04-10-16

CRISIS, NUCHTERHEID, UTOPIE

Drive-By-Truckers-American-Band.jpg

Ontwaken met misselijkmakende hoofdpijn en nog moeër dan toen ik ging slapen: het verbaast met niet meer. Ik voel me al enkele weken, maanden zelfs, slap en uitgeput maar vind geen duidelijke oorzaak. Te weinig energie om een literaire tekst te schrijven, om woorden met het oog op concrete schoonheid met elkaar een verband te laten aangaan. Om er zinnen van te maken en paragrafen die tot de verbeelding spreken. Mijn eigen verbeelding is alleen ’s nachts aan het werk, als ik het geluk heb te dromen. Misschien maakt die nachtelijke activiteit me zo moe? Tot nog niet zo lang geleden noteerde ik mijn dromen en gebruikte die (soms) als grondstof voor schetsen en verhalen. Nu kan ik de stap van de chaotische droom naar de heldere verwoording niet meer zetten. Voorlopig toch niet. Bovendien is al meerdere jaren binnen in mij een gevecht aan de gang tussen het dromerige, wat ik de mijmering noem, en de nuchtere beschouwing. Ik dacht de twee vormen te kunnen combineren, maar ik blijf afwachten. Te lang misschien? Want het gezond verstand zegt dat je moet doen, handelen, en niet stil blijven zitten en altijd maar aarzelen en twijfelen.

Het verbaast me ook niet meer dat bij ING meer dan drieduizend mensen worden ontslagen. Ook zulke gebeurtenissen dragen bij tot de misselijkheid die ik voel, maar verbazing? Nee, geen verbazing. De multinationals en de banken staan boven elke wet en ze hebben ons en ‘onze’ politici in hun wurgende greep. Ik schaar me achter vakbondsacties, stakingen en betogingen, maar weet dat alleen een revolutie op zeer grote schaal deze ellendige stand van zaken kan veranderen. In het verleden is het echter na een revolutie zelden beter geworden. Lees er – onder meer – Peter Sloterdijks ‘De verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd’ maar op na. (Overigens geloof ik dat na bestudering van dat diep pessimistische boek mijn mijmerend schrijven is stilgevallen.) Is er dan helemaal geen uitweg? Weinigen schijnen nog een antwoord te hebben, het begin van een oplossing voor te stellen.

The HarderTheyCome.JPG


Ik beluisterde ‘American Band’ van Drive-By Truckers en kreeg weer hoop. Dit is Amerikaanse rock & roll die uit de ziel en het hart komt, opstandig en sterk en trots maar zonder zekerheid hoe het nu allemaal moet. Wat zeker is, is dat muziek en kunst in het algemeen bij om het even welke maatschappelijke verandering een doorslaggevende rol zullen spelen. Patterson Hood en Mike Cooley, de liedjesschrijvers van de Truckers, maken protestsongs van deze tijd. Ze gaan over de Verenigde Staten, het Zuiden, racisme, geweld, maar ze zijn tegelijk universeel. We kunnen ons herkennen in de problemen die ze beschrijven, in de immense crisis die in de Verenigde Staten gaande is maar die ook ons Europeanen dreigt te verlammen. De teksten van de Truckers drukken wanhoop uit maar de muziek zit vol hoop en energie en leven. Deze muzikanten doen het niet alleen maar voor het geld, voor de drugs en de groupies, zeker niet. Je hoort dat ze naar een waarheid zoeken, naar iets wat in het verleden waardevol was en dat in de toekomst nog zal zijn.

