08-10-15

DE WEERBARSTIGE SCHOONHEID VAN LES RENDEZ-VOUS D’ANNA

rendezvous-anna5.jpg

Gisteravond, twee dagen na het overlijden van Chantal Akerman, “uit het leven gestapt”, zag ik na vele jaren opnieuw ‘Les rendez-vous d’Anna’, met Aurore Clément in de titelrol. Anna is het alter ego van Chantal Akerman. In de film is iedereen ongelukkig, de zwijgzame maar alles observerende en aanvoelende Anna misschien nog het meest van allemaal. De film is adembenemend mooi, op elk gebied: fotografie, acteursprestaties, licht, locaties, dialogen en monologen, geluid. Hoewel ‘Les rendez-vous d’Anna’ al in 1978 uitkwam, Chantal Akerman was toen 28, is er niets verouderd of gedateerd aan. De locaties zijn veranderd, maar dat heeft geen belang. Of toch wel: het maakt de droefheid die van de beelden uitgaat nog intenser. Wie heeft beslist om het schitterende gebouw dat het Brusselse Zuidstation was zo te verminken? Ik was vergeten hoe mooi het was. De lokettenzaal, de prachtige art-deco cafetaria… En de sfeervolle cafés als je buitenkwam… Allemaal weg. Nu staan er aan beide zijden van het station niets dan 21ste-eeuwse misbaksels. Wat verderop lijkt het alsof er een burgeroorlog heeft gewoed. Verwoesting, braakland wachtend op wild ondernemerschap, ontwikkelaars die er vluchtige bunkers neer zullen zetten, zeer tijdelijke ruimtes voor financiële transacties, het verkopen van niets aan niemand. “De bouw van bedrijfsruimten en winkels neemt de komende jaren fors toe.”

Er gaat veel droefheid uit van de film, zeker, maar de beelden bieden ook troost, omdat ze zo mooi zijn. Waarom zijn ze zo mooi? Wat maakt ze zo mooi? Dat valt moeilijk uit te leggen. Je kunt het alleen maar zo verwoorden: kijk zelf een keer, twee keer, drie keer. De beelden spreken hun eigen taal, die traag is, aandachtig, goed gearticuleerd, zonder opsmuk. Onder de beelden zit niets, een station is een station, een telefooncel een telefooncel, een hotelkamer een hotelkamer. Onder de beelden zit niets, zoals er onder de pullover en de rok van Aurore Clément ook niets zit. Ze draagt geen ondergoed, dat is nergens voor nodig in een vluchtig bestaan, onderweg van de ene kamer naar de andere, nergens thuis. Een man zou zeggen: waar ik mijn hoed leg ben ik thuis. Maar die man is natuurlijk ook nergens thuis.

Chantal Akermans beelden zijn essenties. In de werkelijkheid zien een station  en een hotelkamer er net zo uit als in ‘Les rendez-vous d’ Anna’, maar toch anders, aangetast door de dagen, geschonden door voetstappen en blikken, door huid, zweet, urine, sperma. In de film zijn die sporen net zo goed aanwezig, maar je hoeft ze niet te zien, je kunt je bijvoorbeeld concentreren op de ogen van Aurore Clément, hoe ze wegkijkt van iemand, of hoe ze iemand aankijkt, met tristesse, geconcentreerd, geïnteresseerd, wegdromend, nooit met afschuw of boosheid. Aan haar ogen zie je dat Anna alles hoort, ook als ze lijkt te dagdromen. Anna luistert. Ze neemt de waarheid waar. Dat is wat Chantal Akerman zelf ook doet: de waarheid waarnemen en die in beelden omzetten, beelden van een sublieme, weerbarstige schoonheid. Zo weerbarstig dat je er twee uur lang geen seconde naast kunt kijken.
rendezvous-anna7.jpg

 

03-10-14

IRINA EN EVA IONESCO

 

my little princess.jpg

Van ‘Erwin’ via ‘Moord & Doodslag’ en ‘Siciliaanse vespers’ naar Syracuse (16 mei 2013) is een lange weg. Die moet ik helemaal in woorden afleggen, waarbij ik niet alleen hoop mijn doel te bereiken – het aantal hindernissen neemt elke dag toe – maar tevens een plaats te bereiken die in de toekomst ligt, een bestemming die nu nog in donkere nevelen is gehuld en naamloos is. Geduld, moed en ontvankelijkheid zijn hierbij, zoals bij zoveel belangrijke ondernemingen, onontbeerlijk.

Onlangs zag ik de film ‘My Little Princess’ (2011) van Eva Ionesco. Ik had hem een paar dagen tevoren opgenomen vanwege de thema’s (fotografie, grensoverschrijdend gedrag, uitbuiting, incest) maar vooral vanwege Isabelle Huppert, sinds vele jaren mijn uitverkoren actrice. Pas na het zien van de erg mooie maar verontrustende film besefte ik dat andere, onbewuste drijfveren mij tot opname hadden aangezet. En nee, er is niet meteen een verband met het werk van Geerten Meijsing, tenzij misschien het jonge meisje, een verbluffende rol van de onbekende Anamaria Vartolomei, en meer algemeen de decadentie en het narcisme.
my little princess 3.jpg

Al bij het begin van de film herinnerde ik mij opeens een kostbare, vrij grote map met foto’s van Irina Ionesco die ik bij Boekhandel Corman, waar ik toen werkte, meermaals voorzichtig had geopend om een blik te werpen op de perverse afbeeldingen van meisjes en jonge vrouwen. Ik vond het mooie en opwindende foto’s, echte kunstwerken; het was duidelijk dat er hard was aan gewerkt, zeker ook aan de enscenering en de kleding (en ontkleding). Ik herinner me niet of er foto’s bij waren van een jong meisje, van een kind. Het is mogelijk. Ook in die dagen – de eerste helft van de jaren zeventig - waren dergelijke beelden nog altijd pervers en opwindend, maar schokken deden ze nauwelijks (1). In West-Europa leek de censuur eindelijk voorgoed te zijn afgeschaft. Wat mij betreft waren afbeeldingen van seks met kinderen een stap te ver. De daad zelf kon ik me zelfs niet voorstellen (en ik kan dat nog altijd niet). Ik heb ooit een aflevering van het undergroundtijdschrift Suck gekocht, waar ik zulke foto’s in aantrof. Hoe walgelijk en wansmakelijk! Niet zo bij de foto van Germaine Greer, auteur van de bestseller ‘The Female Eunuch’, die trots haar vagina tentoon spreidt. Maar beroemde vagina of niet, van Suck wilde ik niets meer horen. Het ging bij dat tijdschrift ook helemaal niet om de vrijheid: er werd een nieuwe markt aangeboord, die van de pornografie, van lust als handelswaar.
Ionesco1.jpg

De foto’s van Irina Ionesco, zoals ik ze mij van die map herinner, waren niet pornografisch in de betekenis die dat adjectief vandaag heeft. Geen sprake van penetratie, cunnilingus, fellatio en al helemaal geen ‘cum shots’. Maar de fotograaf dwong haar kleine dochtertje, Eva, om de rol van een obscene Lolita te spelen. Aanvankelijk had Eva, jong als ze was, daar geen bezwaar tegen. Gaandeweg echter kwam ze meer en meer in opstand tegen haar moeder, ze begon zich gebruikt en misbruikt te voelen. Als volwassen vrouw spande ze een proces aan tegen Irina; pas in 2012 kwam er een uitspraak: Eva’s moeder moest haar dochter een boete (of smartengeld) betalen van 200.000 euro.

Ten minste drie dingen vind ik vreemd aan dit hele verhaal. Waarom was ik Irina Ionesco en haar foto’s vergeten; waarom had ik nooit iets over die moeder-dochterrelatie gelezen (of was ik het vergeten?); waarom maakte Eva Ionesco zo’n oogstrelende en zelfs opwindende film over dat pijnlijke onderwerp, over het misbruik waar zij het slachtoffer van was? ‘My Little Princess’ is, nogmaals, een schitterend in beeld gebrachte film, met veel aandacht voor decors, kostuums en belichting.(2) Maar mag een kunstwerk dat voor de kunstenaar (en voor de toeschouwer) voor loutering, voor catharsis moet zorgen wel zo mooi zijn? Moet hij niet veel rauwer, wreder, lelijker zijn? Een moeder die haar dochter uitbuit en misbruikt verdraagt geen schoonheid, hoe mooi en opwindend haar kunst ook mag wezen.

[Eva Ionesco lijdt wellicht aan wat Freud herhalingsdwang noemt – of is het een bewuste beslissing om het gedrag van haar moeder te herhalen? Wat zij met de jonge actrice Anamaria Vartolomei doet is misschien niet echt misbruik maar ook zij maakt van het meisje een Lolita, een verleidelijk wezentje, niet alleen aantrekkelijk voor het artistieke ‘Humbert Humbert’-type maar zeker ook voor mannen of vrouwen die wat minder esthetisch zijn ingesteld.]

 IrinaIonesco35.jpg

 ...

(1) Schokken deden ze nauwelijks. Op 23 mei 1977 sierde een foto van de jonge Eva Ionesco de voorpagina van Der Spiegel. De tijden zijn evenwel veranderd. Als je naar het archief van Der Spiegel gaat zie je alle afleveringen netjes geklasseerd, alleen die waarop Eva staat afgebeeld is niet zichtbaar.

(2) “Il faut donc rendre grâce à Eva Ionesco, à son talent et à son courage, d'avoir signé ce film si personnel dans un esprit de drôlerie”. Jacques Mandelbaum in Le Monde.

...

Foto's: Anamaria Vartolomei en Isabelle Huppert in 'My Little Princess'; Anamaria Vartolomei in 'My Little Princess'; foto van Irina Ionesco; foto van Irina Ionesco.

