10-08-14

ARCHIPEL VAN HET VERDRIET

La-Comtesse-perverse-1974.jpg

Ik lag in bed, ernstig ziek. In een kleiner en lager bed naast het mijne mijn moeder, om over me te waken. Soms, in mijn koorts, verbeeldde ik me dat ze een agent was die me in de gaten hield. Dan voelde ik me meer een gevangene dan een zieke. Alleszins had ze altijd ten minste een oog wijd open, voortdurend op mij gericht, op mijn gezicht, mijn magere handen.

Je bracht me een bezoek. Het viel me op dat je anders was dan anders, afstandelijker, ziellozer, je huid kleurlozer; je ogen hadden weinig van hun gebruikelijke schittering. Ik lag in bed met alleen een T-shirt en onderbroek aan en schaamde me daar voor, want zeker voor jou wilde ik mooi gekleed zijn. Mijn kleren, zelfs mijn pyjama, lagen onder mijn matras, een vochtige warboel.
Je maakte aanstalten om te vertrekken, wat me, ondanks je teleurstellende verschijning, erg bedroefde. Ik vreesde dat ik gauw zou sterven, of dat je nooit meer zou terugkeren. Van mijn moeder mocht ik niet uit bed komen, je niet omhelzen, geen afscheid van je nemen. Waar vond ik de kracht om zo lang en heftig bij haar aan te dringen? Uiteindelijk stond ze toch een vluchtig afscheid toe, als ik maar niet te dicht bij je kwam. Vliegensvlug haalde ik mijn pyjama onder de matras uit en trok hem aan, zij het met het jasje verkeerd toegeknoopt. Ik was nog niet helemaal aangekleed en schaamde me ook daar weer voor, toen jij al voor de deur stond, met je rug naar me toegekeerd. Je wilde me niet omhelzen, volgens jou omdat het niet mocht. Plotseling zei ik, tegen moeders verbod in (of was het dat van de agent?), met een moed die alleen maar kan voortvloeien uit teugelloze liefde, dat ik met je mee zou gaan tot aan de Oude Bareel. Maar je was al bijna buiten. Wellicht had je mijn woorden, vol verlangen uitgesproken, niet eens gehoord. De droefheid die me daarop overviel was immens. Ik geloof niet dat ik me ooit triester heb gevoeld, niet in een droom en niet in het wakend leven. Toch keek je, net voor je de deur achter je toetrok, nog even om, met tederheid en liefde in je ogen. Die droefheid, omdat je vertrok en omdat je omkeek, was zo ondraaglijk dat ik huilend wakker werd.

Eens wakker besefte ik dat Bob  Dylan het helemaal verkeerd had: “She’s an artist, she don’t look back…” Het is net omgekeerd. Als je een kunstenaar bent, een kunstenaar die liefheeft, kijk je gedurig terug, denk maar aan Orpheus.

Ik viel opnieuw in slaap. Nog dezelfde droefheid  torsend kwam ik op een eiland aan dat deel uitmaakte van een grijze en bloedrode, geërodeerde archipel. Na een half uur op het eerste eiland wilde ik naar het tweede, en zo verder. Maar het was moeilijk om van het ene naar het andere eiland te reizen. Er voer slechts één ferry per dag uit, op een onduidelijk uur. In het huis waar ik voorlopig verbleef, mijn kaartje voor de overtocht steeds binnen handbereik, gebeurden allerlei bizarre dingen. Zo was het op sommige dagen een komen en gaan van bedelaars, goochelaars en beschimmelde figuren. Er werd gehoest, gerocheld, gefloten, maar niemand zei een verstaanbaar woord. Troost kon je van geen levende noch van een dode ziel verwachten. Grote aarden potten waren gevuld met oude suikerklontjes en graan dat een muffe geur had. Elke kamer had op zijn minst zes deuren die met zes verschillende sleutels moesten worden geopend en gesloten.

Ondanks de waanzin wilde ik in die droom niet in slaap vallen, omdat ik bij jou wilde zijn, jij die je nu op een van de andere eilanden van de archipel bevond. Als dat niet ging zou ik wachten tot jij bij mij zou komen. Daarom slikte ik pillen, pillen tegen de slaap. De dagen en nachten vlogen voorbij. Mijn voorraad pillen en water om ze mee in te slikken slonk. Ik hoopte, maar tegelijk voelde ik wanhoop: nooit zou er een ferry voor me komen, nooit zou er een ferry voor jou komen. En als we elkaar dan toch zouden vinden, zou onze ontmoeting maar kortstondig zijn, een oogwenk, niet langer.

