18-03-17

TRISTESSE ANDERLECHTOISE

DSC_0224.JPG

“…aangezien elektrische stroom kostbaar is en een in zijn eigen autonomie ingesponnen mens het best zonder dat licht kan stellen, heb ik lange nachten.”
Hermann Broch, Huguenau of de zakelijkheid

Als ik vanuit mijn werkkamer naar buiten kijk zie links van me de bomen van het Astridpark en een stukje van het stadion van Anderlecht. Aan dat stadion heb ik me jarenlang geërgerd omdat het zoveel ruimte van het park in beslag neemt. Maar die ergernis is langzaam weggeëbd. Eerst is er berusting voor in de plaats gekomen, daarna heb ik mij stilzwijgend met de mastodont verzoend. Voor mij mag het hele Astridpark nu voetbalstadion worden. Dan kan ik er ooit misschien nog eens een keer naar U2 gaan kijken, of naar Lady Gaga.
Het stadion is zowat het enige wat in deze buurt nog enige aantrekkingskracht uitoefent. Ik heb nooit van voetbal gehouden – maar ik ben er ook niet tegen. Dat zou absurd zijn. Soms gebeurt het zelfs dat ik opga in een match. Dan voel ik mij een echte Belg, een Rode Duivel, of afhankelijk van waar ik mij bevind nog iets anders, vorig jaar in Parijs bijvoorbeeld was ik nog een Portugees. Als het stadion er niet zou zijn zou deze buurt helemaal doodbloeden.  Nu zijn er nog wat supporterscafés en als er een match is staan er kraampjes met frieten en Anderlecht-parafernalia. Voor de rest is er niets en zeker niets dat me uitnodigt tot een wandeling. Ik zou op zijn minst een uur per dag moeten wandelen, niet alleen voor het heil van mijn lichaam maar zeker ook voor dat van mijn geest. (Het is zelfs dom onderscheid te maken tussen die twee). Waar echter kan ik naartoe? Het Pajottenland is pittoresk, maar om daar te geraken moet ik langs drukke steenwegen lopen en dan nog eens de ziekmakende Ring oversteken. Al die razende monsters daar beneden, meestal met maar één inzittende. Een ding is zeker: mocht ik er ooit een eind aan maken zou het niet daar zijn. Het is er veel te afzichtelijk. Stel je voor dat er leven is na de dood en dat je je alleen maar je allerlaatste indrukken zou herinneren, tot in de eeuwigheid. Geen sprake van. Als ik ooit zelfmoord zou plegen zou het op een van de Bovenwindse Eilanden zijn. Ik vermoed namelijk dat het daar mooi is. Maar vrees niet: ik wil vooral leven. Gisteren hoorde ik nog een mooi liedje, ‘Live Til You Die’ van Emitt Rhodes. Die titel is mijn levensmotto. Ik kan dan wel somber en melancholisch zijn – en dat duurt nu al een zestal maanden - , ik kan ook tevreden zijn met kleine dingen. Ik moet deze kamer niet eens verlaten. Nu zie ik bijvoorbeeld de oranje en bruine dakpannen van het huis aan de overkant van de straat en de grijze duif op datzelfde dak, die daar rustig zit. Te wachten wilde ik schrijven. Maar ik denk niet dat ze wacht, ze zit alleen maar. Kijk, nu is ze weg. Waarom zou ik hier dan niet gewoon maar wat zitten, zonder meer. Ach ja, omdat mijn huisarts me aanraadt om een uur per dag te wandelen. En hij heeft natuurlijk gelijk. Soms zie ik op Instagram foto’s van mensen die wandelingen maken. ‘My daily walk’ staat er dan onder. Je ziet beelden van het mooiste dat de aarde te bieden heeft: bloemen, bomen, schilderachtige paadjes, zachtaardige dieren, een rivier… Wat ben ik dan jaloers. Als ik wil gaan wandelen in een betoverende omgeving moet ik eerst een kwartier naar de metro door fijn stof lopen. Dan op de metro stappen, hopend dat niemand zich opblaast, en vervolgens is het nog bijna een uur tot Hermann-Debroux, waar mijn gezonde wandeling eindelijk kan beginnen. Het is goed mogelijk dat de zon schijnt als ik hier buitenkom en dat het regent als ik in metrostation Hermann-Debroux boven de grond kom. Of dat ik onderweg ergens moet uitstappen omdat die hele Hermann-Debroux in rook is opgegaan. Ik vraag me altijd af naar wie dat station is genoemd. Waarschijnlijk naar een schepen of een voorzitter van iets. Een zakkenvuller, zoals de mensen zeggen. Waarom niet naar Hermann Hesse, of liever nog naar de geniale schrijver Hermann Broch? Wie nooit iets van hem gelezen heeft raad ik ten stelligste de slaapwandelaarstrilogie aan (bestaande uit ‘Pasenow of de romantiek’, ‘Esch of de anarchie’ en ‘Huguenau of de zakelijkheid).

Mijn oplossing is: af en toe een reis maken. Op de plaats van bestemming wandel ik dan ongeveer vijf uur per dag. Zo haal ik mijn schade in en zie ik ook de schoonheid van de grotere wereld. Dan hoef ik mij niet tevreden te stellen met een dakpan of met een boek van een van de vele Hermannen. Zeker is het nooit mijn ambitie geweest duivenmelker te worden. Mijn vader was duivenmelker. Kort voor zijn dood heeft hij al zijn duiven een voor een de strot omgewrongen.

DSC_0242.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Anderlecht, 2008

08-08-15

EEN KLEINE EICHMANN

stratego.jpg

Enkele dagen geleden voelde ik me opeens een kleine Eichmann. Sinds juni 2005 heb ik een account bij Flickr, een populair sociaal netwerk voor voornamelijk amateurfotografen dat enkele jaren geleden leek te zullen verdwijnen, vooral na de opkomst van Facebook, maar nu bezig is de schade in te halen. Aanvankelijk was Flickr ook zeer geschikt voor geschreven communicatie, wel altijd met als uitgangspunt bepaalde foto’s, maar de dialoog kon alle richtingen uitgaan. Op die manier heb ik enkele vrienden gemaakt, die ik ook in het echte leven heb ontmoet. Dat aspect van Flickr is zo goed als verdwenen.