31-05-14

MIJN FIFTIES, ZONDER MUZIEK

Vol spanning wachtend op de tweede aflevering over mijn ontdekkingen in de wereld van muziek (en geluid) hieronder enkele familiefoto's uit die periode. Schrijven over die tijd is bijzonder moeilijk omdat mijn leven tot mijn achtste op elk gebied zo anders was dan alles wat daarop volgde. Alleen al omdat van de taal, of alleszins van de dialecten, die ik toen sprak niets overblijft zijn de overgebleven herinneringen eerder vaag. Ook de niet-talige geluiden dompelden mij vanaf de zomer van 1958 onder in een andere werkelijkheid. Toch span ik me in om wat ik me wel nog herinner, vooral van de populaire muziek die mij al vroeg in zijn greep kreeg, de volgende dagen zo duidelijk mogelijk te verwoorden.

fifties- met vader en françois.jpg

fifties -  met moeder en françois.jpg

fifties françois en ik.jpg

Foto's: met mijn broer François en mijn vader; met mijn broer en mijn moeder; met mijn broer. In Merksem (Antwerpen) in de tuin van het huis van mijn grootmoeder en mijn tantes Ellie en Georgette.

22-01-14

GEDACHTESTREPEN

cy twombly3.jpg

Zou iemand gedachtestrepen al ooit vergeleken hebben met trapezes? Erwin Mortier deed het in zijn ‘Gestameld liedboek’, niet bepaald een opmonterend verslag van de fysieke en mentale aftakeling van zijn moeder. Maar de schoonheid van de woorden, de taal, de zinsbouw, overstijgt alle verdriet, zonder het onder een laag rococo te bedelven – zo slaagt Mortier erin om, als een alchimist, uit een rouwproces een onvergetelijk portret van een moeder te distilleren.

Dit is de zin: “Alleen al om aan gedachtestrepen – de trapezes van de syntaxis – heel even gewichtloos in de nok van een zin te kunnen hangen, laat ik deze woorden los.”

...

Beeld: Cy Twombly.

02-12-13

NUANCES OMTRENT HET GEZIN

one-flew-over-the-cuckoos-nest.jpg

Gisteren had ik het hier terloops over het ontspoorde gezin als steunpilaar van de maatschappij (“huis en auto’s moet afbetaald worden”), het huwelijk als dwangbuis en een vaak in gebreke blijvend onderwijs als negatieve elementen, hindernissen – of erger – op de levensweg van kinderen en adolescenten. Ik liet buiten beschouwing dat er uitzonderingen bestaan, goede ouders, degelijk onderwijs, en vooral alternatieven. Waar ik evenmin aandacht aan besteedde was de horror van de farmaceutische industrie, een  bepaald soort psychiatrie dat het ontwrichte gezin helpt in stand houden (daar heb ik in mijn leven al zoveel voorbeelden van gezien) en de geneeskunde in zoverre zij alleen winst nastreeft of dienstmaagd is van gigantische farmaceutische bedrijven. In deze grotere context is het gezin, het kerngezin (en zeker de liefdevolle band tussen moeder en kind, tussen vader en kind) eerder een beschermend cocon dan een instelling die ten koste van alles te bestrijden valt. Dat moest ik er nog aan toevoegen. Nuances zijn belangrijk. Liefde en vriendschap maken jonge mensen sterk en soms gelukkig. Zo kunnen zij opgroeien tot kritische enkelingen met voldoende gemeenschapszin, mannen en vrouwen die deze vermolmde, apocalyptische menselijke werkelijkheid, waar niemand meer tevreden schijnt te zijn, tegen alle verwachtingen in nog grondig zullen kunnen veranderen

Angelina-JolieGirl-Interrupted.jpg

Afbeeldingen:
1. One Flew Over The Cuckoo's Nest (1975), Milos Forman
2. Girl, Interrupted (1999), James Mangold. 

17-10-13

LEVEN EN DOOD IN DE VAN PRAETLEI

vanpraetlei1.jpg

In een van de huizen in de Van Praetlei werd je voor ’t eerst de geuren van een tuin gewaar. Van de aarde, nog net zo onbekend voor jou als een overleden man of vrouw. (Defunctus zou je later schrijven, een vreemd woord om de doden ver van je af te houden.) Van verwelkte rozen en rottend zaad en resten. Van vette, glimmende regenwormen. Je twee tantes – zusters van je moeder - zwegen er grimmig, dronken er thee, gingen elkaar soms te lijf, vanwege onenigheid over de smaak van hun confituur of slecht geschreven adressen. Hun gekrijs en de grijze kater die je kwetsbare vel openreet.


Op de harde parketvloer viel het Chinese porseleinen theekopje aan scherven. In kleine, glinsterende stukjes ontwaarde je nog exotische figuurtjes. Tante Georgette daarna met donkere ogen, en donkerder nog de ogen, donkere vijvers, van je tante Ellie.

Je moeder en vader dachten je met een klappertjespistool uit de speelgoedwinkel op de hoek en wat snoep te kunnen sussen als ze je bij de gezusters achterlieten, voor een huwelijk ergens. (Je dacht, daar gaan ze, naar weer een huis waar zeker de geur zal hangen van Elixer d’Anvers en sigaren van Willem II, van ossenstaartsoep en Limburgse vla.)

Grootmoeder had altijd in dezelfde gelige zetel gezeten. Twee grote oorlogen en treurnis vergetend, rustig als een vermoeide Oost-Indische vogel. Haar piepende adem, de astmasigaretten, haar kanten blouse. En dan opeens nog meer ademnood, dan opeens defunctus. Liep je in de lange begrafenisstoet door de Merksemse straten zo zwart als prikkeldraad in de nacht?

Na de begrafenis kreeg je zelf een astma-aanval, van de schimmel in de hoeken van de slaapkamer en het stof en de spinnenwebben, in weerwil van al het poetsen. Drie dagen en drie nachten in het hoge bed, bang dat je er uit zou vallen en je rug zou breken. Daar geen parket maar linoleum uit Krommenie, met zijn antropomorfe patronen die je koortsachtige verhalen over Marco Polo, Michael Strogoff en Ivan Ogareff influisterden. De ochtend van de genezing, de zon al hoog aan de genadige hemel, maakte je vader een foto van je, zittend in een rotan zetel, mager, onzeker van wat de rest van de dag en van het eindeloze leven zou brengen.

In een van de huizen in de Van Praetlei waaide Tante Georgette door de vale kamers in altijd ander tenue,  "naar de laatste mode". Tante Ellie slofte langs je in afgedragen zwart. Altijd was er die grote rode knobbel op tante Ellies neus. "Ge moet u laten opereren", zei je moeder telkenmale.  De ene een spilzieke vrouw, de andere, je meter, tante Ellie, een gierige pin.

De vele kwalen van Tante Georgette, meer dan ze kon verzinnen, tot er niets meer was om wat er niet was te vergeten, tot haar hoofd in de strop zat en omver geschopt de geduldige stoel.

Tante Ellie werd een bleek weeskind dat al gauw aan waanzin ten prooi viel. Haar donkere zwerftochten in het park en op het kerkhof. Werd ze niet uit huis verdreven? Om daarna lange jaren weg te kwijnen in Sint-Antonius-Brecht “waar de nonnen met haar opgespaarde geld aan de haal gingen”.

Vele jaren later in de Van Praetlei met je zoontje, “mijn god hoe groot hij al is”… Waar je een statige straat met grote villa's en naar pieren geurende tuinen verwacht tref je gekrompen huisjes aan en piepkleine voortuintjes. Je bent een reus geworden tussen nederzettingen voor dwergen. Is het een toeval dat je precies in die dagen ‘Gulliver’s Travels’ herleest?

Op het kerkhof ga je met je zoon op zoek naar de graven van je grootmoeder, van Tante Ellie, van Tante Georgette. Daarna eten jullie pannenkoeken met slagroom op de De Keyserlei en er is een film van Mel Brooks - en nu is het opeens dertig jaar later en is er ook van die wereld niets meer over dan wat vergeelde papieren (dagboeknotities, krantenknipsels) en wat oude namen (die niet meer zijn dan woorden).

...

Illustratie: de foto die mijn vader van me maakte in de rotanzetel is na al die jaren zoekgeraakt. De foto hierboven van mijn broer en mezelf is uit dezelfde periode, in het huis aan de Van Praetlei. 

28-09-13

ELDERS, VANDAAG

IMG_3962.JPG

Ongeveer tien minuten lopen tot aan deze spoorweg die naar elders leidt, naar andere dromen, naar wonderlijke en nare avonturen, voor sommigen naar de dood* die ze willen ontvluchten.

Het ware leven is elders, las ik hier en daar, en als ik elders was - in Flagstaff, in Marrakech, in Salamanca, om het even waar - herinnerde ik mij meermaals die wrede woorden. En op al die plaatsen, in al dat elders,  was het ware leven toch ook weer elders. 

Zelden ben je waar je moet zijn, waar je hoort te zijn of waar het goed is voor je. In een hoek met een boek misschien, of in een rode kamer met een geheimzinnige, zinnelijke vrouw, of in een winters bos als het bar koud is en de lucht diepblauw.
Zeker keer je nooit naar 1972 terug, naar Watermaal-Bosvoorde, naar het huis waar je in woonde en gelukkig was. Nooit meer zal je de jasmijnen die je daar uit een van de voortuintjes plukte – ze groeiden overvloedig, je was arm, je richtte geen schade aan – opnieuw plukken, nooit meer die zelfde zoete geur opsnuiven, nooit meer de euforie voelen die je als je daar met je kind wandelen ging voelde.

