25-12-16

EEN JAAR IN POPULAIRE MUZIEK

okkervil-river-will-sheff.png

Het voorbije jaar luisterde ik weinig naar nieuwe muziek. Ik heb de indruk dat het elk jaar wat minder wordt. De reden daarvoor is dat het leven kort is. Er zijn nog zoveel boeken die ik niet gelezen heb (of wil herlezen). Er zijn zoveel films die ik nog wil zien, zoveel landen en steden bezoeken, zoveel kunstwerken bewonderen… De twintig elpees/cd’s hieronder drongen wel door tot mijn oren en mijn hart. De volgorde waarin ze terecht gekomen zijn heeft niet echt veel belang. Maar ik geef toe dat Will Sheff (Okkervil River) mij dit jaar het meest heeft ontroerd. 

  1. Okkervil River – Away

    1 okkervil river.jpg


  2. Wilco – Schmilco

    2-wilco-schmilco-1000x1000.jpg

  3. David Bowie – Blackstar

    3 david-bowie-blackstar.jpg

  4. Drive-By Truckers – American Band

    4 DBT_AmericanBand_Cover_500.jpg

  5. Rolling Stones – Blue & Lonesome

    5 rolling stones.jpg

  6. Ryley Walker – Golden Sings That Have Been Sung

    6 ryley.jpg

  7. Hope Sandoval and the Warm Inventions – Until the Hunter

    7 hope sandoval.jpg

  8. Margo Price – Midwest Farmer’s Daughter

    8 margo.jpg

  9. Jesu/Sun Kil Moon – Jesu/Sun Kil Moon

    9 jesu sun kil.jpg

  10. Case/Lang/Veirs – Case/Lang/Veirs

    10 case lang veirs.jpg

  11. Nick Cave & the Bad Seeds – Skeleton Tree

    11 skeleton tree.jpg

  12. Steve Gunn – Eyes On the Lines

    12 steveGunn_EyesOnTheLines-copy.jpg

  13. PJ Harvey – The Hope Six Demolition Project

    13 hope six.jpg

  14. Sturgill Simpson – A Sailor’s Guide To Earth

    14 sturgill-simpson-sailor-guide.png

  15. Brian Eno – The Ship

    15 BrianEno_TheShip_2016.jpg

  16. Cass McCombs – Mangy Love

    16 cass mccombs.jpg

  17. Elysian Fields – Ghosts Of No

    17 Ghosts_of_No.jpg

  18. Leonard Cohen – You Want It Darker

    18 leonard-cohen-you-want-it-darker-5746.jpg

  19. M. Ward – More Rain

    m-ward-more-rain2.jpg

  20. Lucinda Williams – The Ghosts Of Highway

    20 lucinda williams ghosts of highway 20.jpg

11-05-16

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

 0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.
sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we - voor het eerst met de versterker op 10 - de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.
Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.
0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg
In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik - van de hand van Wouter Hillaert - dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg


*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

11-03-16

IS ALLES GENADE?

