11-12-15

DE WEG NAAR BRUCE SPRINGSTEEN

BRUCESPRINGSTEENbest.jpg

Welke (muzikale) weg had ik afgelegd om in 1981 bij een concert van Bruce Springsteen & the E-Street Band aanwezig te zijn? In het milieu waarin ik in die tijd leefde was Springsteen niet geliefd. Het was de periode van new wave en post-punk. In de clubs en cafés waar we kwamen hoorde je Rip Rig & Panic, Simple Minds, the Fall, PiL, the Au-Pairs – veel politiek geëngageerde en minimalistische pop, in bijna alles het tegenovergestelde van de rock & roller uit Asbury Park in New Jersey. Sommige vrienden vonden mijn bewondering voor de man die ‘the Boss’ werd genoemd vreemd, misschien wel een beetje lachwekkend. Uitzonderingen die ik me nu nog kan herinneren waren Guillaume Bijl en Jos Dorissen.

Tot 1975 had ik Bruce Springsteen nooit beluisterd. Natuurlijk had ik wel al over hem gelezen maar ik had hem niet interessant gevonden. Misschien was het zijn macho imago of zijn gedoe met auto’s en highways dat me gestoord had? Of zijn muts en baard?

Ik luisterde nooit naar de radio, bezat geen televisie en las bijna nooit een krant. Toch was ik dank zij Rolling Stone, een tijdschrift dat ik verslond, en Time Magazine, op de hoogte van wat er in de wereld, maar toch voornamelijk in de Verenigde Staten, gebeurde. Naast de boeken die ik las, Westerse filosofie en literatuur, en de films die ik zag, vormden die tijdschriften mijn wereldbeeld. Voor muziek was er daarnaast nog NME en soms Oor, een Nederlands popmagazine dat ik niet echt waardeerde. Ik had een vrij ruime muzikale smaak, die het product was van intuïtie, toeval en vooroordelen. Wat Bruce Springsteen betreft was ik ongetwijfeld bevooroordeeld.

Op een dronken avond in 1975 in de buurt van het Brusselse Madouplein liet Paul D. me ‘Born To Run’ horen. Een wereld ging open. Een revelatie. Die stem, die spectoriaanse sound, die romantische teksten, dat glorieuze escapisme. Paul gaf me de elpee mee, ik liet mijn ‘Basement Tapes’ bij hem achter, evenals een bijzonder mooie editie – op groot formaat, zoals het hoort - van ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ van Mallarmé. Die avond werd ik een bewonderaar van the Boss. Paul zou ik nooit meer terugzien. Hij stapte niet lang na die heuglijke avond uit het leven. Op een dag was hij met mij naar zijn geboortedorp gereden en had me de balk getoond waar zijn vader zich aan opgehangen had. Dezelfde balk zou Paul wat later ook gebruiken. Of misschien ook niet, misschien speelt mijn geheugen me parten. Zeker is dat mijn exemplaar van ‘Born To Run’ dat van Paul is. En dat op ‘The Basement Tapes’ een vloek rust. Vooral op de song ‘Too Much Of Nothing’.
BasementTapes.jpg

De rest van de weg die ik aflegde is niet zo bijzonder. Ik las alles wat er te lezen viel over Springsteen en toen ‘Darkness on the Edge of Town’ uitkwam vond ik dat meteen een meesterwerk. Duizenden keren heb ik er naar geluisterd, heel vaak luid meezingend. Dat deed ik in 1978 maar met twee platen, ‘Darkness on the Edge of Town’ en ‘Some Girls’ van the Rolling Stones. Als er geen platen van Springsteen uitkwamen troostte ik me met die van Southside Johnny & the Asbury Jukes, een fantastische band, die ik op 10 oktober 1979 live in de AB zag, nog voor Bruce Springsteen & the E-Street Band. Van ‘Hearts Of Stone’ kende ik alle teksten uit het hoofd (nu niet meer). Natuurlijk had ik inmiddels de eerste elpees van Bruce Springsteen aangeschaft, ‘Greetings from Asbury Park, N.J’. en ‘The Wild, the Innocent & the E Street Shuffle’, allebei uit 1973. Vooral die tweede vond ik bijzonder mooi en romantisch. Ik herinner me een avond met Jos D. in de Dolfijnstraat, toen we met gesloten ogen als naar een gezongen gebed zaten te luisteren naar ‘4th of July, Asbury Park (Sandy)’ en hoe moeilijk het na dat sacrale moment was om nog een andere plaat op de platenspeler te leggen. Ik vermoed dat het ‘Pet Sounds’ zal geweest zijn.

Sandy the angels have lost their desire for us
I spoke to 'em just last night and they said they won't
set themselves on fire for us anymore
southside johnny.jpg

‘The River’ moest dan nog uitkomen. Ik weet niet meer of ik die fenomenale dubbel-elpee beter vond dan ‘Darkness’. Vermoedelijk niet, want op mijn lijstje van 1980 stond ‘London Calling’ van the Clash op nummer 1. Toch raakte ik meteen verslingerd aan de meeste nummers op ‘The River’ en vond ik de combinatie van uitbundigheid en melancholie erg geslaagd. Het enige probleem was dat er te veel op stond. Het was overdaad. Maar zo is Bruce Springsteen. Zo was hij in die periode live met the E-Street Band.
Je zou je kunnen afvragen waarom ik niet vaker naar optredens van Bruce Springsteen ben gegaan. Mijn antwoord daarop is: ik heb maar één keer in mijn leven een LSD-trip genomen. Na een hoogtepunt moet je ermee ophouden. The Rolling Stones heb ik twee keer gezien, Townes Van Zandt ook. De eerste keer was telkens de beste.


Na ‘Nebraska’, het hoogtepunt in het oeuvre van Bruce Springsteen en een mijlpaal in de twintigste-eeuwse popmuziek tout court, is mijn interesse voor zijn platen gaan tanen. Ik vond ze niet meer zo avontuurlijk. Het vonkje dat er tot ‘Nebraska’ was geweest leek uitgedoofd. Misschien lag het aan mij, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet is dat Bruce Springsteen & the E-Street Band in Vorst op 26 april 1981 in mijn top-5 van beste concerten staat genoteerd. Jammer dat Jos er niet meer is om herinneringen op te rakelen.

jos-matti1.jpg

...

Foto's: Bruce Springsteen (boven): Frank Stefanko; Basement Tapes: Reid Miles; Southside Johnny en Steve Van Zandt:(onbekend); Jos & Martin: Agnes A.

 

07-11-15

ZERO DE CONDUITE: CALIFORNIË

0chinatown-polanski.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in het universum. Stem af op 106.7 FM. 
Je kunt Zéro via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Reizen lijkt me een van de fijnste manieren om tijd te verdrijven. Maar reizen is niet voor iedereen weggelegd en het is zeker niet altijd mogelijk. Veel mensen zitten vastgekluisterd aan hun woning, velen hebben niet eens een woning. Velen moeten vluchten voor oorlog en geweld. Dat is het tegenovergestelde van reizen.
Een groot geluk dan dat er het soelaas van films, boeken en muziek is. Zeker muziek heeft de deugdelijke eigenschap ons mee te kunnen nemen naar andere oorden, verre regio’s, opwindende steden; zij laat ons met ons innerlijk oog pittoreske landschappen zien, gevaarlijke donkere straten in achterbuurten (en toch zo veilig), bemoste oevers van rivieren en kanalen; in haar melodieën horen we de oceaan en ontdekken we Venus en Aldebaran. Reizen, dus. Maar in deze aflevering van Zéro de conduite gaan we het niet zo ver zoeken. Hoewel Californië toch ook niet om de hoek is. Voor mij is het altijd het beloofde land geweest. Van de allermooiste muziek komt er vandaan. En Hollywood met al zijn dromen en illusies: Californië.
Mijn Californië is er een van de geest. In werkelijkheid ben ik er maar één keer geweest. Dat mag volstaan. Want is wat zich in de geest voordoet, geholpen door  inspirerende kunst, zoals de popmuziek die we vanavond laten horen, niet veel rijker dan een echt landschap onder de echte zon? Des Esseintes in Huysmans’ ‘A Rebours’ zou hier ongetwijfeld ‘ja’ op antwoorden.
0judyandjoni.jpg

