15-11-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN

shininf-hedge.jpg

Woord vooraf

Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.

Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.

‘Ten Days That Shook The World’ is een boek van John Reed over de Russische Oktoberrevolutie van 1917. De hiernavolgende tien notities hebben daar niets mee te maken. Ik gebruik alleen maar de titel omdat die goed klinkt.

John Reed at desk.jpg

Dag 1: 2 november 2016 / Eight Days A Week

Het is mooi weer, maar er waait een koude wind. De metro naar het centrum heeft meer dan een kwartier oponthoud. “Zodra het metrostel kan vertrekken vertrekt het,” blijft de omroepstem herhalen. Waarom blijven we stilstaan? Heel wat reizigers stappen uit, verlaten het metrostation. Ik heb met enkele vrienden afgesproken om in de Aventure samen naar ‘Eight Days A Week’ te gaan kijken, een film over beatlemania, maar over zoveel meer dan dat merkwaardige fenomeen. Ik ben vooral ontroerd door de diepe vriendschap die er tussen de vier muzikanten bestond. Maar zeker ook door de muziek, lekker luid in de bioscoopzaal, die nog steeds fris en aanstekelijk klinkt. De periode in de loopbaan van the Beatles die mij echter het meest fascineert komt in de film niet aan bod, die na beatlemania, na de hectische tournees, de periode vanaf ‘Rubber Soul’, vanaf januari 1966. (1966 was overigens een magisch jaar voor de popmuziek en voor de jeugdcultuur. Jon Savage heeft er een zeer lezenswaardig boek over geschreven.)
Als we buitenkomen regent het. We haasten ons naar het fish & chips-eethuis Bia Mara aan de Kiekenmarkt, de straat – een markt is het niet - waar ik in juni 1997 op het nippertje aan de dood ontsnapte.

the_beatles 8 days.jpg

Mijn vrienden en ik vormen een genootschap dat ‘Renaldo & Clara’ heet. We wijden een klein deel van ons leven aan het werk van Bob Dylan. Maar vergis je niet. ‘Bob Dylan’ is een ruim concept. Zo valt ‘Eight Days A Week’ daar ook onder. Later, bij Jan in Elsene, kunnen we maar moeilijk ophouden met praten in plaats van te luisteren naar de muziek die op het programma staat. Het zit namelijk zo. Elke keer als we bijeenkomen hebben we een thema waarrond we elk vijf à tien songs verzamelen en die we dan samen in stilte beluisteren en vervolgens (soms) becommentariëren. Het is een beetje zoals mijn radioprogramma, Zéro de conduite. Maar op die Allerzielendag komen we maar niet toe aan de songs. Donald Trump gooit roet in het eten, vergif zelfs. Hij zou, o ramp, de verkiezingen wel eens kunnen winnen. Maar is Hillary Clinton dan zoveel beter? Zij vertegenwoordigt toch ook de elite, en wordt door Wall Street gesteund? We blijven de hele avond discussiëren en altijd belanden we bij de noodlottige Trump. Niet dat de andere naoorlogse Amerikaanse presidenten zoveel beter waren. Zelfs Obama was geen engel, wel integendeel. Alleen Jimmy Carter krijgt onze sympathie. Tijdens zijn bewind werden er joints gerookt in het Witte Huis. En als ik me niet vergis traden the Allman Brothers er op. Niet dat dat de wereld op zijn grondvesten deed daveren…
renaldo clara.jpg

Het gebeurt niet zo vaak dat een gesprek meer deugd doet dan met vrienden naar uitverkoren muziek luisteren, maar die avond gaan we desondanks met een goed gevoel naar huis. Althans, zo ervaar ik het. Ik heb het gevoel dat onze stemmen het naderend onheil, de Amerikaanse tragedie, voor een deel hebben geneutraliseerd. Alsof het goedaardige drones zijn geweest. Voor songs is er later nog tijd. Zelfs toen de Titanic aan het zinken was speelde het orkest door. En Geert Mak beweert dat we ons daar nu bevinden.

titanic musicians.jpg

 