Diary of a Country Priest 1.jpg


Toen ik soldaat was, in het jaar 1950, lag er met Pasen een halve meter sneeuw, hoor ik een man zeggen. Ik zie hem niet want ik lig op de behandeltafel achter een scherm. 1950, mijn geboortejaar… Ja maar, in welke maand viel Pasen dat jaar, vraagt de kinesiste. In maart, zegt de man. Ondanks zijn vrij hoge leeftijd, toch zeker tachtig, schat ik, klinkt zijn stem niet ouder dan die van een vijftigjarige. Het duurt een tijd eer de gewezen soldaat het vertrek verlaten heeft; last van eenzaamheid waarschijnlijk. Tot hij de deur uit is moet ik achter mijn donkere gordijnen wachten op de kinesiste die aan mijn nek en rug gaat werken. Zelf heeft zij dan weer een schorre stem, ouder dan haar leeftijd. Hoewel zij niet echt een leeftijd heeft, ten minste: ik zie hem niet en kan hem niet raden.
Met streekgenoten spreekt de kinesiste een plat Brabants dialect.
Eigenlijk moet je alleen maar langs het Bracops ziekenhuis lopen, dan de parking (waar altijd auto’s van rijscholen staan) met aan weerszijden mooie oude kastanjebomen, vervolgens de drukke Sylvain Dupuislaan oversteken en een paadje tussen twee flatgebouwen zien te vinden, en dan ben je er: een vergeten straatje in de vierde wereld. In het straatje alleen oude arbeidershuisjes met onpare huisnummers. Met overal rondom razend verkeer. Daar zal de kinesiste met de rauwe stem en het Brabantse accent (dat ik niet echt graag hoor) me van mijn nekpijn verlossen. De meeste genade komt van vrouwen.
Maar dan is er nog het lang niet opgeloste probleem van de ziel. Mijn ziel die liefde nodig heeft. Liefde die ver te zoeken is en niemand schijnt nog te weten bij wie of waar. Als je de logica toepast op de dood van god is er geen liefde meer in de wereld. Voor de plattelandspriester in ‘Journal d’un curé de campagne’, die leeft op een dieet van brood en wijn, is dat een zekerheid. Of toch niet. Bij Robert Bresson kun je nooit zeker zijn. ‘Alles is genade’, zegt de priester op het einde, en dan is hij dood. Het brood en de wijn – en de afwezigheid van liefde – hebben hem de das omgedaan. ‘Journal d’un curé de campagne’ werd gedraaid in 1950, het jaar van mijn geboorte, het jaar dat het met Pasen sneeuwde. Waarna de Koreaanse oorlog begon. Daarna Vietnam, de Zesdaagse Oorlog, het Plein van de Hemelse Vrede - en nu hebben we de vluchtelingen en Isis is ook niet langer een godin-heelmeesteres.

01-06-13

ZERO DE CONDUITE: VROLIJKE MELANCHOLIE

anne-briggs.jpg

Anne Briggs

Zéro de conduite is een programma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de linzensoep! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

 

Vandaag ook weer geen afgelijnd thema (wellicht heb ik sinds 1982 alle mogelijke thema’s al tientallen keren gehad), maar onderliggend is er wel melancholie, die bijna altijd troost biedt. Vrolijke melancholie, een mooi muzikaal oxymoron toch? Vanwaar echter melancholie en behoefte aan troost? Troost lijkt me voor de hand te liggen. Mensen zijn eenzame wezens, zwak, kwetsbaar, slachtoffer van geweld, oorlog, onderdrukking, liefde en chagrijn, armoede en ziekte. De schaduwzijdes van al het verrukkelijke dat het leven ons biedt. Ik ben in dat opzicht niet zo anders dan andere mensen, al ben ik gelukkig niet arm, niet al te ziek en niet vreselijk eenzaam.
Melancholie is altijd een ondertoon in mijn leven geweest, ik heb haar gekoesterd, of zij mij, dat weet ik niet zeker. Als je verjaart komt die ondertoon bijna noodgedwongen bovengronds – ouder worden is geen prettig gebeuren, zeker niet als je de jeugd zo verheerlijkt als ik altijd heb gedaan. En zoals misschien elke kunstenaar en schrijver wel doet. ‘Forever Young’, was de leuze, maar dan stel je vast dat het niet meer is dan dat: een leuze, een motto. Tenzij het om een jeugdige geest zou gaan.  In dat geval is het het motto de waarheid.

Een verjaardag is een moment van somberheid, helder besef van je sterfelijkheid, maar tegelijk vier je het leven, vier je dat je aanwezig en tegenwoordig  bent – ook tegenwoordig van geest, dat je kunt lachen en dansen en vrienden ontmoeten, dat je kunt liefhebben en luisteren, en zien en ruiken en voelen. Dat je kunt reizen en dat je openstaat voor het oude en het nieuwe. Zoals dit programma nog een keer zal moeten bewijzen, want het moet een mix worden van heel oud en heel nieuw.

Veel luisterplezier.

lou-reed-sally-can.jpg

 

Strangers When We Meet - David Bowie  - Buddha Of Suburbia

On My Own – Low - The Invisible Way

Down to Go – Phosphorescent - Muchacho

Sorrow - The National - High Violet

I've Been Riding with the Ghost - Songs: Ohia - Magnolia Electric, Co.

