02-09-17

ZERO DE CONDUITE: PLAATSEN

only-lovers-left-alive.jpg

Zéro de conduite is een stemmingsafhankelijke, twee uur durende populaire popcyclus op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve griet en een forellenkop. Uniek in het zich steeds verder uitdijende multiversum. Stem af op 106.7 FM. 
Je kunt Zéro via 
streaming beluisteren. Hier
vind je meer informatie over de radio.

Plaatsen, plaatsnamen. Als ik deze woorden neerschrijf denk ik meteen aan een hoofdstuk in ‘In de schaduw van de bloeiende meisjes’ van Marcel Proust, hoewel ik me niet meer zo goed herinner wat de schrijver daarin ter sprake brengt en ik niet veel zin heb om mij opnieuw - in dit kort tijdbestek - in de lange zinnen van de recherche onder te dompelen. Het komt erop neer, denk ik, dat plaatsnamen voor ons meer betoverend zijn dan de werkelijke plaatsen waar ze naar verwijzen. In onze verbeelding maken wij een reis naar laten we zeggen Los Angeles, een plaats waar we nooit geweest zijn. Alles aan die ingebeelde stad is buitengewoon, magisch, overrompelend. Als wij evenwel in werkelijkheid in Los Angeles aankomen zijn we enigszins teleurgesteld. Het stralende licht dat we ons daar voorgesteld hadden is flets, de heldere lucht is verre van zuiver, ondanks de Stille Oceaan. Waren we dan vergeten dat er miljoenen auto’s rondrijden in Los Angeles? Ja, dat waren we. Het magische van de stad zit hem in de naam. Om die reden zijn, denk ik, liedjes over steden vaak mooier dan de steden zelf. En ongeveer hetzelfde geldt voor plaatsnamen, ook voor die van pleinen en straten en rivieren en zo meer. Ik weet nog heel goed hoe teleurgesteld ik was toen ik voor de eerste keer (in 1992) in New Orleans op de Mississippi uitkeek. Vooral dank zij de muziek die daar op zoveel plaatsen gespeeld werd kon ik die teleurstelling te boven komen en lukte het mij om de betovering van de stad en de rivier alsnog te ondergaan. (Het zijn bijgevolg niet alleen de namen die het hem doen, maar ook de muziek, de melodieën, de liedjes.)
Iets anders zijn de plaatsen die we ons herinneren vanwege geliefden en vrienden die we er hebben ontmoet. Als we de naam horen van een plaats waar we een geliefde innig hebben omhelsd kan het gebeuren dat we die omhelzing opnieuw beleven. De plaatsnaam – en de herinneringen die hij met zich meebrengt – zorgt ervoor dat we niets meer zien van de banale werkelijkheid van het moment zelf.
Maar goed, voldoende gemijmerd - terwijl het hier in de eerste plaats toch om de muziek gaat.
Veel luisterplezier!
mott-the-hoople.jpg

There's A Place The Beatles - Please Please Me - Lennon-McCartney - 1963

Places I Know - Mike Cooper - Places I Know – Mike Cooper - 1971

Turin at Night - John Cale - Le Vent de la Nuit (bande originale du film) - John Cale - 1999

Streets Of Tangier - Jozef Van Wissem & SQURL - Only Lovers Left Alive – Jozef Van Wissem - 2014

Sous Le Ciel De Paris - Édith Piaf - Ses Plus Belles Chansons  - Paroles : Jean Dréjac / Musique : Hubert Giraud - 1954

Berlin - Lou Reed - Lou Reed - Lou Reed - 1972

Amsterdam - Wally Tax - Tax Free – Wally Tax - 1970

A Minor Place - Bonnie "Prince" Billy - I See A Darkness - Will Oldham - 1999

The Nearest Faraway Place - The Beach Boys - 20/20 - Bruce Johnston - 1969

Neighborhood Blues - David Kauffman & Eric Caboor - Songs from Suicide Bridge - E. Caboor – 1984 / 2015

Angel of Eighth Avenue - Mott The Hoople - Wildlife – Ian Hunter - 1971

The Lord Is in This Place ... How Dreadful Is This Place - Fairport Convention - What We Did on Our Holidays - Sandy Denny, Ashley Hutchings, Richard Thompson - 1968

Powis Square - Ry Cooder - Performance: Original Motion Picture Soundtrack  - Ry Cooder - 1970

performance.jpg

Shakedown On 9th Street - Ryan Adams - Heartbreaker - Ryan Adams - 2000

Union Square - Tom Waits - Rain Dogs - Tom Waits - 1985

Down By The Water - PJ Harvey - To Bring You My Love - Polly Jean Harvey - 1994

The Guns of Brixton - The Clash - London Calling - Paul Simonon - 1979

The Paris Match - The Style Council - Café Bleu - Paul Weller - 1984

The Ballad Of Lucy Jordan - Marianne Faithfull - Broken English - Shel Silverstein - 1979