Wat me opvalt is dat wat de voorbije dagen tot me doordrong veel samenhang vertoont: de ‘objectieve’ werkelijkheid, hoe die in de media aan ons wordt getoond, de apocalyptische serie ‘The Leftovers’ – met daarin het prachtig lied ‘Let the Mystery Be’ van Iris DeMent - , ‘The Harder They Come’ – vertaald als ‘Wie storm zaait’ - van T.C. Boyle en ‘American Band’ van Drive-By Truckers. Dat kan geen toeval zijn. Het is, denk ik, de hoogste tijd om de energie die ons nog rest op een positieve manier aan te wenden. Niet alleen door elkaar alleen maar te verdragen of naar elkaar te luisteren maar door elkaar lief te hebben. Ik weet dat het utopisch klinkt maar we zijn allemaal van dezelfde familie.

Leftovers_PillarMan.jpg

 

23-09-12

MELANCHOLIE VAN HET MOGELIJKE

 

mijmering,lagos,portugal,algarve,herinneringen,individuele geschiedenis,vertellen,tijd,nuances,vergetelheid
Lagos, Portugal, 22 september 2012.



Ik zit op het terras van ons appartement in Lagos. Om me heen rust en bladeren en bloemen (van de meeste ken ik de naam niet eens).  Geluid van kabbelend water, een lichte bries, wegdrijvende wolken na een onweer. De lucht diepblauw, een weerspiegeling van de Atlantische Oceaan. Het regenwater droogt op, het groen is veelsprekender dan de voorbije dagen, nu het verzadigd is. Een echte dichter zou woorden vinden voor al die tinten van groen, blauw en van van geel en oker (van aarde, tegels). Maar een armoedetaal heeft eveneens haar charmes. Of niet soms?

Ik sprak de voorbije dagen veel over films en boeken en over mijn individuele geschiedenis. Het is merkwaardig hoe vooral het verleden tijdens een reis in een ander daglicht komt te staan, een helder daglicht, met veel schakeringen, nuances. Veel wat vergeten was steekt weer de kop op, de details zijn niet langer onbelangrijk, je geleefde leven niet van zin verstoken. Van de meeste van die vertelde geschiedenissen over ooms, tantes, schooldagen, eerste liefjes, vriendschappen, opstandigheden, teleurstellingen, armoedige reizen, momenten van geluk en verandering, herinner ik me nu alweer niets meer. Momenten van helderheid zijn opnieuw wazig, mogelijk belangrijke gebeurtenissen in een donkere, modderige poel van vergetelheid verzonken. Wat jammer, ik had alles moeten noteren – terwijl ik vertelde. Maar nee toch: dan zou ik helemaal niets hebben verteld. Die verhalen komen er alleen vanzelf, als je omgeven bent door wat je niet kent, als het verre nabij is en je je veilig voelt, ver weg van bijna al degenen die je kunnen begrijpen, verstaan, van bijna al degenen die je pijn zouden kunnen doen of misverstaan.


Bovendien is niet een moment uit je persoonlijke geschiedenis van enig belang in het licht van de eeuwigheid. Is het niet best om alles op die manier te bekijken en zodoende een zorgeloos leven te leiden? Natuurlijk wel, en iedereen zou dat vermoedelijk ook doen – maar het behoort helaas niet tot onze mogelijkheden. Of misschien wel tot onze mogelijkheden, maar door de omstandigheden waarin we elke dag verkeren blijven onze mogelijkheden altijd maar dromen, potentiële situaties die we voor ons uitduwen, die we nooit echt kunnen verwezenlijken, niet echt kunnen beleven. Altijd is er die afstand tussen wat we in het dagelijks leven zijn en wat we daar voorbij, in een parallelle wereld, zouden kunnen zijn, wat we zouden kunnen worden.

Ja, we weten al heel gauw dat we nooit zullen worden wat we eigenlijk zouden willen en moeten worden. Meestal durven we dat zelfs niet onder ogen zien. Meestal denken we dat het leven is wat het is. Dat is de diepe melancholie die aan ons bestaan ten grondslag ligt. Een melancholie die ons in staat stelt om zoveel genuanceerde verhalen te vertellen over wat wij hebben beleefd, over onze individuele geschiedenis, over belangrijke films, onvergetelijke muziek, over boeken die de tijd maar blijven trotseren.