23-03-16

EN NU? IS HET NU GENOEG GEWEEST?

belgië2011 030 i love you.jpg

Je vroeg me wat ik dacht van die kop in De Morgen. Dat half Molenbeek  (“de hele buurt”) wist van de aanwezigheid van Salah Abdeslam, dat bijgevolg half Molenbeek op zijn minst passief steun verleend had aan een koelbloedige massamoordenaar, de meest gezochte misdadiger in Europa.  En je vroeg dan ook nog eens of ik geloofde dat werkelijk honderden jongeren in Molenbeek met stenen en flessen naar de politie hadden gegooid tijdens de overmeestering en inhechtenisneming van die zelfde Salah Abdeslam, en, indien ik dacht dat dat de waarheid was, wat ik daar dan van vond. Ik had eergisteravond op televisie een panelgesprek gevolgd waarin Douglas De Coninck, onderzoeksjournalist en schrijver van die kop en het bijbehorende artikel, discussieerde met Veerle De Vos, Dyab Abou JahJah, Sven Gatz en Bart Schols.

Om ongeveer half negen gisteren begon ik aan mijn antwoord op die vragen. Ik had er ’s nachts over liggen nadenken. Ik zou zeker schrijven dat ik mijn mening over Sven Gatz moest herzien. Wat erg dat ik soms zo bevooroordeeld ben, zou ik toegeven. Sven Gatz valt eigenlijk best mee, hij lijkt me meer een socialist dan een liberaal. Hij is sociaal bewogen, zou beter minister van welzijn of sociale zaken dan van cultuur zijn. Over Veerle De Vos zou ik schrijven, had ik me voorgenomen, dat zij ontwapenend is in haar eerlijkheid en directheid. Die vrouwen zijn boos omdat ze niet naar hun kinderen of naar hun woning kunnen. Maar ik ken Veerle persoonlijk; dat ik haar zo sympathiek en intelligent en no-nonsense vind is misschien ook een vooroordeel, dacht ik. Ik had me afgevraagd of ik dat wel zou vermelden, dat ik Veerle De Vos in het echte leven kende. En hoe zou ik de heldere en kritische blik van Dyab Abou JahJah onder woorden brengen? Ooit de baarlijke duivel, nu haast de grote verzoener…

Inmiddels was het negen uur, half tien… Ik had nog altijd niets genoteerd. Even op facebook kijken, even de mail checken… Bomaanslagen in de luchthaven en in metrostation Maalbeek. Doden en zwaargewonden, paniek. Wat ongeveer iedereen wist dat zou gebeuren (zonder er nog veel bij stil te staan) was gebeurd. Ik liep de trappen af, omhelsde A. Daar stonden we dan. In de keuken. Zonder woorden, zonder wat dan ook… Op het terras was wat meer lucht misschien… Maar ook onheilspellend lawaai…  Op de ring, vijf minuten hier vandaan, hoorde ik de ambulances. Alles wat we op de radio hoorden was waar. Dat was de werkelijkheid. Veel werkelijker dan wat ik de vorige avond, na De afspraak, in een film van Kathryn Bigelow over de jacht op Osama Bin Laden had gezien. (Overigens ging ik daar ook over schrijven, en dat doe ik ooit nog wel eens. En over het toeval dat die film, ‘Zero Dark Thirty’, op de avond van de arrestatie van Salah Abdeslam werd uitgezonden).

Ja, op lijn 5 van de Brusselse metro, in metrostation Maalbeek in Elsene, was een bom ontploft of had iemand zich opgeblazen. In datzelfde Elsene logeerde onze Franse vriend Xavier, die maandagavond zijn geliefde tindersticks had zien optreden in de Bourla in Antwerpen en later op de dag met ons naar Leuven zou rijden om er samen met ons nog een concert van tindersticks bij te wonen. De unieke band die wij zo bewonderen, Xavier misschien nog meer dan ik, als dat al mogelijk is. Het zou een heerlijke avond worden, we zouden onze vrienden Deborah en Neil terugzien…  En in de inkomhal van de luchthaven hadden twee of drie mannen zich opgeblazen. Hoe ver verwijderd moet je zijn van jezelf, van je ziel, van je menselijkheid, om dat te kunnen, om dat te willen? Hoe kunnen wij recht spreken over een mens die zich aan al wat menselijk is heeft onttrokken? Het is als recht spreken over vuur of over een stortvloed. Of toch niet? Zijn deze misdadigers alleen maar menselijk, al te menselijk en verdienen ze daarom de allergrootste straf? Maar welke straf kan de tragedie die zij bewerkstelligden ongedaan maken?