Going Down To Liverpool - The Bangles – All Over the Place – Kimberley Rew - 1984

Venus Of Avenue D - Mink DeVille - Cabretta – Mink DeVille - 1977

cabretta.jpg

No Place So Alone - Tindersticks - Falling Down A Mountain - Stuart A. Staples - 2010

St. Mark's Place - Mick Harvey - The Journey Is Long - Jeffrey Lee Pierce - 2012

Apartment 6 - Green On Red - Green On Red - 1983

Milly's Garden - Steve Gunn - Way Out Weather – Steve Gunn - 2014

A Place Where I Know - Tarnation - Mirador – Paula Frazer - 1997

Street Scene In A Frontier Town - Bill Frisell - Have A Little Faith - Aaron Copland - 1993

Montgomery - Magnolia Electric Co. - Fading Trails – Jason Molina  - 2006

Montgomery in the Rain - Steve Young - Seven Bridges Road: The Complete Recordings – Steve Young - 1972

I Must Be In A Good Place Now - Bobby Charles - Eponymous -  Bobby Charles - 1972
bobby charles.jpg

Liverpool Lullaby - Judy Collins - In My Life - Stan Kelly-Bootle - 1966

Ventura Boulevard - The Everly Brothers - Roots – Ron Elliott - 1968

Gibsom Street - Laura Nyro - Stoned Soul Picnic: The Best Of Laura Nyro - Laura Nyro - 1969

Mobile Blue - Mickey Newbury - Frisco Mabel Joy - Mickey Newbury - 1971

Tupelo - Jason Isbell & The 400 Unit - The Nashville Sound -  Jason Isbell - 2017

On Grafton Street - Nanci Griffith - Flyer - Nanci Griffith, Fred Koller - 1994

Toulouse Street - The Doobie Brothers - Toulouse Street - The Doobie Brothers – 1972
john lee hooker.jpg

Bonus Tracks

Tuesday Night in Memphis - John Lurie - Mystery Train – John Lurie - 1989

Across 110th Street - Bobby Womack - Jackie Brown - Bobby Womack - 1972

Tenth Avenue Freeze Out - Bruce Springsteen - Born To Run - B. Springsteen - 1975

San Francisco - John Lee Hooker - The Big Soul of John Lee Hooker - John Lee Hooker - 2016

Sarah Street - Otis Spann - The Blues of Otis Spann – Otis Spann - 1995

The Usual Place - Don Covay - The Platinum Collection – Dan Covay  - 2007

Same Time Same Place - Mable John - The Complete Stax/Volt Singles: 1959-1968 - Isaac Hayes, David Porter – 1991 reissue

The Soulful Shack - Smokey Robinson & The Miracles - Make It Happen - William Smokey Robinson - 1970

Smokey Places - The Corsairs - Chess Chartbusters Vol. 5 - Abner Spector - 1961

A Quiet Place - Garnet Mimms & The Enchanters - In The Naked City - Samuel Bell, Norman Meade – 1964
pj harvey3.jpg

Research, techniek & presentatie: Martin Pulaski

Afbeeldingen: Only Lovers Left Alive (Jim Jarmusch); Mott the Hoople; Performance (Nicolas Roeg); Mink DeVille, Cabretta; Bobby Charles; John Lee Hooker; PJ Harvey

13-12-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (8)

Posada-bike-small_1.jpg


Dag 5: 6 november 2016

Omdat mijn tijd vaker versnelt dan vertraagt, omdat de werking van mijn geheugen aan dat tijdsverloop is gekoppeld, wil ik even terugkomen op deze reeks teksten die ik ‘Tien dagen die mijn wereld deden wankelen’ noemde.

De eerste dag schreef ik dit: “Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.” Dat was een nogal intuïtieve vooropstelling, maar ze blijkt nog niet aan inflatie onderhevig te zijn.

En ik voegde er dit aan toe: “Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.” Ook aan die woorden wens ik niets te wijzigen.

De tien dagen begonnen op de kalender op 2 november 2016. Allerzielen. Nu zijn we eenenveertig dagen later. Het mag inmiddels wel duidelijk wezen dat je een kroniek (of noem het verhaal, want er is nauwelijks verschil tussen fictie en non-fictie; het enige verschil, wellicht, is dat je bij fictie de namen van de personages en soms van de plaatsen verandert) niet op die manier kunt afbakenen in de tijd. Alleen al op 2 november 2016 zijn er tientallen, wellicht honderden ‘andere’ momenten – ik heb er geen idee van hoeveel - die tijdsgrens binnengedrongen. Momenten uit 1967, uit 1975, uit 2009, uit 2011, et cetera. Andere momenten die de wereld en mijn leven deden wankelen.
Maar een mens heeft imaginaire grenzen nodig, heeft een leidraad nodig, een structuur, een houvast. Vandaar die tien dagen. Die desondanks niet willekeurig gekozen zijn. We beleven ongetwijfeld een periode van voor onze generaties verontrustende veranderingen, van wereldschokkende gebeurtenissen, van bijna onbegrijpelijke chaos en van verwoestingen van ‘oude waarden’. Met die ‘oude waarden’ bedoel ik niet alleen moraal, politiek, geloof, manieren van samenleven, maar ook dorpen en steden, havens, kanalen en rivieren, heuvels en bergen, weilanden en velden, de hele natuur en de wereld zoals we haar tot vandaag kennen.