Gisterochtend, nadat ik door de mist gelopen had en in de metro en in bus 13 gezeten, dacht ik aan die dagen terug, die gelukkige dagen. Ik zat met je te praten, vertelde je over hoe het was om zo jong al vader te zijn, om voor ons kind te zorgen, en over de verrukking die zich in mij voltrok, een jaar eerder, toen mijn vrouw zwanger was en straalde als het heilig meisje dat ze was, hoe aards en aan het dagelijks leven gebonden ook… Hoe verrukkelijk ze was!
En ik vertelde je over de straat die naar beneden liep, de straat met de jasmijnen, over de geur daar in de maand mei, de lucht zoet en zwaar en licht en vol van mogelijkheden en toekomst.  En ik begon te huilen** als het kind dat ik nooit geweest ben, maar wel nog altijd ben. En ik verlangde ernaar door jou getroost te worden, verlangde ernaar dat je even door mijn haren streelde, maar dat deed je niet, omdat het niet mag.

Ja, heel even was ik daar waar ik altijd had willen blijven, in die mooie dagen, in wat nooit lijkt te zijn geweest en misschien ook nooit was. Omdat ook daar en toen het ware leven elders was. En daarom loop ik naar de spoorweg en zie de treinen vertrekken of wandel tot aan de sluis van Anderlecht waar de schepen moeten wachten tot ze weer verder kunnen varen naar elders, waar ze nooit aan zullen komen. Want elders is altijd elders voor altijd en vandaag is altijd vandaag.

*   Ja, denk hierbij maar aan Isfahan, denk aan ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck.
** "Un Ennui, désolé par les cruels espoirs, /Croit encore à l’adieu suprême des mouchoirs !" (Mallarmé, Brise Marine)

...
Foto: Martin Pulaski, 4 september 2013 

08-08-13

VANAF HIER HEBBEN WE HEM GEZIEN

jean simmons.jpg

Mijn ouders, hoewel laaggeschoold, waren geïnteresseerd in boeken en meer nog in films. Uiteraard waren ze geen cinefielen, ze hadden dan ook geen voorkeur voor regisseurs of zo. Wel voor genres. Mijn moeder hield vooral van musicals en romantische films, mijn vader van oorlogsfilms (en van voluptueuze actrices), ikzelf van westerns. Maar over dat laatste wil ik het nu niet hebben, dat is hier al veel te vaak aan bod gekomen.

Toen ik nog een kleine jongen was waren er in Antwerpen – waar ik in mijn kinderjaren vaak verbleef – massa’s cinema’s. Als we in Antwerpen aankwamen werd meteen Het Laatste Nieuws gekocht, vooral om te kijken welke films waar vertoond werden.

Vanaf mijn vijfde kon ik zelf de krant lezen. Ik herinner me nog heel goed de gretigheid waarmee ik dat deed: filmtitels, namen van sterren en zeker ook die van bioscopen…

In die dagen gingen wij nooit naar een film kijken vanaf het begin. Er waren bijna overal doorlopende voorstellingen. Je kon om het  even wanneer binnenkomen en weer  buitengaan. Als we bijvoorbeeld halverwege een film plaats hadden genomen in de zaal bleven we zitten om  naar de volgende voorstelling te kijken. “Vanaf hier hebben we hem gezien”, zei mijn moeder dan of was het mijn vader, “nu kunnen we vertrekken”. Dat zag ik zelf ook wel, maar ik wilde toch graag nog blijven zitten. Vreemd dat die tijd helemaal voorbij is. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat iemand nu nog zou zeggen, “we zijn weg, vanaf hier hebben we hem gezien”.

...

Foto: Jean Simmons in 'The Big Country' (1958) van William Wyler. Met een erg mooie soundtrack van Jerome Moross. 

 

03-05-13

OUDE LIEDJES

vader en moeder.jpg

Mijn moeder en vader kort na de tweede wereldoorlog. Mijn moeder was negen jaar ouder dan mijn vader, maar dat zie je op deze foto niet zo. Mijn vader leek wat op Hank Williams, maar dat heeft hij nooit geweten. In Neerharen en omstreken kende niemand Hank Williams. Was dat erg? Natuurlijk niet, hoewel ik vind dat de liederen van Hank Williams en country in het algemeen goed passen bij de Maasvallei, zeker in die lang vervlogen dagen toen ik nog niet geboren was. En later, in de jaren vijftig en zestig ook nog. Ik herinner me nu cinema Eden in Lanaken, waar ik op zondagmiddag vaak twee films zag: toen ik jaren later naar ‘The Last Picture Show’ van Peter Bogdanovich zat te kijken herkende ik daarin meteen die hele sfeer, en dat kwam ook door de soundrack met veel songs van Hank Williams. Helaas waren dorpen als Rekem, Neerharen en Lanaken heel wat minder glamoureus dan de “small town” in Texas van regisseur Peter Bogdanovich en schrijver Larry McMurtry. Hoewel Cybil Shepherd mij aan sommige heel mooie meisjes in Eisden deed denken.

 

Mijn vader is gestorven op 12 mei 1993. Twintig jaar na zijn dood zal ik wakker worden in een klein hotel - Ipnos - onder de vulkaan in Catania. Overigens bewaar ik alles. Zo heb ik dozen vol oude en recente treinkaarten. Een half uur geleden opende ik nogal impulsief een oude 'Chinese' blikken doos, van mijn ouders geërfd: het eerste wat ik aantrof was een treinkaart van Brussel naar Genk en terug, vertrek op 15 mei 1993, terugkeer op 17 mei 1993.

27-03-13

SUZY

suzie2.jpg

Met Suzy op de Garelli, in Neerharen. Mijn broer François maakte de foto.


Suzy was mijn tweede hond. Mijn eerste hond had mijn vader toen ik ongeveer elf was doodgeschoten. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniel, was altijd een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een vijftal minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open, een vieze smurrie maakte vlekken op het tapijt. Aangezien ik op internaat zat heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar. Mijn vader was bang voor artsen. Als ik ziek was, wat nogal vaak het geval was, moest er soms een dokter komen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Zelf bezocht hij nooit een arts. Als hij hevige tandpijn had, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij zelf een tand uit. Zo ging het ook met Jimpy. Geen dierenarts, maar het karabijn.


Veel later, ik weet niet meer goed hou oud ik was, kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals destijds Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste honden werd ons gezegd. De beste en de trouwste. Na enkele weken reeds waren ze braaf en gewillig. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel heftiger. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Meermaals viel ik in slaap op de grond, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. En wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik er mee wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld. Maar dat is nu lang geleden. De laatste keer was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer, maar hij woonde bij mijn ouders. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd.

Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broers verbeelding is ondoorgrondelijk. Als hij al verbeelding heeft, met al dat drinken. Maar van Suzy weet ik het nog goed. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op, ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we de hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, zei mijn moeder. Nee, dat kan niet, zei ik. Er is maar een Jimpy, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Susie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd bijzonder mooi. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Ik kon haar ongeveer alles vertellen. Maar we maakten ook veel ruzie. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen. Maar dat deed ik toch. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een goede naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

26-09-08

HET ZELF EN MIJN POPULAIRE MUZIEK


In verband met mijn vorige twee stukjes, niet veel meer dan lijsten eigenlijk, en de interessante commentaren daarop wil ik een aantal dingen verduidelijken.

Richard Rorty wijdt in ’Contingentie, ironie en solidariteit’ een hoofdstuk aan wat hij noemt de contingentie van het zelf. Ik wil hier niet de hele argumentatie herhalen; Nietzsche en Freud zijn wat dit betreft zijn belangrijkste inspiratiebronnen. Hij sluit het hoofdstuk af met deze woorden:


“We zullen de bewuste behoefte van de sterke dichter om te demonstreren dat hij geen kopie of replica is zien als louter een speciale vorm van een onbewuste behoefte om te leren leven met de onzichtbare afdruk die het toeval hem heeft gegeven, om voor zichzelf een zelf te maken door het opnieuw te beschrijven van die afdruk in bewoordingen die, misschien slechts marginaal, de zijne zijn.”

Ik haal dit hier aan omdat ik evenmin aanneem dat wij onszelf hebben gemaakt, noch dat we alles wat we op dit ogenblik boeiend, interessant, mooi vinden, zelf hebben gekozen. Dat is gewoonweg niet zo. Wat wellicht wel mogelijk is, is dat we met wat het toeval ons heeft gegeven een nieuwe combinatie maken en indien mogelijk en wenselijk ‘ons zelf’ heruitvinden.

Om wat ik wil verduidelijken heb ik een jaar nodig, want er komt zoveel bij kijken dat ik er op zijn minst een boek aan zou moeten wijden. Maar ik zal het kort proberen te houden. En daarna zien we dan wel weer.

Ik ben opgegroeid, eerst op een binnenvaartschip, later in internaten en oubollige scholen in een nog grotendeels godvrezend Limburg. Mijn ouders waren zoals dat wordt genoemd eenvoudige mensen. Ze hadden niet eens de basisschool kunnen beëindigen. Toch sprak en schreef mijn moeder voortreffelijk Frans en was ze geïnteresseerd in boeken. Zij heeft me leren lezen toen ik vijf was. Toen ik nog jong was kon mijn vader heel goed en boeiend vertellen. Dat had hij tijdens de oorlog geleerd, in krijgsgevangenschap en daarna in het verzet. Beiden hielden van eenvoudige liedjes, ik herinner me vooral ‘J’attendrais’ (het enige liedje dat mijn vader op zijn mooie gele accordeon kon spelen), Dalida, Mario Lanza, Edith Piaf, Bobbejaan Schoepen, en zo meer. Zulke liedjes, minderwaardig dan chansons, hoorde je ook wel op de radio. Al dat brave en sentimentele gekweel heeft mijn jonge oortjes geteisterd en gevleid. Wat ik mij er nu nog van herinner is de sfeer, het gevoel – iets zachts, fluweligs, eigenschappen die David Lynch in ‘Blue Velvet’ binnenstebuiten keert. Zo was toevallig een basis gelegd voor mijn latere muzikale smaak. Sentimenteel vermaak, tranerig gekweel. Ik bedoel dit geenszins negatief. Op  de lagere school werden zulke schlagers afkeurend straatliedjes genoemd. Vreemd, want ze waren zo onschuldig. Hoewel ze bij Fassbinder iets zeer subversiefs krijgen. Maar Fassbinder kende ik toen natuurlijk nog niet. De man had zelfs nog geen films gemaakt.