Na al die jaren had ik honderden contacten, mensen die ik volgde of vice versa. Van velen had ik geen idee wie ze waren, vaak had ik er al jaren niets meer van gehoord. Onder meer omdat sommige van de ‘followers’ – ik noem ze graag volgelingen – een schaduwbestaan lijken te lijden. Ze hebben niet echt een profiel, ze posten zelf geen foto’s, vaak zijn ze enkel geïnteresseerd in erotische foto’s of in porno. Dat zie ik als ik naar hun zogenaamde favorieten ga kijken: bijna niets dan vunzigheid. Die laatste categorie, die van de perverten, lijkt me evenwel een kleine minderheid van de Flickr-gebruikers. Toch besloot ik om in mijn contacten te gaan snoeien. Ik begon met iedereen die de voorbije zesendertig maanden geen foto’s had gepost te schrappen. Dat leek me zeer tolerant. Je bent toch op flickr om beelden met de wereld, met de anderen te delen? Na het lezen van enkele namen of pseudoniemen van mensen die ik tien jaar geleden bijna als vrienden was gaan beschouwen (flickr was toen nog vrij klein, het leek of iedereen iedereen kende), kwamen herinneringen naar boven. Aan foto’s, aan wat ik me over de levens van de mensen die ze hadden gemaakt had voorgesteld. Een soort van ingebeelde of verzonnen herinneringen. In je verbeelding creëer je op basis van enkele gegevens het leven van de anderen. Doordat die herinneringen, vrij schaars weliswaar, naar boven kwamen veranderden de contacten in échte mensen, waarvan ik in sommige gevallen gedacht had dat ik ze redelijk goed had gekend. Dat was natuurlijk niet voor iedereen zo. Heel veel namen en pseudoniemen zeiden me niets, ook al omdat ze me waarschijnlijk nooit iets hadden gezegd. Maar na het schrappen van een honderdtal contacten – voor degenen die ik echt goed had gekend maakte ik een uitzondering, zelfs al hadden ze zes jaar niets meer gepost – hield ik het voor bekeken.

Met wat was ik bezig? Wat was er gebeurd met de fotografen die wel nog een account hadden maar zwegen? Ik vermoedde dat een deel van hen was getrouwd en nu hard moest werken en voor de kinderen zorgen. Het huis afbetalen, de auto. Geen tijd meer voor foto’s, zeker niet die van anderen, van vreemden. Voor anderen was de fotografie een vluchtig tijdverdrijf geweest, ze hadden zich nu toegelegd op tekenen of tuinieren of op de studie van het Sanskriet. Een enkeling was blind geworden na een auto-ongeval. Sommigen waren aan aids ten prooi gevallen, of aan kanker. Ja, de dood gooit overal roet in het eten. Mij heeft hij in de zomer van 2011 ook bijna te grazen genomen. Nu vier jaar geleden lag ik al bijna twee maanden in het ziekenhuis, gelukkig met het vooruitzicht van een bijna volledig herstel.

Ja, met wat was ik bezig? Hoe kunnen wij ons soms zo onbezonnen, zo onnadenkend zijn, ons zo onverantwoordelijk gedragen? Ik kreeg het gevoel dat ik bezig was mensen vanop een afstand, via mijn laptop, fysiek uit te schakelen. Een kleine Eichmann. Ik hield er meteen mee op. Maar de honderd of zo contacten die ik al verwijderd had zijn definitief weg. Nooit zal ik weten wat met de mensen achter die verdwenen namen is gebeurd.
communie1.jpg

...

Foto's: uit de reeks 'Autobiografie'. Fotografen onbekend. Boven: Jean-Pierre en ik spelen Stratego, Neerharen, 1965. Onder: Plechtige Communie, Tournebride, 1962.

 

11-01-14

AFWEZIG, AANWEZIG

IMG_5236.JPG

Kun je vergeten dat je bestaat? Dat er tijd is en dat die vliegt, zoals het leven? Alleszins was ik enkele weken in een bepaald opzicht afwezig. Sinds 18 december vorig jaar om precies te zijn. Ik was wel in mijn kamer en deed een aantal dingen zonder er met mijn hoofd bij te zijn. Door de straten van Lissabon liep ik meer als mijn schaduw dan als mezelf, iemand van vlees en bloed. Conversaties waren soms heftig, maar het leek of een andere man gebruik maakte van mijn stem. Er kwamen woorden uit mijn mond die ik niet wilde uitspreken, omdat ik niet echt nadacht, omdat ik er niet eens naar verlangde om te spreken.

Ik zal niet ontkennen dat er ook dan momenten waren waarop ik samenviel met mezelf, of wat ik soms mezelf durf noemen. Dan was bijna alles goed. Ik voelde geen verdriet, vond niet dat mijn leven grotendeels een mislukking was, dacht niet aan vluchtelingen in wankele bootjes, niet aan de terreur in Syrië en elders. Het was als ik de zon zag, de rode daken van Lissabon, het vuurwerk boven de Taag (vreemd, omdat ik niet van vuurwerk noch van massamanifestaties houd), de wolken hier thuis, of als een kunstwerk mij om mijn aandacht en overgave vroeg, iets van Morandi, van Nicholas de Staël, het was toen ik overweldigd werd door de schoonheid en de veelheid van stijlen van de jonggestorven Amadeo de Sousa Cardoso, in zekere zin een dubbelganger van Fernando Pessoa, maar heel wat minder beroemd.