1957Alabama_bus.jpg

Ik droom dat ik op een vaste datum in de zomer, steeds op hetzelfde uur, elk jaar opnieuw met Laura in een gele autobus zit. We rijden elke keer door hetzelfde landschap, een dorpse omgeving - of eerder nog het gebied waar de stad overgaat in het platteland. Elke keer kijken we op hetzelfde moment door het enigszins vuile raam van de bus en zien daar bij een verkeerssignaal Laura staan wachten. Wil ze de straat oversteken of wacht ze op iemand? Of is ze in gedachten verzonken? Achter Laura zien we arbeidershuizen, die er elke keer als we er voorbijrijden anders uitzien. De kleur van de gevels, de grootte van de ramen, de gordijnen. Elk jaar zien ze er slechter uit, groezeliger, meer vervallen. Na een aantal ritten (of jaren) zijn de kleine huizen weg en staat er nieuwbouw. Maar het verkeerssignaal staat er nog altijd en ook Laura, die zelf niet verandert. De laatste rit voert ons naar een gigantisch grasveld, zo groen dat het pijn doet aan de ogen. Daar stappen we uit. Ver weg, ongeveer in het midden van het grasveld, zien we kleine rode stipjes, niet groter dan onzelievevrouwebeestjes (sommigen gewagen van lieveheersbeestjes; vroeger werden de diertjes ‘freyafugle’ genoemd, vogel van de godin Freya). We weten dat dat onze twee rode koffers zijn, waar we al lange tijd naar op zoek zijn. De koffers zijn open, zegt Laura. Ja, zeg ik, deze keer heb ik ze opgelaten. Waarom, vraagt Laura. Dat weet ik eigenlijk niet, zeg ik. Zo’n groot grasveld en dan die koffers openlaten, zegt Laura. Tsja, zeg ik.

 tijd,geheugen,ruimte,gebeurtenissen,wereld,kalender,tien dagen,fictie,non-fictie,namen,personages,momenten,chaos,verwoestingen,droom,bus,laura,onzelievevrouwbeestjes,freya,herhaling,grasveld,koffers,rood,geel,robert musil,schrijver,hubert van herreweghen,dichter,kleuren,saudade,portugal,dood

Op 6 november 1880 werd in Klagenfurt Robert Musil, een van mijn uitverkoren schrijvers, geboren. Eergisteren overleed in Dilbeek de Vlaamse, katholieke dichter Hubert van Herreweghen. Dat vernam ik vandaag. En van hem vond ik deze woorden terug:
“Mijn kinderen hebben nooit geweten dat ik verzen schreef. Ik las mijn verzen niet hardop. Poëzie moet je in je horen. Het hele klankspel binnensmonds - met medeklinkers en zo - lijkt op kleuren. De zang maakt duidelijk hoe het in de ziel van de dichter toegaat. Over de zang van Anton van Wilderode heb ik ooit gezegd: drink eens een borrel, dat er wat leven inkomt. Het was al prikkeldraad en doornen waar je tegenaan schuurde. Schreeuwen tegen het bestaan - innerlijk althans - heb ik voor het laatst gedaan met mijn gedichten over Portugal (Van Herreweghen maakte er een reis in 1949, red.). Ik hoorde daar Amália Rodrigues, werd getroffen door de saudade (weemoed) van de fado en heb daar gedichten bij geschreven. Dat was pas schreeuwen: machteloze revolte. Er werd muziek op gezet."”*

aleppo.jpg


...

*Brussel Deze Week, 24 1 2008

 

 

27-04-14

FOTOGRAFIE EN DIEFSTAL

APARTMENT.png

Waar hadden we het ook alweer over? De tijd, de geschiedenis, wat razendsnel of folterend traag voorbijgaat, de momenten die van ons gestolen worden, ook al doen we er alles voor om ze, kostbaar als ze zijn, tot onze eigendom te maken, alsof ze op die manier onvergankelijk zouden worden.
Wie steelt die momenten van ons? Wijzelf, omdat we onszelf niet zijn, omdat we nooit onszelf waren en het ook nooit zullen worden. Al op jonge leeftijd vingen we glimpen op van onze vervreemding, al vroeg voelden we ons nergens thuis, zonder dat we daar veel aandacht aan schonken. Neen, we sloegen zijpaden in, die van verdoving, kunst, seks, werk, liefde, geweld, motoren, reizen naar exotica, naar wereldsteden. Leverde het iets op?
We wisten dat we ballingen waren, maar we zochten niet naar ons land van herkomst, of als we het toch deden vergisten we ons: we dachten dan dat het een paradijs was, een halfvergeten droom, een utopische streek uit een roes voortgekomen, ver weg in de toekomst gelegen, voorbij de bergen van Aghanistan of, erger nog, in onze prille jeugd verzonken, een Atlantis in de baarmoeder dachten, in navolging van Georg Groddeck, sommigen van ons.
groddeck.jpg

