29-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (6)

barbara_ina.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (avond/flashbacks)

“De woorden barbaar en barbarij zijn kwaadaardige en gewaagde woorden en ik durf ze niet zonder uitleg vooraf te gebruiken: en als het waar is dat de Grieken de tongval van uitheemse volken aanduidden als gekwaak en daar dus dezelfde uitdrukking voor gebruikten als voor kikkers, dan zijn barbaren kwakers – zinloos en lelijk gebrabbel. Gebrek aan esthetische opvoeding.”*

thomas-jefferson-.jpg

4 november 1800.Thomas Jefferson, een wijnkenner, wordt tot 3de president van de Verenigde Staten verkozen. De Amerikanen beschouwen Jefferson als de geestelijke vader van de Verenigde Staten. Hij ontwierp de grondslagen van hun natie: alle mensen zijn gelijk geschapen, volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zich zelf niet aan de wet zou houden, en het natuurlijke recht op individuele vrijheid, leven en het nastreven van geluk (the pursuit of happiness). Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Britse Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond. Spinoza was daarbij ook een inspiratiebron. Maar wacht even. Voor Jefferson waren de Indianen (‘native Americans’) kennelijk niet ‘gelijk geschapen’. Jefferson was een van de bedenkers van de Indian Removal Act. Zijn eerste stappen om de Indian Removal Act te promoten zette hij tussen 1776 en 1779, toen hij adviseerde om de Cherokee en de Shawnee van hun grondgebied te verdrijven naar het gebied ten westen van de Mississippi. Was de uitroeiing van de Indianen geen genocide? Amerikanen blijven daar nogal stil over (er zijn uitzonderingen). Heel lang geleden, toen ik nog niet kritisch denken kon, heeft Hollywood geprobeerd mij in te prenten dat zij wilden waren, geen echte mensen, eerder barbaren. En is daar sindsdien veel veranderd? Wie lag vorige nacht wakker van Standing Rock? Een handvol neo-hippies, kunstenaars en muzikanten, dat wel. Waaronder Maria McKee, de fantastische zangeres die korte tijd veel succes had maar nu al lang zo goed als onzichtbaar is geworden, with no secrets to conceal.

novemberrevolutie.jpg

4 november 1918. In Duitsland begint de Novemberrevolutie. Eind oktober plande de marineleiding eigenmachtig om de Duitse vloot tegen de Britse Royal Navy ten strijde te laten trekken. Ook al kon Duitsland de oorlog niet meer winnen, moest de vloot ten minste in een heldhaftige laatste slag ondergaan. De betrokken zeelui en mariniers zagen het echter niet zitten dat ze zich voor een verloren oorlog nog moesten opofferen: ze verzetten zich tegen dit plan en kwamen in opstand. Om hen te vertegenwoordigen kozen ze raden, de Arbeiter- und Soldatenräte. Deze beweging begon op 4 november in Kiel, Wilhelmshaven en andere havensteden en zette zich door in vele Noord-Duitse en later ook Zuid-Duitse steden. In Beieren werd zelfs de koning afgezet en de linkse sociaaldemocraat Kurt Eisner riep op 7 november in München een socialistische republiek uit.

tseliot.jpg

4 november 1948. T.S Eliot, een van mijn uitverkoren dichters, won de Nobelprijs literatuur. Dat was nog eens wat anders dan die Bob Dylan van nu. Een echte dichter! En vooral: hij zou tijdens een banket met vertegenwoordigers van de upperclass, bankiers en andere dieven, kortom: de nieuwe rijken, niet uit de toon vallen.
“With a bald spot in the middle of my hair —
(They will say: “How his hair is growing thin!”)
My morning coat, my collar mounting firmly to the chin,
My necktie rich and modest, but asserted by a simple pin —
(They will say: “But how his arms and legs are thin!”)”
Maar laten we aannemen dat deze verzen niet autobiografisch zijn, de titel van het gedicht is immers ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’.

Arrow_Cross_Party.jpg

4 november 1956.  Sovjettroepen trekken Hongarije binnen om de Hongaarse opstand die op 23 oktober begon, de kop in te drukken. Duizenden komen om, meer raken gewond en bijna een kwart miljoen mensen verlaten het land. Ik herinner me Mitzi, de moeder van mijn uitverkoren vriendinnetje, Henrietta P. Mitzi was een Hongaarse, aan haar keukentafel proefde ik voor het eerst paprika en goelasj. Uit haar mond hoorde ik voor het eerst het woord poesta en zo kwam ik ertoe van wilde paarden te gaan dromen. Zo werd Budapest later een van mijn uitverkoren steden. Maar dat is allemaal voorbij. Wie reist er nog af naar een land waar een fascist de scepter zwaait? Overigens is dat niets nieuws. Ooit hadden daar de Pijlkruisers (Nyilaskeresztes Párt – Hungarista Mozgalom) het voor het zeggen, een fascistische bende. Hun tegenstanders, communisten, joden werden aan de Donau langs achteren in het hoofd geschoten en vielen vervolgens voorover in de Donau. Ik kan me voorstellen dat er bij die opstandelingen van 1956 nogal wat van die Pijlkruisers betrokken waren. Maar rechtvaardigt dat de inval van de het Sovjetleger?

2016-11-20-thuis 022.JPG

4 november 1958. Kroning van Paus Johannes XXIII in Rome. Toen was ik een katholieke jongen, die elke dag naar de mis ging. Ik hield van onze Paus. Hij was de beste mens van de wereld. Was hij wel een gewone sterveling? Hij was de plaatsvervanger van god. Alles wat hij zei was waar. Hij kon zich niet vergissen. En zelf vergiste ik me zo vaak. Soms denk ik dat mijn hele leven een aaneenschakeling van vergissingen is. (“Once a Catholic, always a Catholic”, schrijft Bruce Springsteen in zijn autobiografie ‘Born To Run’.)

amos-gitai-.jpg

4 november 1995. Na een vredesdemonstratie te hebben bijgewoond, wordt in Tel Aviv premier Yitzchak Rabin dodelijk gewond door een extreemrechtse Israëlische schutter. Onlangs in Avignon zag ik een tentoonstelling over die aanslag. Van de Israëlische filmregisseur/beeldkunstenaar Amos Gitai. “Can there be a naive modern art? It seemed to me that without the naivete still found among children and old people and, to some extent, in ourselves, the work of art would be flawed. I tried to correct that flaw.” (Amos Gitai)

Gilles_Deleuze.jpg


4 november 1995. Ook in 1995 overleed op 70-jarige leeftijd Gilles Deleuze. Het verlangen is geen tekort, maar een productieve kracht. Deleuze maakt een eind aan zijn leven door uit het raam van zijn appartement te springen. Ik herinner me mijn worsteling in 1974 met ‘L’anti-Oedipe’ (van Gilles Deleuze en Félix Guattari). Ik herinner me zijn extreem lange nagels. Ik herinner me mijn experimentele - volgens mijn toenmalige beste vriend Jos ‘onleesbare’ - teksten ‘Anastasis’ en ‘Stasis’ - en nu moet ik huilen omdat een andere goede vriend, Paul Rigaumont, die mij aanmoedigde in mijn experimenten, mij vlak voor zijn dood, vorig jaar, schreef dat hij van mij geleerd had grenzen te overschrijden in schilderkunst en literatuur en zijn eigen weg te gaan.

paul rigaumont.jpg

Afbeeldingen: de zangeres Barbara; Thomas Jefferson; Duitse novemberrevolutie; TS Eliot; Hongaarse Pijlkruisers Partij; Bruce Springsteen, Born To Run; Amos Gitai; Gilles Deleuze; Paul Rigaumont leest voor uit zijn Anekdota.
...