Nu, denk ik, is die periode van zelfverlies weer achter de rug. Maar voor hoe lang? Hoe lang tot alles weer wit wordt of aardedonker, eer ik opnieuw nauwelijks weet waar ik ben en afzie van verwachtingen, niet langer lust heb in de woorden of de huid van anderen en ook mijn eigen stem laat zwijgen en mijn handen op mijn eigen huid laat rusten (en zelfs die zal ik niet voelen)?

Toch ben ik geen pessimist. Of liever: ik ben een ‘leugenachtige’ pessimist. Ergens in mij is er altijd een beweging werkzaam, een kracht, of hoe zal ik het noemen, die mij ook in de donkerste periodes naar de toekomst drijft; een metgezel lijkt het wel, die me zegt, morgen wordt het beter, je echte leven moet nog beginnen. De metgezel die ik zelf ben zal altijd utopisch blijven denken, tegen alle waarschijnlijkheid in.

...

Foto: Martin Pulaski, Lissabon, 1 januari 2014.

20-06-13

JAMES GANDOLFINI, TRAUMA'S, THERAPIEËN

tony-soprano-james-gandolfini.jpg

James Gandolfini

Van begin augustus 1997 tot najaar 2003 was ik in psychoanalyse bij een bekwame, empathische en erg aantrekkelijke (vrouwelijke) neuro-psychiater. De aanleiding voor de therapie was een posttraumatische shock waar ik onder gebukt ging nadat ik op een mooie, zonnige zomeravond vlakbij de Grote Markt in Brussel bijna dood was geklopt door bijzonder gewelddadige criminelen. Neus op twee plaatsen gebroken, zware hersenschudding, tanden stukgeslagen, hematoom in het bindweefsel rondom de ogen, et cetera. Voor de Brussels politie een fait-divers. Een onderzoek is er nooit geweest.

gewond1997a.jpg

Martin Pulaski, 26 juni 1997. Foto: Agnes A. of Wilfried D.

In de periode dat die psychoanalyse plaatsvond ben ik fan geworden van ‘The Sopranos’ en in het bijzonder van James Gandolfini en Lorraine Bracco, die de rol speelt van Tony Soprano’s psychiater, Jennifer Melfi. Hoewel ik zelf geen gangster ben en evenmin banden heb met de maffia, maar wel een bewonderaar van Tennessee Williams en Arthur Miller, die veel invloed hebben gehad op scenarioschrijver David Chase, en tevens een aanhanger ben van ‘niet-orthodoxe’ psychoanalyse, zag ik bijzonder veel overeenkomsten tussen mijn eigen therapie en die van Tony Soprano. Bovendien herkende ik veel eigenschappen van 'mijn' psychiater in Jennifer Melfi – en vice versa. Soms zat ik te huilen bij een therapeutische sessie in 'The Sopranos', en vroeg ik me af hoe het toch mogelijk was dat ik zo kon meeleven met een gangster. Andere keren zat ik dan weer te huilen bij mijn therapeute als ik haar als in trance een aflevering navertelde. Realiteit en fictie raakten elkaar, ruilden van plaats.

 

lorraine bracco.jpg

Lorraine Bracco

Ik wil niet beweren dat James Gandolfini en Lorraine Bracco de beste acteurs van de wereld waren, maar ze hebben me alvast diep geraakt en een belangrijke betekenis gehad in mijn leven. Toen mijn vrouw me vanmorgen vertelde dat James Gandolfini in Rome is overleden heb ik niet gehuild. Huilen doe ik niet meer. Waarom zou een man nog huilen? Maar ik was geschokt en diep bedroefd. Er was iemand gestorven die ik van nabij had gekend. Geen familielid, geen vriend, maar een lotgenoot, een mens met trauma’s en grote levensproblemen.

Sinds oktober 2012 ben ik opnieuw in therapie bij dezelfde mooie vrouw. Waarom? Dat wil ik voorlopig  geheim houden. Maar ik denk dat de tijd gekomen is om ‘The Sopranos’ te herbekijken. Vraag me echter niet om nog een keer naar Rome te reizen, ook al schijnen alle wegen daarheen te leiden.

 

Vaarwel James Gandolfini, vaarwel Tony Soprano.

03-12-12

MISLUKKING EN SUCCES

adjani5.jpg

Isabelle Adjani in 'Possession', Andrzej Zulawski.

Is het geen vorm van zelfbehoud om over je teleurstellingen en vooral over je mislukkingen te schrijven? Anderzijds vraag je je soms af of je ooit wel echt teleurgesteld bent geweest: verwachtte je dan zoveel van het leven, van de dingen, van de andere mensen? Was je uitgangspunt niet al heel vroeg de ontnuchtering en de teleurstelling? En hoe kun je mislukken als je nooit – diep in je hart – succes hebt nagestreefd, als je succes meestal, tenzij in momenten van verblinding en zelfbedrog, als een valkuil hebt beschouwd?

 

Toch waren er die andere, belangrijke momenten. Plotse opflakkeringen van een diep vertrouwen in het goede dat in elke mens op zijn minst potentieel aanwezig is, in zijn aangeboren zin voor rechtvaardigheid en broederlijkheid. Als je heel eerlijk met jezelf bent moet je ook toegeven dat je niet alleen maar behoefte aan succes, aan erkenning hebt gehad in momenten van zwakheid, van koorts, van algemene negativiteit. Dat er ook zulke verlangens de kop opstaken op heldere dagen, als je je goed voelde. De vraag is zelfs of niet elke mens succes en zeker erkenning nastreeft, op welk gebied dan ook. Het is niet eens een vraag.

Je moet over je teleurstellingen en mislukkingen schrijven.  Maar doe je wel iets anders? Verraadt niet elk woord dat je neerschrijft je falen, je ontgoocheling – en, als gevolg daarvan, je verbittering en je eenzaamheid?