Nochtans zijn het mooie en sterke momenten. Ze vullen alleen al bij mij duizenden bladzijden en als ik even op internet ga, vind ik er in een oogwenk miljoenen, foto’s, liederen, gedichten, films, onvoltooide gedachten, vluchtige ideeën over vlinders en sterrenstelsels, over om het even wat zovelen van ons interessant lijkt. Ze zijn sterker dan ons leven, dan alles wat ons een geheel maakt, wat ons de illusie van een identiteit geeft. Net daarom vallen wij in stukken uiteen, fragmenten van wie we dachten te zijn, die wij niet meer kunnen bepalen; net daarom verliezen we onszelf in vluchtigheid en verval, net daarom duurt de tijd zo lang soms en zo kort als adem in herfstlucht. Elk moment waarvan we denken dat het ons bepaalt, en dat we zo stevig proberen vast te houden, maakt ons zwakker, we geven ons eraan over, overhandigen ons hart, onze ziel, of wat daarvoor doorgaat. Elk moment dat we op die manier beleven is een blootstelling aan het oog van de nieuwsgierige fotograaf, noem hem gerust onze dubbelganger: hij is op onze ziel belust, of een stuk ervan, hij is de dief van onze kostbare momenten. Je maakt het elke dag mee. De media overspoelen ons met stukken van onze ziel. Omdat we onszelf niet kunnen zijn laten we ons bestelen, bestelen we onszelf, door onszelf te verkopen, niet eens aan degene die het hoogste biedt.

Lou_Doillon-Olivier_Zahm-Purple-02.jpeg

Zo gaan we een leven lang op de loop voor onszelf, op de vlucht voor mislukking, misprijzen, miskenning, op zoek naar voldoening, wraak, vervulling. Dat doen we ieder op onze manier op voor bijna iedereen herkenbare wijze. De sporen daarvan zijn onze geschiedenis, die ons in boeken en films wordt afgenomen, omdat hij ons gepresenteerd wordt, en daardoor het andere wordt, met ongewilde betekenissen overladen.


We vluchten voor wat we onze schaduw noemen maar zoeken hem ook. Hij fascineert ons. Wie zijn wij, wat zijn wij als wij in de spiegel kijken, of als iemand ons vanop de rug ziet, zoals in films? Wat is er van ons aanwezig in onze schaduw? Zijn wij het, ontdaan van onze eigenschappen, herleid tot de essentie die nooit een echte essentie is, vanwege de beweeglijkheid, het licht? We weten niets. Kort nadat we onze dubbelganger hebben ontmoet, schrijft Gérard de Nerval, gaan we dood. Het is een bekende geschiedenis, vaak beschreven, het is die van het verhaal van het land Luz en van Isfahaan, Nesf-e-Jahan, waar Avicenna operaties uitvoerde en zijn leer verkondigde. We kunnen liefhebben, vluchten, vechten, maar nooit zullen we levend ontsnappen aan het labyrint dat we zijn en waarin we onszelf, verraders, keer op keer ontmoeten.
avicenna_painting.jpg

 

08-12-08

LEVEN EN DOOD VAN EEN CACTUS



umberto d

Met pijn in het hart heb ik een meer dan twintig jaar oude cactus in kleine stukken gezaagd; een levend wezen dat ik tot levenloosheid heb herleid. De cactus nam geen water meer op, en verschrompelde. Ook zonder mijn ingreep was hij ten dode opgeschreven. Het onderste gedeelte van de plant, die bijna dezelfde lengte had als ik, was zwart geworden en krom getrokken, maar de bovenkant was (en is) nog mooi groen. Misschien kan ik die groene stukken opnieuw aan het groeien krijgen.
Het is vreemd dat een voorwerp, een ding, je emoties zo sterk kan raken. Natuurlijk houdt dat verband met het verdwijnen, met het sterven en de ontbinding. Een cactus opruimen is misschien wel netjes, maar je beseft tegelijk dat alle leven eindig is en moet verdwijnen. De meeste dingen rondom ons blijven echter langer dan wij, de boeken, de beelden, muziek. Het huis waarin ik woon is in geen al te beste staat, maar ik twijfel er niet aan dat het hier nog zal staan als ik al lang vergeten zal zijn. Er zullen ooit, liever laat dan vroeg, nieuwe huurders komen die niets over me weten, over de gelukkige momenten, over het verdriet, over de honderden teksten die ik hier schreef en de zogenaamd onvergetelijke boeken die ik hier las. Het is goed mogelijk dat die nieuwe huurders niet meer zullen lezen, niet meer geïnteresseerd in film zullen zijn, en ook de zachtheid van de huid zullen hebben afgezworen. Want liefde is niet nuttig en brengt weinig op, tenzij in de prostitutie, zullen zij misschien zeggen. Ik mag hier niet te lang over nadenken, of er zit meteen al een alien in mijn kamer, een slijmerig wezen met scherpe tanden en kleine, lelijke ogen.