*Nietzsche, Nagelaten fragmenten 1, 19 [313]

25-07-16

KERSEN

 

2015-11-09-brussel 052.JPG

Het is niet zo dat ik maar geen onderwerp kan vinden om over te schrijven (of om over na te denken). Als er wat dat betreft al een probleem bestaat is het dat er te veel onderwerpen zijn en dat er te veel tot nadenken stemt. Van dat laatste schrik ik wel even: kan er hoegenaamd te veel zijn om over na te denken? Als je het in zijn algemeenheid beschouwt wellicht niet, maar voor een enkeling, voor een individu is er te veel stof, te veel materiaal, er doet zich te veel voor, er zijn te veel impulsen. Op losse blaadjes, in schriftjes noteer ik allerlei invallen of observaties, ergernissen zijn het jammer genoeg ook vaak – maar wat doe ik daar mee? Het is een toenemende chaos. Toen ik veel jonger was dan nu leefde ik chaotisch maar streefde, veelal onbewust, naar orde. Ik was ervan overtuigd dat die orde er met de jaren zou komen. De orde zou het meesterwerk zijn, waar Bob Dylan over zingt in ‘When I Paint My Masterpiece’. Maar die orde is niet gekomen, en zal nu ook niet meer komen. Ik besef zelfs dat er in mijn leven (en in het algemeen) aanvankelijk veel meer orde was en nu veel meer chaos. De woestijn groeit.
Maar gisteren kocht ik kersen op de markt. Ik stelde vast dat ze als je enige inspanning doet om met smaak te eten, met concentratie, nog steeds dezelfde smaak hebben als ze in mijn kinderjaren hadden. De kersen smaken naar kersen, ze zijn lekker en sappig en zoet. Niet alles valt uiteen in onbegrijpelijke flarden. Er is samenhang in de tijd, ondanks alle ontbinding en entropie. Toch ga ik nu geen gedicht over de smaak van kersen schrijven als er zich alweer een jonge man heeft opgeblazen, dit keer in een straat in een stadje in Beieren. Dat had net zo goed gisteren op de Zuidmarkt kunnen gebeuren, waar ik die kersen heb gekocht. Gelukkig liep daar omdat het vakantie is niet al te veel volk rond. Wat dan weer invloed had op de prijs van die lekkere kersen, dat is ook een samenhang. Een samenhang van chaotische aard, dat wel: wat mij betreft zijn de wetten van het neokapitalisme helemaal geen wetten maar drukken ze de ultieme chaos uit. Datgene waar niemand nog vat op heeft.

***

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 8 11 2015

11-11-15

ALS DE VOGELS VOOR ONS ZINGEN

michael madsen Reservoir-Dogs2.jpg

Vannacht hebben de vogels dan toch niet voor ons gezongen, zei Antoine.
Ze zullen te moe zijn geweest, zei Griselda, ze moeten al voor zoveel mensen zingen.
Zielige mensen met hun zielige noden, zei Antoine.
Antoine, ik hoorde op de radio dat Michael Madsen een pikante saus op de markt heeft gebracht, zei Griselda.
Dan zal hij wel niet veel gedichten meer schrijven, zei Antoine.
Wie pikant eet leeft langer, zei Griselda.
Mogelijk, zei Antoine, maar schoenmakers blijven meestal bij hun leest.
Wat is dat toch ook alweer, een leest, vroeg Griselda.
Een soort aambeeld, weet ik veel, zei Antoine, alleszins een ding waar een schoenmaker bij blijft.
Wat hebben Amerikaanse acteurs toch met sauzen, zei Griselda.
Ja, ik kan geen film met Paul Newman meer zien zonder aan mayonaise te denken, zei Antoine.
En de bolognesesaus van Martin Scorsese, zei Griselda.
Dat is iets anders, Martin Scorsese is een regisseur, zei Antoine.
Ik geloof dat hij ook iets met scheermessen doet, zei Griselda.
Heb je mijn Tarantino-bloedworst al geproefd, vroeg Antoine.

Griselda, denk je dat dit allemaal op een keer terug zal komen… Dat we opnieuw in dit café naast elkaar zullen zitten en over dezelfde dingen praten, vroeg Antoine.
Nadat Brussel is verwoest en weer opgebouwd en weer verwoest en weer opgebouwd, zei Griselda.
Over tienduizend jaar, zei Antoine.
Ik hoop het zo, zei Griselda.
Met dat verschil dat de vogels dan voor ons zullen zingen, zei Antoine.
bigshave.jpg

Afbeeldingen: Michael Madsen in 'Reservoir Dogs', Quentin Tarantino, 1992; Peter Bernuth in 'The Big Shave', Martin Scorsese, 1967.

 

 

02-08-13

HUID VAN DE WERELD

anselm kiefer hamburger bahnhof.jpg

Vandaag ging het van laag naar hoog, of was het omgekeerd? Stemmingswisselingen… Eerst, nog voor zonsopgang, heb ik van Anselm Kiefers loden boeken de betekenis achterhaald. Of op zijn minst een van hun betekenissen.

De loden boeken zijn er om in de toekomst te worden gelezen: tussen hun pagina’s zitten foto’s van de huid van de wereld. De huid van de wereld vanop een redelijke hoogte aanschouwd. De klassieke fotograaf die vanuit zijn raam foto’s maakt van de passanten is geheel voorbijgestreefd, en tegelijk is Kiefers manier van naar de wereld kijken daar een metamorfose van. Vreemd dat Schopenhauer reeds de wonden en de littekens en de uitslag (schurft, pokken, pestbuilen) van de wereld, van de aarde zag: dat waren de mensen. Keek Schopenhauer door de ogen van Anselm Kiefer of is het toch vice versa? Lood is een buigzaam en corrosiebestendig materiaal. De foto’s van de huid van de aarde zitten veilig opgeborgen in de loden boeken. Maar langdurige blootstelling aan lood veroorzaakt wel dementie. De lezers van de loden boeken zullen beschermende kleding moeten dragen. Ik stel me ze als Buzz Aldrin en Neil Armstrong voor: veel verder reikt mijn verbeelding in dit opzicht niet.

Daarna heb ik een ‘geheim’ van Hölderlin en Nietzsche ontsluierd. Geheim – met daarin ‘heim’, het Limburgse en Duitse woord voor ‘huis’. We kennen in het Nederlands ook nog ‘heem’ en ‘heimwee’ en heel wat samenstellingen met ‘-heem’ en ‘hem’, vooral plaatsnamen.

Je bent thuis waar je woont, in wat je bekend en vertrouwd is, én in den vreemde. Je kunt het ook ‘het vreemde’, het ‘onbekende’ noemen. ‘Het vreemde’ is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol dode mensen.

Anselm Kiefer, Hölderlin, Nietzsche, daarna Tim Buckleys ‘Blue Afternoon’ en dan is alles goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en melancholie. Naast me de slapende vrouw die ik ken en niet ken.

Excentrieke mensen leven langer, las ik vandaag. Dan maar hopen dat ik erg excentriek ben. Maar wat is dat eigenlijk, excentriek?

Het is goed Antwerpen lief te hebben en gelijktijdig de stompzinnigheid van deze stad te haten. De snordragende burgemeester met zijn Rubensobsessie en de sigarenrokende schepenen en magistraten.  Symbolen van een volledig achterhaalde, bijna 19de-eeuwse burgerlijkheid. Gelukkig heb je toch toch ook altijd de anderen, zoals Luk Perceval. Ze hoeven niet eens excentriek te zijn. Hij kent me niet en ik hem ook niet maar ik heb desondanks het gevoel dat ik veel met hem gemeen heb. Tsjechov schrijft over Rusland. Voor Perceval ligt dat in Vlaanderen, en dat klopt. Het vreemde is tegelijk datgene wat je in je armen sluit en een veld vol doden.

Alle stekelige mensen zullen binnenkort deze stad moeten ontvluchten, of zich te pletter zuipen, of zich in vuile wc’s vol spuiten met het gif dat uit de corrupte haven komt. Dat is het lot dat ons te wachten staat, ons stekelige en excentrieke mensen. Of kan het tij van haat en angst voor het andere en van conformisme worden gekeerd?


