19-09-17

NACHTELIJK KLASSEREN

1969-karmelietenstraat2_edited.jpg

Ik geloof dat het allemaal begonnen is met postzegels klasseren. Dat kon een hele of toch zeker een halve nacht doorgaan. ’s Morgens stapte ik uit bed met een gevoel van voldaanheid maar ook met lichte hoofdpijn en het gevoel dat ik niet uitgeslapen was. In plaats van uit te rusten hadden mijn hersens flink doorgewerkt. 

Misschien was dat zo kwaad nog niet maar het ging toch naar erger. Alsof mijn leven ervan afhing ging ik boeken, grammofoonplaten en compact disks klasseren. Bij het ontwaken, soms midden in de nacht, was ik meestal niet veel verder geraakt dan de M. Soms sliep ik weer in en kon dan nog een tweetal letters afwerken. Meermaals leek het of elke ordening nieuwe chaos in leven riep. Je mag me geloven: dergelijke dromen zijn frustrerend. Je klasseert wel maar je weet nooit wat het ordenend principe is, wat de categorieën zijn, waarom je er sowieso aan begonnen bent. Alleen ben je er zeker van dat het moet en dat er geen ontsnappen mogelijk is.

Na enkele weken, of waren het maanden, kwamen de meubelen en de hele inboedel van mijn woning aan de beurt. Alles moest om een mij onbekende reden worden verplaatst of in dozen gestopt en naar de kelder en of het stort gebracht. De dozen hadden een vooraf bepaalde plaats, al wist ik niet wie dat verordend had. Bovendien was ik te afgepeigerd om me daar druk over te maken. Het was een soort van a priori kegelspel en ik was de hond a posteriori. Of een ander dier, een olifant misschien… Meer kan ik er niet over zeggen.
Soms moest er helemaal opnieuw worden begonnen omdat een doos per ongeluk verkeerd was geklasseerd. Soms gebeurde het zelfs dat een voorwerp dat op die of die plaats in een doos moest komen ontbrak. Dan moesten de dozen weer worden geopend en leeggemaakt tot het ontbrekende kopje of de haardroger of een veiligheidsspeld was teruggevonden. Op de dozen bracht ik allerlei tekens aan zodat ik niet vergat wat er in zat en waar ik ermee naartoe moest.


Een paar dagen geleden ben ik met de huizen begonnen. Ik bespaar u het vermoeiende verhaal van wat mijn opdracht inhield. Het komt erop neer dat ze op basis van een obscuur systeem geklasseerd moesten worden. Woningen die niet aan objectieve – al even obscure - criteria voldeden moesten verdwijnen, wat soms met hevige emoties gepaard ging, want ik had die criteria niet opgesteld en er waren gebouwen bij die ik zelf waardevol en zelfs mooi vond.

De voorbije nacht kwamen de wijken van een grote stad, ze leek wat op Los Angeles, aan de beurt. Logischerwijze moest ik beginnen met wijk A. Mijn opdracht was zo weinig mogelijk wijken over te houden maar ik mocht er toch ook geen enkele doen verdwijnen die nog enige relevantie had. Van contradicties gesproken. Het ging over een hele cluster van relevanties. Als een wijk sociaal, historisch, geografisch relevant was moest zij behouden blijven maar dan wel op de juiste plaats. Een wijk waar een revolutie was begonnen mocht niet grenzen aan een waar een eerste steen was gelegd van een gemeentehuis of waar een standbeeld stond van een of andere vrijheidsstrijder. De ellende was dat ik dat standbeeld ook niet mocht verplaatsen naar de wijk waar veel vrijheidsstrijders woonden. Neen, aan de wijken mocht ik helemaal niets veranderen, dat zou te eenvoudig geweest zijn. Pornocinema’s die zich toevallig in de wijk van de blockbusterbioscopen bevonden mochten niet naar de pornozone worden verplaatst. En zowel de wijk van de porno als die van de blockusters moest behouden blijven. Relevantie, zo bleek later, was niet het enige criterium. Het was tevens mijn opdracht de wijken meer homogeen te maken. Diverse functies in één zelfde zone, dat veroorzaakte te veel verwarring.