Enkele dagen geleden zag ik ‘Umberto D.’ van Vittorio De Sica. Dat had ik beter niet gedaan. Het is een onuitstaanbaar droeve film, met slechts enkele lichtpunten in – en de louterende schoonheid van de beelden, gelukkig. Een gepensioneerde ambtenaar komt niet rond met zijn pensioen en kan de huur van zijn kamer niet meer betalen. In heel Rome is er geen mens die hem kan of wil helpen. Hij heeft maar een vriend, zijn hond Flike, een buitengewoon welopgevoed beest. Er is ook nog het hulpje van de hospita: kennelijk heeft zij enige compassie met de oude Umberto D. Maar zij komt vooral af en toe in zijn kamer omdat ze door zijn raam naar de soldaten aan de overkant kan gluren. Twee van die jonge mannen zijn haar minnaars. Van welke van de twee ze zwanger is weet ze niet, maar ze maakt er zich weinig zorgen over. Op het einde van de film wil de hopeloze, gebroken Umberto D. samen met zijn hond onder een trein springen, maar Flike’s levenslust is te groot: hij doet de poging mislukken. Hoe het dan verder zal aflopen met die twee zullen we nooit weten.

Ik weet niet waarom ik die twee voorvallen hier vertel. Het zullen de donkere dagen zijn, de melancholie die me maar niet los wil laten. En melancholie voedt zich met melancholie, zwartgalligheid wil meer zwartgalligheid, geestespijn wil de donkere wijn van het verdriet drinken. Ik vermoed dat zelfs enkele bloemen van het kwaad me nu zouden kunnen bevallen.

Maar dit is slechts een winter. Er komen altijd weer mooie dagen. Spoedig zal het weer lente zijn en voor het zover is zal ik vrienden en geliefden ontmoeten. Ik zal de wijn drinken van het plezier en me laten ontroeren door de mooiste muziek die ik ken, zoals nu al door Neil Youngs in 1968 opgenomen ‘Sugar Mountain’. En ik zal terugdenken aan de mooie momenten van 2008. Ik leg me nog niet neer in de sneeuw en ben evenmin zinnens een paard te omhelzen in de straten van Turijn.

umberto d 2

Afbeeldingen uit Umberto D., een absoluut meesterwerk van Vittorio De Sica

02-12-08

EEN UITZONDERLIJK LEVEN


Het is weer de tijd van de kalkoenen, de drie flessen wijn en een gratis, de duizenden reclamefolders vol overbodige technische snufjes, bijna gratis maar wat doe je er mee, Phil Spectors ‘A Christmas Gift For You’, de cd- en dvd-boxen, meestal dingen die je al hebt, maar desondanks koopt voor de mooie doos, en de drie extra-tracks, en de lijstjes, natuurlijk, de eeuwige lijstjes. De eeuwige lijstjes die maar een week of twee meegaan: beste boeken, beste films, beste dvd’s, beste cd’s, beste songs, mooiste vrouwen, minst vervuilende auto’s, beste momenten. In februari is iedereen die onzin weer allemaal vergeten, mede dank zij de massa’s drank tijdens de feesten en nieuwjaarsrecepties. (Tenzij, wat mij betreft, de mooiste vrouw.) Dan beginnen we aan nieuwe lijstjes, gaan we opnieuw sparen voor nieuwe overbodige technische snufjes (die nu nog moeten uitgevonden worden, maar het moet snel gaan, snel, snel).

Stop! Stop de tijd, drink een glas water. Maak een wandeling in het Zoniënwoud. Lees Don Quichot, Finnegans Wake of Ivanhoe. Leer koken. Hoe maak je goed stoofvlees? Echte kippensoep zoals grootmoeder ze bereidde? Of luister naar een trein, een vogel, het gieren van de wind. Open het raam bij volle maan. Wuif naar je geliefde. Zing een lied van Schubert of van de Zangeres Zonder Naam. Heb vertrouwen in de toekomst. Schud het cynisme, waar de media je mee vergiftigen, van je af, als een langharige hond in de zomer het water van de Zuid-Willemsvaart. Leef een uitzonderlijk leven. Word dik, vermager, dans elke dag. En vergeet vooral niet dat wij allemaal zullen sterven. Het leven is geen pretje. Het leven is een feest, als je hart sterft van het lachen of je ziel van het verdriet.

