeker niet in nachten van de ‘poëzie’, slamwedstrijden of gevechten in een of andere sterrenarena.

Mijn levensgezellin - die toevallig mijn partner op het podium werd – en ik hadden ons natuurlijk wel terdege voorbereid.  In plaats van de hele Antonin Artaud nieuw leven in te blazen, een onmogelijke opdracht, kozen we ervoor één heel bijzondere tekst/performance te belichten, met name ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’. Dat hoorspel werd opgenomen in een studio van de Franse radio tijdens meerdere sessies in de periode van 22 tot 29 november 1947. Artauds kritische en orakelachtige fragmenten – die één geheel vormden – werden uitgevoerd door hemzelf, Maria Casarès, Roger Blin en Paule Thévenin.

Het hoorspel zou op 2 februari 1948 worden uitgezonden. Echter, de directeur van de Franse openbare radio, Wladimir Porché, verbood de uitzending.  Ook nadat het programma werd voorgelegd aan een soort jury van schrijvers, acteurs  en kunstenaars – onder meer Jean Cocteau, Paul Eluard, Jean-Louis Barrault en Louis Jouvet –  een jury die van mening was dat het wel kon,  bleef de directeur weigeren. De tekst verscheen al kort na de dood van Artaud in 1948.
De uitzending werd veel later zelfs op cd uitgebracht en is ook online terug te vinden op onder meer ubuweb. Volledige tekst, brieven en krantenartikels over het hoorspel zijn opgenomen in deel XIII van de ‘Œuvres complètes’ (in 28 delen in de collection Blance van Gallimard).

Omdat we zelf geen muzikanten zijn en te weinig tijd hadden om anderen om een muzikale bijdrage te vragen (tamboerijnen, trommels, trompetten) besloten we enkele bestaande muzikale rustpauzes in te lassen, waardoor ik even het gevoel kreeg dat ik Zéro de conduite aan het uitzenden was. Dat zal de koorts geweest zijn.
P1100956.JPG

Het programma zag er zo uit:

1. Sanities, uit ‘Music For A New Society’ van John Cale.
2. Pour en finir avec le jugement de dieu – inleiding.
Agnes Anquinet leest de ‘inleiding’ voor uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’.
3. Zaad voor Antonin Artaud.
Monoloog door Martin Pulaski.
4. I Saw The Best Minds Of My Generation Rot, uit ‘Virgin Fugs’ van the Fugs.
Gebaseerd op het gerenommeerde ‘Howl’ van Allen Ginsberg, een lang gedicht dat zeker ook verwant is aan het werk van Artaud.
5. Tutuguri – Le rite du soleil noir.
Tweede fragment uit ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’door Agnes Anquinet.
6. De vraag dringt zich op (een onmoeting)… 
Monoloog door Martin Pulaski.
7. Water Music, uit ‘The Last Album’ van Albert Ayler.
Deze lyrische free jazz sluit aan bij de tweede monoloog, waarin de vrouw haar kleren uittrekt en in een rivier duikt. Met deze muziek werd de performance afgesloten.


Tijdens de weken van voorbereiding vond ik tot mijn verbazing, mijn geheugen is slecht, massa’s aantekeningen terug bij het werk van Artaud. Twee cahiers volgeschreven, losse blaadjes, notities in de marge van het verzameld werk en van studies en essays over deze unieke figuur. Artaud verscheen opnieuw in mijn leven, zoals hij er in het midden van de jaren zeventig in was verschenen. Maar al gauw veranderde hij in een tijdgenoot, in iemand van nu; ik vulde hem aan met mijn ervaringen, gedachten, dromen, liefde en pijn. Ik mag hopen dat er van mijn overrompelende omgang met deze anti-oedipus een vonk is overgesprongen naar het publiek.

Veel dank gaat naar de organisatoren van de Muzeval, Pipelines vzw, naar literair artistiek café Den Hopsack en naar alle goede, oude en nieuwe vrienden die aanwezig waren en degenen die niet aanwezig konden zijn.
P1100959.JPG


...

Voor de lezer die veel meer wenst te weten over Antonin Artaud volgen hier enkele werkdocumten. De twee monologen mag je morgen of overmorgen verwachten.

Documenten

Brontekst

Œuvres complètes, vingt-six tomes publiés (en 28 volumes) aux Éditions Gallimard, coll. Blanche, 1956-1994
In de ‘Œuvres complètes’, 28 delen, uitgegeven in de collection Blanche tussen 1956 en 1994 vind je de tekst en Artauds brieven die er verband mee houden terug. Bovendien staan er alle krantenartikels uit die dagen in, en zeer verhelderende voetnoten.

Geraadpleegde werken (selectie)

Obliques / Artaud, Roger Borderie et Jean-Jacques Pauvert, 1986, textes de Michel Sicard, Michel Camus, Jérôme Peignot, Guy Rosolato, Jean Domeneghini, Jérôme Prieur, Jean Cocteau, Françoise Buisson, Marc Fumaroli, Jean Thibaudeau, Odette et Alain Virmaux, Alain Jouffroy, Jean-Michel Heimonet, Jean-Paul Morel, Pierre Courtens, Jacques Sojcher, Georges-Arthur Goldschmidt, Charles Bachat, Ronald Hayman, Jacques Prevel, Bruno Chabert, Claude Reichler, Florence de Meredieu, Daniel Giraud, Antonin Artaud.
Gilles Deleuze & Félix Guattari, L’anti-oedipe. Capitalisme et schizophrénie, Les éditions de minuit, 1972. (Deleuze & Guattari vonden hun belangrijk filosofisch concept ‘le corps sans organes’ in ‘Pour en finir avec le jugement de dieu’ van Artaud).
Jacques Derrida, « Le théâtre de la cruauté et la clôture de la représentation », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Jacques Derrida, « La parole soufflée », in L'écriture et la différence, Seuil, 1967.
Gérard Durozoi, Artaud, l'aliénation et la folie coll. Thèmes et textes, Larousse, 1972.
Michel Foucault, Histoire de la folie, Plon, 1961.
Julia Kristeva, Le sujet en procès, colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.
Anais Nin, Journals, Volume One, Quartet, 1973.
Johny Lenaerts, Artaud en het theater van de wreedheid, Socialisme21 (online)
Jacques Prevel, En compagnie d'Antonin Artaud (1974), texte présenté, établi et annoté par Bernard Noël, Flammarion.
Poèmes Flammarion. (Jacques Prevel was een vriend van Artaud en tevens zijn dealer.°

Philippe Sollers, L'Écriture et l'expérience des limites, Points Seuil, p. 88-104, 1971.
Philippe Sollers, L'État Artaud, (colloque de Cerisy 1972), Artaud 10/18, 1973.

Raoul Vaneigem, Handboek voor de jonge generatie, De arbeiderspers, 1978.
Raoul Vaneigem, Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations, Gallimard, 1967.