MARIAO LANZA


Toevallig had ik niet alleen ouders maar ook nog een zes jaar oudere broer, die al gauw in de ban raakte van de muziek van de duivel: rock and roll. Ik was zes toen ik Elvis Presley ontdekte, en met Elvis Presley alle Verenigde Staten. Dat had ik aan mijn opstandige broer te danken. Een nozem, zo werd luidkeels gefluisterd. Het zou nooit goed komen met hem. En dan die rock and roll, dat vreselijk lawaai. Elvis, Fats Domino, Little Richard, Wanda Jackson en Brenda Lee. Al begreep ik niets van de seksualiteit van die nieuwe muziekcultuur, toch was ik er van in de ban. Ik hield ook veel van de twist, bij ons bekend geworden dankzij Chubby Checker, die veel braver was dan Hank Ballard, de man die de twist had ‘uitgevonden’. Er ontstond een hele nieuwe cultuur van rock and roll, expo 58, broodroosters, milkshakes, honden die Laïka werden genoemd, jukeboxen, elke maand een andere dansrage, ‘scoobidoo’ en ‘hoola hoop’. Toen Elvis naar het leger moest, Chuck Berry in de gevangenis zat en Little Richard een predikant was geworden, was het einde van de rock and roll in zicht. Brylcreemkoppen als Fabian, Bobby Vee en Frankie Avalon werden nu populair. Bij ons had je vele Franse sterretjes die Amerikaanse songs in het Frans vertaalden, onder meer Johnny Hallyday en Richard Anthony.

LITTLE RICHARD 2

Vanaf mijn twaalfde beschouwde ik mezelf als een volwassene. Ik droeg een lange broek en had een polshorloge. Af en toe rookte ik stiekem een sigaret van het merk Peter Stuyvesant. Met mijn ouders en broer mocht ik zaterdags mee naar de ‘dancings’, de Orchidee en de Congo Bar. Ik kreeg dan repen chocolade of dronk Coca Cola. In een van die dansgelegenheden hoorde ik ‘Twist And Shout’ van The Beatles. Dat het een nummer van de zwarte Isley Brothers was, heb ik pas veel later ontdekt, en zelfs dat is niet de originele versie. Maar ‘Twist And Shout’ van the Beatles! Dat was mijn Damascus. De adrenaline als elektrische stroom door mijn jonge lijf. Die overrompelende stemmen, vooral die van John Lennon. Dit was niet langer de muziek van mijn broer, dit was mijn muziek.

BEATLES TWIST AND SHOUT

Een van de volgende dagen ging ik naar de plaatselijke platenzaak (ze verkochten er vooral stofzuigers en radio’s) en vond er de single ‘She Loves You’. Dat nummer heb ik wel duizend keer gedraaid. Ik veranderde mijn haarstijl, ging me anders kleden. Vooral de schoenen waren belangrijk. Nog wat later hoorde ik op onze transistorradio ‘Tell Me’ van the Rolling Stones. Dat was het! De heilige graal. Dat geluid, dat ritme, die gitaren, die stem gingen voor mij nog veel verder dan die liedjes van The Beatles. Hoe dat kwam kan ik niet verklaren, maar ik werd er veel dieper door geraakt. Ik kan het alleen maar euforie noemen. Zo begon mijn zelf zich af te tekenen door wat ik toevallig hoorde, en waaruit ik dan een keuze maakte. Zo werd mijn toekomst voor een groot deel bepaald. In 1965 gaf Bob Dylan met ‘Like A Rolling Stone’ mij volledige zekerheid dat ik had gevonden wat van mij was.

LIKE A ROLLING STONE 2

Daardoor luister ik nu nog steeds naar Engelstalige, vaak op blues gebaseerde muziek, vooral rock & roll en alles wat daar mee verwant is, of eraan is vooraf gegaan, zoals blues, rhythm and blues en country. En daardoor heb ik weinig affiniteit met klassieke muziek of muziek uit Azië, Afrika en de Slavische landen. Soms hoor ik iets in een film, zoals in het meesterwerk ‘De Muziekkamer’ van Satyajit Ray, en word ik diep ontroerd. Maar daarna grijp ik toch weer terug naar Bob Dylan of Lucinda Williams.

 

Over de crisis van de rock en de Westerse populaire muziek wil ik het in een volgend stukje hebben. Ik zal daarin mijn 'liefde' voor de Amerikaanse cultuur en subculteren onder de loep nemen.

 
OUT OF OUR HEADS

22-09-08

CREATIEF SCHRIJVEN


Herbegin het verhaal.

Gelet op het gebruik van zo weinig mogelijk moeilijke woorden.
Gelet op de voorkeur van de lezer voor korte zinnen.
Gelet op de verwarring die teveel stijlmiddelen teweeg kunnen brengen.
Gelet op uw lichaam en uw moeilijke ademhaling.
Gelet op uw beschikking over een terras dat uitgeeft op het Westen.
Gelet op de noodzaak over uw eigen tijd te schrijven.
Gelet op de krant die op uw keukentafel ligt.
Gelet op de overlijdensberichten.

Schrijft u het volgende neer (u begint meteen bij de tiende zin):

Hij kon onmogelijk een cynische man worden genoemd. Zijn nagels goed verzorgd. Altijd een zwart pak aan. Wat moest je daar achter zoeken? Zijn sportschoenen? Een auto bezat hij niet. Hij deed alles te voet. ’s Avonds keek hij naar klassieke films op dvd. Met een voorkeur voor film noir. Niemand wist goed waar hij vandaan kwam. In zijn omgeving werd hij de ‘Antwerpenaar’ genoemd. Was zijn hoofd leeg? Zijn verbeelding onbestaande? Hij sprak alleen als het niet anders kon. Vaak begaf hij zich naar de klas waar de dode kinderen op hun stoeltjes hingen. Blauw en koud. Een ganzenbord op de tegelvloer.
Nee. Zo was het niet. Hij was een klein mannetje dat van het ene vakje naar het andere liep. Soms sprong hij. Zijn aangezicht leek dan op de voorkant van een boek. In een van de vakken van het ganzenbord moest hij door een moeras waden. Brak, stinkend water. Onwillekeurig dacht hij aan zijn moeder als ze voor de spiegel stond. Liefde had zij hem nooit gegeven. Geknuffeld, nee. Anders zou hij wel vrolijker zijn. Wellicht was hij een zanger geworden. In de opera. Of een balletdanser zoals Nijinski. Nu was hij niet veel meer dan een arme gans. Hoe was het met zijn lever gesteld? Er werd goed voor hem gezorgd. Of je het nu gelooft of niet. Hij kon beschikken over een harde, gezonde matras. Als hij een advocaat nodig had stond er meteen iemand voor zijn voordeur. Maar dan struikelde hij weer eens een keer over een steen. Viel in een plas. Of de noordenwind ging met zijn paraplu aan de haal. Ook gebeurde het dat hij verdwaalde in zijn avenue. Dunne wanden waardoorheen hij stemmen hoorde. Ruzie, liefde, theater. Het waren stemmen. Hij wilde ze niet meer horen. Hij wilde ze niet meer horen. Wat betekende stilte?

Martin Pulaski, je tijd is om. Geef je opstel door aan je buurman.

17-08-08

WAAR JE VANDAAN KOMT


mother, aunt georgette, françois & me

Mijn moeder, haar zuster tante Georgette (die iedereen tante Jos noemde en zelf haar leven beëindigde toen ik dertien was), mijn broer en mijn kleinere zelf. In Antwerpen omstreeks 1960. Waar je vandaan komt. Mijn moeder is eenennegentig geworden. Maar wat heb je aan zo'n lang leven?

28-07-08

FAMILIESCHERVEN

 

tintoretto_dragon


De blauwe moeder steeg als een heilige ten hemel; als een verraadster liet ze haar bewaarengelen achter in een zonnenbloemenveld. Zij liep door een brandend braambos, overleefde een sprinkhanenplaag, een orkaan, duizenden popfestivals en kleine gouden goden in haar oren. Er was niets om van te genieten, alle herinneringen waren uitgewist. De toekomst was met tromgeroffel beëindigd. “Nooit meer oorlog”, schreven de dochters op de muren rond de stad.

De blauwe moeder steeg als een junkie ten hemel; haar geliefdes arm is nat van de tranen. Waar vindt hij voortaan de koude huid om te verwarmen en donkere ogen, spiegels. “Blijf, laat me je naam zijn, je zoon, je minnaar, je onverschillige gouden god”. Een kleuter is hij, een die modder eet en zich een weg baant door netels. Hij is een slapeloze trapezist, met een stem zo hees dat hij nooit meer een lied kan zingen.

In het hele land waren geen vaders. Nooit werd er gevochten. Waar waren de messen, de revolvers, de lange zwaarden? De jongens verloren zichzelf in hun bizarre dromen, in het speelgoed van giganten, in uitgestrekte sneeuwvelden en rijp koren. Korenbloemenblauwe dagen waren hun lot. De haat hield niet op, de haat voor elkaar, omdat zij niet wisten wie zij waren. Hun ogen weerspiegelden niets. Zij waren in essentie onbekenden.