Wat beteken dat, falen, mislukken,  een succesvol leven leiden? Misschien moet je andere mislukte levens onder de loep nemen? Maar als die mislukkelingen – je bondgenoten - bestudeerd kunnen worden, zijn ze dan wel mislukt? Wellicht hebben ze buiten hun wil om toch erkenning gekregen, zij het in veel gevallen na hun dood, zoals onder meer Fernando Pessoa. In de jaren zeventig kende nog bijna niemand hem, ook jij niet. Enkele jaren later stond hij al afgebeeld op een bankbiljet van 100 escudo’s. Nu zie je hem, in wapperende regenjas en met hoed op, zich door de straten van alle middelgrote en grote Portugese steden spoeden – waarheen zal altijd een raadsel blijven.

Ja, je schrijft over die bondgenoten om jezelf te behoeden, te behouden, om niet aan eenzaamheid ten onder te gaan, om je niet dood te drinken, of een te hoge dosis morfine te nemen. Om te kunnen volharden in je dagelijks bestaan. Jij hebt je mislukkelingen nodig, richt er schrijnen voor op, zoals de jonge Antoine Doinel* dat voor zijn literaire helden doet. Het is een vorm van broederschap. De mislukkelingen zijn de goede mensen. Degenen die hen niet hebben erkend zijn de slechten. En wat daarna komt is collectief schuldbesef. Waarom hebben we niet eerder ingezien wie er onder ons heeft geleefd? Waarom hebben we hen niet bedankt voor wat ze ons hebben gegeven, waarom hebben we hen niet hartstochtelijk omhelsd, waarom hebben we hen niet onze onvoorwaardelijke liefde gegeven?


*Met name in 'Les quatre cents coups' van François Truffaut uit 1959. Antoine Doinels grote held in dit meesterwerk van de nouvelle vague is Honoré de Balzac. Dat de jonge Doinel een schrijfmachine steelt is ook niet zomaar een trouvaille van de regisseur.

400Balzac.jpg

Jean-Pierre Léaud als Antoine Doinel in 'Les quatre cents coups', François Truffaut.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 29-11-2012. 

29-04-08

ODE TO BILLIE JOE - BOBBIE GENTRY

 


Volgens mij is dit een van de beste verhalende songs uit de tweede helft van de jaren zestig. Bobbie Gentry had onmiskenbaar talent als schrijfster van story songs. 'Ode To Billie Joe' bijvoorbeeld ging een geheel eigen leven leiden, in de jaren zeventig werd er zelfs een film over gemaakt. Ergens zijn de mensen die in dat lied rond de tafel zitten familieleden van me geworden.  Bobbie Gentry had Portugese voorouders, misschien komt daar die melancholische achtergrond vandaan, als de fado bij haar in het bloed zat. Hoewel dat een ideologie is die ik verafschuw (de bloed- en bodemideologie bedoel ik). Aan de andere kant is 'Ode To Billie Joe' ook helemaal een Amerikaans, een southern-gothic verhaal; het past in het boeiende en broeierige geheel van de Amerikaanse mythe en van de American Dream. Het is namelijk zo dat je om die Amerikaanse droom te verwezenlijken een heleboel misfits nodig hebt. De protagonisten uit 'Ode To Billie Joe' horen ongetwijfeld in die categorie thuis. Pass the biscuits please! (Of zoals Bob Dylan ooit zong: "There's no success like failure, and failure's no success at all.") Ooit heb ik ergens gelezen dat Bobbie Gentry, een filosofie-studente uit het diepe Zuiden, haar droom wel heeft bereikt. Ze is rijk geworden, niet door haar zeer ongewone songs, maar door haar huwelijk met een rijke man uit Las Vegas. Ik vermoed dat ze niet meer zulke mooie groene jurkjes draagt. Maar dan komen we bij Jeannie C. Riley en Harper Valley PTA terecht, en dat is weer een heel ander verhaal.

Dit was bedoeld als illustratie bij de autobiografische schets, een ontwerp voor een episch gedicht, So Much Water Under The Bridge.

09-02-08

OVER EEN BESPOTTELIJK KERELTJE EN EEN ZELFMOORDDROOM

woede,mark lanegan,antwerpen,droom,vriendschap,grap,schilfertje,drive-by-truckers,verachting,delhaize,dood,verdriet,lafheid,filsofie,diploma,zelfmoord,collega,onverschilligheid,egoisme,drukdrukdruk

Door al dat geschrijf over de jaren zestig en zeventig, over mijn verleden, zit ik nu met de gebakken peren. Waande ik mij een nieuwe Rousseau of zo? Dan is nu bewezen dat ik zeker op dit ogenblik niet sterk genoeg ben voor zo'n onderneming. Maar zoals in reacties al stond te lezen zal ik toch nog over dat verleden schrijven, ik kan mijn herinneringen – gelukkig maar – niet uitwissen. Voorlopig houd ik mij echter bezig met het heden, waarmee ik ook gisteren en eergisteren bedoel. Over de toekomst heb ik weinig te vertellen, ik heb geen glazen bol en houd niet van sciencefiction.

Gisteren heb ik niets geschreven omdat ik geheel van streek was door een vreselijke droom die ik gehad had. Ik wandelde met mijn oude vriend L. door de jubelende straten van Antwerpen. Mijn radeloosheid contrasteerde zeer scherp met de vrolijkheid van de toeristen. Er waren nog een vijftal andere vrienden of kennissen in ons gezelschap, maar die hadden geen gezicht. Ik was wanhopig en kon mijn wanhoop niet langer voor L. verbergen. Alles in mijn leven is mislukt, zei ik. Ik heb zelfs geen diploma filosofie, en dit is nu al de tweede keer dat ik die studies doe. L. toonde zich verbaasd dat ik in 1975 geen diploma had behaald. Nee, zei ik, mijn thesis werd te zwak gevonden, ik dacht dat je dat wist. Daarom ben ik een paar jaar geleden opnieuw begonnen te studeren, maar ik ben ermee moeten stoppen. Het gaat niet meer, ik kan niet meer verder. Al lopende keerde ik mij naar L., die me bezorgd aankeek. Vervolgens kwamen de tranen, warm en bitter. We liepen voorbij een afgrond, die me leek toe te roepen, spring, spring. Ik zag echter dat ik niet dood zou zijn, de diepte was niet diep genoeg. Snikkend zei ik tegen L., ik kan ook niet meer naar huis, naar vrouw en kind, dat is definitief voorbij. Er is niets wat mij nog aan de wereld bindt. Ik ga zelfmoord plegen. En nat van het zweet en de tranen werd ik wakker en huilde verder in het onherbergzame bed.