Het had nu geen enkele zin meer om wat dan ook te schrijven. Wat hebben woorden vandaag nog voor zin? Kunnen zij gewetenloze mensen een geweten schoppen?  Ik geloof in de kracht van de liefde. Ik geloof dat liefde sterker is dan de dood. Liefde overwint haat. Als je niet in een god gelooft, zoals ik, geloof je toch nog altijd in iets goddelijks, iets wat ons verbindt met elkaar. Die kracht noem ik liefde. Het is het allerhoogste. Maar net als jij weet ik dat we met die kracht geen schoenveters kunnen knopen of het verkeer regelen. Liefde is het allerhoogste; het is echter ook een zwakte. Vooral als we hard en streng, zelfs meedogenloos moeten zijn. Als we niet anders kunnen dan meedogenloos zijn. Meer dan die woorden, die gevoelens, ‘liefde is sterker dan de dood’, vond ik echter niet. En ‘solidariteit’. We moeten solidair blijven, of als we het nog niet zijn moeten we het alsnog worden. Geen tweedracht zaaien, ons niet door tweedrachtzaaiers laten ophitsen. Niet alle mensen zijn slecht. Alleen een kleine minderheid is door en door slecht. Kijk eens hoeveel goeds er gisteren weer naar boven is gekomen! Zoveel kleine en grote helden hebben laten zien hoe goed wij mensen kunnen zijn. ‘Kruisvaarders’ noemt het ongedierte de onschuldige mensen die het in een laffe zelfmoord aan stukken rijt. ‘Kruisvaarders’: onschuldige mensen (mannen, vrouwen, kinderen, baby’s) op weg naar het werk, naar huis, naar familie, naar een welverdiend vakantieoord. Heb ik dan niet het recht om die massamoordenaars ‘ongedierte’ te noemen? Zelfs ‘ongedierte’ is een te poëtisch woord om ze een naam te geven.

bruegel_triumphdeath.jpg

Nee, schrijven had geen zin meer. Niet dat ik er geen zin in had. Ik kon niet. Ik was geestelijk verlamd. Maar misschien zou het concert van tindersticks ons goed doen. Weg uit mijn geteisterde stad, het hellegat aldus Donald Trump. Xavier was gelukkig niets ergs overkomen. Niemand van mijn vrienden en kennissen was iets ergs overkomen. Dat kon ik op de veiligheidscheck van Facebook zien.  “I know the world has changed when Facebook has a Safety Check app...” schreef mijn vriend Gary F. daarover. Omstreeks zes uur belde Xavier hier aan. Ondanks de tragische gebeurtenissen waren we blij elkaar terug te zien. Xavier is een van de liefste mensen die ik ken, een en al voorkomendheid.