De meisjes speelden voor koningin, voor pornoactrice, voor brandweerman. Ze reden in donkere limousines naar feesten van de hebzucht. Ze dronken dranken die in geen bijbel staan vermeld. Hun held was Newton. Hun huid was wit en donker en schitterde in de nachten. De nachten als parels aan het halssnoer van een wrede keizerin. Ja, zij speelden ook voor keizerin, voor pausin, voor straatveger. Zij hadden aan zichzelf genoeg zolang ze maar zichzelf niet waren. Op hun blote voeten op de koude steen, het warme marmer uit Carrara in de Apuaanse Alpen.

“Sing me back home before I die”. Dat was de afzijdige die over een holle weg liep. De landjongen. Hij hoorde de valse steelgitaren van de stad, zag nog de dramakoninginnen elkaar wurgen, herinnerde zich naakte feesten en onderonsjes van valsmunters. De haven ontvouwde zich voor zijn ogen. Daar waar de grote schepen zonder lading lagen te roesten. Zijn fatum – wie had het uitgesproken? - was op weg zijn naar elders, weg van glazen torens, weg van de wijnrode zee. In de richting van het Oosten liep hij, langs brandende schuren en verpulverde herders. Vlammenzeeën rondom hem, en toch had hij geen dorst. Nog steeds had hij geen dorst. ’s Nachts onder de sterren klopte zijn hart langzaam. Hij leunde tegen een eik. Hij herinnerde zich zijn overleden vriend. Hij fluisterde zijn naam. “Dallas”, dacht hij. “Dallas”, zei hij. De slaap ontrukte hem aan zijn queeste. De afzijdige kon niet dromen. De afzijdige kon nooit meer naar huis.

Beeld: Tintoretto, Sint-Joris en de draak (Soms wordt het werk ook 'Sint-Joris bevrijdt de prinses' genoemd. Het bevindt zich in het National Gallery in Londen.)

16-11-07

SECRETLY CANADIAN

Zoals de naam van het hippe platenlabel ben ik ‘secretly canadian’, denk ik soms. Ik zal het niet gauw toegeven, omdat het land niet echt cool is, figuurlijk gesproken, maar nu kan ik er niet meer onderuit. Ik had het er eergisteren nog over dat ik een nichtje heb die er woont; sinds haar emigratie, nu meer dan veertig jaar geleden, droom ik er al van naar Canada te reizen – en soms vraag ik me zelfs af waarom ik er destijds niet ben gaan wonen, in zo’n houten huisje, niet te ver weg van Toronto. Ik denk dat er weinig landen bestaan die zoveel natuurschoon te bieden hebben, om eens een eigenaardig woord te gebruiken. Natuurschoon, eigenaardig toch! Mijn Canadees familielid heet Josephine, een naam die hip was in de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarschijnlijk door de hit van Fats Domino, ‘Hello Josephine’. Ze is de dochter van mijn moeders enige broer, een reder, die jong gestorven is; hart en bloedvaten waren zijn zwakke plekken. Mijn moeder is heel oud geworden, maar met haar twee zussen is het tragisch afgelopen: de ene heeft zelfmoord gepleegd en de andere is door de shock van die vreselijke gebeurtenis ‘gek’ geworden. Zij – mijn meter, die buitengewoon gierig was - is in een rusthuis gestorven. Ik zal er later wel eens wat meer over vertellen, of misschien heb ik het hier al gedaan, mijn geheugen is niet meer wat het geweest is en ik heb geen register van alle onderwerpen die ik al heb behandeld. Met de broers van Josephine – die in België zijn gebleven - is het evenmin goed afgelopen: ze zijn allebei verdronken, de ene in de Schelde, de andere in een Antwerps dok.


Ik wilde het echter niet over mijn ongelukkige familie hebben maar over mijn liefde voor Canada. Veel meer dan met Josephine houdt die verband met muziek. Menige van mijn muzikale ‘helden’ zijn Canadezen. Eerst en vooral is er natuurlijk Neil Young, zowat een van de meest eigenzinnige zangers/gitaristen die de sixties hebben voortgebracht. Al bij Buffalo Springfield deed hij zijn zin, en nu is het niet anders. Om maar een voorbeeld te geven: op zijn laatste cd, ‘Chrome Dreams II’, staat een song die 18 minuten duurt en de luisteraar desondanks blijft boeien (‘Ordinary People’). Het feit dat zijn beste elpee, ‘Everybody Knows This Is Nowhere’, al van 1969 dateert wil niet zeggen dat hij later niets avontuurlijks meer heeft gedaan. De gitaarrock van Green On Red en Dream Syndicate heeft hem in de jaren ’80 opnieuw zin gegeven om zich te ‘verjongen’ en hetzelfde is gebeurd in de jaren ’90 dankzij Pearl Jam en Nirvana. (En ik mag Sonic Youth niet vergeten). Neil Young heeft heel wat kippenvelnummers geschreven over zijn land van herkomst. Het bekendste is waarschijnlijk ‘Helpless’, vaak gecoverd, onder meer door de Canadese zangeres k.d. lang, op haar ‘Hymns of the 49th Parallel’. Ik zou hier nog heel veel over Neil Young kunnen schrijven, maar dat is niet mijn bedoeling.


Een andere Canadese singer-songwriter die met kop en schouders boven de middelmaat uitsteekt is Joni Mitchell. Haar ‘Blue’ staat nog steeds in mijn top-20 allertijden. Onder andere in ‘A Case Of You’ zingt ze over haar geboorteland. (Overigens, waarom verlaten zoveel Canadese muzikanten hun vaderland?) Ze heeft een nieuwe cd, ‘Shine’, maar die moet ik nog beluisteren.

Heeft er in de populaire muziek met uitzondering van Bob Dylan iemand betere teksten geschreven dan Leonard Cohen? Denk alleen nog maar aan ‘The Tower of Song’. Een heel wat jongere Canadese songsmid heet Ron Sexsmith. Hij componeert heerlijke melodieën en zijn teksten zijn al even fraai - waarom is hij dan zo msikend? Komt dat door die bizarre familienaam?

Iedereen houdt natuurlijk van the Cowboy Junkies, met de sensueel fluisterende Margo Timmins. Er is net een nieuwe cd/dvd verschenen van 'The Trinity Sessions'. Als voorlaatste wil ik Jane Siberry noemen, al even eigenzinnig als Neil Young, zij het minder rich and famous.


dirt farmer

Wellicht houd ik nog het meest van al van the Band, afkomstig uit Toronto, met uitzondering van Levon Helm, een Amerikaan uit Arkansas. ‘Music From Big Pink’ en de tweede, bruine elpee staan eveneens in mijn top-20. Toen ik in 1968 voor het eerst ‘The Weight’ hoorde stond ik gelukkig rechtop, anders was ik van mijn stoel gevallen. The Band heeft tientallen andere bands, waaronder the Beatles, de weg gewezen naar een eenvoudiger, aardser geluid dan in die jaren trendy was (“heavy, man!”), heeft hen gewezen op de roots van rock & roll – en heeft nu ook nog grote invloed, onder meer op My Morning Jacket, Drive-By-Truckers en Mercury Rev. Ja, the Band heeft me veel zin gegeven om naar Canada te trekken. Helaas zijn twee van de meest innemende groepsleden al een tijd niet meer onder ons. Richard Manuel heeft zelfmoord gepleegd, en ik denk dat Rick Danko zich dood heeft gedronken. Voor hen was een bestaan zonder the Band niet leefbaar. Organist Garth Hudson wordt nog vaak gevraagd om mee te spelen bij jonge en minder jonge groepjes, onder meer bij de al genoemde Mercury Rev. Over ‘leider’ Robbie Robertson wil ik niets zeggen. Ik heb de indruk dat hij zijn vroegere vrienden verraden heeft. Levon Helm, de Amerikaan, heeft een zwaar gevecht tegen keelkanker gewonnen en heeft nu een nieuwe soloplaat, ‘Dirt Farmer’, zijn eerste sinds 1982. Ik wil ze zo snel mogelijk horen, maar ik heb toch ook geduld. Voor alles is er een seizoen. Zo ook om een keer naar de 'blue Canadian Rockies' te reizen.

01-07-06

DROOM, KEERPUNT EN ORAKEL

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Mijn moeder werd lafhartig vermoord: dit pijnlijke feit kwam ik pas later aan de weet. Met Laura ben ik, voor een paar dagen, in Neerharen. Bij Frankie, in de nabijheid van het schip. Zowel hij als Elfriede en ook de kleine Octavio gedragen zich geheimzinnig. Ik weet dat die geheimzinnigheid twee dingen kan betekenen: ofwel zwemmen, ofwel fotograferen. Alleszins heeft het met seks te maken. Je ondergoed uit doen en een badpak aantrekken. Want het is mooi weer. Mijn broeder neemt een afwachtende houding aan. Daarom wandel ik een eindje langs het kanaal tot aan de ijzeren brug. Aan de voet van een van de pijlers aan de kant van het dorp is de weg op zo'n ongewone wijze geplaveid dat je er niet naast kan kijken. Hoewel het min of meer normale plaveien zijn, doet het geheel denken aan een mozaïek. Het zijn rechthoekige stenen met een inscriptie erin. Elke steen draagt een boodschap. Op dat moment wordt het voor mij duidelijk dat mama dood is.


