12-11-10

OMDAT JE MIJN STEM ZO GRAAG HOORT

 

Nu ik me teruggetrokken heb uit de wereld en de tijd

Moet ik dit gedicht maar schrijven, dit gedicht

Dat als een slang, een schorpioen in je kamer komt

Binnengeslopen door een kier onder de deur

Of als je op een dag je raam open laat staan

Omdat je het plezier van jonge dansers zo graag hoort.

 

Dit gedicht dat over de liefde wenst te gaan en muziek

In het hart heeft – de muziek die ziek maakt en gezond

En zingt over lust en neuken en donkere lichte ogen

Zonder een oordeel of een intonatie, zonder mededogen

Maar als iets wat als zand is dat verschuift, altijd maar,

En vogels en voeten op dat zand en sporen en gekreun.

 

Nu ik me teruggetrokken heb uit de wind en de regen

En schuil voor de toorn van een ontzette stem, alsof

Ze op de storm wil lijken, op doodsgereutel en ondergang.

Nu ik maar een schaduw ben en jouw stem hoor vol zon

En het ontpoppen van vlinders en je tong van champagne

Wil ik je bij me roepen omdat ik je nodig heb, zo laat nog.

Om het vroeg te maken in de ochtend en je te laten zeggen,

“Je bent zo mooi, nog lang niet dood, huil niet mijn liefste.

Je haren zijn wild als die van een zwijn of een wilde ezel.

Drink nog een glas, een laatste, en nog een voor mij mijn held.

Drink er nog een. Dan voer ik je in mijn zegewagen naar je huis

Waar je zo afziet, tot ik je vleugels geef en je naar me toe vliegt

 

In de wereld en de tijd waarin wij elkaar omhelzen en elkaars

Namen noemen, die niet zwaar zijn en niets betekenen, tenzij Wij.

Vleugels voor een gedicht over mij, dat van mij een ster maakt,

Een muze, een godin, iemand die met je wandelt in de bergen,

Die je hand streelt en je ogen en je penis likt. Die je kust.

Omdat je mijn stem zo graag hoort. En omdat je tijd zo kort is.”
 

28-10-10

BESMET (HOE NEUK JE ZONDER EEN E?)

droom,koorts,letters,alice,namen,neuken,kussen,genot,spelen,plezier,luik,l,e,u,a,klinkers,medeklinkers,taal,nederlands,allerlei


“Deze jongeling droeg eenen blauwen kiel; maar zijn gelaat was echter fijn gesneden en toonde iets onderscheiden. Zijne oogen waren bruin en glinsterend; ja, aan zijnen hals kon men die koffiekleurige tint erkennen, die te Antwerpen aangezien wordt als het nagelaten spoor der vermenging van Spaansch en Vlaamsch.”

Hendrik Conscience, Een O te veel.


Ik twijfel er niet aan: in Lagos heeft de Nijlmuskiet me beetgehad, ik heb zijn kleine, maar giftige hap duidelijk gevoeld. Bijna onmiddellijk daarna verscheen een rode vlek op mijn linkerarm en kon ik nog maar moeilijk ademhalen. Even later leek het of ik van de wereld weg was.

Ik voelde me als een uitgeput luipaard, sprak met een Limburgs accent en om mij heen ontwaarde ik eeuwig zingende bossen. Pretty Baby, uit de film van Louis Malle, danste tot haar voeten bloedden, en jij stond toe te kijken alsof er niets aan de hand was. Ik voel me niet zo lekker, zei je. Ik wil naar Luik, nog een keer de Maas zien, en daarna eten als en paard en dan neuken; daarna kan ik er weer tegen, denk ik.

Je zei dat je een afkeer had van de letter E, maar niet van de U;  de L zette je niet op het spel (wellicht vanwege de naam van je geliefde, Lion). Gelukkig komt er geen E in ‘Luik’, zei je, dat zou lullig zijn. Waarom, vroeg ik? Vind jij het niet dwaas rond te dolen in een stad met een naam waar een hatelijke letter in voorkomt, vroeg je? Nee, zei ik, ik zou daar niet zo meteen bij stilstaan. ‘Nee’, daar komen twee E’s in, zei je, nu ga je wel ver! Zo ver dat je me niet meer wilt kussen, vroeg ik. Dat nu ook weer niet, zei je. Ik zou je wel 714 keer willen kussen, en lang. Maar zwijg me over die E en begin nu vooral niet over Eels, Eno en Ellipsen.