Je kunt je voorstellen dat mijn werk me behoorlijk wat kopzorgen gaf - en hoe uitgeput ik nu ben. En ik ben maar tot aan de D van Distelheide geraakt. De rest is voor later, als dat nog ooit komt. Voor volgende week, of toch voor binnenkort, heb ik alweer nieuwe opdrachten. Eerst komen de planeten en daarna de sterren aan de beurt. Daar zal ik wel een tijdje zoet mee zijn en dan zien we wel weer.

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 1970

25-07-16

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

***

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

20-02-16

ORDE VAN DE DAG*

hail 1.jpg

Nu weer de oude vertrouwde onrustige slaap, met om het half uur wakker worden om te kijken of het nog geen half acht is. Het is nog maar drie uur, half vier, et cetera. Over dat patroon maak ik me minder zorgen dat over een lange, diepe slaap waaruit ik me maar met moeite los kan rukken. Mensen zijn vreemde wezens, niets menselijks is ons vreemd.

Een vriend liet me een onbekend lied van the Byrds horen. Het stond op een tape die uit een grote witte magical mystery box kwam. Daar zat nog ander materiaal in, onder meer palimpsesten, teksten die van achteren naar voor waren geschreven, mystieke traktaten, kosmische muziek. De song zelf was mooier dan om het even wat the Byrds ooit op plaat hebben gezet, mooier dan ‘Draft Morning’ en ‘Hickory Wind’. Hij klonk ook als een palimpsest, meerlagig, met zang en instrumenten die in sommige gedeeltes achterstevoren waren gemixt. Toch was het geluid helder, transparant (niet als glas maar als vleugels van grote witte vlinders in de zon). Het was de ‘typische’ sound van the Byrds, maar nog meer pastoraal, met nog meer hunker, met een duidelijk uitgesproken verlangen naar eenwording met de natuur, met het Al – en daar tegenover de melancholie die het gevolg is van de onmogelijkheid van zo’n eenwording. De verscheurdheid van de mens die alleen staat in de natuur, zoals een personage op een doek van Caspar David Friedrich. Een verscheurdheid die met veel schoonheid - tedere en etherische geluiden, harmonieuze zangpartijen – wordt uitgedrukt, niet met brutaliteit, niet met geluidsterreur. Het lukte me om hier en daar een woord van de achterstevoren geschreven tekst te ontcijferen. Ik besefte dat ik hier de sleutel kon vinden voor de deur naar een andere vorm van waarnemen en ervaren. Maar dan had ik geduld nodig en tijd.

0notorious.jpg

Het is erg mistig maar je voelt dat de zon er al door wil dringen. Nog even wachten voor ik de ramen open. Frisse lucht in deze kamers.

Het is niet goed als de patronen die je dagen bepalen een routine worden. De herhaling - van altijd dezelfde handelingen op dezelfde uren van de dag - is een kwelling, een koud vuur dat je opbrandt zonder dat je er erg in hebt. Herhaling en routine maken je oud en moe. Maar anderzijds heb je discipline nodig om te kunnen werken, om ‘geestelijk’** te kunnen leven. Chaos maakt je net zo goed kapot als orde. Is het mogelijk de ene dag chaotisch te leven en de andere gedisciplineerd, de ene dag als een anarchist de andere als een emotionele fascist (om eens een uitdrukking van Elvis Costello te gebruiken)?
0frances-mcdormand-as-c-c-calhoun.jpg