Hoewel het thema Californië is komen er nogal wat songs aan bod die daar niet rechtstreeks over gaan. In dat geval zijn het liedjes die er zijn opgenomen of die werden uitgevoerd door Californische muzikanten. Eigenlijk is het onbegonnen werk, dat thema. Alleen al over surfmuziek kun je een tiental programma’s maken. En hoeveel over de duizenden schrijvers, singer-songwriters, bands en producers die daar actief waren en zijn? Komen bijvoorbeeld niet aan bod: Jackson Browne, Phil Spector, Harry Nilsson, Warren Zevon, Quicksilver Messenger Service, Jefferson Airplane, Jan & Dean en Annette Funicello (bekend van meesterlijke films als Beach Party (1963), Muscle Beach Party (1964), Bikini Beach (1964) en How to Stuff a Wild Bikini (1965). Maar de playlist is desondanks goed gevuld. De titels op het einde zijn bonustracks, om je de kans te geven nog een tijdje met het thema door te gaan.

Veel luisterplezier!

0mamas_and_papas.jpg

California Blues (Blue Yodel #4) - Merle Haggard - Down Every Road 1962-1994 - Jimmie Rodgers

California - Rick Nelson - Rick Sings Nelson – Rick Nelson

Wheels - The Flying Burrito Brothers - The Gilded Palace Of Sin – Parsons, Hillman

Back To California - Carole King - Music - Carole King

Luv N' Haight - Sly & The Family Stone – There’s A Riot Going On - Sly Stone (Sylvester Stewart)

Gimme Shelter - Merry Clayton – Merry Clayton – Jagger, Richards

California Soul - Marlena Shaw - Chess Chartbusters Vol. 3 - Nickolas Ashford, Valerie Simpson

California Dreamin' - Bobby Womack - The Minit Records Story - Michelle Gilliam, John Phillips

Laurel Canyon Home - John Mayall - Blues From Laurel Canyon - John Mayall

Los Angeles - Gene Clark - Flying High - Gene Clark

Bad Night At The Whiskey - The Byrds - Dr. Byrds & Mr. Hyde - Joey Richards, Roger McGuinn

California Saga/Big Sur - The Beach Boys - Holland / Mt. Vernon And Fairway (A Fairy Tale In Several Parts) - Mike Love

The Warmth Of The Sun - Gary Usher - Add Some Music To Your Day (A Symphonic Tribute To Brian Wilson – Brian Wilson

How Many Days Have Passed - Clear Light - Clear Light – Bob Seal

Hollywood - Michael Nesmith - Magnetic South  - Michael Nesmith

Bless You California - The Beau Brummels – Bradley’s Barn - Randy Newman

First Train To California - The Cryan' Shames - Synthesis               - James Fairs

San Francisco (Be Sure To Wear Some Flowers In Your Hair) - Scott McKenzie - Lou Adler: A Musical History    

Twelve Thirty (Young Girls Are Coming To The Canyon) - The Mamas & The Papas - All The Leaves Are Brown: The Golden Era Collection - John Phillips

Transparent Day - West Coast Pop Art Experimental Band - Part One – Markley, Harris              

Maybe The People Would Be The Times Or Between Clark And Hilldale - Love - Forever Changes – Arthur Lee              

Riot On Sunset Strip - The Standells - Where The Action Is!: Los Angeles Nuggets 1965-1968 [Disc 1] - Various Artists -  John Fleck, Tony Valentino

Are You Gonna Be There (At The Love In) - Chocolate Watchband - Melts In Your Brain...Not On Your Wrist! - Don Bennett, Ethan McElroy

California Earthquake - Mama Cass Elliot - Dream A Little Dream Of Me: The Music Of Mama Cass Elliot – John Hartford

California - Joni Mitchell - Blue - Joni Mitchell

Pretty Girl Why - Buffalo Springfield - Buffalo Springfield Box Set - Stephen Stills

The Old Laughing Lady - Neil Young - Neil Young - Neil Young

Helplessly Hoping - Crosby, Stills & Nash - Crosby, Stills & Nash – Crosby, Nash, Stills

Laurel Canyon - Jackie DeShannon - Laurel Canyon - Jackie DeShannon

Venice U.S.A. - Van Morrison - Wavelength - Van Morrison

San Diego Serenade - Tom Waits - The Heart Of Saturday Night – Tom Waits

Goodnight, Hollywood Blvd. - Ryan Adams - Gold - Richard Causon

zéro de conduite,radio centraal,antwerpen,californië,california,rock,pop,blues,soul,country,popcultuur,hollywood,singer-songwriters,mythologie,reizen,landschappen,tijdverdrijf,martin pulaski,sofie sap

In California - Neko Case - Canadian Amp - Lisa Marr

California Bloodlines - Dave Alvin - West of the West - John Stewart

California On My Mind (LP Version) - Tony Joe White - Homemade Ice-Cream - Tony Joe White

Hollywood - Guy Clark - Somedays The Song Writes You – Guy Clark

Los Angeles - Phosphorescent - Here's To Taking It Easy – Matthew Houck

California - Mazzy Star - Seasons of Your Day -  David Roback, Hope Sandoval

California Stars - Billy Bragg & Wilco - Mermaid Avenue – Woody Guthrie, Jay Bennett, Jeff Tweedy

(Postcard From California) - Richmond Fontaine - Post To Wire – Willy Vlautin

I Remember California - R.E.M. - Green -   Berry, Stipe, Mills, Buck

0jackiedeshannon.jpg

Techniek: Sofie Sap
Research & presentatie: Martin Pulaski

11-10-15

HOE IK REMCO CAMPERT WERD

remco-verjaardag 001 (2).jpg

Lang geleden was ik gedurende enkele maanden Remco Campert. Wat mooi dat hij met de Prijs der Nederlandse Letteren werd vereerd en hoe blij het me maakt dat de schrijver van wie ik in mijn jongensjaren het meeste hield nog in leven is, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten. Zo zag ik in De Standaard een foto van Remco Campert drie jaar geleden wandelend in Amsterdam: zo wil ik er over twintig jaar ook uitzien.

Op school moesten we Ernest Claes, Felix Timmermans en vooral Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo lezen. Geen buitenlandse auteurs, geen Nobelprijswinnaars, geen vrouwen, en vooral niets hedendaags. Ruyslinck en Vandeloo waren weliswaar uitzonderingen op die laatste regel, hoewel hun stijl toch al enigszins voorbijgestreefd was. Las ik hen graag? Ik kan het mij niet herinneren. Van Claes en Timmermans had ik enkele romans gelezen (onder meer ‘De witte’ en ‘Pallieter’) toen ik ongeveer dertien was. Ik hield er niet van. Hendrik Conscience en Alexandre Dumas spraken veel meer tot mijn verbeelding. Dat waren tot mijn veertiende mijn twee literaire helden. Misschien had ik ook al verhalen van Edgar Allan Poe gelezen? Met zekerheid kan ik het niet zeggen. Zo jong hield ik geen dagboek bij. De dagen duurden lang, de tijd bestond niet, of was alleen maar toekomstig. Zeker op saaie momenten in de klas – bijna altijd dus – en in het internaat droomde ik voornamelijk van wat ik in de toekomst zou doen. Dat alles wat ik in die jaren deed zo kostbaar en vergankelijk was, vermoedde ik zelfs niet. Geen dagboek, en in de pocket ‘Verhalen van mysterie en fantasie', uitgegeven bij LJ Veen, staat geen datum. Wat maakt het uit: Poe is vanaf mijn vijftiende de schrijver die mijn verbeelding en dromen stimuleert. Andere schrijvers waar ik van hield waren Ian Fleming, Georges Simenon en, wat later, Dylan Thomas. Maar van hedendaagse Nederlandse literatuur kende ik haast niets. Het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waar ik vijf jaar leerling en ‘geïnterneerde’ was, heeft me ook op dat gebied bijna niets bijgebracht.