(In werkelijkheid studeerde ik in 1975 samen met L. af aan de VUB in het bezit van het diploma licentiaat in de wijsbegeerte, met grote onderscheiding. Mijn thesis over het einde van het gezin, viel bij heel wat mensen – niet alleen professoren – in de smaak. Mijn excuses voor deze ijdele woorden, maar ik moet dat hier vermelden.)

Omstreeks de middag had ik voldoende moed gevat, om naar de stad te gaan, waarbij het mooie weer een bijkomende stimulans was. Ik spoedde me als een blinde naar de Fnac waar ik een aantal cd’s en dvd’s kocht. Ik schafte mij opnieuw ‘I’ll Take Care Of You’ van Mark Lanegan aan, een plaatje dat op onverklaarbare wijze zoek is geraakt. Maar ik heb dat plaatje nu meer dan ooit nodig. Ik kocht kaartjes voor het concert van Mavis Staples. Omstreeks halfzes ontmoette ik mijn levensgezellin, met wie ik afgesproken had om boodschappen te doen in de Delhaize aan de Anspachlaan. In die winkel zag ik een collega terug, die ik ooit een vriend heb genoemd. We hebben elkaars verjaardagen gevierd. Laura en ik hebben hem meermaals hier in huis uitgenodigd om te komen eten en drinken. We zijn samen naar Cap Griz Nez geweest. Vele avonden hebben we over boeken en muziek gepraat. Met zijn beiden hebben we Nick Cave, Magnolia Electric Co en Devendra Banhart gezien. We gingen samen naar theater. Enkele maanden hebben we intens samengewerkt aan een project.

Maar nu zit ik in de put en wat doet mijn oude vriend? Hij maakt zich meteen uit de voeten, met de woorden ‘druk, druk, druk’ en ‘stress’. Met zijn mand vol boodschappen gaat hij zelfs in een andere rij staan, om maar niets tegen me te moeten zeggen.

Mijn geliefde was nog veel bozer dan ik. Wat een verachtelijk ventje, zei ze. En voor dat mannetje heb ik eten gemaakt, zei ze. Dat is een gastje dat er wil komen, zei ze. Waar wil hij komen, vroeg ik. Goede vraag, antwoordde ze. Heel goede vraag.

Mijn woede en verachting beginnen nu pas de kop op te steken. Maar ik schud dat kereltje van me af als een enkele kleine schilfer van mijn rechterschouder en leg een plaatje op van Drive-By-Truckers. De zon schijnt in mijn kamer en zo is het goed.

17-07-06

BRUSSEL IS EEN GEVAARLIJKE STAD

brussel,gevaar,misdaad,dieven,zinloos geweld,levenslust,boeven,valse vrienden,donkere terrassen,pooiers,bont en blauw,schoppen,taxi,politie,aasgieren,middernacht,middernacht van de ziel,ex-schoonbroer,dronkaards,zatlappen,gebroken ribben,ademnood,haat,geweld,frustratie,onverschilligheid

Brussel is een gevaarlijke stad. Je leest het in de krant, soms zie je het eens een keer op televisie. Je beleeft het al eens aan den lijve. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Na middernacht, maar soms ook veel vroeger, komen naast de goede mensen die feest willen vieren en gelukkig zijn, de lage mensen buiten, de aasgieren zullen we maar zeggen. Voor 20 euro snijden ze een zwakke feestvierder de keel over. Je mag al zeer tevreden zijn als het ongedierte - een veel te mooi woord en beledigend voor het werkelijke ongedierte, maar ik vind geen alternatief - je alleen maar bont en blauw schopt. Je mag al zeer tevreden zijn als je levend en nog enigszins intact de nachtelijke Brusselse straten achter je kunt laten, de ruige kroegen, de donkere terrassen, het gejank van de ambulances, de ziekenhuizen, de geweldenaars met hun vuisten, stevige schoenen en messen, met hun dure auto's, de onverschilligen, de politiekantoren (met hun onbeschoft en zeer humaan personeel). Je mag al zeer tevreden zijn als je na een lange en bange taxirit troost kan vinden in de armen van je geliefde. 


Brussel is een gevaarlijke stad. Meer kan ik er op dit ogenblik niet over zeggen. Mijn vakantie is begonnen.

17-05-06

MICHAEL CUNNINGHAM: SPECIMEN DAYS

michael cunningham,specimen days,verleden,kinderarbeid,ziekte,dood,onverschilligheid,toekomst,berusting

Door het lezen van Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ heb ik veel aan het ‘nu’ en aan de ‘toekomst’ gedacht. Als tieners konden wij ons, hoeveel fantasie we ook hadden, geen idee vormen van de toekomst waar we nu in leven. Bijvoorbeeld de beveiligingssystemen in luchthavens, in musea, in winkels, en waar eigenlijk niet. Daar hadden wij geen idee van. Je liep gewoon overal binnen en buiten. Nu leven we met die zeer gesofisticeerde systemen, die ons bijna voortdurend observeren, maar we voelen ons toch niet echt veilig. Of wel? Misschien komt dat doordat we te veel bezitten en zijn we bang om dat te verliezen. Je vastklampen aan bezittingen, aan verzamelingen, maakt je ook bang voor allerhande rampen en voor de dood. 