The Velocity Of Saul At The Time Of His Conversion - Okkervil River - Down The River Of Golden Dreams

Ennui - Lou Reed - Sally Can't Dance

Allegro molto -  Lynn Harrell, Stephen Kovacevich - Brahms: Cello Sonatas 1 & 2, Handel Var. Op. 24

Don't Forget Me (ft. John Lennon) - Harry Nilsson - Pussy Cats

The Train From Kansas City - The Shangri-Las- Myrmidons Of Melodrama

That Teenage Feeling - Neko Case –  Fox Confessor Brings The Flood

Looking Glass Blues – Charlotte Gainsbourg - IRM

Cold Molly - Mark Lanegan & Duke Garwood - Black Pudding

Turn You Inside-Out - R.E.M. - Green

Home I'll Never Be - The Low Anthem - Oh My God, Charlie Darwin

Black Train - The Gun Club - Fire Of Love

Can We Really Party Today? - Jonathan Wilson - Gentle Spirit

Song For Adam - Jackson Browne - Saturate Before Using

Penthouse In The Woods - Scud Mountain Boys - The Essential Scud Mountain Boys

I Don't Know You  -New Riders Of The Purple Sage (ft. Jerry Garcia) - New Riders Of The Purple Sage

Call The Doctor - J.J. Cale - Naturally

See That My Grave Is Kept Clean - Kelly Joe Phelps - Roll Away The Stone

Trials, Troubles, Tribulations - Valerie June - Pushin' Against a Stone

The Stonecutter Boy – Anne Briggs - The Bird in the Bush

Abschied - Nico - Desertshore

Andante - Pieter Wispelwey – J.S. Bach, Gamba Sonatas

Time Of No Reply - Nick Drake - Way To Blue (An Introduction To Nick Drake)

Sweethearts On Parade - M. Ward - Transistor Radio

Ant Farm - The Eels - Electro-Shock Blues

When The Angels Will Put Out Their Lights - South San Gabriel - Dual Hawks 

The Desperate Kingdom Of Love - PJ Harvey - Uh Huh Her

jason molina.jpg

Jason Molina


Research & presentatie: Martin Pulaski 

27-05-13

VERLOREN

2013-05-SICILIE-panasonic 039.JPG

Foto: Martin Pulaski, Siracusa, 12 mei 2013.

Vorige nacht viel mijn oog op een beker van zilver en goud waaruit eeuwen geleden, toen wij nog in mysteriën geloofden, het bloed van Christus werd gedronken. In het zilver stonden de sierlijke woorden ingegrift van een gedicht dat ik in werkelijkheid niet eens zou durven schrijven: overmoed en hybris zijn me vreemd. Ik denk er zelfs niet aan me te wagen aan een schepping die grootser en dieper is dan wat zich in mijn geest manifesteert. Het waren woorden van een hymne, van een gezang van Orpheus of van zijn broer Linus. Maar ik herkende ze als die van mij. De enkele regels die ik las openden vruchtbare landschappen, velden, boomgaarden, riepen schitterende steden op, straten, pleinen waar feest werd gevierd; oude en nog niet bestaande culturen kwamen in bonte schakeringen tevoorschijn. 


Een grote vreugde maakte zich van me meester, maar niet voor lang. De sacrale beker was zoek geraakt in een hooimijt. Een jongen, misschien mijn zoon, ging er koortsachtig naar op zoek, vergeefs. De vreugde sloeg om in diep verdriet. Het leek of ik mijn geliefde was verloren, de enige voor wie ik leefde.

Later, terwijl ik in Arco Rosso een glas Ben Ryé zat te drinken schoot een fragment van het verloren gedicht me weer te binnen. Dat dacht ik althans. Maar kon het zo’n banale onzin zijn geweest? Neen, onmogelijk, zulke regels konden niet op die zo volmaakte beker hebben gestaan. Tot op dat ogenblik had ik me nog jong gevoeld, voldoende sterk, het vuur van de kunstenaar brandend in mij. Nu veranderde ik in een oude man, nutteloos en zonder verhaal, verlaten door de vreselijke muze, zoals zo vaak in een kunstenaarsleven gebeurt. Ik wist met grote zekerheid dat ze niet terug zou keren en dat geen andere vrouw haar plaats in zou nemen. Mijn tijd was gekomen, mijn woorden uitgeleefd, opgebruikt. Nu was het uur aangebroken om alle landen, steden, vrouwen te vergeten. In jou, in wie dat alles en veel meer aanwezig was geweest.