Het was een heel eind tot de aanmeerkade en het was donker en alles was grijs, de lucht, de zee, de aarde, de wegen, de kamers. Op een dag belde mijn broer aan, dronken, met een nieuwe voorraad capsules, hun houdbaarheidsdatum lang overschreden. Hij zei dat ik me aanstelde en lachte me uit. Onze liefde bevuilde hij met een resem schunnige uitspraken. Ik bleef ernstig, zal er heel boos hebben uitgezien. Hij begreep niets van onze liefde, zei ik.

Later, op een van de kleinste eilanden, in een vertrek vol grillige schaduwen, zei je me dat je zwanger was. Ik wilde je vragen of het van mij was, maar realiseerde me dan dat we al weken niet meer gevrijd hadden en zei niets. Ik wist meteen dat het van een andere man was. Toch nam ik het je niet kwalijk, omdat ik zo blij was dat we even samen waren. Ik vond je buik zo mooi, mooier nog dan in de dagen van onze warmste liefde. Wat was ik triest! Meest van al nog omdat ik wist dat we maar een poos samen zouden zijn en elkaar nu ook weer niet zouden omhelzen. Moest ik ook niet vechten tegen de slaap en waren de antislaappillen niet op? En was mijn broer niet aan het grinniken en ons in ons gezicht aan het uitlachen? En moesten we ons niet haasten vanwege het nakende vertrek van de ferry? En verbood mijn moeder me niet ten strengste om ook maar één woord met jou te wisselen?

De kamers waarin we elkaar zo vluchtig zagen veranderden gedurig van vorm. Soms waren ze opgetrokken uit bamboe, soms uit drijfhout, soms uit beton. Nooit waren ze weelderig, nooit licht en luchtig. Meermaals werd ik midden in een scène - want hoe kan ik deze situaties anders noemen? – wakker, altijd als een romantische, sentimentele vrouw met tranen in de ogen, moeizaam ademhalend. Vreemd was dat ik toch meteen weer wilde slapen, om verder te kunnen dromen, hoe triest het ook allemaal was. Alleen maar, denk ik, omdat ik dan af en toe toch bij je was. Onze toestand, zoals ik hem beleefde, was ondraaglijk, die wirwar van moeilijk bereikbare eilanden - in het azuur in het wilde weg gespatte donkerbruine verfvlekken, drip drip drip - en hoe jij daar en ik hier was, en dat er dan plotseling op een landkaart toch autosnelwegen zichtbaar werden die de eilanden met elkaar verbonden. Op luchtfoto’s kon je ze duidelijk ontwaren. Lange bruggen, een beetje zoals de Seven Miles Bridge in Florida of de Rio–Niterói Brug in Brazilië. Maar geen van die bruggen bracht ons weer bij elkaar. De pillen die mij geholpen hadden om wakker te blijven en, vooral, om de hoop niet op te geven, waren op. Van de toekomst viel niets meer te verwachten, geen geluk, geen ongeluk, geen pijn, geen verdriet, niets. Er viel niets meer te verwachten in deze archipel van het verdriet.

oude barreel3.jpg

28-10-11

VETTE VIS, MAGERE VIS


The-Idiot-22.jpg

De idioot, Akira Kurosawa.

Noem mij Martin Pulaski. Ik lig uitgeteld op een allesbehalve grasmatachtige vloer te wachten op een vette vis. Iedereen heeft het altijd maar over vette vissen, doch die van mij zijn zo mager als suikerriet. Vel over graat. Dokter, kun jij hier iets aan doen, nu het nog kan? In mijn buik is nog plaats voor zeker twee vette vissen. Maar dan moet je me wel een pilletje geven om dit gehoest te doen ophouden. Tegelijk hoesten en slikken, dat gaat niet. Cortisone, morfine, het maakt niet uit. Als dit gerochel maar ophoudt. Gelukkig hoor je mij niet praten. Ach, ik zeg natuurlijk ook niets. Zo ver is het met me nog niet gekomen. 