Na lang geaarzel en nietszeggende argumenten pro en contra dan toch naar de cinema. ‘Hail, Caesar!’ van de gebroeders Coen. Ik heb van al hun films genoten, van hun stijl, hun humor, hun dialogen, van alles. Het meest van al van ‘Fargo’, in mijn ogen een meesterwerk van zwarte humor. Soms doet het werk van de broers me wat aan dat van Mel Brooks denken. Maar heb ik destijds niet veel van Mel Brooks gehouden? De Coens doen het echter allemaal nog beter. Niet alleen de humor, de satire en pastiche maar ook en vooral het verbeelden (in beeld brengen) van de tijd, van specifieke tijdsperiodes. Van ruimte in de tijd, van locaties en personages. En er is bij hen niet alleen maar humor en satire maar ook drama, passie en zelfs tragedie. In ‘Hail, Caesar!’ sprak de eigenlijke intrige, het Christus-verhaal zal ik het maar noemen, mij meer aan dan de ‘fragmenten’ – elk in een specifiek genre, melodrama, musical, western, zwemfilm – die er zijn in ingebed. Het maakt mij niet uit of dat verhaal ernstig mag genomen worden of niet, voor mij is het een mooi voorbeeld van een kleine heroïsche strijd tegen corruptie, verleiding, bedrog, zelfverlies. Het is niet nodig om in Jezus, de duivel of god te geloven om geraakt te worden door een passiespel. De fragmenten, pastiches van Hollywoodgenres zoals die in het begin van de jaren vijftig werden gedraaid, vond ik bijwijlen minder geslaagd. Zeker de musical ‘No Dames!’ had beter gekund. Waarschijnlijk was het budget van de regisseur van de matrozenfilm wat te klein om zo’n dansnummer tot in de kleinste details te verzorgen. Het is zelfs mogelijk dat de gebroeders Coen het zo bedoeld hebben. Het meeste pret heb ik beleefd aan de vergadering met de geestelijken waarin over de aard van god en Jezus wordt geredetwist, aan de bijeenkomst van de communistische scenaristen en aan de stukjes met Scarlett Johansson (voor mij voor altijd het meisje uit ‘Lost In Translation’, nu wel erg grofgebekt), Tilda Swinton (voor altijd de echtgenote van David Bowie) en Frances McDormand (voor altijd een zwangere politieagente).
Ik ging ervan uit dat ‘Hail, Caesar!’ een film voor het zogeheten ‘grote publiek’ was. Maar gelukkig is dat niet het geval. Alleszins heb ik geen geur van popcorn opgesnoven.
0tilda-david3.jpg

Op televisie ging het over de uitverkoop van de Europese Unie, het bedriegen en uitpersen van de Belgische bevolking, vooral van degenen die het financieel of op ander gebied moeilijk hebben, de grote meerderheid dus, en over de gunsten, geschenken en privileges van ‘onze’ regering voor de superrijken. Walgelijk spektakel. Escapisme is een tijdelijke oplossing, maar wat meer en meer noodzakelijk wordt is actie. Dat we eindelijk op straat komen en onze woede uiten, dat we eindelijk deze verdomde regeringen naar huis sturen en mensen verkiezen die ons werkelijk en rechtstreeks vertegenwoordigen.

...


*Stemmingswisselingen iii
**’Geestelijk leven’, is er iemand die die uitdrukking nog gebruikt?
Afbeeldingen: Scarlett Johansson; The Notorious Byrd Brothers; Frances McDormand; Tilda Swinton & David Bowie.

 

16-11-13

DE SLECHTE ONEINDIGHEID 2

IMG_4762.JPG

IMG_4770.JPG

IMG_4771.JPG

Foto's: Martin Pulaski

04-04-08

EEN 'WISKUNDIG' LEVEN


william burroughs the job 2

Ik heb discipline nodig. Dat is altijd al het geval geweest. En nu met die verdomde depressie is dat nog meer het geval. In ‘The Job’ van William Burroughs las ik deze naar mijn aanvoelen enigszins ironische passage:

“You are now going to learn how to dress and undress. You may think you already know this. Chances are you don’t. You may have heard of the man mentioned in Lord Chesterfield’s letters who killed himself because he could not stand to dress and undress himself and wash and shave. It wasn’t the monotony of these operations that killed him. It was the fact that he was not performing them properly. Any action not properly performed becomes increasingly painful. He was not performing these simple actions properly because he was not there. He considered these actions unimportant so he was thinking about something else while performing them. If you are thinking about something else while you do something you won’t do it right. That is why you fumble with your shoes and socks. That is why you leave your shirt half-buttoned to look for your tie or cuff links. That is why you wander out into the hall with one shoe on to see if there is any mail. In dressing as in any other operation always complete a cycle of action.”

Ironisch of niet, ik kan er veel uit leren. Veel van mijn dagelijks gedrag lijkt op wat hierboven beschreven staat. Terwijl ik dit noteer zit ik bijvoorbeeld al te denken aan mijn radioprogramma, dat ik dat nog moet voorbereiden, en aan de boodschappen die ik straks moet doen. Ik verwacht een telefoontje. Ik moet me nog scheren. Het wordt tijd dat ik eens wat nieuwe hemden koop. En zo gaat dat de hele dag door. Mijn sokken liggen in een ladenkast in de badkamer, mijn t-shirts in mijn kleerkast in de slaapkamer. Dat is ’s morgens altijd een gedoe. Neem ik, nog half slapend, al een t-shirt uit de kleerkast of keer ik na mijn douche met mijn sokken en mijn onderbroek al aan naar de koude slaapkamer terug om er een geschikt t-shirt te kiezen? Ondertussen vraag ik me af of ik de knop van het koffiezetapparaat wel heb aangezet. Brood is er, dat weet ik. Er is altijd brood.
Wat mij niet meer lukt – en wat ik eigenlijk nooit goed heb gekund – is een goede volgorde aanhouden, en met mijn gedachten bij zelfs de allerkleinste daad blijven. Deze vorm van discipline en controle voor de kleine dingen heb je ook nodig voor belangrijker werk, zoals schrijven of muziek maken. Het komt me echter voor dat met het toenemen van de leeftijd het almaar moeilijker wordt om orde in je leven te brengen en bij alles wat je doet, zoals William Burroughs zegt, aanwezig te zijn. Voor mij is dat altijd al moeilijk geweest, omdat ik, of ik het nu wilde of niet, heel vaak afwezig was. Tijdens de lessen wiskunde, zeven uur per week, was ik er zelden bij. Mijnheer Pulaski zit weer te dromen, zei de dog dan. De dog was de naam die wij de leraar wiskunde gaven. Niemand wist waarom precies. Ik heb in die periode, toen ik wiskunde studeerde, drie jaar de tijd gehad om te leren erbij te zijn, me de formules eigen te maken, zodat ik ze niet altijd weer moest gaan opzoeken, maar dat heb ik niet gedaan. Ik zat te dagdromen, van mooie meisjes, van reizen naar Istanbul, of ik zat met een regel voor een gedicht in mijn hoofd. Het is mijn mening dat ik als ik bij de wiskundeles was gebleven nu een geordend en gedisciplineerd leven zou leiden, wat voor mijn schrijven veel voordelen zou hebben gehad. Het heeft echter geen zin daar nu nog om te treuren. Wellicht kan ik mijn toestand nog veranderen. Time changes everything, zingt Bill Monroe. Tijd verandert alles, ten goede en ten kwade.

30-07-07

DE STAND DER DINGEN / IN MIJN HOOFD


roth

 

  1. Michel Serrault is overleden. Hij behoorde niet tot de acteurs ‘van’ wie ik alle films wilde zien. Hier wil ik meteen aan toevoegen dat ik niet houd van de uitdrukking ‘een film van’ gevolgd door de naam van een acteur of actrice. Voor mij is een film, zeker op creatief gebied, het werk van de scenarioschrijver, de regisseur en de directeur van de fotografie. Acteurs zijn veeleer uitvoerders. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik acteurs minderwaardig vind. De geregelde lezer van hoochiekoochie weet dat het tegendeel waar is. Michel Serrault hoorde niet tot mijn ‘helden’, maar vaak vond ik hem echt goed, ook in kleinere rollen. Meteen schieten deze films me te binnen:   Préparez vos mouchoirs, Buffet froid, de onvergetelijke misdaadfilm Mortelle randonnée van Claude Miller. Heel goed was ook Les fantômes du chapelier, naar een roman van Georges Simenon.
 
  1. Leterme wordt terecht niet aanvaard door de Franstalige media. Ik hoop dat hij evenmin aanvaard wordt door de Waalse en Brusselse bevolking. Ik begrijp niet dat Nederlandstaligen een dorpspoliticus van derde categorie wel als federaal premier kunnen accepteren. Als ik de man hoor praten krijgt mijn huid meteen een gelige kleur – en de zonnebank is zo ongezond. Alleen al zijn ‘biechtstoel’ vult me met hevige angst en walging. Ik heb tijdens mijn kinderjaren voldoende biechtstoelen gezien voor zeven levens die geheel in het teken staan van psychotherapie. Een goede leerschool voor Leterme zou zijn, lees In Europa van Geert Mak, en maak zelf ook eens diezelfde reis. Zie wat het nationalisme heeft aangericht. Zie de tragedies. Zie de massagraven. De hele NVA mag voor mijn part met hem meereizen.
 
  1. Ik heb pijn aan de ogen, kan moeilijk lezen en schrijven. Mijn hoofd zit propvol Berlijnse beelden. Zou dat de oorzaak zijn? Maar ik denk toch ook aan Neil Young die al een paar dagen slecht zag, naar de dokter ging en een gezwel in de hersenen bleek te hebben. Gelukkig is het allemaal nog goed gekomen en brengt hij nu eindelijk stukjes uit zijn archief uit.
 
  1. Paling in het groen heb ik gegeten in Weert, in de buurt van Buitenland. Dat schijnt een dorp te zijn. Eerst het lelijke Vlaamse landschap doorkruist, tot aan de Schelde. Daar is het wel bijzonder mooi, een zo goed als ongeschonden landschap. Ik schrijf dit neer zoals het komt. Concentratiestoornissen staan mij niet toe om eerst te denken, een vorm te bedenken en dan te schrijven. Die stoornissen zullen wel samenhangen met dat slecht zien. Of met The European Son, waar ik nu naar luister. Shouldn’t there be some kind of structure?  Ik ben niet bij machte om structuur aan te brengen. Denk aan de free jazz-improvisaties van Ornette Coleman. Er ontstaat vanzelf structuur, thema’s dringen onwillekeurig je tekst binnen. Er valt niet te ontsnappen aan de orde van de taal. Of is het de taal van de orde? Samen met mijn levensgezellin zat ik achter in de auto en we reden en reden Scheldewaarts. Onze vriendin Rita achter het stuur, naast haar Jules met de wegenkaart van België bij de hand. In een droom liet ik mijn vrouw in de steek voor een veel jongere vrouw, die ik nooit had gezien. Ik moest pakken, maar ik had zoveel bagage! Mijn koffers waren er te klein voor. Ik stelde mijn reis uit en miste de trein. Wie was dan toch die nieuwe, mooie, jonge geliefde? Een Berlijnse die ik in mijn hotel aan het ontbijt had gezien, misschien?
 