Lange tijd heb ik graag catalogi gelezen. In 1967 ontstond in Vianen ECI, een boekenclub die, zo herinner ik mij, een aantrekkelijke catalogus had, waarin ik Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch, Louis Paul Boon en wonder boven wonder Remco Campert ontdekte. Van al die schrijvers bestelde ik boeken. Ik geloof dat er om de drie maanden een stapeltje bij mijn ouders aankwam. Een nieuwe, opwindende wereld ging open: (taal)spel, liefde en seks, wreedheid, huwelijk, dood, de echte wereld van echte mensen. Hugo Raes en Jerzy Kosinski vergat ik bijna. Maar vooral toch Remco Campert. Ik geloof dat ‘Een ellendige nietsnut’ het eerste boek was dat ik van hem las. Het was verschenen in 1960, maar in 1967 was het nog door en door modern. Wat vond ik er zo goed aan? Weet ik veel, na al die jaren… De speelsheid, nogmaals, de luchtigheid, maar ook de ernst, en zeker de eenvoud. Wat ironie was zal ik nog wel niet geweten hebben, hoewel we in de lessen Nederlands te horen kregen wat het verschil was tussen ironie, sarcasme en cynisme. Vervolgens las ik de prachtige verhalenbundel ‘De jongen met het mes’, die toen al bijna tien jaar oud was. ‘Liefdes schijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’ volgden. In 1968 verscheen ‘Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland’, een grappige roman in ‘progressieve spelling’ en uitgegeven onder de naam Remko Kampurt. Er was verwantschap met ‘Candy’ van Terry Southern en ook wel een beetje met ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, maar die boeken waren toen nog buiten mijn bereik.
Van de ene dag op de andere werd ik zelf een Remko Kampurt. Niet uiterlijk, want daar had ik Brian Jones en Steve Marriott voor, en ook niet innerlijk, daar speelden mijn dagdromen en verlangensfantasieën zich af. Waar werd ik dan wel Remko? Ook dat weet ik niet met zekerheid. Wel weet ik dat hij zich meester maakte van mijn schrijfstijl en spelling. Voortaan schreef ik in de Tjeempie!-stijl. Of ik dat ook in mijn schoolopstellen deed kan ik niet achterhalen en evenmin hoe lang ik het volhield Ik vermoed tot mijn 21ste, toen ik filosofie ging studeren en wijs werd.

In 1970, in mijn kleine kamer in de Karmelietenstraat te Brussel, las ik 'Tjeempie!' opnieuw en opnieuw. Al mijn oude en nieuwe vrienden verplichtte ik ertoe het eveneens te lezen, zoniet ging ik ze als idioten beschouwen. Ook in 1970 kocht ik de verhalenbundel ‘hoe ik mijn verjaardag vierde’, met Remco - in rode blazer en bloemenstropdas - omringd door halfblote vrouwen, ongetwijfeld een wensdroom (ook van mij). Het werd een jaar lang de gids bij mijn reis door de dagen van films, wierook, hasjies en liefde.
remcocampert-het-leven-is-vurrukkulluk.jpg

Op de een of andere manier was ‘Het leven is vurrukkulluk’ aan mij voorbijgegaan. Dat las ik ook in 1970, maar het was al te laat. Het leven was lang niet meer zo vreugdevol en luchtig als het voor Remco Campert en zijn vrienden en vriendinnen in 1961 zal geweest zijn. Misschien vond ik het boek ook minder magisch omdat het zo’n goedkope herdruk met geel omslag was. (De tekening van Wout Muller was echter wel erg mooi, dat zie ik nu pas.) Bovendien was het niet in progressieve spelling.

Inmiddels had mijn missionariswerk vruchten afgeworpen. De meesten van mijn toenmalige vrienden hadden op z’n minst één werk van Remco gelezen.  Boeken uitlenen deed ik met enige tegenzin. Maar voor de werken van mijn lichtvoetige held maakte ik een uitzondering. Zo raakte ik eerst ‘Tjeempie!’ kwijt. Erwin, aan wie ik het uitleende, belandde in een gevangenis en later in een psychiatrische instelling. In een van die twee lugubere oorden zal Liesje wel op de brandstapel zijn beland. Ik ben niet vergeten hoe Erwin en ik en als we weer een keer stoned waren zaten te schaterlachen als we elkaar een stukje voorlazen uit ‘Het paard van Ome Loeks’. Mijn vriend Jos D. stapte in 1991 uit het leven. Het stapeltje boeken dat hij nog van me had zag ik nooit meer terug. Maar dat geeft niet. Hij gaf me tientallen kostbare boeken, die ik nog altijd koester.

Nu het leven niet langer verrukkelijk was kon ik Remco Campert voorlopig de rug toekeren en me met ernstiger dingen gaan bezig houden: huwelijk, Hegel en bluegrass. De rest is niet om over naar huis te schrijven.
tjeempie1.jpg

 

01-03-14

ZERO DE CONDUITE: ZWERVERS

zéro de conduite, radio centraal, antwerpen, maart 2014, zwervers, hobo's, zigeuners, circusartiesten, vluchtelingen, muziek, pop, blues, soul, country, popcultuur, mythologie


Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de mosselen! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via 
streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Vandaag gaat onze aandacht naar de zwervers. Je kent ze wel, de straatmuzikanten, hobo’s, zigeuners, circusartiesten, vagebonden, outlaws, lifters langs de kant van de weg, op weg naar overal en nergens, op de vlucht voor een mislukte liefde, een schandaal, een klein vergrijp, ontsnapt aan de sleur van het dagelijks leven. De daklozen, de migranten, mensen die geen dak boven hun hoofd hebben en van dag tot dag leven, zonder vooruitzichten, geen toekomst, maar soms ook tevreden met hun bestaan. Vaak worden ze als vreemdelingen beschouwd, mensen die nergens thuis horen. Door de normale burgers worden ze zelden getolereerd. Maar waarom gaat er dan zoveel fascinatie uit van hun nomadisch bestaan, van hun ongebondenheid, van iets wat we misschien wel ‘vrijheid’ mogen noemen? Alleszins heeft die fascinatie nogal wat songschrijvers ertoe aangezet het beste uit zichzelf naar boven te halen. Wellicht omdat ze zelf zwervers zijn, zeker de folkies en bluesmuzikanten, met als grootste voorbeeld Bob Dylan, maar net zo goed Doug Sahm, Hank Williams, Billie Holiday, Woody Guthrie, Merle Haggard, en noem maar op… Dit is een kleine selectie van liedjes over de pijn, de eenzaamheid en de vreugde van een zwervend bestaan.