02-03-10

EEN KORT VERHAAL OVER DE LIEFDE


munch sick child lithograph

Je ligt ongeveer vier uur per dag op je canapé. Niet uit luiheid, dat zou ook kunnen, maar nu is het om te herstellen van wat een ernstige ziekte wordt genoemd. Je moet nieuwe krachten opdoen, zodat je als de lente er aankomt weer je oude vertrouwde zelf bent. Alleen wil je niet oud zijn, en vertrouwen doe je je zelf evenmin, gewoonweg omdat je er niet vertrouwd mee bent, met dat veelarmige ‘zelf’. Schiet het als ongedierte in een vochtige lade niet meermaals alle kanten op? De vier windstreken, andere dimensies opzoekend… Het is een oude geschiedenis, die al zo vaak is verteld – het verhaal van de dubbelganger, de gespleten persoonlijkheid, het ambiguë, de schone en het beest, honderden voorbeelden. Het mooiste vind je nog altijd Edgar Allan Poe's ‘William Wilson’. Poe maakt het zeer duidelijk dat je voor je zelf, voor je dubbelganger op je hoede moet zijn. De kans is groot dat hij je op een donkere hoek in je eigen stad staat op te wachten, het mes klaar om toe te steken.

Je ligt daar dan en bedenkt verhalen. Of liever: je bedenkt het begin van verhalen. Realistische verhalen, romantische verhalen, postmoderne verhalen, surrealistische verhalen. Prachtig, denk je. Dit is het. Op de achtergrond klinkt iets van Bach, van the Low Anthem, van Charlotte Gainsbourg. Waar is dat verdomde notitieboekje? Niet binnen handbereik. En alleen maar een potlood met een gebroken loodstift, je kunt er alleen nog kruisjes mee vormen, of een zo goed als onleesbaar laatste testament. Niet dus. Het verhaal zal voor morgen zijn. Je draait je om, je gezicht zo diep mogelijk in de kussens, je rug naar het raam, je ogen afschermend voor het binnenvallende vroege lentelicht. Je wilt verdwijnen in de rugzijde van je canapé. Daar is het een mooie wereld, dat weet je, maar de toegang is moeilijk. Er zijn veel wachtenden voor je. Misschien staat de muziek van Glenn Gould te luid? Misschien heb je te weinig pillen geslikt? Teveel koffie gedronken? Waarom ben je zo onrustig? Je moet net heel rustig zijn om er binnen te kunnen. Om je zelf te ruilen voor de geheime formule die je toegang verschaft tot dat ‘verboden’rijk’.

Je bent herstellende. Je doet wat oefeningen. Armen strekken, bukken, de bijna dode planten water geven. Je kunt ademhalen. Je voelt onbekende krachten sluimeren in je lichaam. Je gaat eens op het verwaarloosde terras kijken. Een plant die je niet herkent vormt scheuten, felgroen in de late middagzon. Weer binnen kijk je naar de foto van Charlotte Gainsbourg op IRM. Overdrijft ze niet een beetje? Zo vaak haar sensuele foto afdrukken op de hoes van haar cd. Het is een mooie foto, maar gaat het niet om de muziek van Beck, om haar stem, om rock & roll? Nee, zegt ze, hier ben ik – ik leef en ik ben blij dat ik leef. Ik had er ook niet kunnen zijn. Charlotte Gainsbourg bevestigt wat ik ook wil bevestigen. Het leven, het verlangen naar ander leven, het plezier, in weerwil van droefheid, van ziekte, van gevaar. Heaven can wait. Charlotte’s zelf is nu even Beckachtig. Terwijl haar persona in I’m not there ongetwijfeld een geïdealiseerde Sara / Suze was. Een personage dat me betoverd heeft, vooral als je haar in het licht van Bob Dylans ‘I Want You’ ziet vrijen – pure lust.