Tot hier een – bijgeschaafde - dagboeknotitie van 1 februari 1991. Vijf maanden later zou ik naar Brussel verhuizen, waar ik nu nog altijd met enige tegenzin woon. Ik zal me wel altijd en overal een banneling voelen.


...

Foto: loden boeken van Anselm Kiefer in het Hamburger Bahnhof in Berlijn, 16 augustus 2008. Foto: Martin Pulaski. 

09-03-13

NATIES

europe_1911 (1).jpg

Europa in 1911

 

“Naties: mensen die eenzelfde taal spreken en dezelfde kranten lezen, noemen zich heden “naties”, en willen ook maar al te gaarne dezelfde afkomst en geschiedenis hebben: wat zelfs bij de ergste vervalsing van het verleden nooit gelukt is.”

Nietzsche, Aus dem Nachlass, 1886.

 

 

“Dezelfde burgerlijke magie op alle plekken waar de postkoets ons afzet! De eerste de beste natuurkundige voelt aan dat het niet meer mogelijk is te leven in die persoonlijke sfeer, die mist van fysieke wroeging, die al ergerlijk is voor wie haar opmerkt.”

Rimbaud, Illuminations, 1886

21-08-12

STOCKHOLM ii

 

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.


Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de 'illusie van het nieuwe' te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het 'nieuwe' Vandaar de nood - dat zeg ik - van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Mijn antwoord:

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

 

01-09-09

GIN HOUSE BLUES


meisjes in archiduc2


Over de vier seizoenen misschien? Dat de zomer? Of de laatste films, de nieuwste, de beste? Wat  vertelt Zizek toch weer? Ik lees zijn boeken, zoals nu ‘Violence’, en vergeet ze bijna meteen, en ga door met mijn leven. Mijn leven, jouw leven, ons leven. De pathos ervan – hoezeer ik me ook afkeer van elk pathetisch genoegen. Wat moet je anders doen dan doorgaan met je leven? Het is niet dat ik geen plezier beleef. Mijn genot kan immens zijn. Ik kijk overal om me heen en zie vrouwen, rivieren, mooi rood plastic, nieuwe buildings, schoenen steviger en stijlvoller dan sportwagens. Ik hoor John Fogerty, the Great Lake Swimmers, Archie Shepp, Moe Tucker, Bright Eyes (“I keep drinking ink from my pen”), het klinkt allemaal opwindend. All the way to Canada, waar mijn nichtje woont, nu al een oudere vrouw, de – destijds - mooie dochter van nonkel Frans. De familie, een bodemloze put, ik begin er niet aan.

Heb je elkaar nog iets te vertellen, werd je gevraagd. Wie stelt zulke vragen? Theatermakers. Ze moeten hun publiek toch iets vertellen. Vaak leven mensen in vrede naast mekaar, zonder dat ze nog enig contact hebben; ze leven hun eigen levens of bijna-levens, denken ze. Of dat is hun premisse. De premisse van sommige theatermakers. Hoe vals…Dat ze hun eigen huwelijksproblemen analyseren, zoals August Strindberg deed. De country songs – die nu ook John Fogerty weer zingt – vertellen het hele verhaal. Het is eenvoudig: je houdt van elkaar, ziet elkaar graag, en haat elkaar, je verlangt naar het eeuwige leven samen, maar tegelijk wil je de wereld zien en het andere, altijd het andere, dat overal is, behalve hier. Voorbij die berg daar, of nog twee straten lopen en we zijn er.

Daar ben je dan. Lang geleden dat we elkaar nog hebben gezien. Hoe gaat het met je?  Heb je de laatste Tarantino gezien? Drink je nog iets? Je hebt je mooiste blouse aangetrokken. Toch niet voor mij? Een spin die zoveel lawaai maakte… Dat kan toch niet. Een spin hoor je niet. Het moet een rat zijn geweest, zoals in ‘De battre mon coeur c’est arrêté’, een buitengewoon mooie film. Wist je dat hij gebaseerd is op ‘Fingers’, van James Toback. Mijn vriend Jos had me die destijds aangeraden. In oktober 1991 maakte hij er eind aan. Hij had niets meer te vertellen. Het woord ‘dood’ vatte alles samen. Sindsdien probeer ik hem te vergeten, aan mezelf te denken. Maar ik kan niet aan mezelf denken, ik kan niet eens denken.  Als er iets is wat ik niet kan is het denken. Ik kan wel nadenken, maar niet denken. Het spijt me, maar zo is het.

Ik zit graag in cafés om naar mensen te luisteren die ik niet ken. Al spoedig blijkt dat we veel gemeen hebben, dat onze verhalen, onze levens op elkaar lijken. Ik houd van de mensen in de cafés, ik omhels ze, letterlijk of figuurlijk. Soms begrijpen ze dat niet, alsof ik Nietzsche ben en zij het paard, in Turijn. Maar meestal valt het mee. Meestal weten we dat we in dezelfde Sloop John B. zitten, dat we naar huis willen, maar dat we tegelijk niet naar huis willen. Want is er nog wel een huis? Een thuis? Soms denk ik, sinds de dood van mijn grootmoeder en de dood van Brian Jones en dood van Sandy Denny (en al de anderen) is er niets meer dan de bliksem en het verlangen en het gezelschap, de troost van vreemden. Ja, de troost van vreemden, die verwarmt je hart toch nog het meest – ook als je in de koude ochtend al in de armen van je geliefde ligt.

Dronken in de armen van je geliefde heb je haar veel te vertellen. Maar er is geen mens onder de maan of de zon die zulke verhalen zou willen horen. En als dat wel zo zou zijn, zou ik ze niet vertellen. Het zijn verhalen van en voor vreemden. Het zijn verhalen voor de bewoners van het Gin House. Ze hebben de bodemloze put gezien. Ze zeggen, zwijg nu maar, jongen en luister naar dat lied van Nina Simone.

meisje in de daringman2d
 
Foto's: Meisjes in de Daringman en in de Archiduc (Brussel), Martin Pulaski, 2009.

26-09-08

HET ZELF EN MIJN POPULAIRE MUZIEK


In verband met mijn vorige twee stukjes, niet veel meer dan lijsten eigenlijk, en de interessante commentaren daarop wil ik een aantal dingen verduidelijken.

Richard Rorty wijdt in ’Contingentie, ironie en solidariteit’ een hoofdstuk aan wat hij noemt de contingentie van het zelf. Ik wil hier niet de hele argumentatie herhalen; Nietzsche en Freud zijn wat dit betreft zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Hij sluit het hoofdstuk af met deze woorden:


“We zullen de bewuste behoefte van de sterke dichter om te demonstreren dat hij geen kopie of replica is zien als louter een speciale vorm van een onbewuste behoefte om te leren leven met de onzichtbare afdruk die het toeval hem heeft gegeven, om voor zichzelf een zelf te maken door het opnieuw te beschrijven van die afdruk in bewoordingen die, misschien slechts marginaal, de zijne zijn.”

Ik haal dit hier aan omdat ik evenmin aanneem dat wij onszelf hebben gemaakt, noch dat we alles wat we op dit ogenblik boeiend, interessant, mooi vinden, zelf hebben gekozen. Dat is gewoonweg niet zo. Wat wellicht wel mogelijk is, is dat we met wat het toeval ons heeft gegeven een nieuwe combinatie maken en indien mogelijk en wenselijk ‘ons zelf’ heruitvinden.

Om wat ik wil verduidelijken heb ik een jaar nodig, want er komt zoveel bij kijken dat ik er op zijn minst een boek aan zou moeten wijden. Maar ik zal het kort proberen te houden. En daarna zien we dan wel weer.