Veel luisterplezier.

zéro de conduite, radio centraal, antwerpen, maart 2014, zwervers, hobo's, zigeuners, circusartiesten, vluchtelingen, muziek, pop, blues, soul, country, popcultuur, mythologie

Ramblin' On My Mind - Robert Johnson - King of the Delta Blues Singers

Black Gypsy Blues - Furry Lewis – Memphis: From Blues To Rock'n'Roll

Driftin' Blues - Sam Cooke - The Man Who Invented Soul

Tramp - Otis Redding & Carla Thomas - King & Queen

The Gypsy - Sir Douglas Quintet - The Return Of Doug Saldana (1971)

Drifter's Escape - Bob Dylan - John Wesley Harding (Mono)

Only A Hobo - Rod Stewart – Gasoline Alley (Vertigo, 1970)

Hobo Man - Link Wray – Beans And Fatback (Virgin, 1973)

Ramblin Mind - David Eugene Edwards - We Are Only Riders

Wayfaring Stranger - Neko Case - The Tigers Have Spoken (Live)

The Drifter - Green On Red - Gas Food Lodging (1985)

Ramblin’ (Wo)Man - Cat Power - Jukebox

The Outlaw - Sid Selvidge – The Cold Of The Morning (1976)

Hobo’s Lullaby - Emmylou Harris - Songbird

Hobo Bill's Last Ride - Iris Dement - The Songs Of Jimmie Rodgers: A Tribute

Hobo’s Meditation - Jimmie Rodgers - Down The Old Road, 1931-1932

Ramblin' Man - Hank Williams - Hey, Good Lookin'

The Last Of The Drifters - Johnny Cash with Tom T. Hall - Water From The Wells Of Home

Drifter’s Sunrise - Bob Lind - Elusive Butterfly: The Complete Jack Nitzsche Sessions

Lonely Drifter - The O'Jays - Working On Your Case

I'm A Stranger - Harold Holt & His Band ft. Arthur Conley - I'm Living Good

Stranger In Town - Del Shannon - Runaway Hits

I Can't Help But Wonder Where I'm Bound - Dion And The Wanderers - Wonder Where I'm Bound

The Fugitive - Merle Haggard - Down Every Road

Don't Give Your Heart To A Rambler - Jimmy Martin - You Don't Know My Mind

The Wandering Boy - The Stanley Brothers - The Complete Columbia Stanley Brothers (1949-1952)

Ramblin` Round - Woody Guthrie - Columbia River Collection

Deportees - Billy Bragg (with Hank Wangford) - Talking With The Taxman About Poetry

How Can You Keep Moving - Ry Cooder - Into The Purple Valley

Wild Billy's Circus Story - Bruce Springsteen - The Wild, The Innocent & The E Street Shuffle

Ramblin Boy - Tom Paxton - Ramblin' Boy

Rambling’s Gonna Be The Death Of Me - Bert Jansch - Bert Jansch (1965)

“Ask me why a rambler ain't got no home.

Ask me why I sit and cry alone.

I wish I knew,

I wish I knew;

If I knew, I'd know what to do.”

Ramblin' Sailor - Davy Graham - Fire In The Soul

Prodigal Son (“That’s No Way To Get Along”, Robert Wilkins) - The Rolling Stones - Beggars Banquet

Feel Like Going Home - Muddy Waters - Muddy Waters Folk Singer

 

 

zéro de conduite, radio centraal, antwerpen, maart 2014, zwervers, hobo's, zigeuners, circusartiesten, vluchtelingen, muziek, pop, blues, soul, country, popcultuur, mythologie

Research & presentatie: Martin Pulaski

28-01-14

MADAME BOVARY IN DE CAMARGUE

2012_09_ALGARVEpanasonic 080.JPG

Laten we een korte reis maken naar Les Saintes-Maries-de-la-Mer in de Camargue. In dat stadje bevindt zich de Zwarte Madonna, die Sara wordt genoemd. Het is een belangrijke bedevaartplaats voor zigeuners. Bob Dylan ontmoette er een zigeunerkoning, of zo leert ons toch de legende. Inderdaad, Bob Dylan bestaat niet echt: hij is een legendarische figuur, een mythische held. Uit een andere legende leren we dat hij er enkele maanden in een tent leefde samen met zijn vrouw Sara en hun kinderen, waaronder Jesse en Jakob. Voor de song & dance man was het een vruchtbare tijd.

Op het uitgestrekte grondgebied van Les Saintes-Maries-de-la-Mer, woont Emma Bovary met haar oudere echtgenoot in een riante villa. Zover het oog reikt niets dan moerassen en in de verte de Middellandse Zee. Madame Bovary leidt een eenzaam bestaan: vanwege zijn doktersberoep is haar echtgenoot vaak uithuizig. Haar enige gezelschap zijn dan haar zes witte paarden. Vaak, als ze een rit maakt om de flamingo’s te gaan begroeten, of gewoon maar voor het plezier, waant ze zich een edele vrouw uit de Middeleeuwen: Madame Bovary heeft veel historische romans gelezen.

Op een zomerdag komt de jonge reiziger Mathieu F. in het stadje aan. Op het terras van een café ontwaart hij Madame Bovary en wordt meteen smoorverliefd. Zij echter lijkt hem niet eens op te merken. Mathieu F. verneemt dat Emma Bovary niet alleen paardrijdt maar ook veel tijd doorbrengt op het strand. Het is daar, gezeten onder een parasol, dat ze haar romans verslindt. Mathieu F., hoewel een reiziger in hart en ziel, kan niet weg uit de streek: de vrouw, van een uitzonderlijke schoonheid, rode haren, vurige ogen, lange benen en sierlijk in al haar bewegingen, heeft hem betoverd. Hij moet en zal in haar buurt blijven.

Hoewel hij niet van het leven op het strand houdt brengt hij daar nu elke dag ettelijke uren door. Mathieu heeft het gevoel dat hij en Madame Bovary elkaar al eerder hebben gekend, misschien wel in een vorig leven. Later pas ontdekt hij dat ze sterk gelijkt op zijn jeugdliefde, toevallig een Sarah, die hij hartstochtelijk liefhad maar helaas in een kaartspel – tijdens een dronken nacht - verloor aan een andere man. Hij weet echter dat het niet het spel was dat hen heeft gescheiden, maar het noodlot.

Nu hij in Madame Bovary’s nabijheid vertoeft, heeft hij nog maar één wens: haar liefde te winnen en voor altijd zijn leven met haar te delen. Haar te beminnen zoals geen enkele andere sterveling dat kan. Wat kan hij doen opdat die wens, zelfs maar gedeeltelijk, in vervulling zou gaan?

Soms zit hij met zijn nieuwe vrienden kaart te spelen in een van de bars in het van hitte zinderende stadje. Zijn hoofd is echter elders, zelfs als hij nuchter is. Zo verliest hij een groot deel van zijn geld en zal hij al gauw zijn hotelkamer niet meer kunnen betalen.

Emma Bovary is niet zo wereldvreemd dat ze Mathieu nog niet heeft opgemerkt. Op straat wordt er over hem en over zijn smachtende liefde gepraat en velen vinden hem een sentimentele dwaas. De zigeuners hebben al enkele liedjes over zijn onbeantwoorde, tragische liefde geschreven.  Een van die liederen zal Bob Dylan inspireren voor zijn ballade ‘Sara’, terug te vinden op zijn meest liefdevolle, zijn enige van werkelijk mededogen getuigende elpee, ‘Desire’. Wel wat vreemd dat hij de song ‘Sara’ heeft genoemd en niet ‘Emma’, maar ongewoon is het nu ook weer niet.

Als Mathieu’s laatste avond in Les Saintes-Maries-de-la-Mer aanbreekt komt Madame Bovary hem opzoeken. Ze drinken champagne in de lobby van zijn hotel en vertellen elkaar over hun leven van eenzaamheid en verlangen. Emma’s begeerte, om niet te zeggen haar lustgevoelens, wint het al gauw van haar schuchtere gereserveerdheid. Ze valt voor de charmes van Mathieu, die in haar ogen iets heeft van de desperado’s waar ze al zoveel over heeft gelezen. Het verhaal van die nacht wordt bezongen door Gram Parsons en Emmylou Harris in We’ll Sweep Out The Ashes In The Morning’. Het is best mogelijk dat Parsons het verhaal heeft opgevangen toen hij in de villa van Keith Richards in Villefranche-sur-Mer verbleef, waar the Rolling Stones ‘Exile On Main Street’ opnamen.