Zo gaan je gedachten al of niet naar het verleden, een romantische pudding, het heden, een giftig spinnenweb, en de toekomst, een geslaagd verhaal, een gelukkige Michael Kohlhaas, een Gregor Samsa die niet van gedaante verandert, maar in de armen ontwaakt van zijn fictieve Felice, die uiteindelijk een vrouw van vlees en bloed blijkt te zijn. Je beseft dat je zelf een echt zelf is. Je kunt je niet achter alter ego’s verbergen. Je bent de mens die je – maar korte tijd – bent.  Als je liefhebt moet je liefhebben, jij bent de dader, als je haat moet je maar haten, het zij zo. Elke mens schijnt vijanden te hebben. Jij niet? Natuurlijk wel. Maar maak je gewoon geen zorgen. De liefde en de tijd schuiven die domme geschiedenissen allemaal aan de kant. Verhalen komen vanzelf. Om je heen ontstaan ze, in de levens van onbekenden, van vrienden, van kunstenaars, van geliefden, van degene om wie je leven draait als een cirkel rond de zon.

En hij zoekt zijn andere zij op, zijn ogen naar het licht van de zon. En hij luistert. Naar Bach, naar Charlotte Gainsbourg, naar I Want You. Naar zijn eigen stem. En als hij zijn oren spitst hoort hij de stem van zijn geliefde. Het gaat niet om het geluk, zegt ze. Het gaat om hoe we zijn. Het gaat om onze diepe verwantschap. Het gaat om iets waar we nog geen verhaal voor hebben, zegt ze. Het gaat om de intense warmte die we voelen als we elkaar omhelzen, zegt ze. Wat betekent dat vuur? Ik weet het niet, zeg ze. Laten we het vooral niet doven, zegt hij. Misschien moet de hele wereld branden zoals wij?

Afbeelding: Edvard Munch, Het zieke kind, litho.

 

20-02-09

ELEMENTAIRE TEGENSTELLINGEN IN DE POPULAIRE CULTUUR


peace


“Ze wilde jong blijven en niet door haar kinderen aan haar leeftijd worden herinnerd”.
De zoon over de hippiemoeder, in ‘Elementärteilchen’ (2006), een Duitse film van Oskar Roehler gebaseerd op de roman 'Les particules élémentaires' (1998) van de omstreden auteur Michel Houellebecq.

Deze tijd is een tijd van onduidelijkheid, onzekerheid, morsige passies, warrige verlangens en onbestemde angsten. Een poos geleden stond ik in de Bozar, het vroegere Paleis voor Schone Kunsten, Corona’s te drinken tijdens de finissage van de  tentoonstelling ‘Boeddha’s Glimach’, over 1600 jaar boeddhistische kunst in Korea. Na het ledigen van enkele flessen – zoals altijd vrezend voor bacteriën of giftige stoffen op de schil van de citroenpartjes - begaf ik mij onwillekeurig naar de dansvloer. Vrouwelijke deejays draaiden elektro en techno, wat voor mij geen muziek is, maar wel een hoogtechnologische opeenvolging van ritmes waar je – desondanks - op kunt dansen. Niet lang echter, want het gaat gauw vervelen, zoals seks zonder liefde of geweldfilms zonder inhoud of plot. Het is zielloos machinegeluid. Ik wil hiermee niet zeggen dat in een oubollige kunstentempel geen hedendaagse geluiden mogen worden geproduceerd. Het is alleen maar verwarrend, waarschijnlijk omdat het zo kunstmatig is, zo vals. Het is duidelijk een valstrik voor jonge mensen “die niet in kunst geïnteresseerd zijn” (volgens de statistieken, die niet één kunstenaar au sérieux neemt). Wat lager in de stad, je rug naar het afschuwelijke Fortisgebouw gekeerd, ligt een andere tempel: de  AB (Ancienne Belgique voor de Vlamingen). Het bier is er onbetaalbaar, de wijn van onduidelijke herkomst (en nog veel duurder). In die exclusieve concertzaal, de inkomhal is een technologisch ‘hoogstandje’,  treden groepen op als Fleet Foxes, van wie de muziek qua stijl nauwelijks verschilt van wat in het begin van de jaren zeventig the Band, the Beach Boys, en Crosby, Stills & Nash brachten. Langharige reactionaire hippies in de AB, een coole concertzaal, die met haar programmatie al decennia lang inspeelt op nieuwe trends? Dat klopt natuurlijk niet:  Fleet Foxes is geen stel reactionaire hippies: zij spelen muziek van deze tijd, die weliswaar verankerd is in het recente verleden. Maat het contrast met wat in de Bozar gebeurt is groot. Het credo van de AB lijkt: voor elk wat wils.