Maar die L zit mij dan weer dwars, zei ik. Hoezo, vroeg je? Ik vind dat ze er zo lullig uitziet, en houd jij van het woord ‘leuk’? ‘Leuk’ is heel vaag, zei je, maar het doet me wel aan neuken denken, en dat is dan weer een prettig tijdverdrijf. En ik zei toch al dat ik van U houd. En ‘vaag’ roept ‘vagina’ bij je op, vroeg ik? Je zei niets, maar knikte bevestigend. Je bent een wezen dat er wezen mag, zei ik. Het enige verschil tussen ons is dat ik wel van de E houd, en van de A natuurlijk. Gelukkig ben ik net als jij helemaal aan U verslingerd. Kuuroord, vuur, lust, kus,  kut … Mijn excuus voor dat laatste woord, ik weet niet wat mij de laatste dagen bezielt. Je moet je niet schamen, zei je, in ‘Luik’ komt ook een U voor. En in ‘neuken’ dus.

(Erg logisch waren onze bedenkingen niet. Om maar een voorbeeld te geven: hoe neuk je zonder een E?)

Nu iets helemaal anders, zei ik, ken je dat verhaal van Hendrik Conscience, ‘Een O te veel’? Nee, zei je, vergeef me die twee E’s, nee, ik ken het niet. Waar gaat het over? Ik herinner mij alleen de titel, zei ik. ‘De Loteling’ herinner ik me wel nog, en ‘Lolita’, maar dat boek is niet van Conscience, ook al komen er veel klinkers in de titel voor. Zoals in ‘L’histoire d’O’, zei je. Nu ga jij te ver, zei ik. Laten we liever maar wat langdurig kussen.

Helaas ontwaakte ik op dat ogenblik uit mijn koortsachtige slaap. Opeens verlangde ik heel sterk naar huis. Ik had genoeg van Lagos, lagunes, overvloedig licht, zachte lucht en sardines. Ik wilde in de kille regen lopen en een droevig liedje zingen. En wat leugens vertellen aan niemand in het bijzonder.

...

Afbeelding: Lolita, Stanley Kubrick, 1962

07-01-10

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

  

herman

Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het 'oude' Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!

17-01-07

TAAL, SEKS EN APOCALYPS


haneke


Ik houd niet van ‘seks’, ‘neuken’, ‘lul’, ‘kut’ en dergelijke woorden. Ik vind ze lelijk en gebruik ze in mijn teksten zo weinig mogelijk, hoewel ik graag erotische taferelen beschrijf (maar het veel te weinig doe, waarschijnlijk als gevolg van de afkeer van dat seksuele vocabularium). Toch, ondanks mijn weerzin, ben ik soms in zekere zin genoodzaakt om sommige van deze woorden te hanteren in een tekst. Bijvoorbeeld een paar dagen geleden in de korte poëtische schets, met als titel ‘Verstrooiing’. Ik had het woord daar nodig om de banaliteit van die handeling uit te drukken, en meer nog om de sereniteit van het geschrevene stuk te slaan, als kostbaar porselein met een zware hamer. Het was bijvoorbeeld niet mogelijk om de uitdrukking ‘de liefde bedrijven’ te gebruiken. Dat zou belachelijk zijn geweest.

Waarom geef ik nu deze uitleg? Waarschijnlijk omdat ik er gisteravond heb zitten aan denken toen ik zat te kijken naar die vreselijke film van Michael Haneke, Le temps du loup, waarin een man een vrouw brutaal en met een grote onverschilligheid ‘neemt’, ’s nachts in de hal van een station vol ‘verstrooide’ mensen die er slapen of wakker liggen van de honger, de dorst of een andere kwelling.

Ik bedoel met ‘vreselijke film’ niet dat hij slecht gemaakt is, integendeel. Met het woord ‘vreselijk’ verwijs ik naar de inhoud. De film beschrijft een apocalyptische wereld waar geen morele wet meer bestaat en men doet waar men zin in heeft. De sterkste of degene met de krachtigste wapens geeft de bevelen, de zwakkeren gehoorzamen, zoals paarden, schapen en geiten. De vorm van de film is even vreselijk, doordat hij geen identificatie met een van de personages toestaat, tenzij helemaal op het einde. Tijdens het bekijken van die apocalyptische film (apocalyps=ontsluiering) bedacht ik heel even dat het goed was dat ik het woord ‘neuken’ gebruikt heb in mijn ‘poëtisch’ commentaar bij enkele regels uit Genesis.