Als Mathieu ontwaakt smeulen de assen nog na in de open haard, maar Emma Bovary is weg. In een korte brief schrijft ze, niet zonder passie, dat ze haar man niet aan zijn lot kan overlaten, dat hij haar meer nodig heeft dan Mathieu; Mathieu is nog jong, haar man is oud, maar dat ze hem, Mathieu, nooit zal vergeten, dat ze altijd van hem zal blijven houden. Maar nee, ze kan hem niet vergezellen naar het vreemde land dat zijn bestemming is. Ze moet in Les-Saintes-Maries blijven, bij haar man, haar zes witte paarden, de flamingo’s en bij Sara, de Zwarte Madonna.

...

Foto: Martin Pulaski, Santa Luzia, 18 september 2012.

05-08-13

OOIT WAS ER EEN TIJD*

Angela_Winkler_Wald_Vermummt.jpg

Opgedragen aan Def Jam (Rick Rubin & Russell Simmons) en ‘Renaldo & Clara’.

1.

“"I need a radio inside my head", zei Kate Moss (in een blauw niemendalletje)."Vanop een redelijke afstand lijk je op Kate Moss”, zei Zazie, haar beste vriendin. Zo werd me verteld, zonder dat me evenwel bewijsmateriaal werd overhandigd.”

“Veertig jaar geleden nu wandel ik in een Luxemburgs bos of lig ik, dat is ook heel goed mogelijk, neer tussen of onder varens en braam. Opgelet voor de tekens, hoor ik Zazie nog roepen.”

“Je zag me nooit in een rode Cadillac, geeft maar toe, maar hoe je op me geilde in mijn wit linnen pak in Firenze gekocht, zonder een cent op zak. Een voorschot met hasjiesj als rente.”

“Aldaar, in Albergo Firenze, een wat wordt genoemd luizig hotel, geen al te grote en schone kleerkast, een kleine houten notenhouten tafel en een watermanpen om Dante’s grote voeten te tekenen. Nog niet in het bezit van het wit linnen pak.”

“In 1970 werd ik in een Germaanse wei wakker met honderd gram Rode Libanon onder m’n slaapzak.  Ik had er pijn in de rug van gekregen. Jongen wat werd ik ziek van dat spul.”

“Weet je nog: de sleutels van onze cel weggegooid, bang voor de nieuwe gestapo? Onze weg naar huis geschooid. Die vreselijke grens over. Door de Duitse nacht. Huiverend van elk geluid, bv. het ademen van koeien. Je huid nog niet leer gelooid door de bleierne zeit."

"Je denkt toch niet dat ik over mezelf ga rijmen. Of ben je gek of wat? Ofwel is het te veel ofwel te weinig. Een rebel, je moet wel dwaas zijn, een rebel in een beschaving waar iedereen zegt, ik ben ik, aan mij valt niets te schaven."

“Ach zo, Zazie, wat doen ze dan met hun billen en borsten en buiken en kinnen en schaamlippen en…”

“Wat maakt het allemaal uit! Drink beter tequila als een Alfredo Garcia.  Drink absint als Van Gogh en August Strindberg. Drink whisky als Warren Oates. Maar fuck al die andere shit. Vroeger was je misschien wit. Nu ben je zwart als de Borinage in de ogen van de jonge Van Gogh en schrik je in je spiegel van een vleeurmuisneus. Nu schrik je van je naamval. Nu schrik je van een apenfamilie op je rug. A tight unit, dat wel. Drink beter Jägermeister in botervlootjes  met op de onderzijde het stempel van Meissenporcelein, mijn liefste.”

“Terminator”, zegt ze. “Ik word al spoedig een Terminator, gonna clean up this town, Pussycat, al die lavabogestapo’s ga ik de keel oversnijden.”

Saint_Anastasia_of_Sirmium.jpg

2.

“Verschil je van een reptiel,  op dit moment dat twee uur duurt, op dit moment waarop je  zomaar in het wilde weg een vrouw in scharlaken wilt kussen, alleen maar om te kussen. Wie ben je als je staat te wachten in een druk of verlaten station. Te wachten op een trein naar Frankfurt, Bradbury,  Bombay, een trein naar Trst. Wie ben je als je zegt, "ik word nooit oud, ik heb daar het vel niet voor"? Wie ben je eigenlijk, Martin Pulaski?  Wat doe je met je ziel, wat doe je met je leven? Als je vrienden sterven, als je vrienden weggaan voor goed, of op bedevaart naar graven van geplagieerde schrijvers en leeggezogen muzikanten. (Bidden doen ze niet, wees maar gerust.)”

(Het was een dag dat het voor altijd regende. Een dag van de triffids. Van de bodysnatchers.)

“Ooit was er een tijd toen je je zo fijn kleedde. Een kort jurkje, een doorkijkbloes. Begeerde je alleen haar kleine borsten, haar roze lippen? Zij was goed opgevoed. Spuwde niet op de grond maar in je gezicht. Zo verwarrend, jongen, dat je de persoonsvormen vergat. "Ben ik Shaft?", zei je? "Dirty Harry?" "Ben ik Captain America, Julien Sorel"? Of gewoon een bankbediende met je haar geknipt, een scheiding aan de linkerzijde?”

“Je vader was in het verzet, zat in een kamp in Oostenrijk, een boerderij waar veel gelachen werd. Over de donkere grens."

“In Duitsland vond ik mijn vrouwen en dichters, Margareta von Trotta, Rainer Werner, Rilke, Angela Winkler, Drafi Deutscher en al de anderen. Ik wil zo weinig mogelijk namen noemen in een gedicht. In een gedicht over onder andere mijn aangezicht.  Dat ik bijvoorbeeld van Umbrië houd, zeg ik niet eens.”

“Je bent eenvoud. Een punk met drie akkoorden & the truth.  Een mogelijke dief, avonturier, dichter, cracker, iemand die bij Financiën werkt, of subsidies toekent aan mannen met revolvers en zieke kinderen in winderige steden aan zee, bijvoorbeeld in Trst, waar iedereen alles vergeet altijd. Je hebt de champagne en het feest begint. Iedereen heeft respect voor je. Anders slaan je wilde jongens je wel op je smoel. Niet letterlijk natuurlijk (en het zijn ook geen wilde jongens. Ze zijn goed opgevoed. Gingen naar de beste scholen.)”

“Je roept namen om. Je kunt het niet laten, aan omroepen verslaafde. Robert Musil, Van Zandt, Umberto D., Lighntin’ Hopkins, Robert Guidry, Rainer Ptaceck, Grimm, Max Beckmann, Jacques Vaché, Lucia Bosé, Lord Byron. Je bent nauwelijks wantrouwig  jegens wie je omroept. Als ze maar Jägermeister drinken. Een goedgelovige omroeper, een punk ben je. Je kent maar enige beroepen en eigennamen die iets betekenen. Schippers, zwaardvechters, glasblazers, galeiboven (die kunnen ontsnappen), Michel Simons, Barbara Lodens, Brandon DeWildes, Anastasia’s van Sirmium.”

“De mensen zien je dronken en zeggen: “Hij is weer zat.”  Ze zien niet dat je weder opstaat. Nadat je vuistslagen krijgt van engelen op zoek naar geld voor crack. Ze zien niet dat je weer opstaat en terugkeert naar je leeg landschap, niets dan zand met in de verte een mysterieuze wachttoren. Altijd komen uit de poort, komen over de valbrug twee pratende blauwe vrouwen in niets onthullende brokaten gewaden gehuld. Wat had je anders verwacht?”

dirty harry.jpg

 

*Nieuwe versie van: REBEL WITHOUT A PAUSE : ZELFPORTRET ZONDER ZELF (27-02-09)

...

Foto's:
1. Angela Winkler
2. Anastasia van Sirmium
3. Dirty Harry 

27-05-13

VERLOREN

2013-05-SICILIE-panasonic 039.JPG

Foto: Martin Pulaski, Siracusa, 12 mei 2013.