Automerken kan ik nooit onthouden, maar het merk van Xavier’s wagen is in mijn geheugen gegrift. En wel hierom. Omstreeks zeven uur vertrokken we richting Het Depot in Leuven. Aan het bijzonder gevaarlijk kruispunt van de oprit van de Grote Ring en de Sylvain Dupuislaan was Xavier een seconde onoplettend. (Er staan geen verkeerslichten, wat toch onbegrijpelijk is.) Hij reed door zonder te beseffen dat er van rechts, uit de Sylvain Dupuislaan, ook auto’s in volle snelheid kwamen aangereden. Eén wagen kon hij vermijden, maar op de tweede, bestuurd door een jonge vrouw, reed hij met zijn rechtervoorkant in. Op de linkervoorkant. Een zware klap maar we waren grotendeels ongedeerd. Ook het meisje in de andere wagen was ongedeerd. Vooral haar auto had veel schade opgelopen. We hebben bijzonder veel geluk gehad, maar tegelijk toch ook veel pech. Voor Xavier was het rampzalig. Hij schaamde zich tegenover ons, hij voelde zich schuldig. Politie kon ons niet helpen: elke agent was nodig voor de terreurbestrijding. Xavier vond dat we best naar huis gingen. Hij moest met de vrouw documenten van de verzekering invullen en wachten op een sleepwagen. Daarna zouden we wel zien. Uiteindelijk heeft onze vriend de taxi naar huis genomen. Hij moest om acht uur op het werk zijn. Een ongeluk gebeurt nooit alleen, zeggen de mensen. Ik geloof dat het waar is.

En hoe het nu verder moet? Met deze mooie stad? Met haar inwoners? Leraressen, leraren, arbeiders, metrobestuurders, restauranthouders, daklozen, vluchtelingen, bejaarden, moordenaars, dieven, goochelaars, muzikanten, museumbezoekers, marktkramers, plantrekkers, publicisten, macho’s, beenhouwers, houthakkers, kwelgeesten, fietsers, bibliothecarissen, vertalers, wegenbouwers, tunnelinspecteurs, rechercheurs, geografen, bedelaars, verkopers, scenarioschrijvers, vetzakken, schoenmakers, prostituees, soldaten, ruziestokers, kleuters, peuters, professoren, dj’s, karottentrekkers, godsdienstwaanzinnigen, zuipschuiten, psychopaten, sopranen, radiologen, tandartsen, boekbinders, straatvegers, verpleegsters, kinesisten, clowns, slotenmakers, loodgieters, advocaten en allerhande ander gespuis. Hoe moet het nu verder? Is het nu genoeg geweest?

belgië2011 243 (2).jpg

Foto's: Martin Pulaski; reproductie van Pieter Bruegel de Oude, Triomf van de dood (1562).

30-05-15

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders - zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.
IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d'Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.
IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015

20-08-13

EROS EN DE DOOD

Annex - Lys, Lya (Age d'or, L').jpg


Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond -  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes - dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Beeld: Lya Lys in 'L'âge d'or' (1930) van Luis Buñuel. 

17-11-10

STOERE MANNEN

 Jonge mannen in de metro schelden je uit als je ze nog maar een seconde aankijkt. Niet doen, dat is gevaarlijk! Wat me overigens opvalt is dat stoere mannen altijd in groep zijn. Zouden ze bang zijn voor iets, of laf? Magere, kwetsbare mannen zijn meestal alleen.

26-01-09

HELSE DAGEN, HELSE NACHTEN

 

horror,metro,leven,vrijheid,avond,geld,ziekte,inleving,verslaving,dansen,werk,verbeelding,vermoeidheid,fitness,wellust,empathie,kopen,dendermonde,verstrooidheid,ochtend,bureau,consumptie,tragedie,gevangenschap,zwaarlijvigheid,goya,rede,dierlijkheid,transformaties,metamorfosen

Marlon Brando, The horror...

Vandaag verliet ik, na een week aangename gevangenschap, nog een keer mijn paleis. Vaak, en zeker in de winter, wil ik niet meer dan dat: een gevangene zijn van mezelf, in mijn eigen paleis. Of noem het kasteel, kazerne, labyrint, privé-school, wat je maar wilt, zolang je me het woord ‘gevangenis’ bespaart. Er zijn geen tralies en ik moet niet afrekenen met cipiers. Al ben ik in zekere zin natuurlijk mijn eigen opzichter. Vaak spoed ik me met tegenzin naar de metro, richting stadscentrum. Ik heb na een zevental dagen dank zij ziekte en vermoeidheid een soort dierlijk ritme teruggevonden, en een vreemde wellust heeft zich meester van me gemaakt… Of lijkt het op de rust van een schip aangemeerd in een zomerse haven, terwijl de dokwerkers in staking zijn – maar die situatie weliswaar verinnerlijkt?