14-01-07

VERSTROOIING (Genesis 11 : 1-10)


Aan de aarde ontsprong één taal toen ik nog hele dagen in onbekende bomen adem vond. Rondom mij kwamen ze samen en legden de zoveelste steen. De toren van hun eenheid die tot in de stomme mond van de hemel moest reiken. En ik in de bladeren schreide. Maar zij bouwden boven mij uit en boven de bomen en in schaduw hoorde mij niemand. Zij brachten glas naar het hoogste, verborgen zich voor spiegels, geeuwden en neukten elkaar waar ze maar konden. Waarna zij zich over de aarde verspreidden en zochten en brandden en groeven. Ik bleef in de stad die er stond om toch nog wat op te hemelen wie over de brug kwam naar mij.

11-04-06

HET ACTIEVE LEVEN

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Shari Eubank

Wat deed ik de voorbije vier of vijf dagen om de tijd te verdrijven en, vooral, om mijn plaats hier op aarde te rechtvaardigen? Want wie denken we wel dat we zijn, dat we hier zo maar mogen verblijven, zonder meer? Ik dacht veel aan de dood, niet mijn dood maar die van anderen, die toevallig of niet de geest gaven. Ik heb er af en toe en hier en daar iets over geschreven: Ivor Cutler, Gene Pitney en Gerard Reve. Ivor Cutler en Gerard Reve waren oude, zieke mannen. Het uitblazen van de laatste adem moet voor hen een verlossing zijn geweest. Gene Pitney was nog te jong. Hij is tijdens een zoveelste toernee in zijn slaap gestorven. 

Donderdag en vrijdag heb ik thuis gewerkt, dossiers behandeld. Dat gaat thuis veel beter dan op kantoor, omdat ik me dan beter kan concentreren. Op kantoor zitten we sinds oktober met z’n allen samen in een grote ruimte. Dat is nog steeds wennen. Thuis werk ik sneller, maar ik neem soms een pauze om eens door het raam te kijken naar de bomen, of de planten water te geven. Ik drink veel water, weinig koffie. ’s Avonds ga ik boodschappen doen en naar de apotheek, voor mijn vrouw, die ziek is. Dit staat in de tegenwoordige tijd, maar behoort tot het verleden. Ze is niet langer ziek wil ik zeggen.

Donderdagavond heb ik, zoals ik hier al liet verstaan, veel naar Gene Pitney geluisterd. Ik was bijna vergeten hoe goed hij was, wat voor een verbluffende zanger, met zoveel inventiviteit in zijn songs, in de arrangementen, maar ook in de keuzes die hij maakte. Ik heb daarna niet naar Hello Mary Loy geluisterd. Ik heb naar Bullit zitten kijken, van Peter Yates, met Steve McQueen, Robert Vaughn en Jacqueline Bisset. De eerste zestig minuten van Bullit overrompelden me door het camerawerk, de posities van de camera, de belichting en de soundtrack. Maar niet door het vrij vervelende verhaal. Ik ben in slaap gevallen en daarna, weer wat uitgerust, heb ik nog wat liggen lezen in het boek van Geert Mak.

Vrijdag was ongeveer hetzelfde scenario, niet als Bullit, maar als de rest van mijn dagen. ’s Avonds ben ik nog laat helemaal alleen naar de heropening van de oude KVS gegaan. Toen ik er aan kwam, buiten adem van het rennen, was ongeveer alles gedaan, de toespraken, het gratis drinken… De mooiste acteurs en actrices waren al vertrokken. Alleen mijn jonge vriend B. stond er nog aan de toog met zijn vriendin, klaar om ook te vertrekken. Ze gaven me nog even respijt om een paar vrolijke verhalen te vertellen over dronkenschap en wreedheid. Dan was ik weer alleen. Wat te doen vroeg ik mij af, zoals de Russische nihilist Tchernichevski. Ik heb het gebouw bezocht, de volledig nieuwe, imposante binnenkant, de bol, een grote zaal, maar toch intiem.

Later heb ik aan een tafeltje in de bar boven naar een enthousiaste jonge man zitten luisteren. Hij kende me van zien en wilde me duidelijk maken wat de jeugd zoal nodig heeft en hoe zij verschilt van de oudere generatie. Voor de generatie van zijn ouders is het hoogste geluk het verwerven van bezit, zegt hij. Ik ben ouder dan zijn vader en bezit niets. Jij bent anders, zegt hij. Niet representatief voor jouw generatie. Jij bent meer zoals wij, een wat oudere versie, ha ha. We praten lang over die verschillen, over de 'revolutie' en het 'behoudsgezinde', zijn vriendin wordt er moe van, haar ogen vallen toe, ze raakt zelfs haar wijn niet meer aan.