Ik ben opgegroeid, eerst op een binnenvaartschip, later in internaten en oubollige scholen in een nog grotendeels godvrezend Limburg. Mijn ouders waren zoals dat wordt genoemd eenvoudige mensen. Ze hadden niet eens de basisschool kunnen beëindigen. Toch sprak en schreef mijn moeder voortreffelijk Frans en was ze geïnteresseerd in boeken. Zij heeft me leren lezen toen ik vijf was. Toen ik nog jong was kon mijn vader heel goed en boeiend vertellen. Dat had hij tijdens de oorlog geleerd, in krijgsgevangenschap en daarna in het verzet. Beiden hielden van eenvoudige liedjes, ik herinner me vooral ‘J’attendrais’ (het enige liedje dat mijn vader op zijn mooie gele accordeon kon spelen), Dalida, Mario Lanza, Edith Piaf, Bobbejaan Schoepen, en zo meer. Zulke liedjes, minderwaardig dan chansons, hoorde je ook wel op de radio. Al dat brave en sentimentele gekweel heeft mijn jonge oortjes geteisterd en gevleid. Wat ik mij er nu nog van herinner is de sfeer, het gevoel – iets zachts, fluweligs, eigenschappen die David Lynch in ‘Blue Velvet’ binnenstebuiten keert. Zo was toevallig een basis gelegd voor mijn latere muzikale smaak. Sentimenteel vermaak, tranerig gekweel. Ik bedoel dit geenszins negatief. Op  de lagere school werden zulke schlagers afkeurend straatliedjes genoemd. Vreemd, want ze waren zo onschuldig. Hoewel ze bij Fassbinder iets zeer subversiefs krijgen. Maar Fassbinder kende ik toen natuurlijk nog niet. De man had zelfs nog geen films gemaakt.

MARIAO LANZA


Toevallig had ik niet alleen ouders maar ook nog een zes jaar oudere broer, die al gauw in de ban raakte van de muziek van de duivel: rock and roll. Ik was zes toen ik Elvis Presley ontdekte, en met Elvis Presley alle Verenigde Staten. Dat had ik aan mijn opstandige broer te danken. Een nozem, zo werd luidkeels gefluisterd. Het zou nooit goed komen met hem. En dan die rock and roll, dat vreselijk lawaai. Elvis, Fats Domino, Little Richard, Wanda Jackson en Brenda Lee. Al begreep ik niets van de seksualiteit van die nieuwe muziekcultuur, toch was ik er van in de ban. Ik hield ook veel van de twist, bij ons bekend geworden dankzij Chubby Checker, die veel braver was dan Hank Ballard, de man die de twist had ‘uitgevonden’. Er ontstond een hele nieuwe cultuur van rock and roll, expo 58, broodroosters, milkshakes, honden die Laïka werden genoemd, jukeboxen, elke maand een andere dansrage, ‘scoobidoo’ en ‘hoola hoop’. Toen Elvis naar het leger moest, Chuck Berry in de gevangenis zat en Little Richard een predikant was geworden, was het einde van de rock and roll in zicht. Brylcreemkoppen als Fabian, Bobby Vee en Frankie Avalon werden nu populair. Bij ons had je vele Franse sterretjes die Amerikaanse songs in het Frans vertaalden, onder meer Johnny Hallyday en Richard Anthony.

LITTLE RICHARD 2

Vanaf mijn twaalfde beschouwde ik mezelf als een volwassene. Ik droeg een lange broek en had een polshorloge. Af en toe rookte ik stiekem een sigaret van het merk Peter Stuyvesant. Met mijn ouders en broer mocht ik zaterdags mee naar de ‘dancings’, de Orchidee en de Congo Bar. Ik kreeg dan repen chocolade of dronk Coca Cola. In een van die dansgelegenheden hoorde ik ‘Twist And Shout’ van The Beatles. Dat het een nummer van de zwarte Isley Brothers was, heb ik pas veel later ontdekt, en zelfs dat is niet de originele versie. Maar ‘Twist And Shout’ van the Beatles! Dat was mijn Damascus. De adrenaline als elektrische stroom door mijn jonge lijf. Die overrompelende stemmen, vooral die van John Lennon. Dit was niet langer de muziek van mijn broer, dit was mijn muziek.

BEATLES TWIST AND SHOUT

Een van de volgende dagen ging ik naar de plaatselijke platenzaak (ze verkochten er vooral stofzuigers en radio’s) en vond er de single ‘She Loves You’. Dat nummer heb ik wel duizend keer gedraaid. Ik veranderde mijn haarstijl, ging me anders kleden. Vooral de schoenen waren belangrijk. Nog wat later hoorde ik op onze transistorradio ‘Tell Me’ van the Rolling Stones. Dat was het! De heilige graal. Dat geluid, dat ritme, die gitaren, die stem gingen voor mij nog veel verder dan die liedjes van The Beatles. Hoe dat kwam kan ik niet verklaren, maar ik werd er veel dieper door geraakt. Ik kan het alleen maar euforie noemen. Zo begon mijn zelf zich af te tekenen door wat ik toevallig hoorde, en waaruit ik dan een keuze maakte. Zo werd mijn toekomst voor een groot deel bepaald. In 1965 gaf Bob Dylan met ‘Like A Rolling Stone’ mij volledige zekerheid dat ik had gevonden wat van mij was.

LIKE A ROLLING STONE 2

Daardoor luister ik nu nog steeds naar Engelstalige, vaak op blues gebaseerde muziek, vooral rock & roll en alles wat daar mee verwant is, of eraan is vooraf gegaan, zoals blues, rhythm and blues en country. En daardoor heb ik weinig affiniteit met klassieke muziek of muziek uit Azië, Afrika en de Slavische landen. Soms hoor ik iets in een film, zoals in het meesterwerk ‘De Muziekkamer’ van Satyajit Ray, en word ik diep ontroerd. Maar daarna grijp ik toch weer terug naar Bob Dylan of Lucinda Williams.

 

Over de crisis van de rock en de Westerse populaire muziek wil ik het in een volgend stukje hebben. Ik zal daarin mijn 'liefde' voor de Amerikaanse cultuur en subculteren onder de loep nemen.

 
OUT OF OUR HEADS

08-05-07

ANGST EN AFGROND


Op een dag nu lang geleden werd me duidelijk wat angst is. Je bent alleen en je voelt hem en hij kwelt je maar je weet niet waar hij zit. In je hoofd? In je hart? In je ingewanden? En je kunt het tegen niemand zeggen. Het is een geheim dat je liever niet zou bewaren, maar je moet wel, je bent tot geheimhouding gedwongen. Je hebt geen woorden ter beschikking en had je die wel dan waren er toch geen toehoorders. Het is alsof iemand zijn tanden in je hersens zet. Iemand? Ratten! Nee, zelfs dat niet. De angst is een schreeuw van afwezigheid. De angst is de afwezigheid van om het even wat. Een gesloten cirkel, een beest dat zijn eigen staart opvreet. Daar hebben we de Oeroboros weer, hij is hier geregeld te gast. Analogieën in overvloed. Je spreekt, zonder dat er ooit van die bepaalde banale afwezigheid sprake kan zijn. ‘God is dood’ – dat klinkt als een reclameslogan.

Wellicht kennen wij allen dit grote geheim, dit ontzettende ding. Misschien maken we onszelf wijs dat het onuitsprekelijk is, misschien doen we alleen maar alsof. Alsof het ontzettende ding er niet is. Toen we nog in de wieg lagen werden we al bedrogen. Dat was het begin. Al meteen werd ons gezegd dat het leven niet veel te betekenen heeft. Het spelletje zou hier niet lang duren. Het was echt niet nodig onszelf zoveel vragen te stellen. Het volstond dat je gewoon braaf was: ouders, familie, kerk, de school, later het werk. De politie, het leger. Zo was het altijd geweest en zo zou het altijd doorgaan. Zelfs geen nucleaire oorlog zou daaraan iets veranderen. Maar de angst was reeds gezaaid. En wat nu, wat nu, zonen en dochters? Gaan wij door met bedriegen? Houden wij niet op? (Opeens denk ik aan de film Magnolia.)