18-05-05

WEEFSELS VAN HET HART


1968


Georges Bataille beweert dat mensen lachen uit schrik. Ook met erotisch gedoe wordt gelachen, maar dan wel omdat beschaafde personen er schrik voor hebben. Schrik is een positieve eigenschap. Beschavingen komen voort uit schrik voor allerlei akelige dingen in de wereld en daarbuiten. Het zou ook kunnen dat Georges Bataille dat helemaal niet beweert. Ik heb echter geen zin om de inleiding bij Madame Edwarda te herlezen.
 
Op een vrij groot adreskaartje van St Joseph’s Bed and Breakfast in Roundstone vind ik de volgende notitie terug.“Een hevig onweer met Frankie, Sara en Sontag in Bierdorp. Dat moet ik beschrijven in een verhaal. Een wolkbreuk. Hete dag in augustus. Midden in een open veld; het modderige water stroomt over de veldweg. Ik draag de buggy van Frankie en vrees te zullen worden getroffen door de bliksem. Sara heeft alleen een dun katoenen jurkje en een slipje aan. De regen en de hitte geven haar een ongewone, intense erotische uitstraling. Ik heb nooit zo hevig naar haar verlangd, terwijl ik daar liep met Frankie en Sontag. In het gebulder van de donder en bukkend voor de bliksem. Druipend van de regen, de voeten vol modder, komen we in het dorp aan. Sontag neemt ons mee naar een huis van een tante van hem. Daar krijgen we droge kleren, die ons niet passen.”
 
Bierdorp: waarschijnlijk kon ik me op het moment dat ik de notitie maakte – in Roundstone - de naam van de gemeente waar het onweer zich voordeed, niet herinneren. Dat gebeurt wel vaker op reis, dat namen van plaatsen of van personen mij niet willen te binnen schieten. Niet alleen in Ierland, na een avond Guinness bij Gus O’Connor.
 
Wandeling. In westelijke richting in de heuvels van Poggio Attendi, dan zuidelijk tot San Donato, dan terug via Montanto en Santa Lucia. Toscane, zomer 1996. De heerlijke Vino Nobile van Montepulciano. Op het terras van ons hotel hebben we daar met kleine teugen van genoten. Ook in het café Poliziano. Ik weet wel zeker dat het gevoel dat we toen hadden niet zal terugkomen als we er opnieuw naartoe gaan.
 
“Tingeltangelzangeres.”
 
Ik moet ooit een keer het verhaal vertellen hoe we tequila leerden drinken. Amerikanen in het Hard rock café, aan het Fernand Cockplein in Elsene, leerden ons tequila drinken. Job, Nora, Laura en mij. Duchateau beweert dat hij er ook bij was, maar ik geloof er niets van. Laura kan het zich niet herinneren. Zij heeft me die nacht in het bad gegooid (met mijn zeemvelleren jas aan). Ze was plotseling in razernij weggelopen van me en had thuis al haar kleren uitgetrokken. Toen Job, Nora en ik binnenkwamen, stond ze naakt in de badkamer (de ingang van ons appartement was via de badkamer). Ik was woedend. Toen ik druipnat uit het bad stapte kotste Job op mijn rug. De pindanootjes lagen over de vloer uitgezaaid. De salontafel en de stoelen waren omver gestoten. De bovenbuurvrouw, een echte feeks, belde de politie. Toen de agenten binnenstapten - alle deuren stonden open - was de rust weer hersteld. Alles opgeruimd en netjes. Job zei: “We hebben zitten discussiëren over Socrates”. In het Antwerps, zei hij dat. De agenten geloofden hem, moesten eens lachen. Je zag ze denken: “filosofen!”. “In ’t vervolg niet zo luid discussiëren, mannen ”, zeiden ze, en vertrokken. Het waren Vlamingen. Misschien waren ze wel uit Antwerpen afkomstig. De Amerikanen zeiden dat je tequila puur moest drinken. Je had er citroen en zout voor nodig. Je strooide eerst wat zout op de rug van je hand, dat likte je af, dan dronk je de borrel leeg en vervolgens beet je in een stuk citroen. Dat herhaalde je een aantal keren, tot je ver genoeg weg was, maar net niet te ver. Na The Hard Rock Café zijn we naar een fuif gegaan. Nora had er vol vuur en overgave met mij en Laura gedanst. Job was er boos geworden, geloof ik. Op weg naar huis was Job in het midden van de Troonstraat gaan liggen, aan metrostation Luxemburg (nu Troon). Ik was over de brugleuning geklommen en aan een vlaggenmast gaan hangen. Mijn bril is naar beneden gevallen, in de tunnel van de kleine ring, waar overdag het verkeer doorraast. ’s Anderendaags ben ik er nog naar gaan zoeken. Tevergeefs. (Veel later, nadat ik in de Kiekenmarkt in mekaar was geklopt, is Laura naar een andere, al heel wat duurdere bril gaan zoeken. Tevergeefs.) De tequila-avond heeft zich afgespeeld in 1976, zo ongeveer.
 