Natuurlijk heb ik ook veel aan het verleden gedacht, bijvoorbeeld aan de kinderarbeid. Een van de hoofdpersonages in ‘Specimen Days’ is een kind dat lange uren voor een hongerloon zwoegt in een fabriek. Hij weet niet wat hij eigenlijk maakt en durft het ook niet vragen. Hij weet zelfs niet hoe veel (weinig) hij zal verdienen. Krijgt hij wel een loon? Dat weet hij pas als hij het krijgt. Maar wat maakt het ook uit. ‘Leaves of Grass’ leeft in hem. Walt Whitman leeft in hem. Het kind spreekt met de woorden van de dichter. Zijn gedachten zijn de gedachten van Walt Whitman. De grote dichter had waarschijnlijk geen angst voor de dood. Leven en dood waren voor hem hetzelfde.

De ziekte heeft je wat meer onverschillig gemaakt ten aanzien van de dood. Nog altijd wil je er alles voor doen om te leven, zelfs om te overleven, maar de gedachte dat je op een gegeven moment geen verweer meer zal hebben, schrikt je minder af dan vroeger. Er treedt een berusting op. Of is het aanvaarding.? Je aanvaardt de dagen zoals ze zich voordoen en geniet van de momenten die genieten mogelijk maken. Je koestert de uitzonderlijke momenten van schoonheid en uitbundigheid.

15-05-06

CORTISONE ZONDER BIJSLUITER

cortisone,brussel,ziek,afkicken,vader,pijn,dood,psychiater,geweld,overvallen,macho s,onverschilligheid,ambulance,politie,1977,werk,kunstenfestival,granada,vliegtuig,cafe dada,drinken,concert,live,pop,soul,bettye lavette,kvs,marthaler,shakespeare,aeschylos,verjaardagsfeestje,martin pulaski

Opeens was ik terug in Brussel, een imaginaire stad leek het wel, en ik moest afkicken van Cortisone. Ik ben geen drugverslaafde, maar ik was nogal ziek geweest en had het spul veel te lang gebruikt. Mijn vader heeft het moeten nemen op het einde van zijn leven, hij had veel pijn en hij was nog nooit ziek geweest. Hij trok zijn eigen tanden. Dokters of tandartsen vertrouwde hij niet. Na zijn dood ben ik zes jaar lang bij een psychiater geweest, twee keer per week. Niet vanwege die van hem maar vanwege mijn eigen gewisse dood. Macho’s hadden mijn hoofd half tot moes geklopt en ik had liggen bloeden als een lam in het midden van de Kiekenmarkt in het centrum van Brussel. De automobilisten reden voorbij en deden alsof er niets aan de hand was of hadden gewoonweg niets gezien. De ambulance kwam me uiteindelijk wel van de straat rapen, samen met de politie. In die tijd (1997) bestond de Brusselse politie kennelijk uit idioten en racisten. Gelukkig heeft mijn vader dat allemaal nooit geweten.


Net als toen moest ik nu afkicken van die verdomde Cortisone en tegelijk doen alsof er niets aan de hand was. Gaan werken, naar een concert, naar het kunstenfestivaldesarts, naar het verjaardagsfeestje van een boezemvriendin. Waarom kies ik nu het woord ‘boezemvriendin’? Ik zou het nooit gebruiken in een gedicht. Aan mijn psychiater, die dezelfde naam heeft als mijn jarige boezemvriendin, kan ik het niet meer vragen. De analyse is afgebroken. Door mij. Ik heb haar vorige week gezien in het Théâtre National en me meteen verdekt opgesteld achter een muurtje. De laatste keer dat ik met haar had afgesproken, op een zaterdag in oktober vorig jaar, was ik de afspraak namelijk vergeten. Ik was bezig mijn koffers te pakken om op studiereis te vertrekken naar Jaén, en in die drukte was ik de hele hoochiekoochie vergeten. Pas de volgende maandagochtend, in het vliegtuig naar Granada, herinnerde ik me onze afspraak. Nadien durfde ik haar niet meer bellen om enige uitleg te geven. Ik voelde me schuldig omdat ik de afspraak was vergeten. En nu zag ik haar vanuit de verte in dat theater en het enige wat ik kon doen was toneel spelen. Heb ik al verteld dat ik toneelspeler wilde worden, toen ik jong was? Neen? Dan zal ik het later eens een keer uit de doeken doen. Maar niet nu. Ik heb over die gemiste carrière overigens zeer veel gepraat met ‘mijn’ psychiater. Of ik nog bang ben op straat? Ja, tenzij ik voldoende bier heb gedronken in café Dada.

Over het werk zal ik het evenmin hebben. Franz Kafka heeft dat op geniale manier beschreven in ‘Het proces’. Wat kan ik daar dan nog aan toevoegen? Kill your darlings?

Zonder Cortisone en zo weinig mogelijk alcohol naar het concert van Bettye Lavette. Was het beter of slechter dan vorig jaar? Ik stel de vraag maar ik beantwoord ze niet. Ik denk dat Bettye Lavette inzette met The Stealer (van de onvolprezen Free), gevolgd door He Made A Woman Out Of Me (een prachtige en zeer dubbelzinnige song over verkrachting/seksuele initiatie) en The Sparrow van Dolly Parton. Het grote verschil met vorig jaar was de duidelijke vermoeidheid van zowel de zangeres als de band. Hoe lang zijn ze al van stad tot stad aan het trekken? Van land tot land? Nu ze eindelijk enig succes hebben? Vorig jaar was Bettye opeens weer hip. De aasgieren van de pers en de modieuze popmuzikanten waren toen in groten getale aanwezig in de kleine AB club. Nu echter heeft naar mijn weten één perspersoon een stukje geschreven in een of andere nitwitkrant (met alle respect), terwijl de veel grotere zaal zwart zag van het volk. So you all brought your friends with you, sprak Bettye Lavette. Het laatste nieuws heeft de ‘hippe’ en ‘coole’ mensjes bereikt: soul is opnieuw niet meer hip. Wel, dan heb ik dit te melden: soul is altijd hip. Er is geen enkel genre dat altijd hip is, behalve soul. Hoewel Bettye moe was, was ze toch ook nog sterk en gaf ze haar hele ziel aan het gewillige publiek. Het was een fijn publiek, zo zonder aasgieren. Echte kippenvelmomenten waren Close As I Get To Heaven en I Do Not Want What I Have Not Got (waarbij, dat moet ik toegeven, mijn gedachten afdwaalden naar Sinéad O’Connor, en naar de roofmoord in het Centraal Station, en naar het gedicht Brot und Wein van Hölderlin en naar Paris, Texas, vooral het begin met Harry Dean Stanton in de woestijn). Overigens vind ik Joy de slechtste song van Lucinda Williams en begrijp ik daarom niet waarom Bettye Lavette precies deze heeft uitgekozen. Maar dat zijn details. Long live Bettye! .