Geluid

Pour en finir avec le jugement de Dieu, Sub Rosa, 1995 / INA et André Dimanche Éditeur, 1995.
Pour en finir avec le jugement de Dieu, intégralité de l'émission et remix par Marc Chalosse, Artaud Remix, préface de Marc Dachy, France Culture, collection Signature, 2001

 

04-11-14

STILTE, ANTONIN ARTAUD

antonin-artaud.jpg

Enkele dagen stilte, tijdens deze stormachtige, kille periode aan de vooravond van meer dan ooit terechte stakingen en allerlei vormen van protest tegen een brutale, harteloze uitbuitersregering. Aan een verslag van de ontmoeting met Geerten Meijsing, in de lente van 2013, werk ik gestaag verder. Het moet een tekst worden de uitmuntende auteur waardig. Maar eerst bereid ik me voor op een avond gewijd aan de revolutionaire schrijver, theatermaker, acteur, kunstenaar, theoreticus, heidense profeet en dichter Antonin Artaud.
Het evenement ‘Omtrent Antonin Artaud’ vindt plaats op donderdag 13 november in Den Hopsack in Antwerpen. Ik breng er enkele korte teksten van Artaud (in het Frans) en richt me daarna in een monoloog tot de man zelf (in het Nederlands, een visionair begrijpt die taal, zelfs als hij dood is) en tot mijn vrienden. Een van die vrienden is Johny Lenaerts, die enkele dagen geleden een mooie inleiding schreef tot het theater van de wreedheid, Artaud’s  misschien wel belangrijkste en nooit werkelijk verwezenlijkte droom.

antonin artaud, artaud, revolutie, anarchisme, surrealisme, waanzin, antipsychiatrie, poëzie, 13 november, antwerpen, den hopsack, omtrent antonin artaud, monoloog, muziek, johny lenaerts, theater van de wreedheid

Ik hoop dat velen op 13 november willen komen meedromen. Ook al is alles van waarde waardeloos en nutteloos hebben we rebelse geesten als Antonin Artaud meer dan ooit nodig en verdient hij onze volle aandacht.

28-10-14

TOT STRAKS, LOU, IN DE MUZIEKKAMER

Lou Reed looking down holding guitar in Recording Studio NEW YORK CITY, 1977.jpg

“Time is a jetplane — it moves too fast. Oh but what a shame that all we've shared can't last…” zingt Bob Dylan in ‘You’re A Big Girl Now’.  Gisteren was het een jaar geleden dat Lou Reed in Southampton overleed. Had ik niet net zo goed kunnen schrijven dat de dichter/zanger/muzikant gisteren de geest gaf? Toch is er in dat jaar, nu voorgoed begraven, tenzij de herinneringen, veel gebeurd. Het staat in de kranten, in de tijdschriften, in boeken, er zijn documentaires en reportages over, het zit opgeslagen in het geheugen van NSA. Oorlogen, plunderingen, verkrachtingen, verwoestingen, een onophoudelijke horrorshow; maar ook mooie dingen, mannen en vrouwen  die verliefd werden, kinderen die liedjes zongen, nieuwe bladeren aan de bomen in april, gedroomde treinen naar werkelijke paradijselijke bestemmingen. Zo veel en zo weinig.  
Mocht Lou Reed nog leven hij zou z’n schouders eens ophalen. Want was de duisternis in zijn ziel niet nog veel donkerder dan de wereld zelf? Neen, dat geloof ik niet. Lou Reed was kwetsbaar, zoals veel grote kunstenaars, maar dat liet hij slechts zelden zien. Lou Reed kende mededogen en wist wat liefde was, ‘Pale Blue Eyes’ en ‘Magic & Loss’ zijn daar maar twee bewijzen van, mocht iemand die nodig hebben. Waarom haalde hij dan z’n schouders op? Misschien om er wat stof van die donkere wereld af te schudden, wat onzin, wat leugens?

Ook al is er nog al de onsterfelijke muziek die ik hier vorig jaar opsomde, toch mis ik Lou Reed. Ik mis de man, zijn rock & roll heart, zijn bittere troostende woorden, zijn strelende venijnige stem, zijn poëzie die altijd echt en waar was, nooit onderdanig of  bang maar trots en verheven, stekelige bloemen in de wereldstorm. “He wouldn’t bow down or kneel”, om nog een keer zijn geestverwant aan te halen. Tot straks Lou, in de muziekkamer.
lou-reed.jpg

...

Foto's: Lynn Goldsmith, Garry Gross

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

28-11-13

JASON ISBELL & AMANDA SHIRES

amandashires & jason isbell.jpg

Ik had al een tijdje het gevoel dat Americana dood was. Maar ik zal me vergist hebben. Gisteren zag ik de toekomst van Americana, en tegelijk veel meer dan dat – want zelfs al mocht Americana dood zijn, dan zou Jason Isbell nog altijd een van de beste songschrijvers van zijn generatie zijn. Dat bewees hij gisteren met zijn no-nonsense concert in de ongezellige Witloof Bar van de Botanique, waar de helft van het publiek tegen bakstenen zuilen moet opkijken. Isbells Texaanse vriendin (of echtgenote, mocht je dat liever horen) Amanda Shires speelde het mooie openingsconcertje, zichzelf begeleidend op ukulele en viool. In de metro naar huis las ik haar teksten: helemaal anders dan die van haar vriend, minder verhalend, maar erg goed geschreven. Het poëtische en prozaïsche vullen elkaar hier uitstekend aan. Dat hoor je ook in het felle gitaarspel van Jason Isbell en de lyrische viool van Amanda Shires. Ik ben voor altijd gewonnen.

 

amanda shires,jason isbell,americana,country,pop,folk,singer-songwriter,verhalen,poëzie

31-10-13

FERNANDO PESSOA, EEN GESCHENK

Met dank opgedragen aan de nagedachtenis van Jos Dorissen, die me in 1980 Fernando Pessoa cadeau gaf.

Deze ‘culturele genealogie’ verschijnt hier niet zonder horten en stoten. Prettige herinneringen worden soms verdrongen door het opeens weer opduiken van droeve gebeurtenissen, van frustraties, mislukkingen, van ziektes en overlijdens van familieleden en vrienden. Hoe dan ook wilde ik dit verhaal niet chronologisch vertellen, al krijgt mijn jeugd er een belangrijke rol in toebedeeld.
PESSOA1.jpg

Het is 1978, ik woon al een jaar in de Dolfijnstraat in Antwerpen. Misschien is het zomer, ik heb er het raden naar. We hadden daar aan de Dageraadsplaats via vrienden in 1977 een klein huis kunnen huren en leefden er arm maar redelijk gelukkig. Het was een huis waar je je meteen goed voelde, ook al hebben we er niet altijd fraaie dingen meegemaakt.  Alleszins heb ik daar vaak feest gevierd, veel gelezen en veel geschreven. Wat mij dreef – benevens een innerlijke noodzaak - was het tijdschrift voor filosofie Aurora. Daar kon ik met mijn nogal experimentele teksten terecht – zelfs een essay over Hölderlin werd er aanvaard. Vreemd genoeg kende ik bijna niemand die ooit van de grote dichter had gehoord. Hölderlin en Rimbaud pasten helemaal in mijn manier van denken en ik wilde ook leven als zij, onverschrokken, gevaarlijk, onderzoekend, bovenal in dienst van het woord. Wilde ik beroemd worden? Dan had ik wel heel slechte voorbeelden gekozen. Van beide dichters verscheen tijdens hun leven één dun boek.

In de boekenbijlage van Vrij Nederland lees ik dat jaar een artikel over een mij volstrekt onbekende Portugese dichter: Fernando Pessoa. Iedereen kent nu zijn verhaal, zijn spel met de heteroniemen, zijn eenzaamheid, zijn alcoholisme, zij Lissabon, maar in die dagen was het een man van en voor ingewijden. Niemand lag wakker van die bizarre Portugees. Ik kende zelfs nauwelijks iemand die geïnteresseerd was in Portugal, dat kleine, arme land. Na lectuur van het artikel ging ik in de bibliotheek in de Lange Nieuwstraat op zoek naar een boek van de dichter, maar vond volstrekt niets. Ook in de boekwinkels ving ik bot. Ik zette Fernando Pessoa en zijn heteroniemen uit mijn hoofd en ging door met mijn werk en mijn extases.