De voorbije nacht was ik een boze wolf zonder roodkapje. Ik had nochtans veel trek in zo'n 'kapje. In het diepst van mijn gedachten ben ik geen god maar een lekkerbek. Een weerwolf, een echte gek. In diepst van mijn gedachten ben ik eveneens een magere heilige, zoals die van Rudolf Geel (vergeten schrijver). De voorbije nacht lag ik te hoesten en te ijlen. Waar was je toch, ik had zo'n zin om je op te eten? Vind je het dan zo erg om door een heilige wolf verorberd te worden? Of schaam je je voor zulke verlangens? Het verlangen om verslonden te worden. De begeerte naar een wild beest. Alsof de dagen je nog niet hebben ontrukt aan de natuur. Aan de natura naturata en de natura naturans. (Waarom maakt Spinoza dit onderscheid, als de twee hoedanigheden toch een en hetzelfde zijn?) De dagen van oktober, als de zon je het mooist maakt, je haren oranje, je huid bleekblauw en rose, je jurk die een voor een zijn rode bladeren verliest.

Wakker werd ik als een raaskallende idioot, niet die van Dostojewski, noch die van Kurosawa: ik was King Lear, maar dan zonder kroon, zonder Cordelia, zonder iets. Ik bakte een ei, dronk zwarte koffie, zong de Blanket Roll Blues en wachtte op de arts. Wel een arts, maar geen verlossing in het verschiet. Ja, benedictie misschien, dat wel, zoals in het lied van Thurston Moore. Voor de rest geen gebenedijd woord meer. Maar geloof je me?

24-07-08

DE NACHTEN ZONDER INNIGHEID


willy

Ik droomde van mijn oude, lang geleden gestorven vriend Willy B. Vermoedelijk doordat hij net als ik veel van Tim Hardin hield. In mijn droom was hij even levend als jij en ik. Ik kon hem aanraken, diep in de ogen kijken.We praatten met elkaar over de verleden tijd. Ooit reed ik met hem aan het stuur in de auto door het centrum van Brussel; we hadden een ongeval, een frontale botsing, maar het was niet erg, we hadden geen schrammetje. Een paar weken later leende ik hem mijn exemplaar van ‘Under the Vulcano’. Ja, we hielden ook beiden van de geniale dronkaard Malcolm Lowry. Niet veel later had hij een zwaar ongeval, de auto was een total loss of hoe verzekeringsmaatschappijen iets dergelijks ook mogen noemen, maar Willy was niet gewond. Mijn boek was ik kwijt.

Willy was een toxicomaan. Hij had altijd een koffertje vol medicijnen bij zich, vooral pepmiddelen en benzo’s, maar ook wel zware pijnstillers op basis van morfine. Eveneens bezat hij een dik apothekersboek waar al die medicijnen in stonden opgesomd en beschreven. Willy was al een aantal keren opgenomen om af te kicken, maar hij begon telkens opnieuw. Na een mislukte relatie met een vrouw waar hij van hield nam hij een te grote hoeveelheid pijnstillers. Het was in de koude maand januari van 1989. Twee weken voor die fatale dag was ik nog met Willy doorgezakt in de stad. Tot mijn schaamte moet ik bekennen dat ik onderweg naar huis in slaap ben gevallen. We zijn in stilte door de nachtelijke straten van Antwerpen gereden.

Willy is blijven overnachten, maar toen ik ’s morgens wakker werd was hij weg. Ik heb hem nooit meer gezien. Tot vorige nacht. We hadden het, zoals ik al zei over het verleden. Over liefde en seks. In mijn droomde beweerde Willy dat je seks kunt hebben zonder liefde te voelen. Ik was het daar niet mee eens. Mijn prille ervaringen met seks gingen altijd gepaard met echte liefde, zei ik. Het ene kon nooit zonder het andere. Willy vond dat je lekker seks kon hebben, zonder meer. Hij praatte er nogal beeldend over, waardoor mij allerlei erotische taferelen voor de geest kwamen. De geest in mijn droom, bedoel ik.

Elke nacht lig ik wakker of slaap ik, maar er is altijd, ben ik nu ziek of gezond, altijd is er een brandend verlangen in mij. Overdag ben ik zoals iedereen, maar ’s nachts word ik bijna puur verlangen naar een aantrekkelijke vrouw. Wat ik vooral wil is innigheid, maar ook seks. Ik weet niet of innigheid hetzelfde is als liefde. Ik ken geen innigheid meer. Je moet dan echt in de andere zijn. Maar met Willy sprak ik over de liefde, en zo bereikten we de ochtend en ontsnapten aan de dood. Ik ontwaakte in een tropisch land, waar een orkaan het hotel waar wij logeerden had verwoest. Alles wat we bij ons hadden was verdwenen. Daarna werd ik echt wakker en herkende aanvankelijk mijn kamer niet. Tot ik in de vertrouwde omgeving kwam, met rechts van mij het raam en links de deur naar de badkamer.