Vrijdag, in de KVS, stelde ik vast dat de culturele elite maar 1,50 of 2 euro betaalt voor een glas wijn (terwijl de rockliefhebbers 4 euro moeten betalen, alvast in de AB, een waanzinnige prijs, voor een instelling die waanzinnig veel subsidies krijgt). Maar het zij zo, ik mag me niet opwinden, laat iemand anders dat maar doen vanavond. Christoph Marthaler is een genie. Zoals hij de familie met alles erop en eraan (en het verborgene ook heel open en bloot, hoewel er geen letterlijk bloot aan te pas komt) ten tonele voert en ontrafelt, dat doet heden niemand. De familie is het grote mysterie. Dat was al zo bij Aeschylos, dat was zo bij Shakespeare, en dat is nog altijd zo bij Marthaler. Een mysterie dat er niet om vraagt om te worden opgelost. We kunnen de familie haten, als we jong zijn bijvoorbeeld, dat is een stadium waar we door moeten, lieve ouders, hatelijke ouders, het maakt niet uit, of we kunnen ze liefhebben. Maar de familie blijft altijd een mysterie. Koffie en koekjes of geen koffie en koekjes. De kinderen blijven een mysterie. De bloedverwanten. De broers en de zussen. De tantes en de nonkels. De neven en nichten. De hele reutemeteut. Socialisten, vieze tisten, flaminganten en fascisten, communisten, soul freaks, nitwits, Proustianen, Yes fans, slotenmakers, Call girls, we kennen ze allemaal en we haten ze en we hebben ze lief. En ze zingen allemaal liedjes van Monteverdi en van Mireille Mathieu. In ieder geval doen ze dat bij Marthaler. De man toont ons de typische familietriangel, maar dan dubbel en dik gespleten. De familieleden zitten te zuipen, elkaar uit te schelden, achterbaks naar elkaar te verlangen, domme spelletjes te spelen, dierengeluiden te produceren, liedjes van Wagner en van the Kinks (I Go To Sleep) te zingen, te slapen (waarbij je als toeschouwer ook in slaap valt), en zo verder. En dan is er de zoon die alleen maar Mireille Mathieu wil horen. En die krijgen we dan ook te horen, de echte singles op een echte platendraaier uit de sixties. Ook de hoesjes worden getoond. Af en toe krijg je zelfs een stukje Monteverdi te horen, uit L’incoronazione di Poppea, waar het stuk op gebaseerd is. Of roept de vader ‘Ta gueule!’. En dat speelt zich allemaal af in een huis waarvan de ene kant het Centraal Station van Brussel is (voorbijdenderende treinen inclusief) en de andere kant het Justitiepaleis (het lelijkste en mooiste gebouw van Brussel). De meubels in het huis komen uit datzelfde Paleis (de architect, Poelaert, heeft zelfmoord gepleegd, anders hadden ze dat plein nooit naar hem genoemd): de dochters hebben ze er gewoon gepikt. Hoe zou je zelf zijn, als dochter in een prettig gestoord gezin? Overigens herkende ik meteen een van die meubelstukken: ik had erop gezeten tijdens een van de drie ‘verzoeningspogingen’ tijdens mijn echtscheidingsprocedure. Niet dat we die poespas wilden. Het was van te moeten. In ‘Het Proces’ staat dat ook allemaal al beschreven. Maar niet de dimensie die Christoph Marthaler en zijn gezelschap er aan toevoegen. Beter kan niet. Bovendien is het allemaal bijzonder grappig. Je lacht je meerdere breuken op één avond. Ik stel voor om meermaals te gaan. Dan moet je nooit meer gaan werken. Kafka lezen wordt dan ook overbodig.

En dan moest ik het nog over het verjaardagsfeestje van I. hebben, mijn boezemvriendin. Gelukkige verjaardag, lieve vriendin. Het was een onvergetelijk feest, in dat volkscafé daar in Gent. En we zijn goed thuisgeraakt. Nu ben ik moe en moet ik de dromen tegemoet zien. Ik ben een oude, vermoeide gek. How am I different?

Foto: Martin Pulaski, terras met uitzicht op de Atlantische oceaan, Tazacorte, La Palma

06-04-06

EENZAAMHEID EN VERDRIET


gene pitney


Soms is de eenzaamheid een zegen, soms is ze een vloek. Het leven in ballingschap - ook al heb ik er in een ogenblik van nuchterheid voor gekozen - in deze lelijke, vuile stad, is meestal een vloek. Je komt hier maar beter niet meer buiten; zelfs als de zon schijnt zie je overal het vuil en de onverschilligheid. Schoonheid speelt in dit oord geen rol meer. Sommigen durven Brussel de hoofdstad van Europa noemen, wat wel gek is voor een gat waar negentig procent van de bevolking maar één taal kent en ze dan nog gruwelijk mishandelt ook. Maar zelfs al zou Brussel helemaal ontworpen zijn door Frank Lloyd Wright in samenspraak met Victor Horta en Alvar Aalto, dan nog zou ik hier vaak ten prooi vallen aan vloekende eenzaamheid en verdriet. Ik heb vrienden in Gent en Antwerpen (en nog een aantal onnoembare plekken) en ik ken mensen in Canada, de Verenigde Staten, Denemarken, Spanje, Portugal en Ethiopië, maar in Brussel heb ik geen enkele vriend. Als mijn levensgezellin ziek is, zoals nu, en ik wil ergens naartoe, zoals morgen naar de heropening van de KVS - voor mij een historische gebeurtenis, een moment van schoonheid in onze lelijke stad, een teken van hoop, van mogelijkheden - dan is er niemand die mij kan vergezellen. Ik kan het aan niemand vragen. Er zijn geen vrienden, je staat er alleen voor, en alleen kom ik niet buiten. Ik herken me heel goed in de uitspraak van Raven Ruëll: “Ik ben heel melancholisch aangelegd en ween veel.” Vaak voel ik me overbodig, niet alleen een outsider, maar een uitgestotene uit de maatschappij.