Op een dag in maart 1980, ik werkte toen op de redactie van het hierboven genoemde Aurora, kwam mijn toenmalige boezemvriend en drinkebroer Jos Dorissen het kantoortje binnen met een vierkant boek in zijn rechterhand. Ik had net deze twee zinnen in mijn dagboek genoteerd:
“Wij hebben ervan afgezien een onderscheid te maken tussen lichaam en geest. Maar zijn we aan dat dualisme voorbij? De geschreven taal immers is er nog helemaal van doordrongen, en zeker het spreken.”
Geen idee naar aanleiding van wat ik dat schreef, maar het is wel een mooie coïncidentie. Jos overhandigde me meteen dat boek: ‘Fernando Pessoa. Gedichten. Vertaling August Willemsen’. Twee jaar eerder uitgegeven bij De Arbeiderspers in Amsterdam. “Je hebt Pessoa!”, riep ik uit en sloeg het mooi uitgegeven werk op een willekeurige plek open en las dit:

“Ik heb gefaald in alles.
Daar ik nooit één plan gemaakt heb, was alles misschien niets.
De wijze lessen die men mij gegeven heeft
Heb ik verlaten door het achterraam.
Ik ging het land op vol van grote plannen.
Maar daar vond ik alleen gras en bomen,
En als er mensen waren, waren die net als de anderen.
Ik keer van het raam af, ga zitten in een stoel.
Waar zal ik eens aan denken?”*

Gelukkig zat ik zelf ook in een stoel, zoniet was ik omver gevallen. Dit was het, dit was de poëzie waar ik van gedroomd had. Walt Whitman, maar dan door en door modern. Zulke gedichten wilde ik zelf ook schrijven, even melancholisch, even echt en waar, even tijdloos, even eenvoudig - en voor altijd modern. Maar zou ik het ooit kunnen? Het fragment dat ik gelezen had was van Alvaro de Campos, een personage dat Pessoa heeft gecreëerd, wellicht om orde in de chaos van stijlen en vormen te brengen (lyrisch, elegisch, episch, dramatisch). Naast Alvaro de Campos zijn Pessoa’s bekendste personages of heteroniemen Alberto Caeiro en Ricardo Reis; maar er zijn er meer. De dichter schrijft er zelf het volgende over: “Men moet in geen daarvan ideeën of gevoelens van mij zoeken, want vele ervan drukken ideeën uit die ik niet aanvaard, gevoelens die ik ooit heb gehad. Men moet ze eenvoudig lezen zo als ze zijn, hetgeen trouwens is zoals men moet lezen.”

In die twee stappen is Fernando Pessoa, de moderne dichter bij uitstek, in mijn leven gekomen en er gebleven: eerst via een krantenartikel en wat later, doorslaggevend, dankzij de empathische vriendschap van Jos D. Ik heb tot juli 1988 moeten wachten eer ik voldoende geld had om naar dat arme land te reizen en vooral naar die mooie witte stad aan de Taag, Lissabon, de stad van Fernando Pessoa. Sindsdien is het samen met Porto de plaats waar ik me het meest thuisvoel. Luiheid en een slecht geheugen hebben me belet om de mooie Portugese taal te leren, wat ik eigenlijk een schande vind. Maar zo is het leven en zo is mijn karakter. 
PESSOA 3.jpg

Het toeval wil dat Jos D., aangespoord door mijn enthousiasme, in augustus van dat jaar zelf naar Lissabon reisde. Op 25 augustus in de vroege ochtend werd hij samen met de andere gasten geëvacueerd uit een pension in het Chiado. Enkele uren later had een hevige brand een belangrijk deel (8000 m²) van Lissabon verwoest.
Maar sindsdien leeft Fernando Pessoa er meer dan ooit tevoren. Op het Chiado verwelkomt zijn standbeeld de toevallige passanten en de bezoekers van ‘Café A Brasileira’, waar de dichter zelf ooit een stamgast was.

a brasileiro.jpg

Café A Brasileira, Martin Pulaski, 11 november 2009.

...

*Fragment uit: 'Sigarenwinkel',  Alvaro de Campos

10-06-13

FILOSOFIE

poëzie, filosofie, hölderlin, wanhoop

Een citaat dan maar:

"Ach! de wereld heeft mijn geest vanaf mijn vroegste jeugd in zichzelf teruggejaagd, waaraan ik nog steeds lijd. Weliswaar bestaat er een hospitaal waarheen iedere, op mijn wijze verongelukte dichter met eer kan vluchten - de filosofie. Maar ik kan van mijn eerste liefde, van de verwachtingen van mijn jeugd, niet scheiden en liever wil ik roemloos ten onder gaan dan het zoete vaderland der muzen verloochenen, waaruit het toeval me heeft verdreven."
Friedrich Hölderlin,  Aan Neuffer, 12 november 1798.

03-12-11

DIERENLIEDEREN (IN ZERO DE CONDUITE)

 NickDrake.jpg

Zéro de conduite kun je beluisteren op Radio Centraal 106.7 FM in Antwerpen van 6 tot 8, ’s avonds, elke eerste zaterdag van de maand. Je kunt het programma op de radio volgen, of via de website van radio centraal: 

http://www.radiocentraal.be/Realescape/ of
http://streaming.radiocentraal.org/


Vandaag gaat Zéro de conduite over dieren. Net als in literatuur en kunst wordt er dankbaar gebruik gemaakt van dieren in de populaire muziek. Het dier als symbool, metafoor, metonymie, synedoche, vergelijking - al deze stijlmiddelen komen voor in ons vertrouwde en minder vertrouwde songs. Poptekstdichters hebben het over fabelachtige wezens zoals bij La Fontaine, droomfiguren zoals in werken van symbolisten als Fernand Khnopff en Stéphane Mallarmé, denkbeeldige wezens zoals die van Borges, etcetera.
Wat meteen opvalt is dat popgroepen vaak voor dierennamen kiezen. The Beatles is het bekendste voorbeeld, maar iedereen kan er meteen een tiental opsommen. Enkele voorbeelden: the Animals, the Byrds, Crazy Horse (wat tegelijk een verwijzing is naar het Amerikaans-Indiaanse opperhoofd),  Fleet Foxes, Los Lobos, Yardbirds, The Birds (de eerste band met Ron Wood), Band Of Horses, Flock Of Seagulls, Wolf Moon, Moondog, Animal Collective, Panda Bear, Grizzly Bear, The Mountain Goats, Sparklehorse, en ga zo maar door.bobbyday2.jpg

Noach selecteerde zowel reine als onreine dieren voor zijn ark. De dierenliederen die ik na onnatuurlijke selectie heb overgehouden gaan merendeels over vogels en paarden, en af en toe huilt een eenzame wolf of kraait een geile haan. Gaan over? Eigenlijk niet. De dieren worden gebruikt om bijvoorbeeld het verlangen naar vrijheid uit te drukken (Bird On The Wire van Leonard Cohen), seksualiteit en lust (Howlin’ Wolfs Little Red Rooster, How Come My Bulldog Don’t Bark van Howard Tate), levensvreugde (Rockin’ Robin van Bobby Day, een zanger die massa’s dierenliedjes heeft gezongen), verwondering (Sombre Reptiles van Brian Eno), angst en afschuw (Black Dog van Jesse Winchester, en meer nog Black Eyed Dog van Nick Drake). Rock & roll en rhythm & blues zijn nogal door mannen beheerste genres, vandaar wellicht vaak misogynie (wat niet zelden zelfs zonder metaforiek voorkomt in de songs van the Rolling Stones), zoals in Black Widow Spider van Dr. John alias Mac Rebennack. Dierenliederen klinken soms, zoals gezegd, als sprookjes of dromen (The Blind Men And The Elephant, Horses In My Dreams). Piggies van George Harrison is een sombere kijk op de vraatzuchtige mens. Charles Manson meende er de gruweldaden van zijn Family mee te kunnen rechtvaardigen. Soms gaat zo’n song ook echt over dieren zoals Happy van Victoria Williams, waarin ze over een hond zingt die gewoonweg Happy heet. Nightingale van Low lijkt me dan weer de uitdrukking van een verlangen naar het hogere. Maar gaat het niet net zo goed over verdriet en troost? Zoals geslaagde gedichten zijn goede songs altijd meerlagig en bijgevolg poly-interpretabel.