Ik stap in de metro en maak me zo smal mogelijk – daarvoor doe ik aan fitness – om tussen twee omvangrijke personen in plaats te kunnen nemen. Wat worden mijn soortgenoten dik! Mij bewegen om een boek uit mijn rugzak te nemen is een ernstig avontuur. Eer het boek op de juiste bladzijde is geopend zijn we halverwege het traject. De letters trillen, wat ik lees dringt maar gedeeltelijk tot me door, maar ik kan op deze manier wel mijn omgeving vergeten. Toch blijf ik me bewust van waar ik ben. Dat ik mijn huis voorbijloop gebeurt af en toe, maar ik stap nooit in een verkeerd metrostation uit. Ach, misschien is het me wel eens overkomen, maar echt niet vaak. Van negen tot zes houdt mijn dagtaak me bezig. Ik moet mijn brood verdienen. Of dacht je dat ik van de hemelse dauw leefde?

’s Middags neem ik lange pauzes: mijn verslaving klopt in mijn aderen, in mijn slapen. Ik moet boeken gaan kopen, cd’s, films. Ik snel van de ene winkel naar de andere en koop tot ik denk, dit gaat te ver, of tot ik niet nog meer gewicht kan torsen. Dan keer ik met plastieken zakken terug naar het werk. Ik probeer zo onopvallend mogelijk naar mijn bureau te lopen, want ik schaam me voor mijn consumptiegedrag. Soms doe ik op magische wijze de schreeuwerige plastieken zakken verdwijnen. Zingend en dansend zien mijn collega’s me dan het bureau binnenkomen. Dat werkt aanstekelijk, ze beginnen ook te zingen, komen naar me toe, omhelzen me, wat ben jij toch fantastisch, roepen ze uit. Wat ben ik dan charmant! Maar lang duurt dat spelletje niet. Het is een afleidingsmanoeuvre. Ik speld hen, jou iets op de mouw.

Als de avond valt keer ik weer naar mijn kasteel, waar ik kleine porties eet van het een of ander. Daarna steek ik de kaarsen aan en schrijf een brief aan een schuldeiser of een doodgewone uitbuiter. Nooit schrijf ik nog liefdesbrieven. Zal dat er niet meer van komen? Ik vergeet de nieuwe aanwinsten te beluisteren, bekijken, lezen. Ik ben te moe, moet rusten.

Denk niet dat ik vergeten ben wat er in Dendermonde is gebeurd. Het is een tragedie. Vreselijk dat mensen en mensenkinderen zoiets moeten meemaken. Een klein beetje snijdt die Joker ook in mijn lijf. Zoals de meeste Belgen heb ik er geen woorden voor. The horror, zei Marlon Brando. Wellicht is dat het beste woord: the horror. Ik probeer me voor te stellen wat de familie van de slachtoffers voelt, wat de familie van de dader voelt, wat de dader zelf voelt. Wat hem bezield heeft, hoe lang hij al met zulke plannen rondloopt. Maar het blijft leeg in mijn hoofd. Ik kijk niet naar de nieuwsuitzendingen, wil de sensatie niet zien, de valse opwinding, het rampenvermaak. ’s Nachts zie ik andere gruwelen, transformaties en metamorfosen van wat ik overdag heb gedacht en beleefd. De slaap van de rede, je weet het. De verdomde slaap van de rede. Op sommige dagen biedt zelfs rock ‘n’ roll geen troost.

 

22-11-08

BOB DYLAN IN LISSABON EN ANDERE PLAATSEN

 

muziek,metro,lachen,tekst,portugal,slapen,meisjes,bob dylan,ipod,straat,zingen,fnac,pessoa,patroon,lissabon,like a rolling stone,rua garrett

Lissabon, 2007. Foto: Martin Pulaski.

