18-03-17

TRISTESSE ANDERLECHTOISE

DSC_0224.JPG

“…aangezien elektrische stroom kostbaar is en een in zijn eigen autonomie ingesponnen mens het best zonder dat licht kan stellen, heb ik lange nachten.”
Hermann Broch, Huguenau of de zakelijkheid

Als ik vanuit mijn werkkamer naar buiten kijk zie links van me de bomen van het Astridpark en een stukje van het stadion van Anderlecht. Aan dat stadion heb ik me jarenlang geërgerd omdat het zoveel ruimte van het park in beslag neemt. Maar die ergernis is langzaam weggeëbd. Eerst is er berusting voor in de plaats gekomen, daarna heb ik mij stilzwijgend met de mastodont verzoend. Voor mij mag het hele Astridpark nu voetbalstadion worden. Dan kan ik er ooit misschien nog eens een keer naar U2 gaan kijken, of naar Lady Gaga.
Het stadion is zowat het enige wat in deze buurt nog enige aantrekkingskracht uitoefent. Ik heb nooit van voetbal gehouden – maar ik ben er ook niet tegen. Dat zou absurd zijn. Soms gebeurt het zelfs dat ik opga in een match. Dan voel ik mij een echte Belg, een Rode Duivel, of afhankelijk van waar ik mij bevind nog iets anders, vorig jaar in Parijs bijvoorbeeld was ik nog een Portugees. Als het stadion er niet zou zijn zou deze buurt helemaal doodbloeden.  Nu zijn er nog wat supporterscafés en als er een match is staan er kraampjes met frieten en Anderlecht-parafernalia. Voor de rest is er niets en zeker niets dat me uitnodigt tot een wandeling. Ik zou op zijn minst een uur per dag moeten wandelen, niet alleen voor het heil van mijn lichaam maar zeker ook voor dat van mijn geest. (Het is zelfs dom onderscheid te maken tussen die twee). Waar echter kan ik naartoe? Het Pajottenland is pittoresk, maar om daar te geraken moet ik langs drukke steenwegen lopen en dan nog eens de ziekmakende Ring oversteken. Al die razende monsters daar beneden, meestal met maar één inzittende. Een ding is zeker: mocht ik er ooit een eind aan maken zou het niet daar zijn. Het is er veel te afzichtelijk. Stel je voor dat er leven is na de dood en dat je je alleen maar je allerlaatste indrukken zou herinneren, tot in de eeuwigheid. Geen sprake van. Als ik ooit zelfmoord zou plegen zou het op een van de Bovenwindse Eilanden zijn. Ik vermoed namelijk dat het daar mooi is. Maar vrees niet: ik wil vooral leven. Gisteren hoorde ik nog een mooi liedje, ‘Live Til You Die’ van Emitt Rhodes. Die titel is mijn levensmotto. Ik kan dan wel somber en melancholisch zijn – en dat duurt nu al een zestal maanden - , ik kan ook tevreden zijn met kleine dingen. Ik moet deze kamer niet eens verlaten. Nu zie ik bijvoorbeeld de oranje en bruine dakpannen van het huis aan de overkant van de straat en de grijze duif op datzelfde dak, die daar rustig zit. Te wachten wilde ik schrijven. Maar ik denk niet dat ze wacht, ze zit alleen maar. Kijk, nu is ze weg. Waarom zou ik hier dan niet gewoon maar wat zitten, zonder meer. Ach ja, omdat mijn huisarts me aanraadt om een uur per dag te wandelen. En hij heeft natuurlijk gelijk. Soms zie ik op Instagram foto’s van mensen die wandelingen maken. ‘My daily walk’ staat er dan onder. Je ziet beelden van het mooiste dat de aarde te bieden heeft: bloemen, bomen, schilderachtige paadjes, zachtaardige dieren, een rivier… Wat ben ik dan jaloers. Als ik wil gaan wandelen in een betoverende omgeving moet ik eerst een kwartier naar de metro door fijn stof lopen. Dan op de metro stappen, hopend dat niemand zich opblaast, en vervolgens is het nog bijna een uur tot Hermann-Debroux, waar mijn gezonde wandeling eindelijk kan beginnen. Het is goed mogelijk dat de zon schijnt als ik hier buitenkom en dat het regent als ik in metrostation Hermann-Debroux boven de grond kom. Of dat ik onderweg ergens moet uitstappen omdat die hele Hermann-Debroux in rook is opgegaan. Ik vraag me altijd af naar wie dat station is genoemd. Waarschijnlijk naar een schepen of een voorzitter van iets. Een zakkenvuller, zoals de mensen zeggen. Waarom niet naar Hermann Hesse, of liever nog naar de geniale schrijver Hermann Broch? Wie nooit iets van hem gelezen heeft raad ik ten stelligste de slaapwandelaarstrilogie aan (bestaande uit ‘Pasenow of de romantiek’, ‘Esch of de anarchie’ en ‘Huguenau of de zakelijkheid).