Ik vind net een notitie terug: “I wouldn’t be buried in this suit.”
 
Aantekening bij het verhaal Lenny’s verjaardag: ongeveer zeven jaar geleden (op mijn verjaardagsfeestje op 16 juni 1998, om precies te zijn) zei Danny dat we porto dronken op zijn verjaardag (in het verhaal heb ik hem Lenny genoemd). De fles porto is stuk gevallen op de vloer, zegt hij. Pas daarna hebben we grappa gedronken.Waarom moeten er bloemen zijn, rozen, lelies, papavers? Als we ze toch niet mee kunnen nemen? Elegische stemming.
 
Wat herinner ik me nog van de plaatsen waar ik ooit ben geweest?Neem nu Stuttgart… Een hotelkamer met een open gasleiding. Ik was werkelijk bang dat we tijdens onze slaap zouden worden vergast door die ‘nazi’s’. Hadden ze ook al niet gevraagd om in onze bagage te mogen kijken? Dat was toch tegen alle gastvrijheid in! Het was de tijd van de Rote Armee Fraktion. Ulrike Meinhof zat in de gevangenis. Ze wilden zogezegd weten of er geen drank tussen onze kleren zat, want dat mocht niet. Misschien dachten ze wel dat we bommen bij ons hadden, of machinegeweren…Met alternatieve mensen die ons in hun kleine autootjes meenamen (in die tijd liftten we nog langs de Duitse snelwegen) hadden we het over de terreur van de staat en over de verschrikkingen van de Stammheimgevangenis. De ‘nazi’s’ in het hotel hadden in zoverre gelijk dat we sympathiseerden met Ulrike Meinhof. Ik vond dat ze op een mensonwaardige manier werd behandeld. Overigens zagen we er ook verdacht uit, Laura met haar hennahaar en ik met mijn lokken tot op mijn schouders. Zo’n hennahaar hadden alleen hippiemeisjes. Terroristen, zullen de Duitsers oude stempel misschien hebben gedacht.
 
Toen ik de eerste keer in Berlijn was (1998) zag ik dat de meerderheid van de jonge vrouwen daar rode haren had. Wat vond ik ze allemaal aantrekkelijk… En overal in de stad hingen affiches voor de film “Lola rennt”. Lola met de rode haren: zou het een terroriste zijn, vroeg ik me af.Toen we op een zomeravond in Innsbrück aankwamen zaten alle hotels vol. Toch werd er voor ons nog een kamertje vrijgemaakt. Dat was dan wel gastvrijheid, in Oostenrijk, waar Hitler vandaan kwam. Maar ook Wittgenstein natuurlijk, en Robert Musil, de beste schrijver.
 
In Pécs logeerden we bij een verdacht sujet, een vrijgezel in een groot appartement. Wat ik mij vooral herinner is het wasrek in de badkamer, dat met kabels en katrollen tot tegen het plafond was getrokken. De vrijgezel in zijn mouwloze onderhemd. Zijn bleke armen. Pécs was een vreemde en fascinerende stad. Het was er bloedheet. Dankzij de hitte waren de vrouwen schaars gekleed. Of was dat typisch Hongaars, misschien? Waren zij altijd zo warmbloedig?
 
In Eger, stad van het Stierenbloed of Egri Bikaver, wandelden we door de straten en over de pleinen met de dorpsfilosoof en (soms) zijn dochter. Hij sprak vlot Duits en ik had net een cursus Duits achter de rug, zodat de conversaties nogal meevielen. Jammer genoeg was de man oerconservatief. In het begin wantrouwden we hem. We wilden met hem bijvoorbeeld geen uitstap maken naar het bos van Szilvasvarad (een naam voor een sprookje, vind ik). We dachten dat hij ons daar misschien wel zou vermoorden, in dat donkere woud. Toen we er dan toch een keer aan het wandelen waren, kwamen we hem en zijn dochter ‘toevallig’ tegen. Hij heeft ons niets in de weg gelegd. In de bus terug naar Eger heb ik wel een flinke kou gevat. Een paar dagen later zaten we in een bioscoop in Zagreb, waar intussen de burgeroorlog heeft gewoed, naar 'The Color Purple' te kijken, mijn keel helemaal toe van de infectie. De dorpsfilosoof van Eger was een bijzonder zachtaardige Hongaar. Hij had veel problemen gehad in zijn leven. Zijn professoraat was hem afgenomen omdat hij geen lid was van de Communistische partij. In Szilvasvarad staken duizenden kleine kikkertjes de weg over. Je kon bijna niet anders dan er op trappen.
 