Vorige nacht viel mijn oog op een beker van zilver en goud waaruit eeuwen geleden, toen wij nog in mysteriën geloofden, het bloed van Christus werd gedronken. In het zilver stonden de sierlijke woorden ingegrift van een gedicht dat ik in werkelijkheid niet eens zou durven schrijven: overmoed en hybris zijn me vreemd. Ik denk er zelfs niet aan me te wagen aan een schepping die grootser en dieper is dan wat zich in mijn geest manifesteert. Het waren woorden van een hymne, van een gezang van Orpheus of van zijn broer Linus. Maar ik herkende ze als die van mij. De enkele regels die ik las openden vruchtbare landschappen, velden, boomgaarden, riepen schitterende steden op, straten, pleinen waar feest werd gevierd; oude en nog niet bestaande culturen kwamen in bonte schakeringen tevoorschijn. 


Een grote vreugde maakte zich van me meester, maar niet voor lang. De sacrale beker was zoek geraakt in een hooimijt. Een jongen, misschien mijn zoon, ging er koortsachtig naar op zoek, vergeefs. De vreugde sloeg om in diep verdriet. Het leek of ik mijn geliefde was verloren, de enige voor wie ik leefde.

Later, terwijl ik in Arco Rosso een glas Ben Ryé zat te drinken schoot een fragment van het verloren gedicht me weer te binnen. Dat dacht ik althans. Maar kon het zo’n banale onzin zijn geweest? Neen, onmogelijk, zulke regels konden niet op die zo volmaakte beker hebben gestaan. Tot op dat ogenblik had ik me nog jong gevoeld, voldoende sterk, het vuur van de kunstenaar brandend in mij. Nu veranderde ik in een oude man, nutteloos en zonder verhaal, verlaten door de vreselijke muze, zoals zo vaak in een kunstenaarsleven gebeurt. Ik wist met grote zekerheid dat ze niet terug zou keren en dat geen andere vrouw haar plaats in zou nemen. Mijn tijd was gekomen, mijn woorden uitgeleefd, opgebruikt. Nu was het uur aangebroken om alle landen, steden, vrouwen te vergeten. In jou, in wie dat alles en veel meer aanwezig was geweest.

01-08-12

GESCHAAFDE KNIE (reflecties iv)

mythologie,muze,vrouw,jurk,reflectie,kleuren,noorden,rendieren,metamorfose,liefde,verlangen,fotografie,schilderen,knie,rohmer

Cindy Sherman

Wie niet te gehaast voorbijliep ving een glimp op van de muze in haar zijden jurk. Een o zo verfijnd niemendalletje dat ik graag in mijn hand had genomen, want ik denk dat dat ging. De kleuren sloegen alvast die richting in: die van het kleine vurige vuurwerk van weer een zonsondergang (wie zei ooit dat die groots was), van speeksel dat uit elkaar spat in haar laatste lage stralen, van gedoogde handtastelijkheden.

Die zag tevens hoe ze haar knie waste in een witte porseleinen kom, haar alweer geschaafde knie. Haar knie die tot bidden noopt ook al keren de goden zich van ons af, al slapen ze en dromen ze van andere werelden, andere dieren, al zeggen ze zonder dat wij het horen, een muze bestaat niet, een muze is ook maar een dier, met oogjes en pootjes en een hart dat sneller gaat kloppen als de zon schijnt.

Ik droomde van haar, van de muze. Ze was een rendier in het hoge Noorden. We liepen over witte velden, stoom gul uit onze monden spuwend, zij ver voor me uit, ik achter haar aan met mijn camera. Ze was bang voor me, voor onthulling, ik was bang voor wat zou komen, of wat niet zou komen, ik voelde haar hart kloppen, mijn hart kloppen. In haar keel, haar kleine keel, in mijn keel. Ik staakte de achtervolging, ik hield op met rennen. De sneeuwvlokken spatten uiteen in de laatste zonnestralen. Ik werd het rendier, ik rende weg van haar die mij achtervolgde. Ik rende tot ik aan het einde van de wereld kwam. Daar greep ze me bij de hals en liet me niet meer los. Daar beet ze mij mijn oor af. Nu ben je mijn Van Gogh, zei ze. Schilder mij nu maar, een vlucht kraaien boven een gouden veld.

16-12-11

CYDIA POMONELLA ii

gerhard richter_appelbomen3b.jpg

Gerhard Richter, appelbomen.

 

Sap van appels zijn je oude woorden

als de appels in de boom van je buren

rijp voor de oogst in opgespaarde zomer,

ongeplukt, geur en smaak in de lucht

als huid van onbegrepen vrouwen.

Na zonnige Europese doem in oktober

rotten ze op te weinig bezongen gras,

elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

 

Je denkt als een havik aan David Lynch

zijn trage escapade, een laat weerzien

met broer: wat woorden over vader,

moeder, stoppen met roken, dit en dat.

Omdat ver verwant wat familie volhardt.

 

Je ziet een gedicht: maak ik terzines,

binnenrijm, tel ik afgunstig voeten

als waren het Dante's of van m'n zestien?

 

Wat essentie beweert men zou blijven,

niet van appels, van vrouwen niet. Nee,

van duidelijke woorden. Essentie

van de essentie als het lukken mocht:

op goede voet te staan als gewervelde

met het vruchtbare sap van de wereld.

Dan blijven die kleine druppels nog even

tegen slecht spijsverteren, bloedbaden,

tegen schrik en beven, tegen vergeten.

03-12-10

DE RODE DRAAD: EERSTE VERSIE

 Trois_couleurs__Rouge_1994.jpg

Irène Jacob in Trois couleurs: Rouge.

“Nu besef ik pas hoe ijdel dat was; want had ik in hun situatie zelf soms niet kunnen moorden of stelen?” Jean-Louis Trintignant (Le juge), in 'Trois couleurs: rouge' van Krzysztof Kieslowski.


Het bloed van een lam. Een aangereden hond, zijn bloedspoor in de sneeuw. Jouw bloed en het bloed van iedereen die ik ken. Warm in de zomer en de koude winter. Opgewonden bloed.

Terneergeslagen bloed.

 

Rode zetels in een Koninklijk Circus. De rode kamer in een roman van August Strindberg. De rode kamer waar ik met je vrijde in de tijd van wolven. Je rode, op tragedie rijmende schoentjes. Een verfoeid verkleinwoord, omdat het niet anders kan. Rode zonsondergangen, zonsopgangen. De maan, je periode van geluk en verdriet. De maan die ik met je deel en met Venus. Vol van licht boven de warme golven van de Schelde.

 

In jou in mij is geen schuld, geen onschuld.In jou ben ik vuil en ben jij zuiver. In jou ben ik zuiver en ben jij vuil. Alsof de wolf zich daarover zou uitspreken. De wolf huilt om heel andere dingen. Die wij niet kennen of niet uitspreken.

Het onweer is rood en donker.  Als we fietsen, op de vlucht voor de dood. Zoveel rode en blauwe fietsers, zoveel van hen al vroeg dood. Alsof ze bergopwaarts terugfietsen naar het verleden, pijlsnel naar een luguber feest van Edgar Allan Poe. Op rode muziek danst het leger van Trotski. En soldaten sterven, soldaten sterven voor jou. En soldaten sterven, soldaten sterven voor mij. Jonge jongens met blauwe en bruine ogen, bang.

 

Het rood in de woedende ogen van André Breton. In de zachte ogen van André Breton. Le rouge et le noir en alle andere avonturen voor jou en mij verteld tijdens koortsige dagen. Je rode lippen. Les lèvres rouges –  made in Belgium. Op het vampierenbal wordt iedereen verwelkomd en innig gekust. Tot de lippen bloeden van schaamte. Maar niemand schaamt zich om rood.

 

Terwijl vampieren zich vermaken op zo’n bal stuurt Charlie de meisjes naar Polanski’s huis.