 

24-12-07

COMES A TIME, VROEG ZIJ

“De meeuwen op het water hebben het roerloze en blanke van waterlelies”, zo meende hij zich te herinneren uit een boek. En zo zei hij het tegen haar, omdat hij zelf niets kon bedenken.

“Heb je al eens een albatros gezien”, vroeg ze.

“Ik denk het wel, op Long Island, geloof ik,” zei hij.

“Bij sommige albatrossen is de schaduw van hun vleugels zo zwaar dat ze niet meer kunnen vliegen”, zei ze.

“Zeker niet bij vochtig weer”, voegde ze eraan toe.

“Heel goed mogelijk”, zei hij, terwijl hij een blik naar buiten wierp, waar vuile mist hun eenzame spar aan het oog onttrok.

“We kunnen hier niet blijven”, zei hij.

“Zodra we geld hebben, verhuizen we naar een ander land”, zei ze.

“Zodra we geld hebben…”, mompelde hij.

“Een eiland, zuivere lucht, bomen, loslopende dieren…” ging ze verder.

“Hebben we daar nog tijd voor, om aan dat geld te komen”, vroeg hij.

“Voor de ziel bestaat geen tijd”, zei ze.

“Maar mijn botten kraken, en vorige nacht heb ik die van jou ook horen piepen”, zei hij.

“Misschien moet alles een keer gesmeerd worden”, zei ze.

“Er zouden garages voor het lichaam moeten bestaan”, zei hij.

“En wat denk je van een alternatieve carwash, een bodywash, een gang waar je door moet lopen en als je eruit komt ben je weer proper en ruik je lekker…”, opperde zij.

“Ja, daar zit muziek in”, zei hij.

“Ik heb zulke zware voeten”, zei zij.

“Bij mij zit het op de longen”, zei hij.

“Laten we nog een glaasje wijn drinken”, zei zij.

“Het leven is toch niets waard”, beaamde hij met andere woorden uit het boek.

“Ach, dat is allemaal relatief”, zei zij.

“Ik zal nog een plaatje opleggen van Neil Young”, zei hij.

“Comes a time, toch”, vroeg zij.

“Comes a time”, zei hij.

 

kerstwensen,foto,1973,comes a time,neil young,geld,eiland,gesprek,mijmering,verlangens,vuile lucht,martin pulaski,holsbeek

Oprechte kerstwensen voor iedereen. Don't get lost on the human highway!

04-10-07

HET GEHEUGEN, HET ZELF EN DE TIJD

tijd,geheugen,gevecht,herinnering,mijmering,geschiedenis,balans,onderzoek,wereld,proust,wonen,handelingen,schrijven,vergetelheid,politiek

Foto: Martin Pulaski, 2007.

Is de tijd gekomen om een balans op te maken van mijn leven? Het zou niet de eerste keer zijn. Een kritisch ‘onderzoek’ dat licht moet werpen op het nu. Wat doe ik, waarom doe ik het? Wat zijn mijn beweegredenen? Verwerpen wat dient te worden verworpen. Het is een gevecht met mezelf, een afrekening ook, bijna zoals je met een vijand afrekent. Waar en wanneer heb ik mezelf iets voorgelogen? Welke conclusies, welke handelingen waren verkeerd? Het is een moeilijke opdracht, maar wellicht noodzakelijk. 
 

Is er in mijn wereld nog plaats voor idolen? Valse idolen moeten van hun voetstuk vallen – en welke idolen zijn echt?


Op dit ogenblik heb ik de indruk dat ik me tot dusver voornamelijk met bijkomstigheden heb beziggehouden, dat ik dus eigenlijk veel van de mij toegemeten tijd heb verspild. Dan is het echt wel nodig om vanaf nu voor de tijd die me nog rest in de richting van de ‘essentialia’ te gaan.