Ik las dat cultuur niet langer betekent ‘ik wil je grijpen’ maar wel ‘ben je bang voor dezelfde dingen als ik?’. De omineuze dreiging van het alleen-zijn. De angst van het kind om alleen te blijven in een donkere kamer. Ik herinner me een song van the Outsiders, Afraid Of the Dark, met een quasi-onverstaanbare tekst. Ik herinner me Little Hands Clapping van Alexander Spence. Met herinneringen probeer ik mijn angst te bezweren.

‘Wie met monsters vecht’, schreef Nietzsche, ‘moet oppassen zelf geen monster te worden. En als je lang in een afgrond kijkt, kijkt de afgrond ook bij jou naar binnen.’

18-04-07

IN DE STAART GEBETEN


friedrich nietzsche II

Nog een illustratie bij de voorgaande fragmenten. Het kan niet op. Nietzsche hield ooit maar van een vrouw, Lou Andreas-Salomé. Zij schreef dit boek over hem. Nee, ik zou liegen. Hield hij ook niet van Cosima Wagner, de echtgenote van zijn beste vriend en grootste vijand, Richard Wagner? Wie was eigenlijk zijn Ariadne? Lou of Cosima? Zullen we het ooit weten en heeft het belang? Ik vond de geschiedenis interessant omdat Andreas-Salomé een soort van begin- en eindpunt op een cirkel was, een slangachtig wezen, in wier staart heel wat geniale mannen graag hun tanden zetten. Of had zij voor elke gelegenheid een andere staart?

EEUWIGE TERUGKEER


éternel retour

Ik wil toch nog even terugkomen op de Oeroboros en de vicieuze cirkel. In de Wikipedia las ik dat vicieuze cirkel niet noodzakelijk een negatieve betekenis heeft. De term is afgeleid, zo staat er, van het Latijnse circulus viciosus, waarbij viciosus ‘wederkerig’ betekent. Het ene leidt tot het andere waarbij het andere weer tot het ene leidt. De verwarring ontstaat doordat ‘vicieus’ ook een afleiding kan zijn van het Latijnse vitiosus, ‘schadelijk’. Als gevolg van deze verwarring wordt de term tegenwoordig meestal wel als negatief opgevat. Aldus de Wikipedia. De Vicious Circle van Lou Reed is duidelijk een negatieve constructie, de eeuwige terugkeer van Nietzsche niet.

In ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ schrijf Borges over de Uroboros (zijn spelling) onder meer het volgende:

“Heraclitus had gezegd dat bij een cirkelomtrek het begin en het einde hetzelfde punt zijn. Op een Griekse amulet uit de derde eeuw die in het British Museum wordt bewaard, staat een afbeelding waardoor die oneindigheid beter voor ons wordt geïllustreerd: de slang die in zijn eigen staart bijt, of zoals Martinez Estrada het fraai zegt ‘die bij het eind van zijn staart begint’. Uroboros (hij die zijn staart verslindt) is de technische naam van dit monster die later door de alchimisten werd verspreid.”

De illustratie hierboven is een kopie van pagina’s 54 en 55 uit mijn exemplaar van Pierre Klossowki’s ‘Nietzsche et le cercle vicieux’. Ik lees daar nu het volgende:
Or, à partir de l’expérience de l’Eternel Retour, qui s’énonce en tant qu’une rupture de l’irréversible une fois pour toutes, se développe aussi une version nouvelle de la fatalité: celle du Cercle vicieux qui, précisément, supprime le but et le sens, le commencement et la fin se trouvant toujours confondus l’un dans l’autre.” Ook hier bijt de slang weer in zijn eigen staart.
De Britse filosoof Roger Scruton, die wat op Brian Jones lijkt, hoorde ik op televisie ooit beweren dat de zeventig jaar die je krijgt – in de veronderstelling dat je zeventig wordt – volledig de jouwe zijn. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. In zekere zin is die gedachte zeer verwant aan de eeuwige terugkeer van Nietzsche, en zo zijn we terug bij de circulus viciosus en bij het begin dat tevens het einde is. Voorlopig toch.

16-04-07

LOU REEDS VICIOUS CIRCLE EN DE OEROBOROS

alchimie,herhaling,letteren,filosofie,lou reed,nietzsche,pierre klossowski,oeroboros,rilke,balthus,zarathoestra,borges,muziek,boeken,troost,radio

Ik draai in kringetjes. Op 3 februari dit jaar schreef ik ook al over de troost van de muziek en maakte ik zelfs een radioprogramma over de troost. Lijd ik aan geheugenverlies?

Ik ben als de Oeroboros van Borges en van de alchimisten, de slang die zichzelf in de staart bijt. Alleen heb ik niet echt een staart; ik heb niet meer dan een beentje. Maar ooit heb ik zeker een staart gehad en Nietzsche beweert dat alles terugkomt. Dat staat in Aldus sprak Zarathoestra, en het concept wordt bestudeerd in Nietzsche et le cercle vicieux van Pierre Klossowski. Klossowski is dan weer de broer van de onvolprezen schilder Balthus en er wordt tevens beweerd dat hij verwant zou zijn met Rainer Maria Rilke. Deze dichter had een relatie met Lou Andréas-Salomé, de enige vrouw die Nietzsche ooit heeft liefgehad. Of toch bijna. En zo is de cirkel weer gesloten.

En dan heb je de - als het over staarten gaat - altijd op de proppen komende Lou Reed, die zingt:

“You’re caught in a vicious circle
Surrounded by your so called friends
You’re caught in a vicious circle
And it looks like it will never end.”

05-04-07

MOOIE DAGEN IN HET VERSCHIET

avonden,genieten,pasen,muziek,fucking business,radio,zero de conduite,religie,nietzsche,thema,radio centraal,antwerpen,brussel,gospel,bob dylan,leven,liefde,holderlin,danny and dusty,charles jackson,film,billy wilder,the lost weekend,drinken,alcohol,green on red,dream syndicate

Mooie dagen en vooral avonden in het vooruitzicht. Morgen ga ik met vrouw en vriend naar Bob Dylan. Daar had ik het gisteren al over. Zaterdag ben ik in Antwerpen voor mijn radioprogramma. Het thema van de maand is religie, niet omdat het zondag Pasen is, ik had daar gewoon niet bij stilgestaan toen ik het vorige maand aankondigde. Ik heb al muziek over goden, religies, ongeloof en godslastering voor meer dan vijf uur; er moet nog flink gesnoeid worden, vooral in de gospel van blank en zwart. Die gospelmuziek is nochtans zeer meeslepend. Zaterdagavond vieren Laura en ik de zoveelste verjaardag van onze eerste ontmoeting (amour fou), en nu klap ik uit de biecht en blijf in de religieuze sfeer. Zit er op mijn atheïstische ziel dan toch een gelovig laagje?