De traditonalist en vermoedelijke communist Ry Cooder treedt binnenkort op in de Elizabethzaal in Antwerpen. Hoezeer ik ook van zijn werk houd (zijn eerste elpee heb ik gekocht van geld dat ik verdiend had met op straat te tekenen), ik ga er niet naartoe: de kaartjes kosten ongeveer honderd euro. Ik kan dat voorlopig nog wel betalen, maar ik weiger het. Als zelfs Dylan voor vijftig euro kan optreden, dan moet Ry Cooder dat ook kunnen. Toch heb ik mij een hele tijd afgevraagd: should I stay or should I go. Heel wat vrienden en kennissen van me gaan, en ik zal thuis zitten kniezen.

Vreemd is ook aan de ene kant de afkeer van een populaire en voortreffelijke (zij het moreel betwistbare) schrijver als de hierboven al genoemde Michel Houellebecq voor de ‘hippiecultuur’ en alles wat daar mee samenhangt en aan de andere kant de bijna gelijktijdige terugkeer van een hippie-achtig verschijnsel, dat neo-folk, weird folk, enz. wordt genoemd, maar gebaseerd is op ongeveer dezelfde principes als die van de hippies in de jaren zestig en zeventig.

Een van die principes was de terugkeer naar de natuur, wat toen ook al niet nieuw was: filosofen als Rousseau en Thoreau hadden er al tenminste een eeuw eerder voor gepleit. Een van de iconen van de rock ‘n’ roll, die dat principe trouw is gebleven is Neil Young. Hij woont op zijn ranch in Californië, met zijn paarden, ezels, geiten, kippen en cowboys. Hij is net zoals Bruce Springsteen en veel andere populaire muzikanten een peacenik, wat alleen maar toegejuicht kan worden. Maar ook bij hem zie je het winstbejag. Het principe van de vrije markt, het extreme kapitalisme, wat blijk uit onder meer de dure toegangskaarten, cd’s en dvd’s (en allerlei andere parafernalia). Tegelijkertijd wordt hij bewonderd door mensen, zoals ikzelf, die de vrije markt bestrijden, die de hoge prijzen van geluidsdragers, van concerten, van festivals niet langer aanvaarden. Neil Young zien zij als een godfather van alles wat tegendraads is, roestige snaren en ontstemde gitaren inbegrepen.

Ik kan zo nog een tijdje doorgaan. Er zijn bijzonder veel voorbeelden te vinden in de wereld rondom ons van dergelijk tegenstellingen en moeilijk te vatten culturele en economische verschijnselen. Wijst dit erop dat er iets nieuws, iets beters aan het ontstaan is, of zijn het stuiptrekkingen van een soort die zich blindelings in de afgrond stort?  Ecce homo!

Foto: Martin Pulaski for peace, François Brouns, 1969.

05-09-08

TELEVISIE / TELEVISION


tv fashion

Omstreeks 1980. Het kleine, witte televisietoestel was van mijn vriend Jos D. De zaterdagnachten duurden lang. 's Zondags keken we naar 'De collega's'. We luisterden naar Television; dit is geen grap. Tom Verlaine was een van mijn grote helden toen. Mijn geliefde A. knipte mijn haren. Ze nam de foto op de hoes van de eerste solo-lp van Tom Verlaine als model. Dat was mijn wens: niet te kort en niet te lang. Met de voeten in de sixties en het hoofd in Marquee Moon.