Praag associeer ik met paranoia. In het ruime, kraaknette appartement waar we logeerden, een half uurtje buiten de stad, in de wijk Knetzky Luka, konden we ’s avonds, na het nuttigen van een paar flessen witte wijn op het terras van café Europa, niet meer binnen. Er was iets met het slot. De vrouw deed verwoede pogingen, maar het lukte niet. Ze moest de hulp van haar vriend (of echtgenoot) inroepen. Ze zei geen woord tegen ons. Nochtans kende ze Engels. De man moest het slot helemaal losschroeven. In volstrekte stilte. In de restaurants waren de mensen bang om afgeluisterd te worden. Terecht. Op een avond hebben we in restaurant Rudolf toch zitten praten met Oost-Duitsers, uit Leipzig. Ze keken af en toe achterdochtig om zich heen. Ze waren zeer ontevreden over het regime in hun vaderland. Iedereen wordt er afgeluisterd, fluisterden ze. Alleen in kerken kunnen we vrijuit spreken. Ons bezoek aan Praag was een paar maanden voor de fluwelen revolutie. Ik had niet echt in de gaten dat er zo’n revolutie werd voorbereid. Ik zag bovenal onbeschoftheid, onvriendelijkheid, slecht en vettig eten. Zeker in het restaurant Savarin, een oud kasteel, werden we buitengewoon onvriendelijk bejegend. Toen we er buiten kwamen hadden we zo’n honger dat we worsten zijn gaan eten in een selfservice, met een groot glas bier erbij. Neen, Praag ontving ons niet met open armen. De betere momenten in Praag waren die met de vrienden (Jim en Ronda, met wie we afgesproken hadden, maar die we een dag voor onze afspraak al tegen het lijf liepen op het Oude Stadsplein, nadat we met Hollandse meisjes in restaurant De Gier biefstuk met eieren hadden gegeten), (Lou en Cindy, die we toevallig ontmoetten in Hradcany en met wie we een mooie avond beleefden in restaurant Europa, een schitterend art deco-interieur). Praag was een buitengewoon mooie stad. Misschien wel de mooiste stad waar ik ooit ben geweest. Ik heb er twee hoeden gekocht, heel wat klassieke elpees, Laura heeft er zich leren handschoenen aangeschaft in een supermarkt, waar voor de rest niet veel te koop was, en een Russisch polshorloge.
 
Het lange wachten op een lift aan de grens tussen Duitsland en Oostenrijk, op weg naar Italië, in de zomer. De troost van zoete alcohol, tegen de kou en de regen. Na uren in onze handen klappen en met onze voeten stampen dan toch meegenomen, maar wel in een open voertuig. We vergingen van de kou. Overal bergen rondom ons. Ik kreeg een afschuw van de bergen met sneeuw op hun toppen.Er bestaat geen zuiverheid op de wereld. Het verlangen naar zuiverheid is misschien wel het grootste gevaar in de mens.Alle interessante ervaringen met openbaar vervoer op een rij zetten.
 
Treinreizen.
 
Ongewone belevenissen in de metro. Bijvoorbeeld hoe je ooit hevig schrok van een vrouw zonder neus die opstapte op bus 96 in de Troonstraat. Je had net cursus gevolgd over de Esthetica van Hegel. In het station in Antwerpen een man met een volledig paars gezicht. The Color Purple. De auto als openbaar vervoer (liften). Tram en bus. Nog niet zo lang geleden bracht een buschauffeur ons, met de lichten uit, tot helemaal aan de Westrand in Dilbeek. Anders hadden we nog meer dan een half uur moeten lopen in de kou. We gingen kijken naar Francesca, van Wedekind. Een stuk met mooie blote vrouwen.
 
In Duitsland, wilde een Siciliaanse trucker mijn gezellin verkrachten. Hij vond dat het minste wat we konden doen, in ruil voor wat hij ons aanbood. “Vier stunde fahren und ein stunde schlafen”, mompelde hij af en toe. Toen hij zijn zin niet kreeg wat dat verkrachten betreft, zette hij ons uit zijn truck, middenin de Duitse nacht.
 
Vliegtuig. Boot.
 
Ervaringen met honden: Picky en Jimpy, Suzy.
 
Ervaringen met het nummer 56. Je schrik om op je 56ste te sterven. Dat valt dan nog mee. Vroeger dacht je dat je zeker niet ouder dan 26 zou worden. Huisnummer 56 in de Dolfijnstraat. Tram 103 die in 56 verandert. 1956 het jaar van de rock & roll. Van de opstand in Boedapest.Laura woonde in de periode 1985-1987 in de Osystraat 58 in Antwerpen (officieel adres).
 
Vanaf 1987 tot 1989 had ik een kamer in de Breughelstraat.
 
Nog een geluk dat ik vaak schrik heb. Zo bouw ik mijn wereldje op. Af en toe komt er een stukje bij. Als ik weer eens wakker schrik uit mijn vervelende slaap. Mijn muurtje van woorden en stilte, dat nooit afgeraakt. Maar kan het kwaad? Jij bent toch ook maar een fragment.

Foto: Blankenberge, 1968, Martin & Monique.