Ik geloof alvast in twee dingen: leven en liefde. Hendrik Marsman zei: ik erken maar een wet en dat is leven en the Beatles zongen All You Need Is Love. Bij mij is het een combinatie van de twee. Van een god is geen sprake in mijn leven. Aan de dood van god zijn Hölderlin en Nietzsche ten onder gegaan; in hun tijd zal dat nog een vreselijk inzicht geweest zijn, nu betekent het nog maar weinig. Dank zij Darwin en zijn leerlingen weten we nu allen waar we werkelijk vandaan komen en hoe we geworden zijn wat we zijn. ‘Allen’ is misschien wat overdreven: ik stel vast dat er nog een heleboel fundamentalisten zijn, fanatici die kennelijk niet kunnen lezen. Maar ik dwaal af.
Zondag vieren we Pasen. Waarom zouden we niet? Het is een van de mooiste dagen van het jaar, het echte begin van de lente. Daarom zullen we voor een keer ook nog eens eitjes eten, kleine, breekbare symbolen van een nieuw begin.
Maandag rusten we uit.
Dinsdag ben ik te vinden in de AB waar Danny en Dusty optreden. Danny en Dusty zijn Dan Stuart van Green On Red en Steve Wynn van the Dream Syndicate. Die twee bands bestaan al lang niet meer en Dan Stuart had zich zelfs teruggetrokken uit de muziekscène. Beide heren hebben in de jaren tachtig een prachtige elpee gemaakt, The Lost Weekend, genoemd naar een boek van Charles Jackson en een onvergetelijke film van Billy Wilder. Het onderwerp van boek en film kunt u wel raden? Alcoholisme. Ik vermoed dat Danny en Dusty in die dagen ook flink aan de drank zaten. Nu doen ze het met het oog op hun sterfelijkheid wat rustiger aan, hoewel Steve Wynn nog flink tekeer kan gaan op zijn gitaar. Ze zijn nooit beroemd geworden en ik denk dat ze dat ook nooit hebben gewild. Voor mij zijn zulke kunstenaars de ware helden. Zij vegen hun voeten aan de hele fucking business.
Ja, mooie dagen in het verschiet. Ik beëindig mijn opsomming met de première, volgende woensdag, van Onschuld in de KVS. De regie is van Alice Zandwijk, een podiumkunstenares die ik zeer waardeer. Maar genoeg. De zon schijnt. Ik moet naar buiten.

Afbeelding: Ray Milland in The Lost Weekend van Billy Wilder.

02-04-07

EERST HET TOEVAL, DAARNA DE EXTASE?

eze-village,psychoanalyse,flaming lips,toeval,orde,reizen,pop,extase,ontroering,angst,ziekte,muziek,dood,empathie,gevoelens,emoties,nietzsche,2002,nice,1976,controle

Busrit van Nice naar Eze.

Ik zeg tegen iedereen die ik zie, geniet van het leven, maar mij lukt dat niet zo goed. Gisteravond beluisterde ik nog een keer Do You Realize? uit Yoshimi Battles The Pink Robots van the Flaming Lips. Wayne Coyne deelt daarin mee dat we alleen maar nu hebben. Do you realize that everyone you know someday will die, zingt hij. Het was halfdonker in mijn kamer, bovendien had ik mijn ogen toe. Toch zag ik opeens bloemen opengaan en vanuit een middelpunt wegvliegen en zoals vuurwerk uiteenspatten in schoonheid. Ja, een dergelijk effect had de muziek van the Flaming Lips bij mij. Dat was lang geleden. Kan ik dan toch nog iets voelen, ontroerd worden? Blijkbaar wel. Meestal heb ik alleen maar negatieve gevoelens, fysieke pijn en allerlei angsten voor ziekte en dood. Of ik voel helemaal niets. Geen empathie, geen ontroering, niets.

Ik herinner me nu een gesprek van een jaar of vijf geleden. Ik zat bij mijn psychoanalyste en had het over de afwezigheid van – min of meer intense - emoties en gevoelens. Ik vertelde haar van het voorval, als ik het zo al kan noemen, helemaal boven in Eze-Village, in de Jardin Exotique daar. Zesentwintig – nu eenendertig - jaar geleden had ik daar al eens gestaan, in verrukking door de azuren hemel, de Middellandse Zee in de diepte, de geuren van de Provence; wat nu haast banaal en clichématig klinkt was destijds voor mij een nieuwe wereld. Het was die dag mijn verjaardag: ik was zesentwintig geworden. Op onze wandeling naar Eze hadden twee zachtmoedige honden ons vergezeld, de weg gewezen, zei ik ietwat ironisch. Hun gezelschap zag ik als een goed teken. Een ander goed teken was de wetenschap dat Nietzsche een belangrijk deel van zijn Zarathoestra in Eze heeft geschreven.
Nu, in 2002, waren we naar boven gegaan samen met een zwerm, vooral Aziatische, toeristen. Heel het oude Eze was in een toeristisch kitschwinkeltje veranderd. De Jardin Exotique lag er nog netjes bij, met een mooie verzameling cactussen en andere planten. Maar er was niets dat mij van mijn stuk bracht. Ook niet boven op de top, met de zee in de diepte. Ik voelde geen tweede adem, er was niets in mij gaande wat op verrukking leek. Er was eigenlijk alleen maar de bewuste gedachte dat ik het toch wel goed vond om daar op dat ogenblik te zijn. Beter in Eze dan thuis, dacht ik.

Thuis had ik me nog afgevraagd of het wel mogelijk zou zijn om vanuit Nice met het openbaar vervoer Eze te bereiken. Geen enkele verplaatsing is ooit gemakkelijker geweest, zo bleek echter. Het is een aangename en korte rit met de bus vanuit de centraal gelegen Gare Routière. Zo eenvoudig is het leven. Misschien is dat een van de hindernissen op de weg naar ontroering en verrukking? Dat het allemaal zo gemakkelijk gaat. Een andere hindernis is wellicht de planning: alles is van tevoren al uitgestippeld, waardoor een verrassing niet meer mogelijk is. In 1976 kwam ik geheel toevallig in die Jardin Exotique terecht. Onze bestemmingen werden grotendeels bepaald door de auto's - en hun bestuurders - die ons meenamen als we stonden te liften. Als we maar onderweg waren was het al lang goed, maar wel liefst op weg naar een plaats die zich voldoende ver van Brussel bevond. (Ver was toen uiteraard niet zo ver als nu.) Tegenwoordig is dat niet meer zo: elke reisdoel is het resultaat van lang wikken en wegen en beslissen en uitstippelen. Van reisgidsen kopen, vliegtuigtickets bestellen, hotels reserveren, restaurants selecteren, musea uitkiezen, catalogi verzamelen. Daarna foto's maken van hotelkamers, van huizen, van elkaar, van objecten die we naar huis mee willen nemen (wat natuurlijk in de meeste gevallen onmogelijk is). Misschien maakt een te geordend leven met teveel controle ontroering en verrukking onmogelijk. Die behoefte aan controle, aan een ordelijke wereld zit diep in mij verscholen en ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ze er nooit is geweest. Vreemd, want ik beweer zo vaak dat het toeval mijn leven bepaalt en voeg daar meestal aan toe dat ik dat goed vind.

18-09-06

IN DE MIST VAN HET HOOFD

ik,munchhausen,individu,zelf,ego,yo la tengo,dostojewski,lacan,groddeck,nietzsche,freud

De vraag naar wie ik ben en wat ik ben laat me niet met rust. Niet dat ik er in deze context voortdurend op wil terugkomen. Want wie van jullie heeft er iets aan? Aan het feit dat ik deze vraag stel. Aan het feit dat er geen antwoord op is. Je stelt een probleem maar je weet vooraf dat er geen oplossing voor is. Er is al zoveel over geschreven, Nietzsche, Freud, Lacan, Groddeck, etcetera. Vooral etcetera. We bevinden ons nog steeds in de mist. In de mist van de stad en de mist van het platteland. In die van het communisme en in die van het liberalisme. In die van het individu en in die van de gemeenschap. In die van de liefde en die van de haat. Mist, modder, oersoep. En daaruit moet je jezelf oproepen, opwekken, oprichten, optrekken. Als een baron von Münchhausen. Of jullie, moeten jullie het doen? Want jullie zijn een deel van het probleem en een deel van de oplossing die er geen is. Zonder jullie ben ik er niet, ontsta ik niet. Zonder jullie blijven alle plooien gladgestreken. 