Een aantal voor de hand liggende en bijzonder mooie dierenliederen draai ik vanavond niet, omdat ze in mijn programma al vaak aan bod gekomen zijn. Ik denk aan het wonderlijke liefdeslied Buzzin’ Fly , een van de mooiste songs ooit gemaakt, van Tim Buckley en Dolphins van Fred Neil. Bob Dylan zijn All The Tired Horses had ook aan bod mogen komen, evenals Wild Horses van The Rolling Stones, hoewel dat helemaal niet over paarden gaat en zelfs niet over al die ‘afschuwelijke’ vrouwen, zoals in Yesterday’s Papers, Under My Thumb, Brown Sugar, Some Girls, en wat niet nog allemaal. Van The Beatles had ik zeker ook graag Blackbird en I Am The Walrus gedraaid. En The Wolves van Bon Iver. Waarom laat ik het majestueze Land van Patti Smith niet toe in mijn ark? Zit ik al met teveel paarden opgescheept, uit alle windrichtingen naar me toe gekomen? Nee. Maar de tijd is een oceaan die eindigt op het strand, zoals Dylan zingt.

Al deze ‘dierenliefde’ wil ik toch even relativeren. De eerste moderne toneelauteur, August Strindberg, hield niet van honden. Hij was van mening dat mensen die van honden houden een afkeer hebben van mensen. Maar Strindberg was zelf niet bepaald een mensenvriend, en hij had niet bepaald een verheven beeld van vrouwen, hoewel hij er gek op was. Al ben ik zelf uiteraard wel een vriend van de mensen, en zie ik ook heel graag honden en poezen, wil ik jullie dit stukje schitterend proza, uit zijn autobiografische novelle ‘Eenzaam’, niet onthouden:

“Lang geleden heb ik eens mijn beklag durven doen over het nachtelijke geblaf in een huis waar mensen wonen. De eigenaar pareerde door te wijzen op kindergehuil in mijn woning! – Hij vergeleek een onrein, schadelijk beest met een mensenkind dat lijdt. Sindsdien beklaag ik me nooit meer. Maar om met mezelf in het reine te komen en in vrede met mijn medemensen te leven, want ik ga eronder gebukt als ik haat, heb ik geprobeerd dit soort genegenheid voor dieren te begrijpen, dat een overeenkomstig gevoel voor mensen te boven gaat, maar ik heb er geen verklaring voor kunnen vinden. En alles wat onverklaarbaar is, geeft me een gevoel van onbehagen.” Dit schreef August Strindberg in 1903.

In zijn recentste boek, ‘De mobilisatie van Arcadia’, schrijft Stefan Hertmans:

“Gebrek aan empathie gekoppeld aan overdreven sentimentaliteit wordt schrijnend duidelijk in de opgeklopte dierenliefde van lui die in roze satijn gewikkelde dode schoothondjes zo ongeveer aan een staatsbegrafenis willen helpen, maar de zwerver die voor hun naar het hondenkerkhof rijdende limousine loopt het liefst van de sokken zouden rijden. Dergelijke hysterische dierenliefde gaat vaak samen met een opvallende mensenhaat, als ging het om een heftige, revanchistische rancune tegen mensen waarin men ‘ontgoocheld’ is.”

Gelukkig gaat deze aflevering niet over schoothondjes. Maar volgende keer zouden de zwervers wel eens aan bod kunnen komen. Nog veel luistergenot.

holymodalrounders.jpg

Man Gave Names To All The Animals – Slow Train Coming – Bob Dylan
At The Zoo – Bookends – Simon & Garfunkel
The Blind Men And The Elephant – Leave Your Sleep – Nathalie Merchant
Bugs – Chickasaw County Child: The Artistry Of Bobbie Gentry – Bobbie Gentry
Black Dog – Jesse Winchester – Jesse Winchester
Black Eyed Dog – Way To Blue – Nick Drake
Old Blue – Dr. Byrds & Mr. Hyde – The Byrds
Happy – Happy Come Home – Victoria Williams
Somebody Stole My Dog – The Platinum Collection – Rufus Thomas
How Come My Bulldog Don’t Bark – Get It While You Can – Howard Tate
The Red Rooster – The Genuine Article – Howlin’ Wolf
Black Widow Spider – Babylon – Dr John The Night Tripper
Crawfish – The King Of Rock ‘n’ Roll – Elvis Presley
Mockingbird – Soul Sue Records / New York City – Inez & Charlie Foxx
Rockin’ Robin – Rockin’ Robin – Bobby Day
The Cattle Call – Country Music Legends – Eddy Arnold
Horses In My Dreams – Stories From The City, Stories From The Sea – PJ Harvey
Pony – Mule Variations – Tom Waits
Wolves (Song Of The Shepherd’s Dog) – The Shepherd’s Dog – Iron & Wine
Will The Wolf Survive? – Will The Wolf Survive – Los Lobos
If You Want To Be A Bird – Easy Rider – The Holy Modal Rounders (Peter Stampfel & Steve Weber)
Bird On The Wire – Who Knows Where The Time Goes – Judy Collins
The Birds Will Sing For Us – From Every Sphere – Ed Harcourt
Little Bird – End Times – Eels
Hundreds Of Sparrows – Good Morning Spider – Sparklehorse (“You are worth hundreds of sparrows”)
Nightingale – C’mon – Low
Drover – Apocalypse – Bill Callahan (onze favoriete veedrijver)
Sombre Reptiles – Another Green World – Brian Eno
Phenomenal Cat – The Kinks Are The Village Green Preservation Society – The Kinks
Piggies – The Beatles (White Album) - The Beatles

judy collins2.jpg

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski

14-04-11

GUMBO

 

professor.jpg

Professor Longhair.

Herinneren wij ons de dagen of is het net omgekeerd? Tijd bestaat en tijd bestaat niet. Toch laten wij onze sporen na in de velden, als het regent in de modder, in de winterse sneeuw, in de zomer klaprozen en insecten vertrappelend. Wij zijn er niet lang, maar willen desondanks niet graag worden uitgewist. Toen ik nog een jongetje was vond ik het altijd erg dat de leraar wat hij met een verzorgd handschrift met krijt op een bord had geschreven weer uitwiste voor nieuwe zinnen, nieuwe algebraformules. Naarmate ik ouder werd ben ik echter het potlood gaan hanteren: eenvoudig om te noteren, nog eenvoudiger om weer weg te gommen. Bijvoorbeeld een voorstelling van Antigone of Medea, waar je zo naar had uitgekeken, maar je moest in bed blijven wegens een astma-aanval, hoge koorst, of onverklaarbare zwaarmoedigheid.