Nu Gene Pitney dood is komen zulke gevoelens nog meer naar boven. Hij was samen met Roy Orbison en Del Shannon (zelfmoord) een meester in het bezingen van de eenzaamheid en het verdriet. Een van de droevigste liederen die ik ken is zijn ‘I’m gonna be strong’, met dit stukje perfecte wanhoop:

Our love is gone, there’s no sense in holding on
‘cause your pity now would be too much to bear
So I’m gonna be strong and pretend I don’t care

Nog droeviger is ‘I Must Be Seeing Things’. Through a tear I can see him kissing her. Pure paranoia en pathetische kitsch. Maar soms, heel soms, kan pathetische kitsch de perfectie benaderen. Dat was bij Gene Pitney vaak het geval. Toen ik jong was maakten zijn songs al veel indruk op me. Ik was gek op de twee hiervoor genoemde songs, maar nog meer op Backstage (I’m Lonely), met de volgende autobiografische regels:

Every night a different room
Every night a different club
And yet I'm lonely all the time
When I sign my autograph
When I hold an interview
Can't get you out of my mind

Zoveel troost kwam uit die stem gevloeid, uit die woorden, uit die melodramatische muziek (die de wereld van Douglas Sirk-films oproept). Door nu te zitten luisteren naar deze songs word ik helemaal sprakeloos. Verdriet grijpt me bij de keel. Ik ben al even pathetisch als Gene Pitney, maar dan zonder zijn stem en zonder de violen. Gene Pitney speelde mee op de allereerste elpee van the Rolling Stones, samen met zijn toenmalige producer, Phil Spector. Een van de eerste songs van Jagger en Richard kreeg de titel mee ‘Now I’ve Got A Witness’ (Like Uncle Phil and Uncle Gene). Pitney’s liefste lied, Hello Mary Lou, werd een hit voor Ricky Nelson.
En hier stopt mijn ‘biografietje’. Veel is te vinden op het Internet. Ik moet nu even zwijgen. Over die andere dingen zal ik het een andere keer hebben. De klantonvriendelijkheid van een kabelmaatschappij? Wat betekent dat nu nog? Laat mij maar wat zwelgen in eenzaamheid en verdriet en daarna luister ik nog eens naar Hello Mary Lou en ik twijfel er niet aan dat er dan weer een glimlach op mijn gezicht zal verschijnen.

23-09-05

TEGEN DE ONVERSCHILLIGHEID


Een mens wordt onverschillig, gevoelloos en apathisch. Je wordt afgestompt door het dagelijks leven, de sleur van het werk, de monotonie van de uren, door de onverschilligheid en het egoïsme van de anderen – waarin je jezelf weigert te herkennen -, door de wreedheid van geldzuchtige politici en zakenmensen, door de terreur van fanatici en het geweld van veroverende legers, door de genadeloze woestheid van de natuur. Toch blijf je je tegen die onverschilligheid verzetten. Je eigen schijnbare onverschilligheid en die van de anderen. Je streeft naar het verschil, de verschilligheid.

Op dit ogenblik raast opnieuw een orkaan in de richting van de kust van Texas en Louisiana. De inwoners van Galveston, Houston en New Orleans moeten hun woningen verlaten. Op de brede autosnelwegen vormen zich files van honderd kilometer en langer. In de regio is het ongeveer veertig graden. De auto’s staan heel vaak stil, de benzine raakt op. Ze kunnen niet meer verder. De stank van de uitlaatgassen vult de lucht. Een reële nachtmerrie waar maar geen eind aan komt.

Dit alles verscheurt mijn ziel. Waarschijnlijk raakt dit me dieper dan bijvoorbeeld, nog niet zo lang geleden, de tsunami, wat toch een vreselijke natuurramp was, die honderden duizenden levens heeft gekost. Waarom? Omdat ik in mijn hart een Amerikaan ben, zoals Malcolm Lowry in zijn hart een Mexicaan was (om maar één voorbeeld te noemen). Toen ik voor de eerste keer in de Verenigde Staten kwam, in 1992 in New Orleans, had ik zeer sterk het gevoel dat ik thuis kwam. Zonder dat ik er inspanningen voor moest doen schudde ik mijn schuchterheid van mij af en stapte de wereld in. Opeens kon ik met iedereen praten, wat me hier in België nooit gelukt was. Hier was ik altijd een outsider geweest (en dat ben ik nog steeds).
Daardoor leef ik nu mee met de inwoners van New Orleans, Houston, Galveston en al de andere kleinere stadjes en dorpen die het wellicht zwaar te verduren zullen krijgen. Maar ik kijk machteloos toe, vanuit mijn ziekenkamer, mij met moeite van deze computer naar de televisie begevend. Overigens kan ik CNN niet ontvangen in Brussel. De kabelmaatschappij Coditel heeft dat van de kabel gegooid. Waarom CNN? Waarschijnlijk omdat er op deze zender geen Frans wordt gesproken, en er zelfs niet voor Franse ondertitels wordt gezorgd. Coditel zal redeneren dat er dan toch geen mens naar kijkt. Coditel zal redeneren dat de inwoners van Brussel allen Frans spreken en geen enkele andere taal kennen.