Ik ben min of meer de antipode van het hoofdpersonage uit Dostojewski’s Aantekeningen uit het ondergrondse, en toch voel ik me ook verwant met deze voormalige ambtenaar. Als afsluiter van deze korte aantekening uit mijn ‘eigen’ ondergrondse wil ik de eerste vijf zinnen uit deze korte, krachtige roman citeren: “Ik ben een ziek man… Ik ben een slecht man. Een onaantrekkelijk man ben ik. Ik geloof dat ik aan een leverkwaal lijd. Ik begrijp trouwens geen lor van mijn ziekte en weet niet eens precies wàt mij zeer doet.” Ik had er ook zes kunnen citeren, het hele boek zelfs, maar vijf moeten volstaan.

Nu kan ik me opnieuw wat verdiepen in de vraag naar wie ik ben en wat ik ben. En wat luisteren naar Yo La Tengo’s I Am Not Afraid Of You And I Will Beat Your Ass. Als het me lukt die twee dingen te combineren…

14-06-06

JE MOET DOOR EN DOOR MODERN ZIJN


ascenseur


“Wie weet waar ik terechtkom, moet ik hebben gepeinsd. Ik ben nog altijd thuis, en ik blijf dromen van Timboektoe. Maar waar zal ik morgen zijn?” Dat schreef ik gisteren. Nu is het vandaag en ik ben nog steeds thuis, waar het eten en de wijn het beste smaken. Hier thuis zing ik zoals ik gebekt ben. Of zing ik helemaal niet. Ik kan nog altijd kiezen. Of is dat ook al van tevoren voor me uitgestippeld, wat ik zal kiezen? Laten we maar niet over Plato’s grot beginnen, over onze blindheid – of is het verblinding? -, over de afwezigheid van religie in de hedendaagse maatschappij, “once i was blind now I can see”. Over de tijd toen je kon zeggen dat je op weg was naar het licht. Ik zal daar niet over praten. We zijn niet op weg en er is geen licht. Dat geeft ook niet. Er is de gewone weg, er zijn straten, autosnelwegen, die echt bestaan, ook al duiden we ze met woorden aan, om elkaar erop te wijzen dat ze bestaan. Er is ook licht, maar het is het gewone licht van de zon, of van een of andere lamp of straatlantaarn. Het licht in de werken van Edward Hopper was al zulk licht: het kwam niet van god noch engel noch duivel. Het was het aanwezige licht. Die werken van Hopper, met dat licht, hebben de beeldenwereld waarin we nu leven sterk bepaald. Heeft hij er zelf kunnen voor kiezen om zo te schilderen of heeft hij gewoon gedaan wat hij dacht te moeten doen?

Opeens heb ik het gevoel dat ik nu in Parijs zou moeten zitten, in een café op de linkeroever, Les Deux Magots of zo, maar dan in de jaren vijftig, toen het nog geen peperdure toeristenval zal geweest zijn. Daar zaten de mannen te filosoferen over de nieuwe wereld, de wereld die sommigen van hen hadden helpen bevrijden van de nazi’s. Ik denk dat ze een beetje filosofeerden zoals ik nu doe, maar zij deden het onder invloed van amfetamine, dat leek toen nog iets onschuldigs; soldaten namen de drug om ’s nachts wakker te kunnen blijven, om nog beter kanonnenvlees te zijn, vlees dat ten gevolge van de artificiële energie en daarmee gepaard gaande waakzaamheid, net iets langer meegaat. Ze filosofeerden en kleedden zich in het zwart. Dat valt minder op in de grot van Plato. Ze rookten talloos veel sigaretten. De cafés waar zij zaten moesten blauw zien van de rook. Gitanes. Gauloises. Enkele vrouwen zongen levensliederen, die daar chansons werden genoemd. Er werd geluisterd naar Django Reinhardt, Chet Baker, Miles Davis. Miles Davis speelde de muziek voor L’ascenseur pour l’échafaud. Existentialisme comme il faut. Simone De Beauvoir werd verliefd op een Amerikaanse schrijver, Nelson Algren, als ik me niet vergis, de auteur van Walk On The Wild Side (een titel met nog altijd veel repercussies). Yves Montand ging met Marilyn Monroe naar bed. Simone Signoret werd nostalgisch. Arthur Miller keek toe en zag hoe alles ineenstortte. Wat waren de mensen toen pessimistisch! Zelfs een handelsreiziger moest sterven. En dichter bij ons, dank zij Roland Verhavert, de meeuwen in de haven.

Ik laat me door namen en emoties meeslepen. Ik heb al die dingen meegemaakt en niet meegemaakt. Ik denk er nu aan dat Timboektoe, waarover ik het gisteren had, en hierboven nog een keer, een hond is. Timboektoe is een taalvaardige hond in een boek van Paul Auster.
In Kafka On The Shore komen vooral sprekende katten voor, en een man, Nakata genaamd, die kats kan spreken. Vandaag, in de metro, heb ik nog een paar pagina’s gelezen en Nakata heeft nu een sprekende hond ontmoet, een beetje zoals Timboektoe, maar een veel minder sympathiek exemplaar. Hij heeft voorlopig ook nog geen naam. Maar misschien moet de lezer het boek zelf maar lezen, ik beveel het van harte aan: Kafka On The Shore, van Haruki Murakami.

Ik heb pijn aan mijn ogen, van teveel naar schermen te staren, van teveel woorden – en oorden - zien tevoorschijn komen, alsof je naar schaduwen kijkt op de wanden van een grot, kleine, onvermijdelijke schaduwen. Zal ik blind worden zoals Sartre? Ik neem nochtans geen amfetamine. Als ik dat wel zou doen zou ik me als kanonnenvlees van de literatuur voelen. Een fel schitterende ster, die daarna weer snel uitdooft.
Ik wil nochtans veel vertellen. Over het pessimisme, over de liefde, over de lust en het leed van de dagen. Ik houd van de werkende mens, maar hij kan me ook vreselijk de keel uithangen. Met hij bedoel ik vanzelfsprekend ook zij. Het zij zo.

Was Schopenhauer de eerste moderne filosoof, met zijn pessimisme, zijn filosofie van de wil en zijn zogenaamde vrouwenhaat? Ik denk het niet. Zijn leerling, Nietzsche, was de eerste moderne filosoof. Hij leek wel vrouwonvriendelijk, maar vermoedelijk was hij dat niet. Waarschijnlijk had een vrouw hem ziek gemaakt. Een andere vrouw beantwoordde zijn liefde niet. Daarna is hij gek geworden. Tussendoor heeft hij die boeken geschreven die nu iedereen leest. Het leven is kort, maar kijk wat je allemaal kunt doen gedurende die korte tijd. Misschien moet ik toch eens naar Timboektoe?

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

04-04-06

ONTSNAPPEN AAN DIONYSUS EN APOLLO


Sinds ik dat Sargasso-kroontje heb gekregen lijk ik aan writer’s block te lijden. Hoe is dat mogelijk? Die lauwerkrans zou me net moeten stimuleren. Maar misschien ben ik gewoon te moe, vanwege het vele werk en allerlei andere beslommeringen en zorgen.

Bij Evy las ik over Dionysus en Apollo. Er staat “dat je zo veel mogelijk moet ontsnappen aan Apollinische beschavingspogingen. Dat je minstens één keer per dag naar de lucht, of naar de sterren moet kijken. Je overgeven aan de stroom van het leven.” Ik ben het daar volledig mee eens. Ik zou dat maar al te graag doen, ontsnappen aan de Apollinische beschaving. Maar ik kan dat niet. Ik ben niet vrij. Ik heb geen keuze? Soms is er wel eens, helemaal onaangekondigd, een uitweg uit de routine, het alledaagse. Je slaat een zijweg in en ziet de dingen zoals ze zijn: extase. Maar hoe komt het dat je die zijweg inslaat? Ben jij dat? Of laat je je leiden door iets onbekends? (Freud zou dit het onbewuste noemen, denk ik).