In Lissabon in de Rua Garrett, de straat van het befaamde café A Brasileira, waar Pessoa voor de deur een koffie zit te drinken, vreemd genoeg geen alcohol, kwam ik op een zonnige ochtend uit de metro. Ik wandelde rustig naar de Fnac, want, ja, ook in mooie steden als Lissabon, zuigt deze consumptietempel mij aan. Achter mij op straat hoorde ik de stemmen van twee – ongetwijfeld nog jonge – meisjes. Ze zongen ‘Like A Rolling Stone’, kenden de hele tekst uit het hoofd. Af en toe schoten ze in de lach, als de frasering niet helemaal klopte, of een noot niet helemaal zuiver was. Ik had zin om mee te zingen, want ik herinner mij ook nog hele fragmenten van de song, maar liet het toch maar zo. Ik kan helemaal niet zingen. Ik liep gewoon door, met de meisjes achter me aan, tot ze de straat overstaken en ik vaststelde dat het inderdaad twee jonge, waarschijnlijk Portugese, meisjes waren. Mooi, zo was het patroon niet doorbroken. Want tijdens elke reis die ik maak hoor ik ten minste één lied van Bob Dylan. Dat was tijdens deze reis tot die ochtend in de buurt van het Chiado nog niet gebeurd. Ik had weliswaar mijn iPod bij, maar dat telt niet en ik geloof niet dat ik er iets van Dylan op heb gehoord. Ik heb trouwens alleen maar van de iPod gebruikt gemaakt in het vliegtuig en tijdens mijn slaap. Ik kan heerlijk slapen met de oortjes van de iPod in mijn oren. Wat voor slaapverwekkende muziek moet er niet allemaal op dat schijfje staan.

10-11-07

HALLUCINATIES

metro,brussel,slang,madou

Toen ik vanmorgen in station Madou op de metro stond te wachten, overviel me plotseling een gevoel van duizeligheid. Het begon, even voor tien, met een metaalachtig gesis – een geluid dat meteen mijn aandacht opeiste -, waarna uit de donkere tunnel aan mijn rechterkant de gele slang tevoorschijn kwam. Het schreeuwerige geel zond trillingen uit die een verlammend effect hadden, wat ik niet alleen bij mezelf maar ook bij de mensen in mijn omgeving kon waarnemen.

De trillingen werden heftiger; redelijk en logisch denken werden onmogelijk. Het menselijk lichaam werd herleid tot puur gevoel. Zenuwen. Het menselijk lichaam werd herleid tot puur lichaam.


De gele slang stopt niet, op een spoor van slijm glijdt ze voort… Haar kop is al voorbij, die heb ik niet eens kunnen zien… Maar haar langgestrekt lichaam… Op sommige plaatsen is haar huid doorzichtig: wij, de toeschouwers op het perron, kunnen af en toe een blik werpen op het drama dat zich in haar ingewanden afspeelt (hoe vaak zat ik zelf niet in haar buik)… Een floorshow achter de grote schubben van vensterglas… Geharnaste schimmen, die neerzitten, of rechtop staan in wolken van ultraviolet licht… Wat verderop maken enkele spookvormen in grijze gewaden trage, krampachtige bewegingen… Spastici, die niet schreeuwen, niet zingen, niet fluisteren… Hoe lang zijn ze al dood? zou iemand kunnen vragen. De gele slang, zij snelt voort…

30-03-07

ODE AAN DE GROOTSTAD EN DE RIJPE LEEFTIJD


shaving preparations # 6

Op mijn eigenzinnige wijze baan ik mij een weg door het leven. Ik ben geen vrolijke jongen, dat weet ik. Ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid tegen een gebrek aan vrolijkheid, tegen teveel levensernst, tegen een te hoge zuurtegraad, ongetwijfeld helpt mijn eigenzinnigheid me om donkere dagen te doorstaan. (It’s been a blue, blue day, zingt Ian Matthews…) Martine, een bezoekster van deze blog, schrijft “dat het leven inderdaad niet altijd een pretje is, maar dat er veel aan onszelf is gelegen om het zo aangenaam mogelijk te maken.” Ze heeft gelijk. We mogen niet toestaan dat anderen ons het leven zuur maken. Domme of vijandige woorden mogen ons niet van ons stuk brengen. Onze huid moet dik zijn, figuurlijk dan wel. De vraag is wel hoe je zulke dikke huid krijgt, als je geboren bent met een dunne? Het zij zo. We mogen al evenmin berusten in onze zwaarmoedigheid (of er een aangenaam tijdverdrijf van maken). There's more to the picture than meets the eye...