Mijn oplossing is: af en toe een reis maken. Op de plaats van bestemming wandel ik dan ongeveer vijf uur per dag. Zo haal ik mijn schade in en zie ik ook de schoonheid van de grotere wereld. Dan hoef ik mij niet tevreden te stellen met een dakpan of met een boek van een van de vele Hermannen. Zeker is het nooit mijn ambitie geweest duivenmelker te worden. Mijn vader was duivenmelker. Kort voor zijn dood heeft hij al zijn duiven een voor een de strot omgewrongen.

DSC_0242.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Anderlecht, 2008

14-09-14

ERWIN: DE NAAM

1973-holsbeek24.JPG

In 1969 kwam ik als filmstudent in Brussel terecht. Na enkele eenzame weken trok mijn nieuwe vriend Erwin bij me in. Die jongeman wilde dringend van huis weg; hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een overtuigd nazi, zo vertelde Erwin me, een man die ’s ochtends met genoegen zijn SS-laarzen aantrok en zijn kinderen bevelen toesnauwde. Ik heb de vader een keer ontmoet. Erwins woorden waren niet overdreven geweest. De man droomde nog steeds van de Endlösung; alle ellende in de wereld was de schuld van de joden.

In mijn gezelschap leek Erwin gelukkig. Vaak zaten we op mijn kamer in de Karmelietenstraat muziek te beluisteren van Led Zeppelin, Soft Machine, the Velvet Underground en vooral ‘Let It Bleed’ van the Rolling Stones. Een andere liefhebberij was film. Op het Ritcs (de toenmalige film- en toneelschool, waar we beiden ingeschreven waren) konden we elke dinsdagmiddag twee speelfilms zien. Soms gingen we ook naar de bioscoop, en zagen we films als ‘Easy Rider’, ‘Hell In The Pacific’ en ‘Yellow Submarine’. Meestal rookten we eerst een joint. Op weg naar huis herhaalden we hele stukken dialoog. It’s all in the mind, man! was onze geliefde uitspraak.

Erwin was pas hélemaal gelukkig als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met het mysterieuze meisje dat mijn eerste vrouw zou worden. Voor Erwin was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet prettig hem erbij te hebben als we vrijden.

Erwin heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Nog later is Erwin in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest.

Vijf jaar later belde hij onverwachts aan. Ik woonde toen in een appartementje in de buurt van de Leuvensesteenweg. Erwin zag er geestelijk verward uit en was van oordeel dat ik verantwoordelijk was voor zijn ‘schizofrenie’ (een ziekte waar ik niet in geloofde). Hij was eveneens van mening dat de mensheid in twee soorten kon ingedeeld worden, de ene soort had blauwe ogen en blonde haren, de andere bruine ogen en donkere haren. Het zal wel geen verbazing wekken dat de eerste soort uit louter goedheid was opgetrokken, de tweede was destructief, satanisch. Nog een geluk dat ik blauwe ogen en lichtbruine haren heb. Toch was Erwin niet echt boos op me. We gingen samen naar het Vossenplein, waar Erwin in een platenwinkel ‘Metal Machine Music’ beluisterde. Geweldig, zei hij, zijn ogen fonkelden. Ik luisterde ook even en vond er niets aan. Misschien is het een geniale plaat, ik heb ze nooit willen horen.

