18-03-17

TRISTESSE ANDERLECHTOISE

DSC_0224.JPG

“…aangezien elektrische stroom kostbaar is en een in zijn eigen autonomie ingesponnen mens het best zonder dat licht kan stellen, heb ik lange nachten.”
Hermann Broch, Huguenau of de zakelijkheid

Als ik vanuit mijn werkkamer naar buiten kijk zie links van me de bomen van het Astridpark en een stukje van het stadion van Anderlecht. Aan dat stadion heb ik me jarenlang geërgerd omdat het zoveel ruimte van het park in beslag neemt. Maar die ergernis is langzaam weggeëbd. Eerst is er berusting voor in de plaats gekomen, daarna heb ik mij stilzwijgend met de mastodont verzoend. Voor mij mag het hele Astridpark nu voetbalstadion worden. Dan kan ik er ooit misschien nog eens een keer naar U2 gaan kijken, of naar Lady Gaga.
Het stadion is zowat het enige wat in deze buurt nog enige aantrekkingskracht uitoefent. Ik heb nooit van voetbal gehouden – maar ik ben er ook niet tegen. Dat zou absurd zijn. Soms gebeurt het zelfs dat ik opga in een match. Dan voel ik mij een echte Belg, een Rode Duivel, of afhankelijk van waar ik mij bevind nog iets anders, vorig jaar in Parijs bijvoorbeeld was ik nog een Portugees. Als het stadion er niet zou zijn zou deze buurt helemaal doodbloeden.  Nu zijn er nog wat supporterscafés en als er een match is staan er kraampjes met frieten en Anderlecht-parafernalia. Voor de rest is er niets en zeker niets dat me uitnodigt tot een wandeling. Ik zou op zijn minst een uur per dag moeten wandelen, niet alleen voor het heil van mijn lichaam maar zeker ook voor dat van mijn geest. (Het is zelfs dom onderscheid te maken tussen die twee). Waar echter kan ik naartoe? Het Pajottenland is pittoresk, maar om daar te geraken moet ik langs drukke steenwegen lopen en dan nog eens de ziekmakende Ring oversteken. Al die razende monsters daar beneden, meestal met maar één inzittende. Een ding is zeker: mocht ik er ooit een eind aan maken zou het niet daar zijn. Het is er veel te afzichtelijk. Stel je voor dat er leven is na de dood en dat je je alleen maar je allerlaatste indrukken zou herinneren, tot in de eeuwigheid. Geen sprake van. Als ik ooit zelfmoord zou plegen zou het op een van de Bovenwindse Eilanden zijn. Ik vermoed namelijk dat het daar mooi is. Maar vrees niet: ik wil vooral leven. Gisteren hoorde ik nog een mooi liedje, ‘Live Til You Die’ van Emitt Rhodes. Die titel is mijn levensmotto. Ik kan dan wel somber en melancholisch zijn – en dat duurt nu al een zestal maanden - , ik kan ook tevreden zijn met kleine dingen. Ik moet deze kamer niet eens verlaten. Nu zie ik bijvoorbeeld de oranje en bruine dakpannen van het huis aan de overkant van de straat en de grijze duif op datzelfde dak, die daar rustig zit. Te wachten wilde ik schrijven. Maar ik denk niet dat ze wacht, ze zit alleen maar. Kijk, nu is ze weg. Waarom zou ik hier dan niet gewoon maar wat zitten, zonder meer. Ach ja, omdat mijn huisarts me aanraadt om een uur per dag te wandelen. En hij heeft natuurlijk gelijk. Soms zie ik op Instagram foto’s van mensen die wandelingen maken. ‘My daily walk’ staat er dan onder. Je ziet beelden van het mooiste dat de aarde te bieden heeft: bloemen, bomen, schilderachtige paadjes, zachtaardige dieren, een rivier… Wat ben ik dan jaloers. Als ik wil gaan wandelen in een betoverende omgeving moet ik eerst een kwartier naar de metro door fijn stof lopen. Dan op de metro stappen, hopend dat niemand zich opblaast, en vervolgens is het nog bijna een uur tot Hermann-Debroux, waar mijn gezonde wandeling eindelijk kan beginnen. Het is goed mogelijk dat de zon schijnt als ik hier buitenkom en dat het regent als ik in metrostation Hermann-Debroux boven de grond kom. Of dat ik onderweg ergens moet uitstappen omdat die hele Hermann-Debroux in rook is opgegaan. Ik vraag me altijd af naar wie dat station is genoemd. Waarschijnlijk naar een schepen of een voorzitter van iets. Een zakkenvuller, zoals de mensen zeggen. Waarom niet naar Hermann Hesse, of liever nog naar de geniale schrijver Hermann Broch? Wie nooit iets van hem gelezen heeft raad ik ten stelligste de slaapwandelaarstrilogie aan (bestaande uit ‘Pasenow of de romantiek’, ‘Esch of de anarchie’ en ‘Huguenau of de zakelijkheid).

Mijn oplossing is: af en toe een reis maken. Op de plaats van bestemming wandel ik dan ongeveer vijf uur per dag. Zo haal ik mijn schade in en zie ik ook de schoonheid van de grotere wereld. Dan hoef ik mij niet tevreden te stellen met een dakpan of met een boek van een van de vele Hermannen. Zeker is het nooit mijn ambitie geweest duivenmelker te worden. Mijn vader was duivenmelker. Kort voor zijn dood heeft hij al zijn duiven een voor een de strot omgewrongen.

DSC_0242.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Anderlecht, 2008

23-03-16

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app...” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto's: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel.