09-01-17

WAPENSTILSTAND

2 peter sellers being there.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 13)

Dag 10: 11 november 2016


“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Een talloos aantal werelden en zeker één die wankelt. En een zee van mogelijkheden. “Morgen zal ik niet schrijven”, schreef ik gisteren. Hoe lang heeft dat morgen geduurd? Ik wil er niet over nadenken, nooit goed geweest in rekenkunde. Ik zou kunnen opsommen wat ik allemaal gedaan en gelaten heb. Lijstjes maken. Een boek van Henri Bergson gekocht, dat heb ik, ‘Tijd en vrije wil’, niet toevallig een beschouwing over de tijd. De objectiveerbare, meetbare tijd tegenover de duur (la durée), die niet meetbaar is, omdat zij voortdurend stroomt en verandert. Gelezen heb ik het nog niet, maar dat zal niet lang meer duren… En voor de rest? Mijn ogen en oren gebruikt, gelegen, gezeten. Opgestaan is plaats vergaan.

BERGSON-TRANQUILLOU.jpg

Vandaag wapenstilstand, maar wat betekent dat nog? Bijna overal oorlog, moord en doodslag. Wat ooit ‘rebels without a cause’, hippies en yippies waren zijn nu jihadi’s. Hetzelfde fundamentele ongenoegen, een vergelijkbaar radicalisme, maar een andere ‘strijd’. ‘Terreur’ wordt dat fenomeen voorbij goed en kwaad, voorbij het humanisme, genoemd; maar is terreur wel de juiste term? We kennen de terreur van de Franse revolutie, het schrikbewind, omdat dàt tot de geschiedenis behoort, maar datgene waarvoor we nu bang zijn – en door de machthebbers bang voor worden gemaakt – is een nieuw fenomeen, het is in beweging, niet meetbaar, we kunnen er geen vat op krijgen. We kunnen er zelfs niet over nadenken, vandaar al die meningen en opinies. Van wapenstilstand geen sprake. Er zijn wapens, er worden aan de lopende band wapens geproduceerd, dus worden ze gebruikt. Opslagplaatsen zijn duur.

fuck the man.jpg

Leonard Cohen is dood. Gestorven op 7 november, net voor Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen zou winnen. Op die dag schreef ik over Isabelle Huppert en de film ‘L’Avenir’, over vulgaire verkiezingsshows, over Karst Woudstra en August Strindberg. Bovendien zat ik me af te vragen of er tussen mij en Trump maar “six degrees of separation” bestaan. Indien dat zo is, wat houdt mij dan tegen om naar hem toe te gaan en hem op andere gedachten te brengen? Zoveel mogelijkheden. In ‘Being There’ van Jerzy Kosinski kan een tuinier zelfs president worden. Overigens vind ik de filmversie (Hal Ashby) beter. Maar het boek, in Nederlandse vertaling, wordt hier in huis gekoesterd: mijn Laura kreeg het in mei 1981 cadeau van onze vriend Joseph.

Eigenlijk mag je nooit vergelijken. Ik wil ik dat zeker niet doen met twee kunstenaars, de ene een starman en de andere een beautiful loser – de enige duidelijke overeenkomst is dat beiden nu dood zijn. Of wacht, er is nog een overeenkomst: ook bij de dood van Leonard Cohen lijkt het erop of heel de wereld in rouw is. Over mijn gevoelens over Cohens overlijden wil ik niet veel zeggen. Heel lang geleden heb ik ‘Beautiful Losers’ gelezen. Voor mij was Leonard Cohen een dichter. Een dichter die zijn recitaties begeleidde – of liet begeleiden - met gitaar, met enkele andere instrumenten, met een tweede of derde stem. In het begin hield ik veel van ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on a Wire’. Vervolgens duurde het tientallen jaren eer ik Leonard Cohen opnieuw ging beluisteren. Ik luisterde naar zijn teksten. Ik las ze in een bundel. Ik verslond ze. Het waren parels, juwelen. Leonard Cohen was een goudsmid. Hij kon alles. Het mooiste aan de man vond ik dat hij deed alsof hij een niemendal was. En zelfs dat deed hij niet. Leonard Cohen leek op mij – of ik op hem: hij was er niet, is er niet en ik ben er ook niet**. Ooit ben ik er geweest, maar dat is lang geleden. Het was in de dagen dat ik naar ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on the Wire’ luisterde. En meer nog naar ‘Sitting By the Window’, maar dat is een ander verhaal voor een andere dag. Deze tiende en laatste dag van mijn tien dagen in de ‘woestijn van de werkelijkheid’ wil ik afsluiten met woorden van Leonard Cohen:

Now I greet you from the other side of sorrow and despair, with a love so vast
And so shattered, it will reach you everywhere.
And I sing this for the captain whose ship has not been built, for the mother in
Confusion, her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king. for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.
Through the days of shame that are coming, through the nights of wild distress,
Though your promise counts for nothing, you must keep it nonetheless.
You must keep it for the captain whose ship has not been built. for the mother in
Confusion her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king, for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.***

lc-26-oct-1963-allan-r-leishman-montreal-star-library-and-archives-canada-pa-190166-light-scaled1000.jpg

~~~


* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

**Versta me niet verkeerd: ik wil me op geen enkele manier met Leonard Cohen vergelijken en al zeker niet als dichter. Het gaat om een manier van in de wereld zijn. Maar zelfs mijn vorm van afwezig zijn, van onzichtbaar zijn is niet vergelijkbaar. Voor Leonard Cohen heb ik alleen maar respect. Voor mezelf? Dat denk ik niet. You're invisible now, you got no secrets to conceal.

***Leonard Cohen, Heart With No Companion

21-07-14

DE GROTE ONVERSCHILLIGEN

KAFKA.jpeg

Ik wil al een tijdje over Israël en Palestina schrijven, want het is hier bij ons niet allemaal rozengeur en maneschijn, niet allemaal bellas artes en mooie muziekjes, ook niet in mijn hoofd. Maar mijn verontwaardiging over wat er in Gaza gebeurt verwoorden, dat valt me bijzonder moeilijk. Wat Israël - of toch de politieke leiders en het leger - bij de Palestijnse bevolking aanricht! De beelden die we te zien krijgen roepen bij mij herinneringen op aan de oorlog in Vietnam, aan wat de Amerikanen daar deden, het Amerikaanse leger, de soldaten, de opperbevelhebber, de president. Ik ben me ervan bewust dat dergelijke beelden niet altijd betrouwbaar zijn. Oorlog wordt in de media met propaganda gevoerd.  Zowel de Amerikanen als de Noord-Vietnamezen gebruikten ook al propaganda, al twijfelde niemand aan de waarheid van My Lai, zoals nu niemand twijfelt aan de oprechtheid van Gideon Levy’s opiniestukken in de Israëlische krant Haaretz. Het grote verschil in het protest tegen de twee ‘haviken’, de VS  en Israël, is het gevaar van zichtbaar én verdoken antisemitisme. Destijds werd er wel betoogd tegen Amerika - US Go Home stond op duizenden muren te lezen - maar niemand van de tegenstanders van de oorlog haatte het Amerikaanse volk. Nu kunnen antisemieten zich voordoen als vrienden van het Palestijnse volk, wat ongetwijfeld ook gebeurt en op die manier aan terechte beschuldiging en straf ontsnappen. Maar brengt dit de kritiek op de wreedheid van het Israëlische leger – de voorbije weken en nu - in diskrediet? Een vraag om diep over na te denken.


Mijn vader was een jaar lang krijgsgevangene van de nazi’s. Weer in België sloot hij zich bij het verzet aan. Naar mijn weten heeft hij nooit heldendaden verricht, maar zijn engagement, hoe klein ook, heeft zeker indruk op me gemaakt, ook al ben ik het pas als adolescent te weten gekomen. Zelf ben ik al van in de jaren zestig een bewonderaar van de Joodse cultuur. Franz Kafka, Marcel Proust, Bob Dylan, Allen Ginsberg, Lou Reed, Roman Polanski, Marc Chagall: allemaal grootmeesters in hun vak en op zowat elk gebied grote voorbeelden. Een echte opsomming is hier ongepast. Evenmin wil ik dieper ingaan op het wat en waarom van mijn bewondering.

De meest afschuwwekkende gebeurtenis in de (gekende) geschiedenis is ongetwijfeld de Shoa. Er wordt beweerd dat jongeren stilaan vergeten wat de nazi’s in de uitroeiingskampen hebben uitgevoerd. Niet alleen met de Joden overigens. Hoe is dit mogelijk? Faalt ons onderwijs dan? De planmatige vernietiging van bijna een heel volk, in Europa althans, mag nooit vergeten worden.

Zelf heb ik 11 jaar tussen voornamelijk Chassidische Joden in Antwerpen gewoond. Hoewel ik atheïst ben vond ik deze mensen toch, op een manier die ik nog altijd niet kan verklaren, fascinerend, boeiend: ze dwongen respect af. Waarschijnlijk hield mijn fascinatie verband met hun anders-zijn. Ik heb mezelf ook van toen ik nog jong was anders gevonden dan de meeste andere mensen, een zonderling, een individu, zeker geen massamens. Ze waren mijn buren maar ik had weinig contact met hen; hun gemeenschap was nogal gesloten. Soms vroegen ze mij op sabbat om ergens aan te bellen, of het gasvuur in de keuken uit te draaien… Bizar misschien, maar niets om die mensen te gaan misprijzen, om van haat nog maar te zwijgen. Op een dag ontplofte in de Lamorinièresraat, waar ik woonde, een bom. Het was een aanslag op een bus met Joodse kinderen. Een van de kinderen kwam om het leven. De aanslag gebeurde recht voor het huis waar vrienden van me woonden. Gaten in de gevel, bloed op het trottoir, angst, afschuw. Daarna, zeer terecht, veel politiepatrouilles.

En nu dit, dit geweld tegen Hamas, misschien gerechtvaardigd vanuit Israëlisch standpunt, maar – veel erger - het geweld tegen de Palestijnse bevolking, die in de val zit. Vrouwen, kinderen, mannen, honden, kippen… Alles wat leeft is bedreigd. Wie kan dat rechtvaardigen? Hoe kan ik me daar niet tegen verzetten? Het is onmogelijk. Ik hoop met hart en ziel dat mijn weinige Joodse vrienden en kennissen en de mensen die ik bewonder mijn verontwaardiging kunnen begrijpen. Dat ik woedend ben op gewelddadige mensen, niet op inwoners van een land, niet op een volk, niet op individuen die verkiezen te geloven in een moreel en intellectueel waardevolle religie. Dat ik woedend ben op de mensen achter de schermen, degenen die we nooit te zien krijgen, de mannen (en misschien zelfs vrouwen) met Geld en Macht, de grote onverschilligen.

 

israël,palestina,hamas,gaza,geweld,verontwaardiging,bewondering,vietnam,soldaten,leger,legerleiding,macht,geld,vs,antisemitisme,vader,woii,verzet,nazi's,concentratiekampen,vernietiging,endlösung,shoa,wreedheid,antwerpen,buren,chassidische joden,religie,bijbel,joodse cultuur,boeken,gemeenschap,onzichtbaar,onverschilligen


...

Tekening: Franz Kafka.
Foto: Het bloedbad in My Lay.

01-11-13

MIJN NAAM IS NIET MIJN NAAM

2013MATTI_JAC 001.jpg

 Tekening: Jan Van den Eynden 

Tijd voor echte genealogie, heel wat moeilijker en delicater om over te schrijven dan over ‘geestelijke verwantschappen’. Mijn naam is mijn naam niet. Ik heb het daar al eerder over gehad, niet in de zin van Rimbaud dat ik een ander(e) ben, of van Fernando Pessoa met zijn vele heteroniemen. Wat ik bedoel is dat ik - vaak - niet de naam van de ‘vader’ draag.  Voor een deel is mijn reële afstamming matrilineair: mijn vaders naam was niet de naam van zijn vader maar van zijn moeder. Mijn vader heette Mathieu Brouns, met zoals in Russische romans veel variaties op zijn voornaam. Brouns was de familienaam van zijn ongehuwde moeder. Ondanks veel navragen en opzoeken heb ik nooit kunnen achterhalen wie zijn vader - en mijn grootvader - was. Misschien een boer, misschien een soldaat, misschien een baron. Dat laatste is zeker een mogelijkheid omdat mijn grootmoeder – die al overleden was toen ik geboren ben – als dienstbode op een kasteel heeft gewerkt. Maar het kan net zo goed een stalknecht zijn geweest. Dat een man nooit weet of hij wel de echte vader van zijn kinderen is, was al een belangrijk thema in de toneelstukken van August Strindberg. Sindsdien is er inzake vaderschap wel een en ander veranderd.  


Aanvankelijk heette ik net zoals mijn vader Mathieu Brouns. Sinds de jaren des onderscheids heb ik het bijna altijd moeilijk gehad met zowel de voornaam als de familienaam. Waarom toch had ik dezelfde naam? Toen ik ontdekte dat mijn vader een ‘natuurlijk’ kind was, werd het voor mij nog ingewikkelder. Toch is er ook een korte periode geweest dat ik trots was op die afstamming, en wel in de periode dat ik een voorstander was van het matriarchaat, een feminist zo je wilt.

2013vader 001 (3).jpg
Kaart van krijgsgevangene van mijn vader, Mathieu Brouns.

De familienaam kon ik niet zomaar verwerpen; voor alles wat officieel is gebruik ik hem nog altijd. Mijn voornaam pasten mijn ouders zelf aan: al gauw gingen ze mij Mathi noemen in plaats van Mathieu, om toch een onderscheid te maken. Waarom hadden ze me dan niet meteen bij mijn geboorte een andere voornaam gegeven? Marcel, Arthur of Gustave, of iets dergelijks?
Ik was als kind wel al tevreden met die ‘nieuwe’ voornaam, maar omstreeks mijn vijftiende veranderde dat. Eerst ging ik me Matty noemen, omdat dat Engelser klonk – Engels, de taal waar ik verliefd op geworden was door de popmuziek, vooral door de teksten van Neil Sedaka en Bob Dylan. Later veranderde ik hem om mij nu onbekende redenen in Matti. Ik vermoed dat ik de y achteraan meer bij een hond vond passen – of hield het verband met mijn toenemende afkeer van wiskunde met de eeuwige x en y?  Maar Matti… Wat een originele voornaam, vond ik! De familienaam liet ik zoveel als mogelijk achterwege. Toen ik ongeveer twintig was ontmoette ik een Fin die ook Matti heette. In Finland heten alle mannen Matti, zei hij. Ik was een beetje teleurgesteld, maar treurde niet want in dezelfde periode ontdekte ik het stuk van Brecht, ‘Herr Puntilla und sein Knecht Matti’. Fijn dat ik een ‘held’ was, maar ik was nog liever een heer geweest dan een knecht. Later, op reis in Finland, stelde ik vast dat maar de helft van de mannelijke bevolking Matti heette. Er waren ook nogal wat Aki’s e Henri’s en dergelijke. Matti had me maar de halve waarheid verteld.

In 1995 na heel veel twijfel aan mezelf en zelfhaat (vervlochten met de afkeer van die vreselijke naam) koos ik resoluut voor een pseudoniem: Martin Pulaski. Het probleem was echter dat al mijn vrienden, kennissen en collega’s me als Matti Brouns kenden. Hoe kon ik hen ertoe brengen me voortaan als Martin Pulaski te begroeten? Onbegonnen werk.
Zo komt het dat ik sindsdien twee namen heb, een officiële en een ondergrondse – de eerste zoals ik al schreef toebehorend aan de bureaucratie, de tweede aan mijn verbeelding en aan alles wat artistiek is in mijn bestaan. Sinds internet en vooral de sociale netwerken, mijn blog, flickr, myspace, facebook en zo meer, is Martin Pulaski een openbaar bestaan gaan leiden, terwijl Brouns alleen nog maar voorkomt op allerlei documenten (belastingbrief, rekeninguittreksels, et cetera). Matti zonder meer ben ik voor mijn vrienden en dat zal nu wel nog een tijd zo blijven.

Ongetwijfeld is dit bijzonder interessant materiaal voor psychoanalytici en wellicht nog veel meer voor mensen die overal op zoek gaan naar onthullingen. Aangezien heel mijn leven in mist gehuld is en het - zoals vandaag in deze streken - altijd stormt om mij heen en overal waar ik kom de bliksem inslaat, aangezien ik overal waar ik vertrek verschroeide aarde achterlaat, aangezien ik toch ook meestal onzichtbaar ben, en aangezien zeker wat en wie ik ben voor velen een raadsel is, betekenen deze woorden weinig, en is er nog steeds even weinig onthuld. Of heb jij, lezer, geen geheimen dan?

long live the king 2.jpg

26-12-11

IN EENZAAMHEID EN STILTE

 cadiz2011.jpg

Cadiz, februari 2011. Foto: Martin Pulaski.

“Thuis, in eenzaamheid en stilte, hervond ik mijzelf, hulde mij in mijn eigen geestelijke atmosfeer waarin ik me op mijn gemak voelde als in goedzittende kleren. Na een uurtje gemediteerd te hebben  zonk ik weg in de vergetelheid van de slaap, los van verlangens, wensen, begeertes.” August Strindberg, Eenzaam, 1903.

 

Er is meer droeve muziek dan vrolijke, tragedies raken je veel dieper dan komedies: het leven is geen pretje. Vaak maakt een boek je nog eenzamer dan je je al voelt nog voor je er in begint te lezen. Sterke of zwakke personages leiden sterke of zwakke levens. Maar ze bestaan, ze handelen, ze eigenen zich een plaats toe in de wereld, ze worden door anderen omringd, liefgehad, bemind, bedrogen, bestolen, bekroond, van de troon gestoten. 'Eenzaam' van August Strindberg is anders. Als je dat leest valt de eenzaamheid van je af. Een heel dun boekje, maar dik inzake inzichten, en daardoor groothartig inzake troost.

Met eenzaamheid leren omgaan, er leren van houden - dat doe je niet alleen door gedichten van Fernando Pessoa te lezen, films van John Cassavetes te zien, stukken van Sofokles te analyseren, maar vooral door te oefenen. Noem het schrijven, schilderen, iets maken. Je creëert je ingebeeld gezelschap, dat voor jou reële vormen aanneemt. Maar meer dan eens lukt dat niet. Wanhoop, miserie, innerlijke leegte komen je gezelschap houden. In zo’n geval is er nog altijd vergetelheid in melancholische muziek (voor de gevaarlijke gevolgen waarvan Thomas Mann al waarschuwde in De Toverberg), alcohol of drugs.  Kortstondig, als de blik in de ogen van een betaalde gazelle.

Een jongen of meisje gaat op zoek naar zichzelf, ontdekt vervolgens dat dat niet bestaat. Ai, geen zelf, wat nu? Werken maar. Beelden, woorden, het hele gedoe. Denkbeeldige armen van Venus of een andere godin.

De kleine dingen – en dieren - om je heen, vooral de mus of een andere minuscule vogel, kunnen je teruggeven aan jezelf, een zelf dat inmiddels wellicht veranderd is. Een mens blijft zichzelf herhalen, maar wordt om de zoveel jaren ook een andere mens, iemand anders. Waarom wordt dan zo vaak gezegd: je bent niets veranderd?

In februari dit jaar was ik twee weken alleen in Andalusië. Ik voelde me daar zelden eenzaam, met altijd de oceaan in de buurt, en die aangename afwisseling van dagenlang regen en dan langere periodes van heldere lucht, dromerige zon. Het deed me inderdaad goed om die bepaalde eenzaamheid te doorbreken met een praatje. Met iemand die op de bus naar Sanlucar de Barrameda  stond te wachten of met een of andere vriendelijke barman, zoals die van de Woodstock Bar in Cadiz. Wat is het goed als er niets van je gewild wordt en als jij zelf ook niets bepaalds wilt.

Het is toch vreemd dat je onzichtbaar kunt worden voor jezelf. Dat je jezelf helemaal niet meer ziet. Soms heb ik een hele tijd in de spiegel gekeken, me geschoren en dergelijke, zonder te beseffen dat ik mezelf zag. En dan loop ik soms boos op straat omdat ik het gevoel heb dat de mensen mij niet zien. Besta ik dan niet, vraag ik me af? Ik had het – wat langer geleden - soms ook op mijn werk, vooral tijdens vergaderingen: zagen de aanwezigen mij niet? Bestond ik wel echt? Waarschijnlijk had ik mij teveel geoefend in het mezelf onzichtbaar maken, geoefend in mijn eigen afwezigheid.

Dat schijn ik nog altijd te doen. Wil ik eigenlijk wel graag dat de anderen mij zien? Nochtans was mijn jongensdroom toneelspeler worden. Ik heb het een tijdje gedaan als avant-gardistische amateur. Maar het wilde niet goed lukken: ik was bijna altijd te zeer mezelf. Ik was een jongen die niet meteen besefte dat hij niet 'voor goed' bestond. Een jongen die op zijn minst twintig jaar moest slapen om dan, na het ontwaken, in de spiegel te kijken en zich af te vragen: wie is die man van middelbare leeftijd met die stoppelbaard? Hoe lang loopt hij hier al rond? Hoe lang zal zijn liedje nog duren?

Als je lang niet meer met iemand hebt gepraat kan alles beginnen te duizelen. Je bent van niets meer zeker. Er is nauwelijks nog een overgang tussen je huid en de kamer waarin je je bevindt. Geen kosmische ervaring in dit geval, maar een soort van identiteitsverbrijzeling. Je kunt je best wel behaaglijk voelen in je eenzaamheid. Maar het mag niet te lang duren.

 

08-10-08

HOE WORD IK WEER ZICHTBAAR?

 

muziek,werken,lichaam,feest,pop,vriendschap,stront,geheim,vergeten,droom,verbergen,wereld,geluk,zwijgen,identiteit,seks,woorden,onzichtbaar,bob dylan,spreken,blik,absurd,huid,behoefte,oppervlakte,zelf,ejaculatie,ondoorgrondelijk,grond,geheimen,zichtbaarheid,plooi,the who,bestaan,heidegger,like a rolling stone,iris dement,caspar david friedrich,ambiguiteit,doorgrondelijk,ondergrond,gestel,gesteldheid,faeces

The invisible man, 1933.

Bob Dylan zong meer van veertig jaar geleden, bijna triomfantelijk, ook al was het ambigu, “you’re invisible now,
You’ve  got no secrets to conceaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaal’.
Iedereen maar dan ook iedereen kent het lied. Alleen dat al kan een moment van geluk veroorzaken. Grote tevredenheid, verzoening met de wereld en de vele domme streken van de mensen. Maar ik twijfel eraan of onzichtbaarheid een goede zaak is. In feite ben ik er zeker van dat het geen goede zaak is. Evenmin is het aangenaam als je je geheimen niet kunt verbergen. Het is ook mogelijk dat het personage waarover Dylan zingt helemaal geen geheimen heeft, en dat is nog erger. Als je geen geheim hebt, heb je geen ‘ziel’, geen ‘zelf’, geen ‘identiteit’. Zonder geheimen word je oppervlakte, volkomen doorgrondelijk – hoewel er eigenlijk geen grond is. En nog veel minder is er zonder geheimen een ondergrond. Want zijn je geheimen niet de kern van je ondergronds bestaan? Zijn het niet je geheimen die je in leven houden, als je ademhaling het begeeft, of een of ander orgaan uitvalt? Die je helpen weerstand te bieden tegen de orkanen van de tijd en de beschaving. Je ondergronds bestaan, waarvan je je niet altijd bewust bent, of zelfs helemaal niet, nooit.

Je geheimen zijn aan elke blik onttrokken. Ze zitten in de plooien en de vouwen van je huid, van je tweede huid, in je irissen, in je hele gestel, in je gesteldheid. Je bent een individu met geheimen. ’s Nachts droom je vaak van mensen die sommige van hun geheimen prijsgeven. Ze doen hun donkere behoeften op een met zweet, bloed en tranen geweven Perzisch tapijt en ejaculeren waar je bij staat, alsof het niets is. Ze strooien hun zaad in het rond alsof het druppels afwasproduct zijn. Ze tonen hun meest intieme plooien. Terwijl ze zich ontplooien lijk jij te ontdooien, maar dat is niet zo. Je hoort de zanger zingen: ‘You’re pushing too hard on me”. Je wordt hard, en die hardheid maakt dat je ontwaakt. Eenmaal wakker ben je in je lichaam terug. Niemand weet iets van de ejaculaties en ontplooiingen die je bijwoonde. Alsof het gewoon een pornofilm was geweest en verder niets.

Spoedig ben je zelf die wereld vergeten. Je staat er weer alleen voor. Je vraagt je af: hoe word ik zichtbaar? Want alleen kun je niet leven. Je wilt je geheimen delen, niet alle geheimen, sommige. Je gaat de deur uit: eenzame mensen in auto’s op weg naar je weet niet waar. In het metrostation zwijgende mensen die het blaadje ‘Metro’ doorbladeren. Niemand zegt een woord. Er schijnt niemand geneigd te zijn om je te bekijken. Maar wat achter je rug gebeurt, weet je natuurlijk niet. Op het werk wordt er gewerkt, af en toe gepraat. Wat heb je aan gepraat? Wat je zoekt is een gesprek. Wat je zoekt is iemand die een geheim me je wil delen. Zoek je echter wel? Wordt niet alles wazig om je heen, de anderen onzichtbaar. Ja, ze onttrekken zich aan je blik, ze hebben geen geheimen meer over, geen geheimen om te onthullen.

Wat je zoekt is een vriend, een vriendin, een mensch – van hen hangt je leven af. Zij maken je zichtbaar, omdat ze je herkennen en erkennen. Voor hen ben je er gewoon. Geen zonderling, geen ongenaakbare, geen vreemde, geen boomstronk. Zij weten je altijd te vinden voor het weer te laat is. En dan komen ze bij je binnen en leggen een plaatje op van the Rolling Stones, van Bob Dylan. Kom, zeggen ze, monkey man, the kids are alright. Lay down your weary tune, zeggen ze. Een van de vrienden, een aantrekkelijke vrouw, probeert boven het rumoer uit te stijgen en fluistert, hotter than Mojave in my heart. En je schenkt ze nog eens vol, sharp as a formula.

Caspar_David_Friedrich

Afbeelding: Caspar David Friedrich, Der Wanderer über dem Nebelmeer.

30-03-07

ODE AAN DE GROOTSTAD EN DE RIJPE LEEFTIJD


shaving preparations # 6

Op mijn eigenzinnige wijze baan ik mij een weg door het leven. Ik ben geen vrolijke jongen, dat weet ik. Ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid tegen een gebrek aan vrolijkheid, tegen teveel levensernst, tegen een te hoge zuurtegraad, ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid me om donkere dagen te doorstaan. (It’s been a blue, blue day, zingt Ian Matthews…) Martine, een bezoekster van deze blog, schrijft “dat het leven inderdaad niet altijd een pretje is, maar dat er veel aan onszelf is gelegen om het zo aangenaam mogelijk te maken.” Ze heeft gelijk. We mogen niet toestaan dat anderen ons het leven zuur maken. Domme of vijandige woorden mogen ons niet van ons stuk brengen. Onze huid moet dik zijn, figuurlijk dan wel. De vraag is wel hoe je zulke dikke huid krijgt, als je geboren bent met een dunne? Het zij zo. We mogen al evenmin berusten in onze zwaarmoedigheid (of er een aangenaam tijdverdrijf van maken). There's more to the picture than meets the eye...

Ik had het in mijn vorige tekst over de onaangename kanten van de grootstad, over de vervreemding, de vervuiling, het feit dat je er vaak onzichtbaar bent. Maar ik wil er toch ook op wijzen dat ik zielsveel van grote steden houd, ook van Brussel. Alleen al bij het horen van stadsnamen als Berlijn, Boedapest, Wenen, Lissabon en New York krijg ik een warm, hunkerend gevoel. Ik zou meteen een hotel en een vlucht willen boeken en mijn koffers pakken. Het moet snel gaan, een vliegtuig vliegt niet snel genoeg! Nu, onverwijld, wil ik over Broadway lopen, langs The Strand, er een half uur of zo wat van die fraai ingebonden Amerikaanse boeken doorbladeren; de geur van de Oranienburgerstrasse opsnuiven, een groot glas Tsjechisch bier drinken in café Oranium; door de straatjes van Alfama slenteren, en er ergens in de schaduw inktvis eten, ik hoor de droeve stem van Mariza al op de achtergrond weerklinken; of op een Weens plein koffie zitten drinken, een glas Grüner Veltliner mag ook.

Zonder de sfeer en de mogelijkheden die een grootstad biedt zou het leven voor mij nog veel minder zin hebben. Dat geldt ook voor Brussel. Als de zon schijnt begeef ik me hier graag tussen de mensen, ook al begroeten ze me niet; ik ga naar toneelvoorstellingen in het Kaaitheater, de KVS of Les Brigittines, naar concerten in het Koninklijk Circus, de AB en de Botanique – en naar de bioscoop (hoewel dat lang geleden is). Ik heb me al vaak afgevraagd tot wanneer ik naar de Botanique en de AB en zo zal gaan. Tot het bittere einde misschien? Maar ik zal als halfkale grijsaard zeker vreemd bekeken worden door de mooie jonge goden. Wat maakt het ook uit: daar zal ik niet wakker van liggen.
In Brussel zijn talloos veel winkels waar je tweedehands boeken of platen kunt kopen. Gisteren heb ik in de Fnac een prachtig boek over Paula Rego aangeschaft. Eergisteren voor een prikje bij de Slegte een zeer mooie uitgave van George Eliots Middlemarch, een kanjer van een boek, moeilijk om in bed te lezen, dat wel.

Van leeftijd gesproken. Gisteravond in de metro naar huis ben ik beledigd en gecharmeerd tegelijk: een jonge vrouw vroeg me of ik niet op haar plaats wilde zitten. Ik schrok even, maar heb toch bijna meteen ja gezegd, dan kon ik verder lezen in Restless, van William Boyd, dat nogal meeslepend is. Ik ging ervan uit dat het lieve en aantrekkelijke meisje aan de volgende halte zou uitstappen en vond haar vraag getuigen van charme en hoffelijkheid, twee eigenschappen die ik erg mis in deze stad. Ze bleef echter zeker nog een tiental minuten (zeven haltes) staan. Nu is het bewijs geleverd dat ik echt een oude man ben. Ik zal dan toch wel duidelijk zichtbare rimpels hebben (die ik in de spiegel niet zie) ofwel zie ik er heel ziekelijk uit, dat is ook mogelijk. Als ik die man mijn plaats niet afsta valt hij zodadelijk over mij heen, heeft ze misschien gedacht. Wie zal het zeggen… Ik heb niet haar naar haar beweegredenen gevraagd.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.