Waarom zit ik hier, in dit appartement, in deze kamer, die ik zoveel als mogelijk heb ingericht naar mijn eigen smaak? Wat heeft die smaak te betekenen? Ben ik dat, druk ik mezelf daar in uit, of is het een toegeving aan dwingende factoren waar ik geen vat op heb? Want heel vaak lijkt die smaak verkeerd, heel vaak heb ik de indruk dat ik in de verkeerde kamer zit, dat bijvoorbeeld al die boeken weg zouden moeten, dat een quasi lege ruimte veel meer aan mijn ‘karakter’ zou beantwoorden.


Heeft het weinige wat ik nu doe – en het is echt minimalistisch – enig belang in het geheel van mijn bestaan en in het grotere geheel waar mijn bestaan een - slechts bij wijze van spreken - microscopisch deeltje van vormt: de wereld, de geschiedenis, het universum? In zekere zin is deze vraag tevens een antwoord. Maar zo’n uitspraak zegt weinig.


Een gevecht met mezelf is een gevecht met mijn verleden, met mijn geschiedenis. De vragen zijn wapens die kunnen verwonden, doden zelfs. In hoeverre ben ik het zelf die ze stel, en komen ze niet als vreemde voorwerpen in mijn hoofd terecht, opgedoken uit het duistere, onbekende? Voel ik nu een behoefte aan controle? Het vragen zelf is problematisch, de manier waarop een vraag wordt geformuleerd is altijd op zijn minst gedeeltelijk bepaald door vormen uit het verleden.


Er is niets dat niet is aangetast door de tijd. Er bestaat geen vacuüm waarin voorwerpen en gedachten onaangeroerd bewaard blijven. Er is geen positie van waaruit we gevoelloos en objectief kunnen terugkijken op wat was, op wat we hebben verricht of nagelaten. Het geheugen zelf faalt, omdat het net zo goed aan de tijd is onderworpen. Zijn zuivere en juiste herinneringen mogelijk? Als ik me niet vergis dacht Proust van wel. Misschien is het hoogmoedig van mij om Prousts hypothese te betwijfelen, maar zo is het nu eenmaal. Ik geloof er niet in. Wij vervormen alles. Van A maken wij A kwadraat en B geven we  – misschien onterecht – een negatieve waarde.


Gelukkig, zeggen we meer dan eens, is er de vergetelheid. Zelfs essentiële gebeurtenissen uit ons leven, vooral uit de kinderjaren, kunnen we vergeten – soms voor altijd, ook een lange psychoanalyse weet ze niet weer op te rakelen. Zo’n falen werpt een schaduw op elke ‘verhelderende’ herinnering, op elke analytisch-onderzoekende, kritische terugblik. Er is zelden helderheid, ook al kauwt de halve wereld op het woord ‘verlichting’. Iemand heeft het licht uitgedaan, er schijnen alleen nog wat waakvlammetjes te branden. We kunnen wel geregeld de aangename indruk krijgen dat we onszelf wat beter kennen – we zijn oud genoeg om het nu wel te weten – maar zeker kunnen we daar nooit van zijn.


Wij leven in een politieke en culturele wereld waar het geheugenverlies toeneemt. Wijst dat niet op verval en ontbinding?


Als ik aan een gevecht denk, denk ik meteen ook aan een reis. Het afrekenen waarover ik het hierboven had gebeurt tijdens een reis door de tijd. Ik reken af met mijn vijand, de vijand in mij, en tegelijk reken ik af met stukken tijd, met ‘het verleden’, waarvan ik niet weet of het wel het juist herinnerde verleden is. Ik heb dan wel oude, vermolmde normen en waarden verworpen, maar wat ik overhoud is onzekerheid en chaos. Daar moet ik het mee doen, daar moet ik mijn toekomst op bouwen. Een moeilijk begin voor een tweede of derde adem. Maar als het moet spreek ik mezelf wel tegen.