Het bloed van Sharon Tate moet op de witte deur. ‘Varkens’ en ‘Helter Skelter’, is het bloedspoor dat ze achterlaten.  En zo eindigt de lange rode zomer van liefde. Met bloedeloze varkens en moordlustige meisjes.

 

Michael Madsen snijdt iemands oor af, met genoegen, en met hetzelfde genoegen beluisteren we zijn vergane stem. Elk woord is een gedicht. Maar het enige gedicht dat ik werkelijk wil horen is jouw gesnuif. Waardoor we vluchten. Vluchten in elkaar.  Ik vlucht in jou, jij in iets onbekends en onnoembaars. (Later de gebroken ribben.) (Later de lotgevallen.)

Hoest je bloed op? Kleine rode druppeltjes? Nee, nog niet, toch niet zichtbaar. Want anders zou het te laat zijn, jongen. Dan zou het te laat zijn voor dromen en plannen. Zelfs op de Toverberg zou je niet veel tijd resten. En er is niet eens een Toverberg. Er is geen Settembrini, geen warme kat. Zelfs niet de gevaarlijke muziek is er. Als het te laat is is het te laat. Zo is het en niet anders. Leg je maar neer bij de moeilijke tijden. Wat je nog rest is de liefde. De liefde die geen naam heeft. Of heeft je liefde dan toch een naam?


(Ontwerp.)

22-06-09

RITUELEN


Queen_Christina

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

11-07-08

DE LATE HYMNEN

 


De late hymnen spoelen niet aan op een verlaten strand

Na een elektronische Apocalyps. Na een doodgewone schipbreuk evenmin.

Als je alleen op een strand staat onder het maanlicht

Snelt geen atoomduikboot of enige ander vaartuig op je toe

Om je broze huid, je leergierige ogen te redden.

De late hymnen? Niets van dat gedoe raakt koude kleren.

Liever verkleumt men in Alaska als ultieme avonturier

Dan het woord ‘Zeit’, het woord ‘Aber’, te lezen

En nog minder om er een berg bij te bedenken en een tweede berg.

De berg, namelijk van het denken, en die van de mythologie.

Thelonious zwijgt, geen spoor van God vandaag.

En morgen, morgen misschien? Morgen nog minder sporen.

Beter nog sta je voor het voetlicht en zing je een schunnig lied

Dan zo de lege stilte te gedogen en nooit een woord in te schakelen

Om de afwezige terecht te wijzen. Want sprak hij niet over zijn terugkeer

In die tijd toen de mensen hun hoofden in hun handen hielden

En het water zoet uit de oceanen het land in stroomde vol donkere

En lichte vissen en de schepen met vlaggen waren versierd

Alsof zij de boodschap van iets hogers verkondigden en niet alleen maar

Dat er vandaag verse vis was en misschien ook wel een vissersvrouw

Of twee en enkele bedgeheimen om op voort te bouwen?

22-02-06

SHAKESPEARE'S HELDEN


shakesp08


Deze monotone dagen zijn het dieptepunt van het jaar. Overdag is er niets dat me boeit en kan ik ook nergens energie uit putten. Vaak als ik me zo moedeloos (futloos of hoe zal ik het noemen - niet: melancholisch) voel, denk ik aan de woorden van Patti Smith:

Sometimes my spirit is empty
Don't have the will to go on
I wish that someone would send me
ENERGY!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

en meestal hoor ik dan ook de melodie van dat lied, hoor ik die ergens in mijn hoofd en dan gaat het beter, want dan voel ik me niet meer alleen in deze grauwe, suffige toestand. Vandaag echter kon ik er niet bovenop geraken, ik bleef moe en futloos.

s' Avonds gaat het beter. Om tien uur ga ik in bed, dan ben ik wat rustiger, dan kan ik tenminste lezen. Gisteren tot 3 uur 's ochtends: ik wilde Hamlet uitlezen, en het is me gelukt. Daarna was het tijd voor King Lear.

Het is alsof ik 's nachts, in Shakespeare's theatrale wereld, pas echt tot leven kom, alsof ik dan, in mijn passiviteit (van het lezen), pas echt actief word. Wat zijn de mensen, ikzelf inbegrepen, banaal in vergelijking met de helden van Shakespeare, wat is het leven zinloos en kleurloos vergeleken bij het leven dat Shakespeare's personages leiden.

King Lear, Cordelia, Gloster, Glosters zoon Edgar (en zijn smeerlap van een broer Edmond): mensen van vlees en bloed, elk van hen een wereld op zichzelf, een afgrond, een noodlot. Wie, van allen die nu in leven zijn, kunnen wij daar tegenover, of daar naast plaatsen ? Bush, Saddam, Koningin Paola, Mijnheer Leterme, Brad Pitt, Angelina Jolie, Bob Dylan, Bono, Sharon, Kate Ryan? Het lijken mij eerder figuren van bordkarton dan helden of zelfs gewoon maar hartstochtelijke mensen.

Misschien ligt de kracht, de onverwoestbaarheid van Shakespeare’s personages in hun wezenlijke onechtheid, in hun 'fictionaliteit'. Maar ook aan fictieve helden is onze tijd arm. Er zijn geen helden, geen personages meer. Onze laatste mythische helden – en dat was ook al mijn mening in 1980 - waren de gunfighters, de desperado's, de outlaws, de killers, de sheriffs en de marshalls uit de western. Niet John Wayne, Henry Fonda, Gary Cooper, Joan Crawford maar de personages die zij vertolkten. Zij hebben nog steeds nut en waarde voor het leven. Kunstenaars als Andy Warhol hebben dat overigens goed gezien.

Maar meteen trek ik al in twijfel wat ik hierboven heb beweerd. Want eigenlijk verafschuw ik helden; en heldenverering nog meer. Maar ik doe niet echt aan heldenverering: ik wilde in de eerste plaats een onderscheid maken tussen echte en onechte personages, helden. "What's real & what is not". Mijn paradoxale vaststelling dat fictie echter, reëler is dan de realiteit verbaast me enigszins. Voor dergelijke conclusies moet ik ongetwijfeld op mijn hoede zijn.

Als je schrijft ben je eenzaam? Je bent altijd eenzaam. De eenzaamheid weegt minder zwaar als je ze niet als tijdverlies ervaart, wel als een mogelijkheid om met jezelf in het reine te komen. Als een manier om jezelf langzaam te openen, als een blikje sardienen. Wat je te bieden hebt zijn die sardienen. Kom ze maar opeten!

Ik heb een mooie nieuwe cd gekocht van Beth Orton: Comfort Of Strangers. Later meer daarover. Nu ga ik proberen te slapen.

04-10-05

THERE'S NO SUCCESS LIKE FAILURE


masked and anonymous

Kennelijk is heel Groot-Brittannië in de ban van Bob Dylan. Telkens als ik BBC2 aanzet is er wel iets van of over Bob Dylan. Loop ik voorbij een Engelse boekwinkel hier in Brussel willen etalages vol boeken over de grote songschrijver mij verleiden om even binnen te komen, waar ik wegens geldgebrek voorlopig aan heb kunnen weerstaan. Documentaires en films bekijken op televisie is goedkoper. Zo zag ik een paar dagen geleden het merkwaardige epos Masked and Anonymous, een film van een mij volmaakt onbekende regisseur die Larry Charles heet. Ik heb nog steeds geen moeite gedaan om via google te weten te komen wie dat nu eigenlijk is. Let the mystery be! De scenarioschrijver heeft een Russische naam, maar ik heb heel sterk de indruk dat die Rus in werkelijkheid Robert Zimmerman heet, een beroemde Amerikaan uit de staat Minnesota, wiens voorouders ooit uit Rusland of Oekraïne naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd en na lange omzwervingen in die koude staat, vlak bij de Canadese grens, een huis, een zaak hebben opgebouwd. Dergelijke reizen zijn overigens voortreffelijk gereconstrueerd in het Museum Of Immigration in New York. Alleen al voor dat museum is het moeite waard om de stad de bezoeken.