Als de dagen zich de sneeuw herinneren, en daarna het nutteloze bloedspoor, nutteloos omdat het nergens naar leidt, en het gegil van vrouwen en kinderen, hongerige ogen, prikkeldraad, dan zie jij magnolia's in bloei. Alsof er niets ergs gebeurt; de mensen kleine vlekjes op een immens oppervlak. Je herinnert je opeens Pleasant Street, geen magnolia's maar overal de geur van tropische planten, en in de verte het geluid van de tram 'verlangen'. Niet zo heel ver daarvandaan viel de nacht, die zacht was en dreigend als het begin van een hevig onweer, met het enige licht dat van Tipitina's. Vier uur lang het ivoor van Professor Longhair, die nochtans al een hele tijd dood was. Je gezellin die in die hitte zat te rillen van de koorts. Misschien zag ze de sneeuwvlokken van de voorbije winter nog neerdwarrelen.
 
Op het kerkhof, 's anderendaags, was er geen voodoo, zelfs niet vlak bij het graf van Marie Laveaux. Je had een kater van de Corona's, en van het schijnbaar eindeloze gesprek met Eddie Bo over 'Slippin' and Slidin'', waarna heel muzikaal New Orleans de revue passeerde, en was bang dat een 'inboorling' je strot zou oversnijden, zoals ze dat in dat gezegende jaar al bij zeven toeristen hadden gedaan. Maar er gebeurde niets. De 'inboorlingen' waren vriendelijk, wezen je de weg, verkochten je platen voor een appel en een ei, namen je mee in hun taxi's en vertelden dat ze samen met Aaron Neville in de klas hadden gezeten. Ik kreeg de indruk dat in New Orleans ongeveer iedereen met een Neville Brother in de klas had gezeten.

Later zat je met zatte Engelsen in een bootje dat je tot diep in de swamps bracht. De alligators zagen er ongevaarlijk uit. De schipper riep 'Viens!' en gooide stukken kip in hun richting. Ongeveer dezelfde kip aten wij 's avonds in onze gumbo, met grijze naar modder smakende garnalen en catfish gemixt. En met rode bonen en rijst.

Denk je dat de hete, vochtige straten van New Orleans zich nog mijn voetstappen herinneren? Ik liep naar het busstation om te kijken hoe laat daar een bus naar Memphis vertrok. Vroeg - en je moest zien dat je nog veel vroeger bij de bushalte stond. First come, first served. Als de bus vol zat kon je er niet meer bij. Maar weet je, ik kom altijd te vroeg, wacht altijd op jou. En dan duren minuten uren. Vreemd toch hoe de tijd rekbaar is en zelfs niet bestaat. Wij maken de tijd. Wij delen ons leven in in minuten, uren, dagen. Ik wil nooit te laat komen, tenzij op mijn begrafenis. Maar daar zit ik niet bepaald naar uit te kijken. Nee, daar ga ik zeker te laat komen. Ik moet me nog zoveel herinneren. En zoveel moet zich mij nog herinneren, alsof de tijd, de dagen, het landschap mij betekenis moeten geven. Zoveel moet momenten in mijn leven onderlijnen, zoals studenten dat doen met sommige woorden in een zin. Een zin die ze na een dag of zo weer mogen vergeten. Maar niet allen vergeten. Sommigen vergeten nooit. Zij weten wat je onderlijnde momenten betekenen. Waarom? Omdat ze zich in die momenten herkennen. Omdat ze zich afvragen of wij ons de dagen herinneren of de dagen ons.

10-03-11

SERAPHIM ii

Voor Anselm Kiefer


De hemel in het grijs van deze streken

Maar eerst de lucht blauw

In het wit van je ogen.

 

Je weerspiegelt de tijd en de woorden

Die niemand kent hoor ik in je accenten.

Opeens zie ik het donkerste grijs.

 

Als een opgebrande vriend je aanspreekt

En je je opnieuw opricht

Uit datgene wat je vernietigt.

 

Als dwazen boven je uit torenen

Of aan je voeten liggen

Hun wonden likkend.

 

(Een kunst op zichzelf

Die nooit af zal nemen:

Die van het misplaatst predicaat.)

 

Terwijl op de achtergrond pianissimo

Ontstemd vogelgezang, zwart,

De weelde van het onvolmaakte.

 

Nooit was je mooier dan op je ladder

Naar de grijze hemel, opeens blauw,

Vuilwit, verwachtingen scheppend.

SERAPHIM i


anselm_kiefer_seraphim.jpg

Anselm Kiefer, Seraphim.

06-09-10

HOOG GRAS, HEROÏNE, LIEFDE

 

waanzinprins.jpg

Als je kind bent loop je door hoog gras. Dat gras wordt alsmaar lager naarmate je ouder wordt. Het verdort. Veel mensen om je heen verdorren. Je mag zelf niet verdorren, niet door de zon, maar ook niet door het leven. Je gaat op zoek naar anderen, naar niet verdorde mensen, geen wandelende takken. Je gaat op zoek naar mensen die je in je dromen hebt ontmoet, sprankelend van leven, van inventiviteit. Ze spreken altijd wel een min of meer andere taal dan de jouwe, maar je begrijpt hen. Je herkent je eigen levensverhaal in wat zij je in een onbewaakt moment vertellen. Het is alsof je zo’n andere versie van Strawberry Fields Forever hoort dan degene waar je vertrouwt mee bent. Of van Wouldn’t It Be Nice. De gebeden uit je jeugd: je aanvaardt dat de andere versies daar van afwijken, sterker nog, je hebt niet liever. Waarom ook niet: er is geen groter verschil dan dat tussen de idealistische songs van Brian Wilson en zijn dagelijks leven en lijden.

Wellicht zijn kunstenaars als Brian Wilson en Syd Barrett nog veel meer kind gebleven dan jij. Jij hebt je veel meer geplooid naar de alledaagsheid. Je moest overleven, je moest leven, je had een kind, een vrouw, een vriendin, en je eigen merkwaardige behoeften en verlangens.

 

Het egoïsme, het egocentrisme en de eigenwijsheid waren wellicht de grootste problemen van je generatie. Snotneuzen in popgroepjes dachten opeens dat ze het licht hadden gezien, dat ze iets konden vertellen over de waarheid. Terwijl ze in het beste geval alleen maar instrumenten konden bespelen en zingen, zoals Jimmy Page en Robert Plant. Wat alleszins opviel was dat het voornamelijk blanke jongens waren  die ‘meningen’ verkondigden – de meisjes, de zwarten, de ‘anderen’ zwegen. En sommige van die blanke jongens waren destructief, zogenaamde rebellen zonder een ‘object’ – destructiviteit was hun wijze van spreken. Uit die destructieve verlangens, zoals ook uitgedrukt in films als ‘Themroc’ van Claude Farraldo en ‘Les Valseuses’ van Bertrand Blier, vloeide ook mijn vernietigingsdrang en (helaas ook) zelfvernietigingsdrang voort.

Vreemd genoeg waren dat Franse films, terwijl de muziek die zulke gevoelens uitdrukte meestal Angelsaksisch was, denk maar aan the Who, the Move (een popgroep die graag televisietoestellen tot elementaire deeltjes herleidde). Of toch niet, er was bijvoorbeeld ook ‘Zabriskie Point’ van Michelangelo Antonioni, een film die eindigt met een gigantische ontploffing van alle mogelijke materialistische symbolen (met muziek van Pink Floyd op de soundtrack).