Ik vroeg mijn vrouw of ze wakker was. Ja, zei ze. Ik zou graag een rock & roll band oprichten, zei ik. Ik zou het Martin Pulaski & the Small Society noemen. Soms zouden we een big band worden, en dan zou het the Big Society zijn. Mijn vrouw ging op haar andere zij liggen en sliep verder. Ik vroeg me af wat ik met mijn leven moest doen. Wat ik vooral niet meer wilde was pillen slikken.


Foto: Willy B., fotograaf onbekend.

11-07-06

VOOR EN NA DE REGEN 5

pop,popcultuur,vriendschap,blues,pannenhuis,pink floyd,garelli,bilzen,jazz bilzen,flower power,free jazz,poezie,slam,pillen,gin,heilig,woord,kussen,brugge,liefjes,ouders,antwerpen,piper at the gates of dawn

Opgedragen aan Syd Barrett, in memoriam.


5.

Henry zit weer achterop mijn gele Garelli, we rijden door Sledderlo om de show te stelen. Niets is gelukzaliger dan de wind in je haren, vooral als je net East West hebt gekocht voor honderd frank, & zo de Chicago blues hebt ontdekt. Met geschaafde ellebogen & handen - want natuurlijk zijn we gevallen met die brommer - moeten we nu naar Bilzen. Als we tenminste geen tetanus krijgen, zegt Henry's vader, die onze wonden grondig ontsmet. Bilzen, waar flower power, free jazz & orale poëzie de lucht verluchten, zoals in de middeleeuwen monniken met manuscripten deden. We drinken gin & slikken hoesttabletten. De kleine Johannes heeft een lief uit Holland. Ze legt me uit wat een knaak is. Eindelijk een heilig woord, denk ik, maar alleen uit haar mond, weet ik nu. Ook ontdekten we waarvoor scholen dienden. Om er in te breken, te roken, gin te drinken, op de tafels te slapen. & 's morgens het hoofd te verfrissen onder een kraantje in de toiletten.
Ik heb aan zee een heerlijk meisje leren kennen. Pauline blijft me drie lange dagen kussen. & dan zegt ze opeeens, jij past meer bij hààr, dat kotsende meisje daar, een schoonheid, die luistert naar de naam Claudia Chauchat. Terwijl Zager & Evans hun sentimentele science-fiction spuien neemt ze plaats op mijn schoot en vult mijn mond met haar zure tong tot ik bijna overga tot ontbinding, klaar voor Gods Laatste Oordeel. Daarna vervloekte Claudia mijn ziel, omdat ik 's avonds, als zij in een tapijtenwinkel moest werken Anny door de zee gezouten verhaaltjes vertelde. Anny's ouders, een bakker & zijn vrouw, wilden mij in een Brusselse gevangenis zien zitten. Dank je Anny, je hebt me niet verraden. Een altijd boze Claudia Chauchat klom een paar jaar later 's nachts uit het raam, om te gaan zuipen & zich aan mijn kameraden aan te bieden, maar ze viel, brak haar benen, en verdween uit het beeld. Claudia, alleen met jou sta ik op een foto met een stralend wit Levi's jasje aan.

Pink Floyd in 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen met Lucas & de kleine Johannes. Belletjes hangen klingelend op onze borst. We hebben veelkleurige zijden sjaaltjes van onze moeders aan & roze & rode fluwelen jassen. Als we slapen eten we margrieten & tulpen en overdag kussen we de zomerregen.


Epiloog.

Overal waar ik kom breng ik de geur van de scheepvaart met mij mee en laat ik een spoor van jullie liefde, waanzin & doodsverachting achter. Om mijn hoofd blijft het klinken van koebellen in Zwitserse weiden & waarom is dat? Omdat niets heiliger & eenzamer kan klinken, een geluid uit de eeuwigheid, dat de eeuwigheid afzweert. Dat eeuwigheidsgeluid - en nog veel meer - hoor ik ook in The Piper At the Gates At Dawn en in de twee echte solo-elpees van Syd Barrett. Hij heeft zijn 'toren' nu voorgoed verlaten, op jongere leeftijd dan 'Scardanelli'.