Waarom denk ik dat de meester ook de scenarioschrijver is? In de eerste plaats doordat de film heel sterk lijkt op een song van Bob Dylan, het meest van al misschien nog wel op Desolation Row. De wereld van Masked and Anonymous is de wereld van Dylan, bevolkt met personages uit zijn songs, uit zijn verbeelding en uit zijn biografie. Het is een bijzonder boeiende ervaring om gedurende twee uur in die chaotische wereld ondergedompeld te worden. Bob Dylan schreef ooit “I accept chaos. I hope chaos accepts me”. Als je deze film bekijkt doe je er ook goed aan om de chaos te accepteren, hoewel het een chaos is die een kunstenaar naar zijn hand heeft gezet, vorm heeft gegeven, Apollinisch heeft gemaakt, om met Nietzsche te spreken. Overigens zijn Dylan en Nietzsche verwante geesten, denk ik. Het komt me voor dat beiden de muziek als een soort van oorsprong zien, voor Nietzsche van de tragedie (of ook wel de opera van Richard Wagner), voor Dylan de zin van het bestaan, waar ook het tragische overheerst. Het tragische betekent dat er een noodlot heerst, bij de Grieken ananke genoemd, waar je hoegenaamd niet kunt aan ontkomen. Iedereen kent het verhaal van de jonge man die naar Isfahan vlucht om aan de dood te ontsnappen, en het is precies in Isfahan dat de dood hem op staat te wachten. Tragisch. Het noodlot, het lot, het menselijk bestaan. In de film heet Bob Dylan Jack Fate. Het is een onverschrokken schriel mannetje, niets lijkt hem te raken, liefde, haat, revolutie, om het even… Maar elk ding en elk dier en elke mens zijn het waard er te zijn omdat ze er zijn, en dwingen om die reden bewondering af. Wat zijn goed en kwaad in een tragisch bewustzijn? Toch zong de man ooit: I define these words quite clear, no doubt, somehow. Let vooral op de uitdrukkingen “no doubt” en “somehow”.

De (arche)typisch Dylaniaanse mythologische figuren, zei ik. Je ziet in Masked and Anonymous een heleboel figuranten rondlopen, die eruitzien als Gandhi of Paus Johannes Paulus of zo, maar dat zijn dan ook zo van die schriele mannetjes zoals Jack Fate zelf. Je weet toch dat Bob Dylan ooit voor de paus heeft opgetreden? En dat zowat alle Dylan-fans toen boos en teleurgesteld waren. Maar waarom zou je niet optreden voor de paus als je ook optreedt voor vijfduizend boe-roepers in Royal Albert Hall in Londen in 1966 of Manchester, waarbij ze je voor Judas uitschelden? Andere typische mythologische Dylaniaanse figuren zijn de reporter of journalist als vijand en als medestander – dat is een constante in Dylans biografie – en de vrouw als muze, als moeder en als hoer (La maman et la putain, bij de geniale filmregisseur Jean Eustache). Ik ben hier even aan het freewheelen en uit de mouw aan het schudden, dat is wel zo leuk. Graag zou ik nu ook nog, na zovele jaren van abstinentie, een lekkere joint roken, maar helaas heb ik te veel last van astma en kan dat gewoonweg niet. Ooit komt een dag dat ik me eens op een goede spacecake trakteer. (Of jij misschien Ingrid, of een van die andere Dylan fans?)

In Masked and Anonymous wordt heel goed en heel slecht geacteerd. Ik heb een mooie monoloog van Jeff Bridges gehoord, in de dubbelzinnige rol van de reporter Friend, over Jimi Hendrix en Woodstock. Dat Jimi Hendrix The Star Spangled Banner daar speelde, niet om te provoceren of als protest tegen de oorlog in Vietnam, maar om zijn liefde voor zijn land te verklaren, en vooral om liefde te krijgen, want dat was het enige wat hij echt verlangde, dat de mensen hem liefhadden? Verlangen wij dat niet allemaal dan?
Ook andere acteurs en actrices laten zich gewillig door Jack Fate manipuleren: Jessica Lange, de fantastische John Goodman, Mickey Rourke, Penélope Cruz en een klein meisje dat ons allen ontwapent als zij The Times They Are A-Changing zingt:
The first one now will later be last.

Hoogtepunt van de film is wellicht een paranoiascène op basis van het Shakespeare-thema dat de hele wereld een toneelscène is en iedereen een rol speel, met andere woorden dat iedereen anoniem is en gemaskerd door het leven gaat. Een gemaskerde hoeft geen masker te dragen maar kan wel heel goed een Jago zijn. Een Jago hoeft geen geniepige of venijnige kop te hebben, maar kan een vriendelijke jongen, een computerspecialist, een verleidelijk meisje, of een vriendelijke dame op leeftijd zijn. Wat je maar vreest. Geen klein kindje echter, dat nog niet. Dan komen we bij Roman Polanksi terecht, en dat is een heel ander hoofdstuk, voor een andere nacht.

Ik wilde het nog over een andere interessante mislukking hebben, Broken Flowers, van Jim Jarmusch, een film opgedragen aan Jean Eustache, en er via Wim Wenders en Der Amerikansische Freund ook heel subtiel naar verwijzend, maar ik ben veel te moe, zeker nu ik Doug Sahm hoor zingen, Stoned Faces Don’t Lie, zingt hij, was het maar waar, reden die volkswagentjes nog altijd maar zo vriendelijk rond, was de wereld maar liever lief, zoals in 1968 werd gedroomd, een van de wreedste jaren van de 20ste eeuw, in zekere zin… Was was was. In Golden Gate Park. Slaap. Moe. Wat zeg ik? Wie ben ik? Waar is mijn slaapmasker?

18-07-05

WESTERN

western,mythologie,schets,skelet,goed,kwaad,rood,montage,bloed

Skelet voor een verhaal gebaseerd op de westernmythologie. 


Bluegrassmuziek, liedjes van Johnny Cash en Alexander Spence, maar ook The Streets Of Laredo in de versie van John Cale en Sweetheart van Suicide. Het gaat inderdaad om een verhaal waar muziek bijhoort.

Glinsterende wapens, colts, vlijmscherpe messen.

Het belangrijkste personage, Allen Farbman, is geobsedeerd door klassieke westerns (Shane, Man Of the West, High Noon, The Searchers). Hij citeert uit die films. Hij is er ook op gebaseerd, een combinatie van Alan Ladd, James Stewart, Gary Cooper en Warren Oates.

Belangrijkste kleur: rood.

Hij komt uit het niets, of veeleer uit het bijna-niets van de burgeroorlog, of een andere tragedie, en op het einde verdwijnt hij weer in dat zelfde bijna-niets, bijvoorbeeld de woestijn.

Strijd tussen goed en kwaad. Het kwaad zit in elke mens. Ook in Allen Farbman. Elke mens is een duivel, een gevallen engel, een hulpeloos schepsel, verdreven uit het paradijs. Het dier echter doet niemand kwaad. De hond, de koe en het paard als engelen, zoals in sommige werken van Marc Chagall.

Geen definitie van goed en kwaad; goed en kwaad lopen over in elkaar. De goede bestaat niet (zoals in El Topo van Alexandre Jodorowski, of Touch Of Evil van Orson Welles).

Al het bloed, al het bloed.

Montagetechniek. Combinatiemethode. Citaten. Met namen jongleren. Bluffen zoals de pokerspeler.

Het zwijgen: de dingen niet kunnen uitdrukken. Denk aan Clint Eastwood.

Evolutie van het verhaal: het gaat van praten naar fluisteren en eindigt met volstrekt zwijgen.

Geen happy end.