Na het afscheid ben ik op dreef en ga ik op zoek naar ander gezelschap. Ik maak geheel toevallig kennis met een zielsverwant, alsof de bliksem mij treft; maar dan wel een ongevaarlijke bliksem. P., zo heet hij, en ik praten over the Byrds, the Flying Burrito Brothers, Gram Parsons, Sneaky Pete en zijn steelgitaar, Elliott Murphy’s eerste langspeelplaten, Aquashow, Diamonds By The Yard en Just A Story From America. Sneaky Pete als begeleider van Commander Cody toen die op de Grote Markt in Brussel optrad in 1976 in het voorprogramma van Elliott Murphy.
P. legt me uit hoe je op een luie manier toch behoorlijk gitaar kunt spelen. Je moet dan de duim gebruiken, dan hoef je geen barrées te nemen. Mijn nieuwe zielsverwant is zelf een gitarist en vooral een begenadigd steelgitarist. Ik heb hem al live aan het werk gezien. Nu bejubelt hij het gitaarspel van AP Carter, James Burton, Cliff Gallup, David Gilmour. We houden allebei van de elpee ‘More’. Gene Pitney, komt ter sprake, waarna er een stilte valt. Muddy Waters, Champion Jack Dupree. Waar is M. toch? Voorzichtig geworden? Wat had ik hem graag gezien, nu op deze feestelijke avond. Hij heeft me deze plek leren kennen. Met hem ben ik hier naar stukken van Hugo Claus komen kijken, in het begin van de jaren zeventig. Ik heb in die periode bij de KVS gesolliciteerd als machinist. Maar ik was waarschijnlijk niet sterk genoeg, ik woog maar vijfenvijftig kilo. Niet dat ze mij daar gewogen hebben.
Steel gitaar, het mooiste instrument voor mij, zegt P.. Het motel waar Gram Parsons is gestorven. Bij Humo werkt iemand die daar, in dat Bed heeft geslapen, zegt hij. Neen, zeg ik, dat heb ik nooit gedaan. Dat zou ik niet willen. Dat is mij wat te morbide. Isn’t that my girl, and isn’t that my best friend? Gene Pitney. We bevelen elkaar boeken aan, geen literatuur, boeken over muzikanten. Ray Charles. Mijn eerste single was ‘I Can’t Stop Loving You’. ‘Modern Sounds In Country & Western’, daar zat steel gitaar op, naar de achtergrond gemixt. Erg goede steel gitaar, zegt P.. Bill Monroe, Flatt & Scruggs. Rednecks. We hebben niet alleen over muziek gepraat, we hebben ook veel gelachen. Dat is nog het beste, dat lachen. We probeerden elkaar niet te overtroeven met onze kennis, we wilden elkaar ons enthousiasme meedelen. Heerlijk.

popcultuur,drinken,dagen,dagelijks leven,tijdverdrijf,dood,gene pitney,dossiers,kantoor,pop,muziek,film,bullit,peter yates,kvs,opening,conversaties,patrick riguelle,zielsverwanten,country,gitaar,gitaar spelen,steelgitaar,gitaristen,gram parsons,joshua tree,ray charles,lachen,russ meyer,shari eubank,supervixens,hoochiekoochie,muddy waters,neuken,zuipen

Gene Vincent & his Blue Caps


Zaterdag was ik tot niet veel in staat. Ik heb wel veel uitzinnig plezier beleefd aan een kitschfilm die ik van Arte had opgenomen, ‘Supervixens’, van Russ Meyer, met de fantastiche Shari Eubank (in de rollen van Super Angel en Super Vixen). De film is niet helemaal vermakelijk, er komt ook heel wat geweld in, vooral ten aanzien van vrouwen. Maar dat geweld wordt ‘afgekeurd’, en de vrouwen in de film zijn sterk, veel sterker dan de mannen. En loontje komt om zijn boontje. Russ Meyer is zeer geliefd in het rockmilieu. Heel wat rockgroepen hebben hun naam bij hem gevonden, of de titel van een song of een album. De meeste van die rockgroepen hebben weinig te vertellen. Waarom vinden ze niet zelf iets uit? Nou ja, iedereen heeft altijd wel ergens iets van iemand anders. Zo heb ik 'hoochiekoochie' van Muddy Waters, zij het anders gespeld. Die bluesconnotatie voor een 'literaire' weblog sprak me wel aan. Die verwijzing naar neuken en zuipen, om het maar eens te zeggen zoals het is. Twee bezigheden die mij volkomen vreemd zijn.