In 1977 heeft Erwin me nog geholpen bij mijn verhuizing naar Antwerpen. In die stad heb ik mijn banden met Brussel grotendeels verbroken, een stommiteit die ik nog altijd betreur. Van Erwin heb ik nooit meer iets gehoord. Het was een korte, intense, en tot mislukken gedoemde vriendschap. Zeer waarschijnlijk heb ik aan de dagen met Erwin wel mijn fascinatie voor het werk van Geerten Meijsing overgehouden. 
1970-vossenplein14b.jpg

...

Foto's uit mijn archief: Erwin, in Holsbeek, circa 1973; Vossenplein, Brussel, circa 1971. 

01-11-13

MIJN NAAM IS NIET MIJN NAAM

2013MATTI_JAC 001.jpg

 Tekening: Jan Van den Eynden 

Tijd voor echte genealogie, heel wat moeilijker en delicater om over te schrijven dan over ‘geestelijke verwantschappen’. Mijn naam is mijn naam niet. Ik heb het daar al eerder over gehad, niet in de zin van Rimbaud dat ik een ander(e) ben, of van Fernando Pessoa met zijn vele heteroniemen. Wat ik bedoel is dat ik - vaak - niet de naam van de ‘vader’ draag.  Voor een deel is mijn reële afstamming matrilineair: mijn vaders naam was niet de naam van zijn vader maar van zijn moeder. Mijn vader heette Mathieu Brouns, met zoals in Russische romans veel variaties op zijn voornaam. Brouns was de familienaam van zijn ongehuwde moeder. Ondanks veel navragen en opzoeken heb ik nooit kunnen achterhalen wie zijn vader - en mijn grootvader - was. Misschien een boer, misschien een soldaat, misschien een baron. Dat laatste is zeker een mogelijkheid omdat mijn grootmoeder – die al overleden was toen ik geboren ben – als dienstbode op een kasteel heeft gewerkt. Maar het kan net zo goed een stalknecht zijn geweest. Dat een man nooit weet of hij wel de echte vader van zijn kinderen is, was al een belangrijk thema in de toneelstukken van August Strindberg. Sindsdien is er inzake vaderschap wel een en ander veranderd.  


Aanvankelijk heette ik net zoals mijn vader Mathieu Brouns. Sinds de jaren des onderscheids heb ik het bijna altijd moeilijk gehad met zowel de voornaam als de familienaam. Waarom toch had ik dezelfde naam? Toen ik ontdekte dat mijn vader een ‘natuurlijk’ kind was, werd het voor mij nog ingewikkelder. Toch is er ook een korte periode geweest dat ik trots was op die afstamming, en wel in de periode dat ik een voorstander was van het matriarchaat, een feminist zo je wilt.

2013vader 001 (3).jpg
Kaart van krijgsgevangene van mijn vader, Mathieu Brouns.