 

Wat wil ik nu eigenlijk zeggen? Weet jij het? Weet jij het waar je vandaan komt en naartoe gaat?  Soms denk ik dat het allemaal genoeg is geweest – de waanzin van de kleine burgers, die me nooit hebben toegestaan om mezelf te zijn, en jou ook niet. Maar mag ik dat argument als apologie voor mijn berusting gebruiken? Niemand heeft er mij fysiek toe gedwongen om een gezapig leven te leiden, om braaf te zijn, en alleen maar te stemmen op zogenaamde democratische partijen. Nee, ik weet niet wat ik wil zeggen, ik ben eens te meer aan verwarring ten prooi. De wereld is van mij en de wereld is het meest vreemde ding dat ik ken.

 

Soms denk ik, zou ik op latere leeftijd ook niet eens met heroïne beginnen, zoals destijds al die jonge jongens en meisjes? Niet omdat ik denk dat het leven dan eenvoudiger zal worden, of dat de drugs mij een antwoord zullen geven op welke vraag dan ook. (“Go on mister business man, you can’t dress like me”, zingt Jimi Hendrix nu.) Niet omdat ik iets denk. Maar gewoon maar nuchter zitten wachten op de dood lijkt me ook maar niks. Heroïne, morfine, sterke drank,  is een tweede keus, laat me daar duidelijk over zijn, mijn eerste keus is de liefde – maar als de liefde uit mijn leven zou verdwijnen zou ik graag snel en vooral pijnloos de grond in gaan. Geloof me, pijn heb ik genoeg gehad hier tussen en onder jullie. Hoezeer ik sommigen van jullie ook liefheb. En ik wil nog heel lang leven en liefhebben. Zullen we dan niet beter samen door het hoge gras lopen, ook al moeten we het ons verbeelden? En wij zijn weer klein, zoals het hoort – want we zijn echt wel heel erg klein, zelfs op latere leeftijd.

 

Laat me nu nog even naar David Bowie luisteren en door het hoge gras lopen en wachten op jou, een engel die boven deze stad ’s nachts mijn gebeden beantwoordt.

17-07-10

VLIEGMACHINE

 

Vandaag was je aan zee, de Noordzee, de Noordzee.

Je vierde je lange verjaardag.

Samen met koeien en varkens en vogels en onbekende passanten.

Je drinkt dan champagne en luistert naar de regen, ronde korrels zand,

Maar zachter. Zacht haar huid of haar tong in je mond.

 

Je was aan zee en je leerde vliegen.

Iets wat dichters nooit leerden, nooit leren.

Tenzij Leonardo of iemand, maar een dichter?

Nochtans is het eenvoudig, je hebt niet veel nodig.

Het is een spel, waar je alleen nodig voor hebt:

 

De handen van je geliefde, en enkele woorden.

Je boort met een eenvoudige elektrische boor

Een mooi rond gat in je van verliefdheid gekke borst.

Je boort en je boort en je boort en je zwijgt

Tot het gat open is en het bloed vloeit en dan

Stop je er een mooi doorzichtig buisje in.

 

Je leerde vliegen omdat zij dat buisje op haar hart aansloot

En zo ontstond een sterke motor, magisch maar tegelijk echt.

Om te vliegen heb je namelijk twee soorten bloed nodig:

Dat van een geliefde en dat van een geliefde.

Daarna komen de vleugels en vlieg je weg.

 

Je hebt niet veel nodig. Schuim, de kussen van je geliefde

En wat verbeelding. En dan vlieg je over velden, over stadjes,

En kus je elkaar. Want ook zij vliegt op jouw bloed.

Je vliegt weg van de Noordzee naar een wat grotere stad

Waar alles op stapel staat om te vertrekken.

 

Maar jullie vliegen nu niet. Jullie blijven in die mogelijke stad.

 

04-03-10

LOOP NIET WEG KLEINE GARNAAL

Opgedragen aan Gil-Scott Heron en Toutou.

Je bent jezelf niet, nooit.

Je hebt geen identiteit.

Maar je bent zo trots op jezelf

Alsof je een Lord Byron bent

(die ook maar van een griepje omkwam,

Niet van een Turks kromzwaard.)

Je bent trots op jezelf

Omdat je dit en dat weet en denkt

Ik ben de enige.

Maar Wikipedia, en mensen met een inschikkelijk

Geheugen?


(Of was het verschrikkelijk?

Is er iets vreselijks gebeurd?

Iets wat je je niet meer herinnert?

Verzonken met zeeroversschatten, dubloenen,

Verzonken met Atlantis in de oceaan.)

Je moest de slimste zijn.

De snelste.

Ook al ontbrak de adem

En de lange arm van oudere generaties.

Wat kon je doen?

Kotsen in een of ander bouwvallig centraal station.

Hopeloos wachten op een vrouw

Die je haar geslacht zou tonen,

Haar clitoris, desnoods.

Er was geen centraal station.

Er stopte af en toe een bus naar nergens.

Daar slikte je pillen zoals de beatniks deden.

Cafeïne, onschuldig, onschuldig – heilig.

Koffie. Voor de moed, het zelfvertrouwen.

In Antwerpen kwam je terecht.

The Incredible String Band in een kroeg klonk

Als muziek uit een voorbije, nieuwe wereld.

Terwijl je praatte met je vrienden groeiden je haren

Uit je hoofd en uit je oren.

Er was geen wanhoop, geen doelgroepenbeleid,

Er was verstandhouding, verstand verliezen

In gras, in donkerbruine smurrie,

Of rood uit Afghanistan. Het land

Van de ellende, waar nu kinderen sterven.

Je bent een van die soldaten die kinderen doden.

Je schakelt jezelf uit in alcohol.

Je schakelt jezelf uit in rock & roll.

Je schakelt jezelf uit in Apocalypse Now.

In de filosofie van Deleuze & Guattari

Een Oedipus ben je nooit geweest.

Duizend plateaus om je onzekerheid te rechtvaardigen.

En toch zing je al al die jaren

I’ll take care of you, I’ll take care of you.

En je meende en meent het.

Waar is de nacht heen? Vraagt de dichter.

Ik had wakker moeten zijn en handelen

In plaats van dronken in bars bier zitten te drinken

En te lullen. De lucht is blauwgrijs. De duiven

Vliegen langs mijn raam.

Zal ik in mijn handen klappen?

Ben je gelukkig als je op het groezelige trottoir

Met eeuwenoude kauwgum

Een edele steen vindt? Een edelsteen?

Nee, je bent niet gelukkig.

Hoe kun je gelukkig zijn als niemand het is?

De lucht is blauwgrijs. Je bent nuchter

Na jaren verzonken rood en blauw.

Je lacht in je vuist. Je lacht in de plooien van je mouw.

Je lacht omdat niets zeker is en vast en omdat niets blijft.

Loop niet meer weg, kleine garnaal.

Ik zal je pellen. Je bent zo lekker.

Je lekkere nek. Loop niet weg, warme zuidzeevis.

Je hebt duizend handen, duizend dromen,

Je hebt duizend geloven in duizend goden.

Maar voor alle zekerheid  kom ik je toch onttoveren.

Voor alle zekerheid kom ik je ontvoeren, ontroeren.

Want elke vervoering van mij en elk woord daarover,

Elke vingerwijzing, elke stroomopstoot,

Is jouw vervoering. (Jouw ontroering is = mijn ontroering.).