De voorbije dagen deed ik ook andere dingen, waar ik geen woorden voor heb gevonden, of indien wel bewaar ik ze voor later.

21-10-05

IVO VAN HOVE TEMT DE FEEKSEN!


feeks


Verveling, zuchten. Waar vindt een mens energie? Zoals de actrices en acteurs van Toneelgroep Amsterdam. Gisteren zag ik een verbluffende opvoering van De getemde feeks (of Het temmen van de feeks) door dit illustere gezelschap. Ivo van Hove is een visionair, pervers en uitdagend regisseur. Shakespeare’s komedie was niet echt komisch, hoewel ik vaak heb gelachen, vooral bij situaties waar het ‘normale’ abnormaal werd genoemd, en het abnormale - bijvoorbeeld het hooliganisme - tot norm verheven. Het fijne stijlmiddel van de omkering! Ik heb ook hard gelachen met de zakenman Baptista Minola (Hugo Koolschijn, een schitterend acteur) toen die zelf in de lach schoot. Hans Kesting als Petruchio is weergaloos. Halina Reijn als Katarina, de feeks die moet worden getemd en Karina Smulders, als haar ‘brave’ zus Bianca lijken met plezier hun perverse en tegendraadse rollen te vertolken. Ze schrikken voor niets terug, niet om in een koelkast te kruipen, niet om zich voor een zaal bejaarde Rotary-leden te 'laten' neuken, niet om op een tafel te gaan staan en daar te pissen, niet om – ergste feit van de hele voorstelling volgens De Standaard – een werkelijk ontroerend pleidooi te houden voor de onderdanigheid van de vrouw. Waarom vinden sommigen dit zo erg? Dat is gewoon The Taming Of the Shrew: de vrouw wordt haar plaats gewezen, uiteindelijk is ze getemd en geeft ze toe dat ondergeschiktheid en gehoorzaamheid aan de man de natuurlijke toestand is. Dat staat zo in het stuk. Betekent dat ook dat Halina Reijn en Ivo van Hove dat vinden? Dat weet ik niet en dat maakt me niets uit. Ik weet wel dat Halina Reijn op een tafel heeft staan pissen. Dat lijkt me niet echt onderdanig. Dat is gewoon polymorf pervers. Het stuk was na twee uur al gedaan en kreeg helaas geen staande ovatie. De bejaarde leden van de Rotary club hebben nog tot een stuk in de nacht schuimwijn en bier staan drinken. Ze hadden nette pakken aan, geen hooligan-kostuums. Wij hebben zelf schuimwijn en bier staan drinken en hebben de bejaarde leden van de Rotary club goed in de gaten gehouden. We voelden ons zeer jong. Tot deze morgen de wekker begon te rinkelen.

29-06-05

COITUS ZONDER MOEITE


devendra

Ook vanavond is het hier in deze zolderkamer weer te heet om te wedijveren met alle boeken die om mij heen staan te wachten op een antwoord, te heet om één zinnige gedachte te denken, te heet om één goed bedachte zin te formuleren. Bovendien ben ik moe en koester ik een lichte kater. Je kunt niet van het ene feest naar het andere gaan én het beroep van dichter uitoefenen; dat is voor iedereen een spijtige zaak. Rimbaud heeft dat maar tot zijn zeventiende volgehouden en dan was het gedaan met de pret. Wapens in plaats van woorden! Een slaaf in plaats van een kunstbroeder! Needles and pins! The tears I gotta hide! Hey I thought I was smart! Aan uitroeptekens heb ik een grondige hekel, maar als je vermoeid en overspannen bent kun je ze maar moeilijk vermijden.