De familienaam kon ik niet zomaar verwerpen; voor alles wat officieel is gebruik ik hem nog altijd. Mijn voornaam pasten mijn ouders zelf aan: al gauw gingen ze mij Mathi noemen in plaats van Mathieu, om toch een onderscheid te maken. Waarom hadden ze me dan niet meteen bij mijn geboorte een andere voornaam gegeven? Marcel, Arthur of Gustave, of iets dergelijks?
Ik was als kind wel al tevreden met die ‘nieuwe’ voornaam, maar omstreeks mijn vijftiende veranderde dat. Eerst ging ik me Matty noemen, omdat dat Engelser klonk – Engels, de taal waar ik verliefd op geworden was door de popmuziek, vooral door de teksten van Neil Sedaka en Bob Dylan. Later veranderde ik hem om mij nu onbekende redenen in Matti. Ik vermoed dat ik de y achteraan meer bij een hond vond passen – of hield het verband met mijn toenemende afkeer van wiskunde met de eeuwige x en y?  Maar Matti… Wat een originele voornaam, vond ik! De familienaam liet ik zoveel als mogelijk achterwege. Toen ik ongeveer twintig was ontmoette ik een Fin die ook Matti heette. In Finland heten alle mannen Matti, zei hij. Ik was een beetje teleurgesteld, maar treurde niet want in dezelfde periode ontdekte ik het stuk van Brecht, ‘Herr Puntilla und sein Knecht Matti’. Fijn dat ik een ‘held’ was, maar ik was nog liever een heer geweest dan een knecht. Later, op reis in Finland, stelde ik vast dat maar de helft van de mannelijke bevolking Matti heette. Er waren ook nogal wat Aki’s e Henri’s en dergelijke. Matti had me maar de halve waarheid verteld.

In 1995 na heel veel twijfel aan mezelf en zelfhaat (vervlochten met de afkeer van die vreselijke naam) koos ik resoluut voor een pseudoniem: Martin Pulaski. Het probleem was echter dat al mijn vrienden, kennissen en collega’s me als Matti Brouns kenden. Hoe kon ik hen ertoe brengen me voortaan als Martin Pulaski te begroeten? Onbegonnen werk.
Zo komt het dat ik sindsdien twee namen heb, een officiële en een ondergrondse – de eerste zoals ik al schreef toebehorend aan de bureaucratie, de tweede aan mijn verbeelding en aan alles wat artistiek is in mijn bestaan. Sinds internet en vooral de sociale netwerken, mijn blog, flickr, myspace, facebook en zo meer, is Martin Pulaski een openbaar bestaan gaan leiden, terwijl Brouns alleen nog maar voorkomt op allerlei documenten (belastingbrief, rekeninguittreksels, et cetera). Matti zonder meer ben ik voor mijn vrienden en dat zal nu wel nog een tijd zo blijven.

Ongetwijfeld is dit bijzonder interessant materiaal voor psychoanalytici en wellicht nog veel meer voor mensen die overal op zoek gaan naar onthullingen. Aangezien heel mijn leven in mist gehuld is en het - zoals vandaag in deze streken - altijd stormt om mij heen en overal waar ik kom de bliksem inslaat, aangezien ik overal waar ik vertrek verschroeide aarde achterlaat, aangezien ik toch ook meestal onzichtbaar ben, en aangezien zeker wat en wie ik ben voor velen een raadsel is, betekenen deze woorden weinig, en is er nog steeds even weinig onthuld. Of heb jij, lezer, geen geheimen dan?

long live the king 2.jpg

27-03-13

SUZY

suzie2.jpg

Met Suzy op de Garelli, in Neerharen. Mijn broer François maakte de foto.


Suzy was mijn tweede hond. Mijn eerste hond had mijn vader toen ik ongeveer elf was doodgeschoten. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniel, was altijd een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een vijftal minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open, een vieze smurrie maakte vlekken op het tapijt. Aangezien ik op internaat zat heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar. Mijn vader was bang voor artsen. Als ik ziek was, wat nogal vaak het geval was, moest er soms een dokter komen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Zelf bezocht hij nooit een arts. Als hij hevige tandpijn had, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij zelf een tand uit. Zo ging het ook met Jimpy. Geen dierenarts, maar het karabijn.


Veel later, ik weet niet meer goed hou oud ik was, kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals destijds Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste honden werd ons gezegd. De beste en de trouwste. Na enkele weken reeds waren ze braaf en gewillig. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel heftiger. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Meermaals viel ik in slaap op de grond, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. En wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik er mee wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld. Maar dat is nu lang geleden. De laatste keer was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer, maar hij woonde bij mijn ouders. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd.

Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broers verbeelding is ondoorgrondelijk. Als hij al verbeelding heeft, met al dat drinken. Maar van Suzy weet ik het nog goed. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op, ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we de hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, zei mijn moeder. Nee, dat kan niet, zei ik. Er is maar een Jimpy, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Susie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd bijzonder mooi. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Ik kon haar ongeveer alles vertellen. Maar we maakten ook veel ruzie. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen. Maar dat deed ik toch. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een goede naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

04-10-11

RENAISSANCE (EEN SPROOKJE)

naam,geboorte,wedergeboorte,renaissance,elementen,noemen,onbezonnen,klinkers,medeklinkers



Je schreef je naam neer, vergat hem meteen,

in een donker boek in het donkerste zwart -

je enige, onverbloemde, onbezonnen naam. 

 

Niemand had je ontdekt, een roos naar je genoemd.

In geen categorie, geen verzameling, geen naam-

woordenboek vond je onderdak.

 

Geboren? Niet in deze streken. Geen mens

bezat ogen om je onbegonnen letters te zien,

geen oren op hun frequentie afgestemd.

 

Alsof je anders aan de schandpaal zou staan,

zo stil zweeg je over je naam. Klinkers

noch medeklinkers verlieten je keel.

 

Niemand hoorde zijn klank, niet in de woestijn,

niet als echo in een vallei, niet boven de vijvers

van het verdrinken, niet in de kamers in de stad.

 

In het water waarin het roestige staal zingt

voor de snoek en karper en het riet, het

water waarboven een zwaluw de lente maakt.

 

Daar kwam ik roeien tussen de lelies

van mijn verdriet. Mijn roeispaan peilde diep,

mijn arm in het blauw haalde je boven.

 

Hoor, een alledaags wonder, herboren.

je naam die nog moet wennen aan de wind

en de zon en de vreemde seizoenen.

01-12-08

BLOGS: EEN GEVAARLIJK FENOMEEN II

lezen,blogs,lichaam,drinken,verlangen,baltasar gracian,naam,emoties,eten,mens,vrienden,orpheus,eerlijk,vijanden,staatsgevaarlijk,marginaal,senaat,geschonden,zuiver,hof,herkenning,kgb,cia,voorzichtigheid,onzuiver,goede naam,dreigende taal,lady godiva,hoveling

John Collier - Lady Godiva.


In verband met de reacties bij mijn vorig stuk over de dreigende taal van minster De Crem. Dreigende taal ten aanzien van bloggers. Ik werd gewaarschuwd voor lezers in de Belgische Senaat. En grote broer zou meelezen als ik schrijf. Kennelijk doet Hij dat bij anderen ook. Het lijkt wel of een soort KGB of CIA ons op de hielen zit, wordt beweerd. Zijn we dan staatsgevaarlijk? Ik zou ook voorzichtig moeten zijn voor mijn buren, degenen die mij niet welgezind zijn. Zij zouden op hun eigen blogs mijn ‘goede naam’ wel eens kunnen bezoedelen.

Wat maakt het uit? Hoe meer lezers hoe liever. Ik ben geen slecht mens en doe niemand kwaad. Wel ben ik af en toe terecht verontwaardigd en stel ik als het nodig is pertinente vragen. Maar veel meer dan een kritische geest ben ik een kind, een dromer, een dichter, een muziekliefhebber. Veel meer dan een kritische geest ben ik een door de tijd en de omstandigheden geschonden mens. Ik schrijf over mijn leven, wat ik zie, hoor, voel – wat ik waarneem. Mijn woorden drukken mijn emoties uit en die zijn eerlijk. Natuurlijk ben ik niet zuiver op de graat. Zuiverheid heeft geen geur, tenzij die van bloed en bodem. Ik ben eerloos. Mijn vaderland is er een van de geest, van broerderschap en zusterschap. Wij herkennen elkaar aan onze liefdes, onze verliefdheden, onze obsessies. Wat wij zeker niet willen is de wereld vernietigen. Ik heb het al eerder gezegd: ik kijk toe vanop de zijlijn. Ik ben een marginale burger. Ik  vermoed dat de halve senaat bevolkt is met marginale burgers. Want wie kent zijn tijd volledig? Wie is met alles mee? Wie schrikt soms niet van monsters ’s nachts. Welke man wil geen Lady Godiva achterna hollen, welke vrouw geen Orpheus horen zingen?