Maar dan nog. Als ik me vanuit een vrije wil zou kunnen overgeven aan Dionysus zou ik toch nog aarzelen. Want het lijkt me gevaarlijk. Het doet me denken aan een sprong in de chaos, of in de Etna, zoals Empedocles, en aan de waanzin van Nietzsche. Wij hebben ook orde nodig, redelijkheid, moraal, schoonheid. Dingen die ik allemaal als apollinisch beschouw. Dionysus staat dan voor de roes, de extase, en uiteindelijk (zelf)vernietiging.
Natuurlijk is hier al zeer veel over nagedacht en geschreven, maar dat geeft niet. Ik denk dat we hier bij de basis van onze cultuur zijn aanbeland. Nu ga ik even naar de wolken kijken. Met dank aan Evy voor de inspiratie.

10-03-06

DE WEG NAAR HET LICHT

anselm kiefer,tim buckley,pop,leven,boeken,nietzsche,holderlin,kunst

Vandaag van hoog naar laag en van laag naar hoog. Laag na laag. Licht en donker. Heavy metal onder de leden, pluimgewichtkampioen in mijn kamer. Noem mij maar Hamlet. Ik zat te lezen in de krant. Ik zat te lezen in Anselm Kiefers loden boeken. Hun betekenis heb ik lang geleden ontdekt. Het is ook het geheim van Hölderlin en Nietzsche. (Is het dan nog wel een geheim?) Je bent zowel thuis waar je woont als in het vreemde. Het vreemde is je vriend en is een veld vol doden. De loden boeken worden in de toekomst gelezen: zij bevatten, bewaard op hun bladzijden, de huid van de wereld. Vanuit een redelijke hoogte bekeken.

Anselm Kiefer en daarna Tim Buckley’s Buzzin’ Fly en alles is goed. Zoals het moet zijn. Huid van de wereld en droefheid. Lachend als de boeddha die je nog moet ontmoeten, onder kersenboom in bloesem. Wachtend op de geliefde, om mee te eten en drinken en slapen.

Excentrieke mensen leven langer, zei me eens iemand. Hij of zij had het ergens gelezen of op televisie gezien, misschien in een talkshow. Misschien dat een wijsneus dat daar beweerde. Ik ken alleen maar dode excentrieke mensen. Ik wil heel lang leven. Dat heb ik Simon Vinkenoog ooit eens horen zeggen: ik wil heel lang leven. Die excentrieke wegwijzer is goed bezig.

20-02-06

EUROSONG: FINAL ANALYSIS

romeinse keizers,autobiografie,pop,popcultuur,televisie,eurosong,kritiek,nietzsche,geert mak,christus,paaldanseres,epilepsie,athene

Soms kan ik laag vallen. Gisteravond, na me te hebben verdiept in onder meer Geert Mak en Friedrich Nietszche, de familiegeschiedenis van mijn ouders (waarover een van de volgende dagen of weken meer, het is een werkje van langere adem), en de muziek, schoonheid, en androgyne perversie van Polly Jean Harvey, daalde ik af naar de salon waar de televisie nog steeds een soort van ereplaats inneemt, ter vervanging van een bloedende Christus of een paaldanseres. Ik zei tegen A., ik zou graag naar de finale van Eurosong kijken. Of hoe het programma ook moge heten. Mijn geliefde kreeg net geen aanval van epilepsie. Eurosong? De finale? Die onthutsing duurde niet lang; ze pruttelde niet eens tegen. Ik geloof dat ze in haar hart wel van het Eurosongfestival houdt. Het hoort bij onze jeugd: Gigliola Cinquetti, Louis Neefs met Jennifer Jennings, etcetera. Maar ik zeg altijd dat ik dat hele circus haat. Het uitreiken van de punten is natuurlijk telkens weer wel leuk, doch daar kijk ik zelden naar. 


Gisteren was het echter, zoals iedereen weet, de finale van de Vlaamse artiesten. Waar had de VRT die bonte troep bijeengeschaard? Waren ze met zijn allen ten prooi gevallen aan de vogelgriep? Ik dacht dat op zijn minst de eerwaarde heer Tony Mary, zelf een verdienstelijk eurosongszanger zo te zien, een immense voorraad vaccins in zijn koelkast had liggen. Een selectiecriterium voor deze finale was denk ik de Kempen. Als je uit de Kempen kwam en een beetje kon praten zoals ‘Patrick’ en ‘Johan’ dan mocht je ongetwijfeld meekwelen en er bestond zelfs een kans dat je naar Athene zou worden gestuurd. Naar Athene! In de schaduw van de Acropolis! Waar grote keizers als Augustus en Claudius vertoefden, om niet te spreken van de goden zelf. Je moest uit de Kempen komen, niets te vertellen hebben, er volstrekt belachelijk uitzien, een klein beetje kunnen zingen, maar dan wel zonder enige geestdrift en zonder enige originaliteit. Als je niet uit de Kempen kwam mocht je van het allochtone type zijn. Kom, moet iemand gezegd hebben, laat die jongens ook even meedoen, dan valt ons niets te verwijten, dat zijn we goed multicultureel bezig. Dat vrijwaart ons van bomaanslagen en zo. Nu waren die allochtonen niet slechter maar zeker ook niet beter dan de autochtonen. In ieder geval was hun dialect even goed en ze maakten dezelfde idiote gestes. Onhandige Vlamingen waren het, allemaal. Zelfs het Spaanse meisje Belle Perez zag er echt Vlaams uit. Haar lied was kitsch voor de bejaarden in Benidorm en Kusadasi. Ze kon trouwens goed strijken. Dat was ook wel nodig, met die oranje lakens om haar armen, daar was heel wat strijkwerk aan. Belle Perez! Wat een leuke naam! En dan had je een zekere La Sakrah of zo iets. Een wat oudere vrouw met een enigszins seniele glimlach op haar gezicht gebeiteld. Die was er niet af te krijgen, wat de idioten van de jury of wie dan ook over haar mochten beweren. Haar lied was ‘zeer geraffineerd’, een mix van cocktail jazz en roaring twenties. En tegen het einde werd haar jurk van haar lijf gerukt, gelukkig maar een gedeelte. Perfecte kitsch van het ‘betere type’ bestaat dan toch. Over een zekere Kate Ryan, een ‘Ierse’ met de uitstraling van een boerin, met een zwaar Kempens accent, moet ik het ook nog hebben. Een mannelijke Juul Kabas. Haar naam is reclame voor Ryanair. Vandaag stond in de krant dat de vliegtuigen van Ryanair zeer slecht worden onderhouden. Met Kate is dat geloof ik ook het geval, zeker met haar stembanden. En ze kan haar benen niet in bedwang houden. Bovendien heeft ze problemen met haar kapsels. Haar ogen stralen de leegte van de steppe uit. Ik hoor nu dat haar lied het gehaald heeft. Dat had ik wel gedacht, want temidden van dat moeras van slechte smaak was het werkelijk het allerslechtste. Het braakopwekkende dieptepunt par excellence.

De enige dame voor wie ik enig respect kon opbrengen was Els De Schepper. Ik ken die vrouw niet, maar ik had de indruk dat ze probeerde zoveel mogelijk zichzelf te zijn. Helaas, ze was een teef – pardon my English- in een kegelspel. Ze had echter beloofd dat ze bloot zou komen en dat heeft ze niet gedaan. Dat vond ik een beetje jammer, anders had ik toch nog iets aan mijn avond gehad. Nu zal ik toch opnieuw zo’n paal moeten installeren. Misschien kan ik aan de Els De Schepper eens vragen of ze wilt komen dansen. Zingen hoeft niet, alleen maar dansen. Ze mag me ook een spannend verhaal komen vertellen, met haar vurige ogen.

Foto: performance van Gunther Brus.

Ik hoop dat het mij geoorloofd was in deze context enige ongerijmdheden in te lassen, het detecteren waarvan het favoriete tijdverdrijf is van Hollywoodwatchers.