En altijd is er wat er is en stroomt naar de zee de rivier.

Altijd is er in het dier een verlangen dat ongebonden gaat

Naar waar het gaat. Trouw zijn echter deze dieren

En uitzinnig de mensen die op de nacht wachten

En op de volle maan om zich elkaar volledig te geven.

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

16-12-09

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM II


John_William_Godward_Erato_at_Her_Lyre

Een virus in de darmen maakt me het leven zuur. Ik was er gisteren al bang voor dat het zou verergeren – en verergerd is het. Nu zal ik mijn vrienden en kennissen in Antwerpen en de muze moeten teleurstellen. Ik kan helaas niet deelnemen aan het eigenzinnige jubileum op het Conscienceplein. Door mijn zwakke gezondheid moet ik wel vaker mensen teleurstellen. Waardoor ik me dan schuldig voel en waardoor ik nog minder gezond word. Maar ik wil niet klagen. Ik wil de mensen die daar in Antwerpen de kou zullen trotseren voor Doel en voor moeder aarde een hart onder de riem steken. Jullie zijn moedig en sterk. Ik ben trots op jullie. In gedachten zal ik straks ook op het Conscienceplein zijn, een plein waar ik zoveel uren van mijn leven heb doorgebracht. Maak er een feest van, maak van het plein een mooie kleine wereld. Een schakel van een groter geheel.

 

En toch ook nog even het programma:

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM
Voor Doel en Mother Earth  - en voor een zeer kortstondige opwarming van de aarde, en meer bepaald op het
Hendrik Conscienceplein, Antwerpen
woensdag 16 december 2009

16u00 Antistresspoweet
16u15 Silke Vanhoof
16u30 David Vandepitte
16u45 Stille Beer
17u00 Michaël Vandebril
17u15 Dirk Elst
17u30 Christoffel Hendrickx
17u45 Frans Vlinderman
18u00 Bart van Peer
18u15 Dolf B Wolf
18u30 Koen Flameng
18u45 Niko Rubbens
19u15 Pierre Magis
19u30 Frank De Vos
19u45 Ferre Denis
20u00 Vincent Bio
20u15 Martin Pulaski (geannuleerd)
20u30 Wim Geysen en Hanne De Backer
20u45 Herman J. Claeys
21u00 Peter Holvoet-Hanssen
21u15 Didi De Paris
21u30 Luk Paard, Kristof 'Kristo' Van Hooymissen en Charles Jarvis"

Afbeelding: Erato.

15-12-09

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM


green and grey

Morgen begeef ik me met de trein der traagheid naar mijn geboortestad, de stad aan de stroom die me zo lief is, Antwerpen, om er deel te nemen aan een eigenzinnig jubileum. Als mijn ingewanden het toestaan. (Mijn ingewanden hebben hun meester overmeesterd en onderwerpen hem aan nog net niet helse pijnen…) Waarom staat die zin tussen haakjes in de derde persoon, alsof ik Antonin Artaud ben of zo? Terwijl ik doodgewoon Martin Pulaski ben, een dichter met buikkrampen en een (soms manische) depressie. Stemmingsstoornissen. Verliefdheden, doodsangsten. En al de rest. Je kent me al, je weet welk vlees je in de kuip hebt. Het verschilt niet zo van dat van jullie. We zijn allemaal vlees en we gaan allemaal de dieperik in. Maar – om even te prediken – we mogen de toekomst niet uit het oog verliezen, de aarde, die niet van ons is, die wij alleen maar even mogen ‘gebruiken’. Wat wij hebben aangericht kan wellicht niet meer worden hersteld, maar er is nog tijd om opnieuw te beginnen, om van de woestijn een zee te maken, en wat grijs en grauw is groen en veelkleurig. Er is nog tijd…

EEN EIGENZINNIG JUBILEUM
Voor Doel en Mother Earth  - en voor een zeer kortstondige opwarming van de aarde, en meer bepaald op het
Hendrik Conscienceplein, Antwerpen
woensdag 16 december 2009

PROGRAMMA

16u00 Antistresspoweet
16u15 Silke Vanhoof
16u30 David Vandepitte
16u45 Stille Beer
17u00 Michaël Vandebril
17u15 Dirk Elst
17u30 Christoffel Hendrickx
17u45 Frans Vlinderman
18u00 Bart van Peer
18u15 Dolf B Wolf
18u30 Koen Flameng
18u45 Niko Rubbens
19u15 Pierre Magis
19u30 Frank De Vos
19u45 Ferre Denis
20u00 Vincent Bio
20u15 Martin Pulaski
20u30 Wim Geysen en Hanne De Backer
20u45 Herman J. Claeys
21u00 Peter Holvoet-Hanssen
21u15 Didi De Paris
21u30 Luk Paard, Kristof 'Kristo' Van Hooymissen en Charles Jarvis"

 

Foto: Martin Pulaski, Antwerpen, linkeroever. 

 

25-03-09

THEORIE VAN DE LIEFDE

 

Ik heb geen theorie van de liefde.

Heb sabeldans noch -bont begrepen.

Ik ken de passen niet, het zacht gekus

Van een zacht neervallende ster.

Ik zag dieren venijnig en woest.

Niet in de woestenijen, maar braaf

getemd, zonder opstandige stem.

In een landschap waar wevers de stad.

Ik heb geen theorie van weefsels,

Getijden, dwalen en falen, zich verliezen

In analyses van afwijkende wijknamen

Of gezichten die nergens op lijken.

Is het geen dwaasheid dan om alsnog

te leven alsof er iets aan de hand is?

Je weet niets, je kent niets, je kiest niets.

Alleen tegendraads zijn almaar, of zwijgen.

Is niet alles al volmaakt van tevoren -

En je bent voor niets geboren? Onbestemde
Steen haalde het vel van je woorden,

Die van water waren, boomschors.

 

15-03-09

NOW LITTLE BOY LOST HE TAKES HIMSELF SO SERIOUSLY


Voor Isabelle, Bart, Jan, Paul en al de anderen.

dreamwilliamblake


“The night was dark, no father was there,
The child was wet with dew;
The mire was deep, and the child did weep,
And away the vapour flew”

William Blake

Ik leef in een droom, of ik droom dat ik leef. Denk niet dat een droom mooi is. Je weet het allemaal al, als je hier in deze streken woont. Soms wordt hij een nachtmerrie, vermoed ik, en word ik een griezel, vermoed ik, want ik zie mezelf niet meer in spiegels als ik daar ben. Ik ga de straat op, de nacht in, waar alleen beregende kasseien mijn silhouet weerspiegelen. Mijn ene silhouet, het andere blijft in de schaduw. Buitenshuis zijn de spiegels altijd in mist gehuld. Of met een dikke laag vet bedekt. Met vilt, met wolvenhuid. Je kent het allemaal al, het is de natuur in ons die spreekt, en wij in de natuur.