Zoals wellicht iedereen ben ik een lichaam dat eet en drinkt en denkt. Een lichaam dat toenadering zoekt en afkerig is. Lezers zullen zich in mij herkennen, bedienden van de Senaat, masters en bachelors, immigranten, kantoormeisjes, kunstenaars, dichters, praline-eters en aardappelhoofden. Welkom in mijn wereld!

 

Toch nog dit: ik ben ooit in de leer geweest bij Baltasar Gracian. Van hem heb ik heel veel geleerd over voorzichtigheid, vooral aan het hof. Je zou kunnen beweren dat het hof zich vandaag over het hele land uitstrekt. Velen zijn hovelingen. Ik ben overal voorzichtig. Voorzichtigheid is niet verboden.

28-03-06

VLEES

vlees,lichamelijkheid,seks,genot,zintuigen,ziekte,psychoanalyse,requiem,schaterlach,naam,woord,foto,martin pulaski

Waarom willen wij ons lichaam liefst vergeten? Eraan verzaken in extase, roes, hallucinatie, droom of transcendentie? Zijn wij dan zulke goede katholieken? Ik dacht van niet? Er was wel die opvoeding, die diepe en langdurige onderdompeling in wijwater. De liturgie en de schoonheid van de rituelen. Maar toen ik dertien was zei ik 'goodbye to all that'.


Waarom kunnen wij dan niet ten volle genieten van alles wat het lichaam ons geeft? Werkelijk zintuiglijk genieten, zonder de afstand die het denken schept? Waarom, ook, hebben wij het zo vaak in negatieve bewoordingen over ons lichaam. Het lichaam dat zich aan ons opdringt, met zijn symptomen, kwalen, honger, dorst, begeertes. Hoezo aan 'ons'? Zijn wij dan niet ons lichaam? Wie of wat is 'ons'? Wie zijn wij, waar zijn wij? Waar denken wij? Wie denkt ons? Allemaal vragen. Zoals wij er zo vaak stellen. Soms schijnen wij ‘wij’ te zijn, soms ‘jij’, soms zijn wij zelfs ‘ik’. Altijd zijn wij vreemden voor onszelf en nooit weten wij wat wij doen. Altijd is onze toon wat plechtig, door het hemelse en helse aangetast. Hier wordt weinig gelachen. Een requiem staat ons nader dan een schaterlach. Waarom? Omdat het lachen zo lijfelijk is en een doodslied het lijf te boven gaat, vooral in de echo's die van overal worden weerkaatst? Het lachen zo vlezig? Zijn wij dan toch alleen maar dit lichaam dat zich onverzettelijk tegen zichzelf keert? Het schijnt ontevreden te zijn met zijn eigen wetten en voorwaarden, het betwist al zijn gegevens, normen en zekerheden. Het sluit zoveel mogelijkheden om gelukkig te zijn uit. Waarom?


In het levende organisme zit een dood lichaam verscholen. Het is een verschrikkelijke macht die zich langzaam – en in sommige gevallen snel - van het leven meester maakt.

Misschien is daarom alleen de naam en alles wat met die naam samenzweert van betekenis in de wereld. Het woord is vlees geworden, zo staat geschreven. Het laatste woord (hierover) is nog niet gesproken.