  1. Gisteravond voor het slapengaan las ik nog wat in Hotel Savoy van Joseph Roth. Er zou wel eens verband kunnen bestaan tussen de droom hierboven en dat wonderlijke boek. Niet met Zomergasten, waar ik zeer gefascineerd drie uur lang naar heb zitten kijken. Een gesprek tussen Joris Luyendijk, een perfecte gastheer, en zijn gast, de Maastrichtse advocaat Bram Moszkowicz. Het is vandaag verre van mijn bedoeling om dat gesprek uit de doeken te doen. Wat mij vooral opviel was het respect van Joris Luyendijk voor Moszkowicz. Nooit werd de advocaat onderbroken, zelfs niet als hij zat te aarzelen of even zweeg. Er werden bijzonder weinig fragmenten getoond, ook dat viel op. Het programma had wel iets van Shoa, zonder – natuurlijk – zo vreselijk aangrijpend te zijn.
 
  1. In Berlijn had ik drie boeken bij en vier gidsen, maar ik heb niets gelezen, alleen in de gidsen wat. Berlijn, Berlijn, Berlijn. De Auguststrasse, de Oranienburgerstrasse, de Sophieenstrasse. Ja, ja, ik wil echt wel terug. Binnenkort vertel ik er nog wat meer over. Ik zou het over de tentoonstelling kunnen hebben die in het Hamburger Bahnhof liep, met als thema Schmerz / Pain. Na vier uur ben ik er, ten prooi gevallen aan zeker zeven nieuwe ziektes, buitengevlucht. Naar café Oranium en het Krusovice-bier en mijn Duitse vrienden.

Afbeelding: Joseph Roth.

02-04-07

EERST HET TOEVAL, DAARNA DE EXTASE?

eze-village,psychoanalyse,flaming lips,toeval,orde,reizen,pop,extase,ontroering,angst,ziekte,muziek,dood,empathie,gevoelens,emoties,nietzsche,2002,nice,1976,controle

Busrit van Nice naar Eze.

Ik zeg tegen iedereen die ik zie, geniet van het leven, maar mij lukt dat niet zo goed. Gisteravond beluisterde ik nog een keer Do You Realize? uit Yoshimi Battles The Pink Robots van the Flaming Lips. Wayne Coyne deelt daarin mee dat we alleen maar nu hebben. Do you realize that everyone you know someday will die, zingt hij. Het was halfdonker in mijn kamer, bovendien had ik mijn ogen toe. Toch zag ik opeens bloemen opengaan en vanuit een middelpunt wegvliegen en zoals vuurwerk uiteenspatten in schoonheid. Ja, een dergelijk effect had de muziek van the Flaming Lips bij mij. Dat was lang geleden. Kan ik dan toch nog iets voelen, ontroerd worden? Blijkbaar wel. Meestal heb ik alleen maar negatieve gevoelens, fysieke pijn en allerlei angsten voor ziekte en dood. Of ik voel helemaal niets. Geen empathie, geen ontroering, niets.

Ik herinner me nu een gesprek van een jaar of vijf geleden. Ik zat bij mijn psychoanalyste en had het over de afwezigheid van – min of meer intense - emoties en gevoelens. Ik vertelde haar van het voorval, als ik het zo al kan noemen, helemaal boven in Eze-Village, in de Jardin Exotique daar. Zesentwintig – nu eenendertig - jaar geleden had ik daar al eens gestaan, in verrukking door de azuren hemel, de Middellandse Zee in de diepte, de geuren van de Provence; wat nu haast banaal en clichématig klinkt was destijds voor mij een nieuwe wereld. Het was die dag mijn verjaardag: ik was zesentwintig geworden. Op onze wandeling naar Eze hadden twee zachtmoedige honden ons vergezeld, de weg gewezen, zei ik ietwat ironisch. Hun gezelschap zag ik als een goed teken. Een ander goed teken was de wetenschap dat Nietzsche een belangrijk deel van zijn Zarathoestra in Eze heeft geschreven.
Nu, in 2002, waren we naar boven gegaan samen met een zwerm, vooral Aziatische, toeristen. Heel het oude Eze was in een toeristisch kitschwinkeltje veranderd. De Jardin Exotique lag er nog netjes bij, met een mooie verzameling cactussen en andere planten. Maar er was niets dat mij van mijn stuk bracht. Ook niet boven op de top, met de zee in de diepte. Ik voelde geen tweede adem, er was niets in mij gaande wat op verrukking leek. Er was eigenlijk alleen maar de bewuste gedachte dat ik het toch wel goed vond om daar op dat ogenblik te zijn. Beter in Eze dan thuis, dacht ik.