Alvorens ik een weerwolf word ontmoet ik oude vrienden, die me gelukkig maken met hun levensloopverhalen en hun verjaardagen. Ik ontmoet nieuwe zielsverwanten, van wie ik de voornamen tot mijn spijt meteen weer vergeet. We praten urenlang en ’s anderendaags weet ik niet meer met wie over wat. De antidepressiva, het donkere bier. Deze onbekende vrienden zijn opeens veel belangrijker dan mijn zwakke gezondheid. Ik vergeet waar het station is, waar ik woon, wie ik werkelijk ben. Zijn dit avonturen? Nee, je verdwaalt in een nachtmerrie, waarin de politie je van de straat oppikt: ja, je bent weer eens in de goot gevallen, de kneuzingen bewijzen het. De zakelijke en beleefde agenten geven je een lift naar het station, dat nog uren gesloten is. Je staat voor de gesloten deuren zonder aan iets te denken, zonder te twijfelen. Je neuriet een lied dat Bart Koubaa een paar uur eerder heeft gezongen. De titel ben je vergeten, maar hij zit ergens in je zenuwen, in je hersens. Je beste vrienden zijn boos op je, of waren het, omdat je niet verantwoordelijk bent voor jezelf. Je geeft je over aan hun goedheid, hun troost – maar zij willen die rol niet langer spelen. Je bent veel ouder, je zou bijna hun vader kunnen zijn, of een veel oudere broer. Zij moeten niet voor je zorgen. Ze hebben gelijk. Daarom zijn het je vrienden: om je te zeggen waar je aan toe bent. Dat een dom en vaag avontuur geen avontuur is. Dat je, zoals Brian Wilson, voor je geestelijke gezondheid moet zorgen. Maar het station is gesloten. In een café in de buurt zitten vreemde mannen die een vreemde taal spreken te kaarten. Je kent het spel niet. Voor de rest is er niemand anders aanwezig dan een verbitterde vrouw achter de bar. De vrouw is niet loslippig, maar je mag wel even in een hoek in een stoel zitten slapen, zegt ze. Dat weiger je. Ook al wankel je, je bent te trots om te gaan zitten liggen. Je staat wankelend kaarsrecht en wil praten over het leven. Maar de vrouw is hard en zacht tegelijk: je mag wel slapen maar over haar leven vertelt ze niets. Het leven is hard, waar je ook komt, zegt ze.

Op de trein neemt een meisje uit Taiwan naast je plaats. Ze straalt. Ze heeft stralende ogen. Haar leven is vol geopende zaken, terwijl die van jou bijna allemaal toe zijn. Je praat en iemand luistert. Zij praat en jij luistert. Het is nog ver naar Brussel. Maar Brussel is veel te nabij. De droom mag soms langer duren. Als je maar niet ouder wordt ondertussen, of dement, of doodgaat.

Alles wat niet meer kan gezegd worden, wordt poëzie. Poëzie is de enige waarheid, niet het onzegbare, maar het ongezegde, het ongezegende, het omgekeerde van het loslippige. De adem na storm en afgedwongen stilte. Poëzie is roken en diep inhaleren, zonder de schadelijke neveneffecten. Het is amour fou zonder zelfbedrog, niet seksueel overdraagbaar ziek, maar desondanks uitzonderlijk gevaarlijk. Poëzie is alles wat ik de voorbije dagen niet heb gehoord en niet heb gezegd. Poëzie is bijna-stilte, maar dan heel luid en met heel veel ingehouden verlangen en geweld.

Beeld: Dream, William Blake

17-12-08

JAN DECORTE EN ZIJN WINTERVÖGELCHEN

euripides,taal,feest,poezie,twijfel,dansen,holderlin,woorden,theater,vermoeidheid,depressie,goden,kaaitheater,fluiten,kerstgeschenk,shakespeare,generale repetitie,sofokles,jan decorte,sigrid vinks,wintervogelchen,kaaistudio s,verwijdering

Maandagavond kreeg ik een mail van het Kaaitheater: of ik dinsdagmiddag de generale repetitie van Jan Decorte’s ‘Wintervögelchen’ wilde bijwonen? Ik was aangenaam verrast, omdat ik niet vaak word uitgenodigd, en omdat ik nog nooit een generale repetitie had bijgewoond. En dan nog van Jan Decorte, een van mijn weinige ‘helden’, een kunstenaar die ik bijna mateloos bewonder.

Maar ik lijd aan een depressie, zeggen de geneesheren. De geneesheren kunnen mij echter niet van mijn depressie genezen. Daarom denk ik dat ik geen depressie heb, maar iets anders, iets fundamentelers, een zware inzinking, een immense vermoeidheid, een grote angst om mensen die ik niet goed ken onder ogen te komen. Een diepe, donkere zwijgzaamheid. Iets donkers in mij heeft me van alles en iedereen verwijderd. Daardoor twijfelde ik eraan of ik wel zou kunnen gaan. Ook gisteren twijfelde ik nog. Maar om twee uur heb ik onder meer twee t-shirts, een hemd, een gilet, een dunne trui en een dikke trui aangetrokken en heb de metro genomen. Ik had alleen een lelijke puntmuts, waardoor ik enigszins op een verloren gelopen clown moet hebben geleken.

In het Kaaitheater stond mijn naam netjes op een lijst: Martin Pulaski. Vreemd dat ik die twee woorden daar zo zag staan. Ik was te vroeg. Boven in de cafetaria waren er al enkele andere genodigden. Ik kende niemand, voelde me ongemakkelijk. Ik moest vlug gaan zitten. Jan Decorte kwam binnen en gaf me een kus op de wang. Zo voelde ik me al wat rustiger. Het leek wel normaal dat ik hier aanwezig was. In de cafetaria bleef het bijzonder stil. Iedereen wachtte tot ‘Wintervögelchen’ zou beginnen. Ik had gelezen dat Jan Decorte zich had laten inspireren door Shakespeare en Hölderlin. Ik had er alleen maar een vaag vermoeden van wat het zou worden. Nu ken ik Jan Decorte al wel een tijdje en heb ik heel veel van zijn stukken gezien. Hij is tegelijk ernstig en onnozel. Ik vind onnozel een positieve eigenschap. Verstandige, speelse, onzuivere onnozelheid tegen de zuiver rationele ernst.

‘Wintervögelchen’ heeft me diep geraakt. Het is een sprookje, een tragedie, een blijspel, een kerstverhaal. Je herkent Shakespeare’s koningsdrama’s en Sofokles, vooral de Koning Oedipus en Oedipus te Colonos. Je ontdekt sporen van Euripides’ Medea, van de sprookjes van Grimm, van Vlaamse kermissen, van Boheemse volksfeesten.

De kunstmatige taal van Jan Decorte is even eigenzinnig als die van Hölderlin, maar wel minder plechtig, vrolijker, speelser.  Er wordt ook zeer speels gespeeld, een lust voor oor en oog, zelfs al gebeuren er tragische dingen. Deze dichter gebruikt woorden nooit door iemand anders uitgesproken. Niets is wat het lijkt. Een koning is even later een koningin, een man wordt opgegeten door een beer, een dode koningin wordt weer levend. Er wordt gerouwd, getrouwd en gedanst. Jan Decorte heeft een verzameling fluitjes bij, waarmee hij vogelgeluiden nabootst. Uit een dik boek leest hij het intrigerende verhaal voor. De acteurs spelen sommige scènes uit dat verhaal. De bewonderende, liefdevolle manier waarop Sigrid Vinks naar haar haar echtgenoot kijkt als hij fluit of voorleest, daar smelt je hart van. Bovendien kan ze mooi dansen. De andere acteurs ook, trouwens. Is het een soort vogeltjesdans, die ze dansen?

Ja dit feestelijk werk is een subliem kerstgeschenk vol gefluit en gewauwel, gruwel, waanzin en liefde. In Vögelchen wordt inderdaad veel gefloten, maar de echte vogels blijven afwezig, zoals voor Hölderlin de goden.

Voorstellingen: 17, 18, 19, 20/12/2008, 20:30; en op 10, 11/02/2009, 20:30, Kaaistudio’s.