Ik denk nu terug aan 
Anne-Mie van Kerckhoven, met wie we in die tijd goed bevriend waren. Later zag ik haar elke week heel even in de studio van Radio Centraal in Antwerpen. Zij maakte er het programma 'Als u niet naar ons komt, komen wij wel naar u.' Vanavond zou ik naar een tentoonstelling van haar werk gaan in Wiels, het Centrum voor hedendaagse kunst in Vorst. Nothing More Natural. Dat is de titel van de tentoonstelling. Helaas heb ik koorts en moet ik thuis blijven. Ik vrees dat zij nu niet naar mij zal komen.


Foto: Martin Pulaski.

02-06-08

MAGIC BUS


nuevo laredo, mexico

Voor mijn verjaardag zou ik graag een magical mystery tour maken in een bus als deze. Het moet niet noodzakelijk in Mexico zijn. Als er een vijver bestond waar je na een duik weer uitkomt als een vijfentwintigjarige, dan zou ik daarnaartoe willen. Maar wacht! Ben ik niet oud en wijs genoeg om zulke denkbeelden als onzin uit mijn hoofd te jagen, zoals ik een vlieg van mijn bord wegjaag? Ouder en wijzer zal ik dus zijn. Maar de busschauffeur staat nochtans te wachten...

27-07-07

OP EEN DAG IS ALLES AFGELOPEN


Op deze niet zo fraaie zomerdag wilde ik de toevallige lezer de volgende zinnen vooral niet onthouden.

“Op een dag kom je thuis en weet: van nu af aan moet ik voor alles boeten, en vanaf dat ogenblik ben je oud en dood. Op een dag is alles afgelopen, hoe lang het leven ook nog voortduurt. Eens en voor al ben je dood, en alle schoonheid, dat wat geluk is en geluk kan zijn, de rijkdom en alles heeft zich teruggetrokken, voor altijd.”

Thomas Bernhard, Vorst.

14-02-07

ZELFPORTRET MET TWEE DODEN


small mountain boy

Ik zag mezelf zeven keer op zeven verschillende leeftijden. Het was een warme junidag. We zaten wat te af te zweten in een prefabklasje. Ik werd telkens opnieuw naar voren geroepen om plaats te nemen in een van de brandweerwagenrode zetels die naast elkaar op een klein podium stonden. De eerste ‘ik’ was een jongetje van een jaar of zeven. Degene die naast hem ging zitten was de tienerversie van mezelf, en vervolgens nog vijf versies tot aan de door het leven verbitterde vijftigplusser die ik nu ben. Ik stond erbij en keek ernaar en was niet tevreden. Als een bol wol bij het breien zag ik de mij toegemeten hoeveelheid leven snel slinken. Het gedeelte dat achter de rug lag was een exact meetbare hoeveelheid, die snel toenam. Intussen waren nog anderen, vrienden en kennissen zo te zien, tussen mijn zeven zelven komen zitten. Ze waren heel wat jonger dan mijn oudste ik, mijn galspuwende spiegelbeeld. Dat vond ik allerminst rechtvaardig. "Zo oud al!" riep ik wanhopig uit. "Zo vreselijk oud!" brulde ik.
En ik schrok wakker, bevend en zwetend, met krampen in de hartstreek. Marc en Rom zijn dood, dacht ik onmiddellijk, geboren uit de geest van rock & roll, gestorven van een vermoeid, gebroken hart.

Illustratie: de kunstenaar als jonge bergbeklimmer. Foto: François Brouns.

08-10-06

WAT TE DOEN? VROEG LENIN

solomon burke,nashville,anderlecht,sociaal-democraat,verkiezingen,moraal,slecht bestuur,brussel,lenin,tchernichewski,pop,popcultuur,vlaams,nationalisme,waals,frans,oud,proteststem,thomas mann

Het is zondag, twaalf uur, de zon schijnt door de ramen van mijn werkkamer. Zou ik ze open gooien? Ja, dat ga ik doen.

Mijn jukebox draait ‘Nashville’ de nieuwe cd van de oude Solomon Burke. Zoals de titel aangeeft is het countrymuziek. Niets nieuws voor de man die ongeveer vijftig jaar geleden al He’ll Have To Go opnam, en vele andere countryklassiekers. Het verschil met zijn vroegere grammofoonplaten is dat hier – zeer geslaagde – duetten op staan met Dolly Parton, Gillian Welch, Emmylou Harris en Patty Griffin. Solomon Burkes diepe soulstem, vol nuance en emotie weet me opnieuw te bekoren. De songs werden opgenomen bij Buddy Miller thuis. Het is muziek van en voor de werkende mens, korte verhalen die iedereen kan begrijpen.