Niet alles wat ik verneem over mama's overlijden staat in de stenen ingegrift. Gedeeltelijk komt het mij verbaal ter ore, als verhaal, gedeeltelijk wordt het mij in beelden meegedeeld.
Mama loopt aan de andere oever van het kanaal, in de buurt van de kiezelgroeve. Terwijl het schip wordt volgeladen met grint maakt zij een wandelingetje. Een arbeider van de kiezelwasserij komt in haar richting gelopen. Zodra hij haar ziet ondergaat hij een gedaanteverwisseling. Hij neemt een dreigende houding aan en houdt haar tegen. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. Mama weet instinctmatig dat er onheil te wachten staat.
"Dacht ge dat ik altijd in de grint gewerkt had?" vraagt hij, "dan zit ge er lelijk naast. Want vroeger was het wel anders." Een brutale lach.
"Vroeger... Toen stopte ik de vergaste lijken in de kisten. Ja, toen stopte ik de lijken in de grond..."
Mama begrijpt te laat met wat voor smeerlap zij af te rekenen heeft. Niet alleen een smeerlap, een salaud, maar een gevaarlijke kerel. Met deze man valt niet te praten. Ze grijpt vliegensvlug een baksteen die daar op de grond ligt en slingert hem naar zijn hoofd.
Ik hoor haar dit vertellen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in de verleden tijd. Haar stem klinkt alsof zij van ergens onder water komt.
"Dat was een grote vergissing," zegt ze, "dat ik die baksteen naar zijn hoofd heb geslingerd. Ik had onmiddellijk weg moeten lopen, misschien had hij me dan niet meer te pakken gekregen."
Hoe heeft de nazi mama vermoord? Met zekerheid valt dat niet te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel heeft hij haar gewurgd, ofwel heef hij haar hoofd onder water gehouden tot ze verdronken is. In ieder geval heeft hij haar dood of levend in één van de oude kiezelgroeven geworpen, een van de putten die zich met water hebben gevuld en die er nu uitzien als slecht onderhouden, door oorlog geschonden vijvers.
Ik betreur het nu dat ik zoveel van de inscripties op de plaveien vergat.Op één van de stenen las ik :

LIEVE ZOON
LIEVE LAURA

Ze is er niet meer. Ik barst in tranen uit. Ik mis je, mama, ik mis je. Haar liefde voor Laura, zoals zij daar op die steen geschreven staat, in synthesewoorden die symbolen zijn, die duizend woorden en niet-woorden samenvatten, verhevigt mijn verdriet. Toch rijst er ook twijfel: wie is die 'lieve zoon', is dat mijn broer, ben ik het, zijn wij het beiden?
Voor haar dood heeft mijn moeder nog een onderzoek ingesteld naar de identiteit van haar moordenaar. De resultaten daarvan staan ook op de stenen als waarschuwing voor de overlevenden. Een uiting van haat of wraaklust ten aanzien van haar moordenaar kan ik me niet herinneren.

Na het ontwaken vertel ik de droom aan Laura. Zij wijst me op de afwezigheid van vader. Ik schrik. Want ik denk aan Lacans theorie van de psychose; de verwerping van de naam van de vader. Zou het dan toch waar zijn? Voor ik deze droom vertelde had ik nog een nachtmerrie.Een wedstrijd: hardlopen. Het gaat om een marathon die allesbehalve olympisch is. Geen van de lopers is werkelijk gemotiveerd. Het lopen is maar een middel, het doel een onbenulligheid, iets absurds. Ik denk: deze renners zouden even weinig gemotiveerd de dood tegemoet lopen en misschien is het dat wat ze hier doen.Het parcours is een kunstzinnig uitgevoerd labyrint, grotendeels in wit dennenhout uitgevoerd. Het geheel drijft op een wateroppervlak. Aan weerszijden van de loopstroken is er water. Hindernissen zijn er natuurlijk ook. Een van de lopers, een jonge man, speelt vals. Hij kort namelijk het verplichte traject eigenhandig in; soms springt hij van de ene strook op de andere. Door de bosjes en plantsoentjes raakt hij echter, na dergelijke sprongen over het water, gedesoriënteerd: hij weet niet meer welke richting hij uit moet. Vele, zo niet alle supporters sympathiseren met hem - waarschijnlijk precies omdat hij vals speelt - en wijzen hem de juiste richting.De loper en ik komen samen aan bij een openbaar toilet. Het is alleen maar een houten raamwerk - ook de deuren zijn doorzichtige ramen. Het is tegelijk ook een stortbad, merk ik nu. Een jongensachtige figuur, helemaal nat, maar glimmend, glibberig als een aal, opent de deur en komt naar buiten. Ik voel onmiddellijk een fysieke afkeer voor hem. Angst dat hij me zal aanraken. Hij is naakt en naar het mij wil voorkomen geslachtloos.
"Je bent zeker mijn vijand", zeg ik.
"Neen", antwoordt hij, "dat is niet waar!"
Vervolgens verdwijnt hij.

Nu zijn we al met zijn drieën, de jongen, het meisje en ik. We bereiken de grootste hindernis - een hoge, steile berg, die net als al de rest onnatuurlijk, kunstmatig is. Het is een bijzonder ingenieuze constructie in steen, hoekig, loodrecht als een flatgebouw, zeer solide. Er zijn platte stenen in verwerkt, een soort plaveien die afgerond zijn aan de rand en die ook wat uitsteken: ze moeten de beklimming van de berg mogelijk maken.

Met z'n drieën moeten we nu deze berg beklimmen - het blijkt niet zo moeilijk te zijn Het meisje is lief, ik merk dat ze bezorgd is om mij, wat me een warm gevoel geeft. We zijn aangkekomen. Of toch niet? We weten niet of we ons doel bereikt hebben. Althans: ik weet het niet.
Plotsklaps stort het meisje in een afgrond. En als ik haar hartverscheurende kreet hoor ga ik zelf wankelen, alsof ik ook val. De andere jongen is zo snel beneden…dat gaat mijn petje te boven. Het meisje is nog in leven. Nu is ze nog meer begaan met mijn lot. Vanuit de afgrond roept ze me toe:
"Blijf daar toch niet hangen of je zal vallen! Kom naar beneden, voorzichtig!" Maar afdalen kan ik niet. Alle stenen zitten los, en bovendien zijn ze nog glad ook. Ik kan me nergens meer aan vasthouden. Ligt dat aan mij of aan de berg? Ik val... En daarna ontwaak ik uit de leegte waarin ik neerviel en vertel ik de dromen aan Laura in dezelfde volgorde als ze hier neergeschreven zijn...

 

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Eindelijk wakker nam ik het boek ter hand dat op mijn nachtkastje lag, Baltasar Gracians Handorakel en kunst der voorzichtigheid: 

“Uitwegen vinden! De vrucht van een fortuinlijke levendigheid van geest! Dank zij die vlugheid en beweeglijkheid hoeft men verrassingen noch moeilijkheden te duchten. Menigeen overlegt lang, om zich daarna toch nog totaal te vergissen. Anderen bereiken alles zonder enig voorafgaand beraad. Er zijn van die antiperistatische naturen, die hun volle maat pas geven als zij in de knel zitten: onberekenbare wezens, wie zonder voorbereiding alles gelukt, en met overleg niets. Wat hun niet terstond invalt, vinden zij nooit; voor hen bestaat geen hoger beroep. De vluggen verwerven dus bijval omdat zij blijk geven van wonderlijke bekwaamheid: fijnheid in het denken en geschiktheid in het handelen.”

Die dromen droomde ik en dat boek lag op mijn nachtkastje op een vrijdag in november in 1978. Wat betekende dat allemaal? Wie legt het mij uit? Ik heb de indruk dat er sindsdien weinig is veranderd in mijn droomleven, en het citaat van Baltasar Gracian kwam tegemoet aan mijn ideale ik. Tot dan had ik op die manier geleefd. Fortuna lachte me toe. Waar had ik dat aan verdiend? Ik weet het niet. Maar het mooie liedje zou niet blijven duren. Mijn kansen zouden keren. Al heel snel zou ik slechte kaarten krijgen. Zelfs een schoppenboer was mij niet langer gegund. Ik vraag me af of dat toen een keerpunt in mijn leven was, die vrijdag, die droom, dat boek.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

10-04-06

TWEE BROERS

fietsen,eiland,vliegtuig,broer,station,ds,el paso,engels,spaans,border radio,soul,hippie,tim buckley,kolenmijn,mijnwerker,vader,streekkrant,moeder,dood,alleen,aldi,bier,rio grande,verwelkt,leeg,texas,deejay

Hoe vervoert hij zijn fiets naar het eiland en van het eiland weer naar huis? Hij vraagt zich af of hij ermee op het vliegtuig kan, in de trein en de bus. Hij is op weg naar zijn broer, maar het is niet duidelijk of hij droomt of waakt. Zijn broer woont nog steeds thuis, in het dorp aan de rivier en het kanaal. Zal zijn broer hem komen oppikken als hij aankomt in het station van G. (want hij heeft beslist om toch maar de trein te nemen)? Hij weet het niet. Wij weten het ook niet. Evenmin weten we of het een kanonschot is, achter de horizon, of een donderslag, of een oude auto misschien. Het zou wel eens een DS kunnen zijn. Hij vraagt zich af of hij zijn broer nog wel zal herkennen. Misschien is zijn gezicht gerimpeld en opgezwollen van de drank. Hij is lang weggeweest. Een soort van zelfgekozen ballingschap in El Paso, Texas. Hij heeft er Engels geleerd, zij het op de Texaanse wijze uitgesproken, en een beetje Spaans, tussen de immigranten uit Latijns-Amerika, verschoppelingen die in donkere stegen hun wijsheid moeten verbergen. You just can't live in Texas, if you don't have a lot of soul. Dat liedje werd veel gedraaid op zo'n border radio. De deejay was een oude hippie waarschijnlijk, want hij draaide ook wel eens Wings van Tim Buckley.