Thuis had ik me nog afgevraagd of het wel mogelijk zou zijn om vanuit Nice met het openbaar vervoer Eze te bereiken. Geen enkele verplaatsing is ooit gemakkelijker geweest, zo bleek echter. Het is een aangename en korte rit met de bus vanuit de centraal gelegen Gare Routière. Zo eenvoudig is het leven. Misschien is dat een van de hindernissen op de weg naar ontroering en verrukking? Dat het allemaal zo gemakkelijk gaat. Een andere hindernis is wellicht de planning: alles is van tevoren al uitgestippeld, waardoor een verrassing niet meer mogelijk is. In 1976 kwam ik geheel toevallig in die Jardin Exotique terecht. Onze bestemmingen werden grotendeels bepaald door de auto's - en hun bestuurders - die ons meenamen als we stonden te liften. Als we maar onderweg waren was het al lang goed, maar wel liefst op weg naar een plaats die zich voldoende ver van Brussel bevond. (Ver was toen uiteraard niet zo ver als nu.) Tegenwoordig is dat niet meer zo: elke reisdoel is het resultaat van lang wikken en wegen en beslissen en uitstippelen. Van reisgidsen kopen, vliegtuigtickets bestellen, hotels reserveren, restaurants selecteren, musea uitkiezen, catalogi verzamelen. Daarna foto's maken van hotelkamers, van huizen, van elkaar, van objecten die we naar huis mee willen nemen (wat natuurlijk in de meeste gevallen onmogelijk is). Misschien maakt een te geordend leven met teveel controle ontroering en verrukking onmogelijk. Die behoefte aan controle, aan een ordelijke wereld zit diep in mij verscholen en ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ze er nooit is geweest. Vreemd, want ik beweer zo vaak dat het toeval mijn leven bepaalt en voeg daar meestal aan toe dat ik dat goed vind.

22-03-06

WERKEN EN DROMEN



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




Het is al een hele tijd geleden dat ik een dagboek bijhield. Ik moest er elke dag iets in noteren, ook op dagen dat ik niets te vertellen had, het was een ware obsessie. Geleidelijk aan nam die innerlijke dwang af. Ik ging berusten in het feit dat er periodes zijn in het leven die niet de moeite waard zijn om bij stil te staan, of dat die er wel zijn maar dat je de energie niet hebt om er iets mee te doen. Er kwam minder en minder in mijn dagboeken terecht. Soms kreeg ik maar twee of drie bladzijden op een heel jaar gevuld. Ik ben er dan maar mee gestopt. Wellicht had ik voldoende gezeten en gezwegen, mijn ‘onbewuste’ dwong mij om in beweging te komen, om te leven. De stad in, de nacht, dansen, rock & roll, reizen. De orde die het dagboek aan mijn leven had gegeven maakte plaats voor chaos. Alles verbrokkelde. Waar geloofde ik nog in? Wat waren mijn idealen? Waarom was ik tegen uitbuiting en onderdrukking, waarom noemde ik mij progressief en verdedigde ik de vrijheid van denken en doen? Ik had geen houvast meer. Erger nog, misschien, was dat ik mijn dromen vergat. Ik werd ’s morgens of ’s middags of ’s avonds wakker en er was niets meer over van het ‘nachtelijk’ bestaan, geen spoor (zeker geen bewust spoor). Ik wist met zekerheid dat ik nog droomde maar doordat ik de dromen niet meer systematisch noteerde in mijn dagboek – of nachtboek – bleven ze in het onbewuste achter. De hersenen waren niet soepel genoeg meer om ze in heldere beelden en zinnen om te zetten, om ze te vertellen. Af en toe noteerde ik nog wel eens iets op een stukje papier, maar dat was uitzonderlijk, op reis bijvoorbeeld. En zo is het nog altijd. Maar ik wil daar verandering in brengen. Ik houd nu ongeveer een jaar een weblog bij. Dat is natuurlijk niet hetzelfde als een dagboek. Een dagboek is een gesprek met jezelf, een weblog is mededeling. Je spreekt de anderen rechtstreeks aan (of toe). Wees gerust: ik zal hier geen bladzijden vol dromen noteren, want dat is zeer vervelend. Maar ik wil samen met het werk aan deze notities toch ook opnieuw op zoek gaan naar mijn nachtelijke schatten en verschrikkingen, en wat ik op die manier opdelf als grondstof gebruiken voor allerlei kunststukjes en duizelingwekkende evenwichtsoefeningen.