Wat me bij de verkiezingen brengt. Het is tien over twaalf en ik weet nog steeds niet voor wie ik ga stemmen. Niet dat ik bij die ontevreden burgers hoor die – zonder twee keer na te denken - een proteststem zal uitbrengen. Ik woon in Anderlecht, waar het Vlaams Blok de grootste ‘Vlaamse’ partij is. De kopstukken van dat gedrocht zijn oude ventjes en madammekes die wellicht wel hun naam kunnen schrijven. Maar veel meer? En toch stemmen de tachtig of zo Vlaamse inwoners van Anderlecht voor dat blok. Waarschijnlijk zijn die tachtig of zo stemmers ook oude ventjes en madammekes die nog net hun naam kunnen schrijven. Zelfs al zou ik ooit een proteststem uitbrengen, bijvoorbeeld in een vlaag van zinsverbijstering, dan zouden mijn genen mij nog altijd niet toestaan om voor dat verdomde haatzaaiende blok te stemmen.

Maar welke alternatieven zijn er? Ik word geleidelijk aan, of nogal snel, in zekere zin apolitiek. Het tegenovergestelde traject van Thomas Mann, die in zijn jonge jaren apolitiek was en op het einde van zijn leven een overtuigd sociaaldemocraat. Maar ondanks mijn apolitieke en escapistische neigingen zal ik toch voor een democratische partij stemmen. Ik kan kiezen tussen de lijst PS-sp-a-cdH en Ecolo. Ecolo heeft zichzelf ernstige geschaad door samen met de vermaledijde liberalen de gemeente te hebben ‘bestuurd’. Zijn deze dames en heren nog geloofwaardig? En de andere lijst is een vreselijk allegaartje, dat zich ook voor een groot deel tot senioren richt. In Anderlecht wonen toch niet alleen maar senioren? (Ik moet hier voorzichtig zijn want ik ben ook niet meer van de jongsten…) Het voordeel van de lijst PS-sp-a-cdH is dat hij vrij duidelijk is, en tweetalig (die van Ecolo is enkel in het Frans opgesteld, ook al staan er leden van Groen! op). Deze politici hebben tevens het voordeel dat ze zes jaar in de oppositie hebben gezeten en daardoor strijdvaardiger zijn. Maar als ik voor hen stem zal het met weinig overtuiging zijn. Het is dorpspolitiek. Ik heb niets tegen dorpen, maar Brussel pretendeert de hoofdstad van Europa te zijn. Waarom vormt deze stad dan ook geen bestuurlijke eenheid, zodat we kunnen stemmen voor de bekwaamste politici van de hele ‘Europese hoofdstad’. Omdat de oude ventjes en madammekes die net nog hun naam kunnen schrijven dan meteen van de kaart worden geveegd? Omdat ze dan hun handen uit de vleespotten moeten halen? Waarschijnlijk, want die heertjes en madammekes, hebben precies dank zij die verdeeldheid veel macht.

Zowat elke weldenkende inwoner van Brussel (ik bedoel de negentien ‘gemeenten’) weet dat het huidige model niet werkt, of eerder dat het wel werkt, maar verlammend. Iedereen weet het, maar we kunnen niet stemmen voor het alternatief, voor een middelgrote stad die bestuurd wordt door bekwame, intelligente, meertalige politici.

Ik heb echter een sociaal geweten, dus ben ik moreel verplicht om voor een sociale partij te stemmen. Dat kan in deze context alleen de sp-a (weliswaar als deel van dat allegaartje) of Ecolo zijn. Zeer frustrerend, dames en heren. Liefst van al zou ik nu in een vliegtuig naar Timboektoe stappen. Maar helaas. Overigens mag ik misschien niet eens stemmen want ik heb nog steeds geen nieuwe identiteitskaart! Maar dat is een ander Anderlechts verhaal!