Zijn broer was er niet. Hij heeft twee uur gewacht en dan maar de bus genomen. Nu komt hij in zijn geboortedorp aan, waar het donker is als in de gangen van een kolenmijn. Zijn vader, die lange tijd mijnwerker is geweest, heeft hem daar vaak over verteld, over die donkerte. Zijn broer zit aan tafel, bij het licht van een lamp van 40 watt. Met ogen die er vermoeid uit zien, maar dan kan ook door dat zwakke licht zijn, zit hij de zoekertjes in de Streekkrant uit te pluizen. Of zijn het de overlijdensberichten? In de kamer ruikt het naar oude koffie en bier. Zijn broer stelt voor om wat te gaan fietsen. Een goed idee, zegt hij. Maar als hij buiten komt is het alsof hij blind is. Ze fietsen naar het kanaal. Hij is er gerust in dat hij niet in het water zal rijden. Hij voelt instinctmatig welke weg hij moet volgen; bovendien rijdt zijn broer aan zijn zijde, als een door god verwenste engelbewaarder.
Eerst is de weg van beton, maar al snel wordt het mulle grond, waar het moeizaam rijden is. Ze zullen in het bos aangekomen zijn. Gaandeweg klaart de hemel op. Daar komt de zon al op. Het heeft allemaal niets te betekenen, denkt hij. Het leven stelt niet veel voor, of het nu donker is of licht. Toch begint de hele omgeving nu licht te weerkaatsen, alsof alles betoverd raakt door hun aanwezigheid. Van zijn broer en hem. Dat licht gaat zijn verstand te boven. In Texas heeft hij alles wat idyllisch of pittoresk kan worden genoemd afgezworen. We kunnen hem moeilijk ongelijk geven. Wat verder is de bodem vervuild. Donkerbruine olievlekken ontsieren het witte Kempense zand.

Hun moeder is gestorven. Zou hij haar durven kussen, of eens knuffelen? Neen, dat kan niet, dat is iets wat zij zelf ook nooit deed. Het zou ongepast zijn om dat nu wel te doen. Het moet een koud weerzien zijn. Terugfietsend beseft hij dat hij alleen is op de wereld. Zijn broer is er nog wel, ja, maar die blijft hier in het bijna leegstaande huis. Hij mag bij zijn broer intrekken, heeft hij gezegd. Ze kunnen kaarten, haring eten, grote flessen bier van de Aldi drinken, fietstochten maken naar de mergelgroeven, of nog verder, tot in Duitsland. Voor hem heeft het geen zin meer, na Texas. Na wat daar is gebeurd, bij de Rio Grande.
Zijn broer zegt dat hij een deksel voor de theepot zal kopen. Die theepot staat op een traptrede, een porseleinen pot met een tinnen deksel. Immens droefgeestig maakt dat ongerijmd beeld hem. Het zal nooit meer beter worden. Het is een lege, verwelkte wereld.

21-02-06

SCENES UIT HET SCHIPPERSLEVEN


pa & ma


Om even te ontsnappen aan deze sombere februaridag keer ik even terug naar het Berlijnse café Oranium en ik drink ik in mijn gedachten van dat lekker Tsjechisch bier van het merk Krusevice, 50 cl voor 3.50 €. Het is een mooie augustusavond geworden. Waar hebben Laura en ik het over? Over het wonder dat Berlijn heet, een van onze uitverkoren steden, over het vele groen in de stad, over de verbluffende en avontuurlijke architectuur, over het bijna perfecte openbaar vervoer, over het Oosten en het Westen, over de ongedwongenheid, over de openheid voor elk verschil.

Maar dan raakt ons gesprek op een zijspoor: de familie, mijn familie rukt zich los uit de schaduw. Of gaat het eerder om een hoofdspoor? (Ik denk nu aan een song van the Rolling Stones, ‘Have You Seen Your Mother, Baby, Standing In the Shadow? De toen graag provocerende heren hadden zich voor de foto op het hoesje als vrouwen gekleed en geschminkt, waarbij ten minste één van hen in een rolstoel zit.)


Van de rijnaken – wij noemden dat schepen - van grootmoeder langs moederskant herinner ik me alleen nog de Honorine, die naar haar, mijn grootmoeder was genoemd. Mijn grootmoeder leed aan astma, maar was desondanks energiek.
De Rocco, het schip van mijn ouders, dat zij na lang zwoegen hun eigendom mochten noemen, was toen zij de binnenscheepvaart voor bekeken hielden niets meer waard. Zij hadden het genoemd naar Rocco Granata of naar ‘Rocco en zijn broers’, een film met Alain Delon (want mijn ouders gingen graag naar de ‘cinema’, elk dorp had er toen nog wel één, maar meestal gebeurde dat toch in Antwerpen).

Ik weet niet hoeveel miljoen Belgische franken ze in het schip hadden geïnvesteerd; de Belgische overheid was bereid hen een oprotpremie van honderdduizend frank uit te betalen als ze ermee ophielden. Dat deden ze dan maar. Het schip verkochten ze als oud ijzer. Dat was in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw: de eerste grote energiecrisis, de heerlijke autoloze zondagen, Roxy Music en David Bowie. Na 25 jaar schipperen hield mijn vader ermee op, hij werd arbeider, ging werken in een sloperij (waar ook het schip van mijn ouders werd gesloopt).

Mijn ouders waren lange tijd zelfstandigen geweest. Ze hebben nooit geld geleend. Als ze al iets kochten, betaalden ze dat met baar geld. Mijn vader schafte zich zijn eerste auto aan in 1957 of daaromtrent, het was een zwarte Ford Zephyr; ik vond het een prachtige auto. Later ruilde hij hem in voor een witte Ford Consul DeLuxe, die was nog mooier, nog hipper. Een televisietoestel kwam er pas in 1963 of 1964.

In de korte periode toen mijn vader het plan had opgevat een bungalow te kopen in Neerharen liep ik met een lekker gevoel rond. Het is bij vage plannen gebleven, mijn moeder was er tegen, zij dacht dat ze nooit zou kunnen wennen aan zo’n dorp. Zij was de scheepvaart gewoon, of anders de metropool Antwerpen, waar haar zussen en haar broer woonden. Zelf droomde ik van een leven aan de wal, ik wilde geen schipperszoontje zijn. Ik wilde niet anders zijn dan de anderen.

Het was de tijd dat ik Edgar Allan Poe gaan lezen. Ik had een exemplaar van ‘Zoek het eens op’ gekregen van Sint-Nicolaas, op de nieuwe schippersschool in Eisden. De vader van Jos, mijn vriend die veel later ‘zelfmoord’ pleegde, was er directeur. Het was een minzame man. Onlangs zat er overigens een uitnodiging voor een reünie van de alumni van die school in de bus. De bijeenkomst was op dat ogenblik al twee weken voorbij: de post werkt traag in Anderlecht. Brussel is volstrekt corrupt. Het is de vuilste grote stad van de wereld, omdat de meeste politici hier ofwel corrupt ofwel machtsgeil zijn. Zij liggen niet wakker van de ‘derdewereldstraten’ en de stront op de trottoirs, van een mank lopend openbaar vervoer met uiterst onbeschoft personeel, van de pisbakstations, van de grijze, half ingestorte huizen (waar Les Fleurs Du Mal goed gedijen), van de stadskankers, van de afwezigheid van rustige, groene plekken en veilige buurten. Brusselse politici zijn enggeestiger dan dorpspolitici. (Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Pascal Smet, die de taximaffia wil aanpakken en een groot zwembad wil laten aanleggen.) In dat exemplaar van Zoek het eens op stond een kort artikel over de schrijver van Annabelle Lee en The Fall Of the House Of Usher. Die geschiedenis heb ik hier al eens uit de doeken gedaan. Maar wat geeft het, herhaling houdt ons in leven. Er stond een prentje bij. Donkere priemende ogen. Poe had mijn hart veroverd. Was mijn ziel verkocht aan de duivel? Ik bestelde de verhalen van Poe, samen met werken van Alexandre Dumas en Victor Hugo via de post.

Mijn vader was een boerenzoon. Toen ik geboren ben had hij al bijna geen naaste familie meer. Zijn moeder was al dood. Waarschijnlijk had ze te veel afgezien als dienstbode in het kasteel van Hocht. Misschien was ze er wel verkracht door een baron of een stalknecht. Mijn grootvader ken ik niet. Er werd niet over gesproken. Niemand weet zogezegd wie die man was. Niemand heeft het ooit geweten. Ik ook niet. Misschien ben ik van adel, of ben ik een afstammeling van een ‘lagere soort’. Zoon van een dienstbode, zoals August Strindberg. Mijn levensgezellin en haar broers en zussen beweren dat zij van adel zijn. Hun vader was ook een natuurlijk kind. Vreemd hoe wij ons eigen verleden gaan zoeken in de anderen. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot het theater van Luc Perceval, al van in het begin. Toen wist ik nog niet dat hij een schipperszoon is. Mij maakt het niet uit of ik van adel ben. Ik dacht dat die mensen allemaal hun hoofd hadden verloren tijdens het schrikbewind, maar kennelijk is dat niet zo. Ik heb alvast nog een hoofd en mijn bloed is rood, zoals dat van de meeste ‘bloedmooie meisjes’ waarop hier in een commentaar werd gealludeerd. Ik vind bloed niet mooi. Rood echter wel. Als bloed geen bloed was zou ik het heel mooi vinden. Mijn vader was een mijnwerker, in de koolmijn in Eisden-Cité. Inmiddels is die al lang gesloten. Ik hield van de omgeving van de mijn, speelde graag cowboy en soms indiaan, in navolging van Brut Lancaster in ‘Broken Arrow’, op de ‘terrils’. Daar vond ik ook magisch glinsterende stenen, waarvan ik dacht het goud was. Ik had er een Hollands vriendinnetje dat heel graag liet zien hoe ze plaste. Het duurde even voor ik begreep wat dat betekende, ‘plassen’. Wij noemden dat ‘pissen’. Ik zie het meisje nog altijd bukken, terwijl ze naar me kijkt, en duidelijk met veel plezier, zo voor me gehurkt de zwarte aarde bevochtigt met haar goudgeel vocht. Een goudgeel mooi meisje!