In ‘Donderslag op muziek. Een keuze uit zijn kladboeken’ van Lichtenberg (1742-1799) las ik vanmorgen het volgende:

“Wanneer ik in een droom met iemand redetwist en hij weerspreekt en onderricht mij, ben ik het die mijzelf onderricht, dus nadenkt. Dat nadenken wordt dus als een vorm van gesprek beschouwd. Kunnen wij ons er dan over verbazen dat volken in vroegere tijden datgene wat zij met betrekking tot de slang dachten (zoals Eva deed) als volgt uitdrukten: ‘De slang sprak tot mij. De Heer sprak tot mij. Mijn geest sprak tot mij.’ Omdat wij eigenlijk niet precies weten waar wij denken, kunnen wij onze gedachten de plaats toewijzen die wij verkiezen. Zoals men kan spreken dat het lijkt alsof het gesprokene van een ander afkomstig is, zo kan men ook denken dat het lijkt alsof wat wij denken tegen ons wordt gezegd: het daimonion van Socrates enzovoort. Hoe verbazend veel zou nog door middel van dromen kunnen worden ontwikkeld.”

14-03-06

WET EN ORDE


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 





Nog meer over het Amerika van de geest. ‘The Man Who Shot Liberty Valance’, een van de hoogtepunten in het oeuvre van John Ford, gaat over de introductie van wet (of gezag) en orde in het Westen. Hoe de het wilde land waar de wet van de sterkste heerst een snelle transformatie ondergaat en onderdeel wordt van de grote democratische republiek, waar het volk het voor het zeggen heeft en niet alleen maar de 'grote heren' beslissen. Of met andere woorden, onderdeel wordt van 'the American Dream' die nooit werd verwezenlijkt: de staat waar iedereen gelijk is. Maar ‘The Man Who Shot Liberty Valence’ is nog veel meer dan dat verhaal. Achter en onder de wetboeken en het recht blijft het geweld zijn gang gaan. 'Law and order' is alleen maar mogelijk dankzij naamloze revolverhelden die er niet voor terugschrikken de 'slechten' uit te roeien. De echte held van de film is niet Ransom Stoddard (James Stewart) maar Tom Daniphon (John Wayne), de man die Liberty Valance, vanuit een donkere hoek over Stoddards schouder, neerschiet. The Man Who Shot Liberty Valance is eveneens een meditatie over legende en waarheid, meer bepaald over de voorkeur die gegeven wordt aan de legende boven de waarheid. Ransom Stoddard wint alleen maar het respect van het grote publiek door iets wat hij niet heeft gedaan.

"Het grootste genoegen van dit leven is het ijdele plezier dat de illusie ons schenkt", schrijft Giacomo Leopardi. "Zonder illusies zou het leven armzalig en barbaars zijn."