Nog in verband met die wedijver... Waar maak je je druk over? Er is nergens haast mee gemoeid. Zelden goed. Er bestaat al zoveel moois, zoveel dat onmogelijk te overtreffen valt, zoals dit: "Bij zwangere vrouwen is alles, bijvoorbeeld de manier waarop ze lopen, van invloed op de bevalling: als ze te zout voedsel eten brengen ze een kind zonder nagels ter wereld; als ze hun adem niet kunnen inhouden, zal de bevalling moeilijker verlopen; zelfs een geeuw kan dodelijk zijn tijdens de bevalling; zoals een nies tijdens de coïtus een miskraam kan veroorzaken. Zij die beseffen hoe kwetsbaar de oorsprong is van het meest trotse der levende wezens worden bevangen door medelijden en schaamte: vaak is de geur van een pas gedoofde lamp al genoeg om een miskraam te krijgen. En dan te zeggen dat uit zo'n teer begin een tiran of een beul kan groeien! Jij die volop vertrouwt op je fysieke kracht, die de gaven van het lot omarmt terwijl je jezelf niet de stiefzoon maar de zoon ervan beschouwt, jij die de ziel hebt van een heerser, jij die God denkt te zijn zodra je borst opzwelt van één succes, bedenk dat zoiets gerings je eind had kunnen betekenen." (Plinius, Natuurgeschiedenis, VII, 42-44).

De voorbije dagen heb ik niet helemaal stilgezeten: ik ben vooral bezig met foto's inscannen en zo mijn autobiografie, die samenvalt met mijn leven en elke dag verandert, met beelden te verluchten en, hopelijk, verduidelijken. Veel van wat ik hier in dit openbaar dagboek neerschrijf wordt door die foto's aangevuld. Vanitas, natuurlijk, maar waarom ook niet? Overigens zullen sommige lezers zichzelf - misschien tot hun verrassing of ergernis - terugvinden op deze pagina's. Dat ik hen zo tentoonstel is niet om hen van hun ziel te beroven, maar om mijn dankbaarheid voor hun bestaan en voor hun schoonheid zichtbaar te maken. Over sommige zaken kun je nu eenmaal niet spreken.

O ja, gisteren zag en hoorde ik in de AB Magnolia Electric Co en Devendra Banhart. Bart en ik hebben veel gelachen. We vonden dat het publiek zo ernstig was. Is Devendra Banhart dan geen stand up comedian? Met zijn blote torso? We hadden natuurlijk veel bier gedronken, wat nefast is voor een keurig oordeel en een getrouwe beschrijving van het geobserveerde. Dat laat ik dan ook aan de nuchtere recensenten over, degenen die op basis van door allen aanvaarde categorieën en argumenten onbevooroordeeld tot een slotsom komen. Maar één ding is zeker: als Duyster het in haar programma draait moet het goed zijn. I guess things happen that way. En nu ga ik aan tafel.

09-03-05

GUN CLUB EN WOVEN HAND


gunclubmiami


Op de achtergrond David Eugene Edwards en Woven Hand.
Troost voor de eenzame vent verloren gelopen op de Vlaamse kermis. Ik spits mijn oren voor de stem van een man die kennelijk definitief aan het gewauwel is ontsnapt. Iemand die de tragedie van het bestaan en de onverbiddelijkheid van het lot heeft aanvaard, maar zich toch niet neerlegt in de sneeuw. Een geestesgenoot van de betreurde Jeffrey Lee Peirce (Gun Club), wellicht de beste rockband in de jaren '80 van de vorige eeuw. Een aanrader is Miami, onlangs heruitgebracht. Luister toch eens naar Mother Of Earth: het is een klacht, een gebed, maar de zanger weet dat het allemaal geen zin heeft, want natuurlijk is er geen god, zoals Hölderlin, en na hem Nietzsche, al zei. Jeffrey Lee Peirce, bijna negen jaar geleden gestorven (31 maart 1996). De Vlaamse kermis vervult mij met afgrijzen. Wat willen al die leeuwtjes toch bereiken. Eigenlijk zijn het haantjes maar dat beseffen ze niet eens. Je wordt er zo moedeloos van. Brussel, Halle, Vilvoorde, jongens toch, lees eens een boek of ga naar de cinema. La chair de l'orchidée, als ik jullie een film mag aanraden. Van Patrice Chéreau. (Aan die man zou het Blok nooit subsidies geven, ze zouden hem nog eerder beroven!) Of eens lekker neuken, daar is ook niets mis mee. Maar stop met het geleuter over splitsen en barsten. Stop al jullie energie liever in België, maak daar een mooi land van. Ruim al de rotzooi op. Vriendelijke mensen hebben we nodig, bezieling, verlangen, amour fou. En af en toe the blues, het maakt niet uit in welke taal, het mag zelfs die van themroc zijn. Het land behoort aan iedereen. Woody Guthrie had gelijk.