Mijn vader ontmoette mijn moeder tijdens de oorlog op de kermis in Neerharen. Ook daar heb ik nooit veel over gehoord. Bestond er toen al een rups? Kort daarna zijn ze getrouwd. Twee zeer verschillende werelden doorkruisten elkaar. Eén zijn ze nooit geworden, denk ik, maar ze zijn wel vijftig jaar samengebleven, tot de dood hen scheidde. Ik denk niet dat mijn vader een gelukkige jeugd heeft gekend. Hij heeft er me nooit over verteld en er was ook niemand aan wie ik er iets over kon vragen. Zijn nicht Berb en haar man waren zeer zwijgzaam. Zijn tante, die Moe werd genoemd, was catatonisch. Ze kleedde zich altijd in het zwart als een Italiaanse weduwe en kwam nooit uit haar ‘crapaud’. Haar rechterhand omklemde steeds een kleine portemonnee en een rood zakdoekje, alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten, hoewel ik dat nooit heb zien gebeuren. Mijn vader had heel wat vrienden in Neerharen. Goede mensen. Ze kenden elkaar uit het verzet. Op het einde van zijn leven deed mijn vader niets anders meer dan andere oud-strijders en mannen uit het verzet gaan ‘begraven’. De overgebleven oud-strijders speelden tot in het ruggenmerg doorzinderende muziek op de begrafenis van mijn vader. Ik heb daar kort na de begrafenis een gedicht over geschreven, met als titel ‘dorpstafereel’:

's Morgens in de vroegte
als het blauw begint
zetten oude mannen met medailles
hun lippen aan het koper.


Ze lijken van ver te komen
als zij het enige vredeslied blazen,
ze staan daar omdat het zo moet
onder de zon die ieders rug breekt.

Hij is verast, dat wilde hij zo. Ik had hem veel liever in de grond geweten, met een mooie grafsteen erboven. Een dode mens hoort in de grond. Niet in een kastje in een grijze muur. Ik wandel graag op kerkhoven. Brussel heeft mooie kerkhoven, oorden van rust en dagdromen. Die zijn nog niet afgebroken, die kerkhoven Er rijdt zelfs een bus met als bestemming Cimétière de Bruxelles / Kerkhof van Brussel. Hoewel ik weinig weet over mijn vader, zou ik veel over hem kunnen vertellen. Toen ik klein was zag ik hem als een held. Maar hij was geen held. Hij heeft bijvoorbeeld nooit iets opgeblazen. Hij heeft nooit een nazi doodgeschoten. Ratten, ja, dat wel. Hij heeft heel wat ratten doodgeschoten.

Ik begrijp dat ik meer moet vertellen over mijn vader. En over mijn moeder. Over die kant van de familie. Daar zijn zoveel verhalen over. En mijn broer, en mijn nicht in Canada. Een kleine familie, maar dapper! Ik heb nog veel tijd nodig, en veel woorden, en weinig dementie en al helemaal geen Alzheimer.

13-07-05

FAMILY PLOT


cold sixties

Gisteravond had ik een gesprek met Laura over onder meer mijn vader en François, en toch, zoals zo vaak en tot vervelens toe, ook weer over mezelf.

Mijn broer heeft als hobby's fietsen en vissen: dat is de jongere pa, zei ik. Zijn interesse voor vrouwen: de oudere pa.

Veel wisselende relaties met vrouwen? Waarschijnlijk niet, noch mijn pa, noch mijn broer. De enige buitenechtelijke relatie van mijn vader waar ik van op de hoogte ben is die met Jet. Maar dat was dan ook serieus. Jet was een dikke, levenslustige vrouw. Ze is overigens nogal jong gestorven. De wat jongere vrouw moet een compensatie geweest zijn voor mijn moeder, die tien jaar ouder was dan mijn vader en nogal melancholisch van aard. Wat dat betreft lijk ik wel wat op haar. Ook haar hypochondrie, haar eeuwig geklaag over pijnen en ziektes heb ik van haar geërfd. In weerwil van al dat geklaag is ze toch 91 geworden. Maar ze heeft nooit gerookt en nooit alcohol gedronken.

Mijn vader en Jet hadden een zoontje. Ik heb dat halfbroertje van mij nooit gezien. Ik weet zelfs niet hoe de jongen heet of wanneer hij precies geboren is. Het is ook de halfbroer van Daantje. Met Daantje heb ik eens een zomer doorgebracht. Ik vond het geen leuk kereltje, maar er was op dat ogenblik geen alternatief. Ik denk dat ik met mijn lange haren en mijn adoratie voor the Velvet Underground en the Doors een rolmodel voor hem ben geweest in 1967-68. Onze contacten speelden zich vooral af in mijn 'kamer', het vooronder van de spits Pulco genaamd (een samentrekking van Pulaski en Costers). Andere avonturen in het vooronder: hoe ik mijn verjaardag vierde met Jan D, Henri J, Luc V, Anita en nog een ander meisje van wie ik de naam vergeten ben.

De kapper Henri, zoon van Berb, die zelf ook al een kapsalon had, al was ze eigenlijk een boerin, en van Jang, die in de grindwasserij in Neerharen werkte. Een magere vent was dat, Jang, een man die niet veel zei. Henri was een wielrenner die graag peppillen slikte. François, eveneens bij de beginnelingen, deed daar niet aan mee. Die wilde het op eigen kracht proberen, maar dat lukte hem niet echt. Meestal gaf hij op of kwam hij als een van de laatsten over de meet, een paar keer kwam hij vrij ernstig ten val.

Ons gesprek gisteravond, op het terrasje, met uitzicht op de verwilderde tuin, die me vaak aan tuinen in romans van Virginia Woolf doet denken, begon met de haarperikelen van Agnes. Ik zei: ik had een neef, Henri, die kapper was, enfin, een achterneef eigenlijk. Hij was ook coureur, nam peppillen, met twee rode strepen op de verpakking. Zo'n verpakking heb ik de eerste keer in mijn leven gezien bij Henri Welkenhuijzen, in de Ladderstraat 142 in Neerharen. Hij of Berb, dat weet ik niet meer precies, heeft mijn haar gedaan voor mijn plechtige communie. Met van die fantastische bekken, zo noemden wij dat, golven waren het eigenlijk. Bij Berb en Jang rook het altijd naar varkens. We kregen soms een kom kop, als ze weer eens een varken hadden geslacht.

In de keuken bij Berb, waar zoals bij veel eenvoudige mensen alles gebeurde - echt veel kan dat niet geweest zijn - zat mijn vaders tante, Moe werd ze genoemd. Ze zat er altijd in de zetel, met een zakdoek in haar hand. Ik heb haar nooit een woord horen zeggen. Als zus van mijn grootmoeder (ze heette ook Pulaski), moet ze geweten hebben wie de echte vader van mijn vader was. Wellicht was het daarom dat ze zweeg. Of was ze echt stom? Ik zal het eens aan François moeten vragen. Maar die zal het zich ook wel niet meer herinneren, met de weinige hersencellen die hij nog heeft.

Ik ben eens met pa, toen ik nog heel klein was, over een paadje gestapt, door een bos. Het pad liep van aan het kanaal tot helemaal in het dorp. Het is de eerste herinnering die ik heb van een bos en van een dorp. Ik kwam recht van het schip, een geïsoleerde microkosmos die niets natuurlijks heeft, liep door een bos, en kwam in een dorp waar een sterke geur van graan en varkens en koeien hing. Het was midden in de zomer, heel warm, zelfs in het bos. Het was een nieuwe wereld, dat bos met al zijn groen, de struiken dicht bij de grond, de bloemen, het zachte gezoem van insecten, en aan mijn hand mijn vader, heel groot en sterk naast me, mijn vader die me tegen elk gevaar kon beschermen. En het dorp was al net zozeer een nieuwe wereld: er was geen lawaai van machines, het rook er niet naar teer of naar diesel, niet naar steenkool of chemische industrie. Neerharen.

Met de stad, althans de randstad, met name Merksem, waar mijn moeders twee zussen en enige broer - tante Ellie, tante Jos en nonkel Frans - en hun moeder, Honorine, woonden, was ik meer vertrouwd. Maar daarover heb ik het gisteravond niet gehad. Mijn tante Jos heeft zich al vaak genoeg opgehangen. Mijn tante Ellie is al vaak genoeg als zenuwzieke zwerfster van de straat geplukt en in een asiel gestopt. Rusthuis noemde mijn moeder een dergelijke instelling.

Wel maakte ik die avond een sprong naar het geweld in mij, en hoe het zich is blijven herhalen. Het geweld tegenover anderen, vroeger, maar ook het geweld dat zich tegen mezelf keerde en het geweld dat ik uitlokte. Wellicht houdt het verband met de angst om in de steek gelaten te worden, waar ik extreem gevoelig voor ben. Gerrit heeft aan dat gevoel voor het eerst een naam gegeven: verlatingsneurose. Je wilt niet uit het paradijs verdreven worden. Niet opnieuw. Natuurlijk weet je dat je al in de hel zit. Maar dat tracht je nu precies te vergeten door te drinken, joints te roken, pillen te slikken en te vrijen…Toen ik met die dingen gestopt ben, in 1980 (behalve met vrijen en soms drinken), is de agressie ook verdwenen. Wordt vervolgd?

Foto: Martin Pulaski, Mijn broer en zijn vrouw.