Ik had het in mijn vorige tekst over de onaangename kanten van de grootstad, over de vervreemding, de vervuiling, het feit dat je er vaak onzichtbaar bent. Maar ik wil er toch ook op wijzen dat ik zielsveel van grote steden houd, ook van Brussel. Alleen al bij het horen van stadsnamen als Berlijn, Boedapest, Wenen, Lissabon en New York krijg ik een warm, hunkerend gevoel. Ik zou meteen een hotel en een vlucht willen boeken en mijn koffers pakken. Het moet snel gaan, een vliegtuig vliegt niet snel genoeg! Nu, onverwijld, wil ik over Broadway lopen, langs The Strand, er een half uur of zo wat van die fraai ingebonden Amerikaanse boeken doorbladeren; de geur van de Oranienburgerstrasse opsnuiven, een groot glas Tsjechisch bier drinken in café Oranium; door de straatjes van Alfama slenteren, en er ergens in de schaduw inktvis eten, ik hoor de droeve stem van Mariza al op de achtergrond weerklinken; of op een Weens plein koffie zitten drinken, een glas Grüner Veltliner mag ook.

Zonder de sfeer en de mogelijkheden die een grootstad biedt zou het leven voor mij nog veel minder zin hebben. Dat geldt ook voor Brussel. Als de zon schijnt begeef ik me hier graag tussen de mensen, ook al begroeten ze me niet; ik ga naar toneelvoorstellingen in het Kaaitheater, de KVS of Les Brigittines, naar concerten in het Koninklijk Circus, de AB en de Botanique – en naar de bioscoop (hoewel dat lang geleden is). Ik heb me al vaak afgevraagd tot wanneer ik naar de Botanique en de AB en zo zal gaan. Tot het bittere einde misschien? Maar ik zal als halfkale grijsaard zeker vreemd bekeken worden door de mooie jonge goden. Wat maakt het ook uit: daar zal ik niet wakker van liggen.
In Brussel zijn talloos veel winkels waar je tweedehands boeken of platen kunt kopen. Gisteren heb ik in de Fnac een prachtig boek over Paula Rego aangeschaft. Eergisteren voor een prikje bij de Slegte een zeer mooie uitgave van George Eliots Middlemarch, een kanjer van een boek, moeilijk om in bed te lezen, dat wel.

Van leeftijd gesproken. Gisteravond in de metro naar huis ben ik beledigd en gecharmeerd tegelijk: een jonge vrouw vroeg me of ik niet op haar plaats wilde zitten. Ik schrok even, maar heb toch bijna meteen ja gezegd, dan kon ik verder lezen in Restless, van William Boyd, dat nogal meeslepend is. Ik ging ervan uit dat het lieve en aantrekkelijke meisje aan de volgende halte zou uitstappen en vond haar vraag getuigen van charme en hoffelijkheid, twee eigenschappen die ik erg mis in deze stad. Ze bleef echter zeker nog een tiental minuten (zeven haltes) staan. Nu is het bewijs geleverd dat ik echt een oude man ben. Ik zal dan toch wel duidelijk zichtbare rimpels hebben (die ik in de spiegel niet zie) ofwel zie ik er heel ziekelijk uit, dat is ook mogelijk. Als ik die man mijn plaats niet afsta valt hij zodadelijk over mij heen, heeft ze misschien gedacht. Wie zal het zeggen… Ik heb niet haar naar haar beweegredenen gevraagd.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

30-01-07

ALS OP EEN WINTEROCHTEND

ochtend,jas,wintersport,metro,foto,martin pulaski,winterkleren,seizoenen,klootjesvolk,kleding

Scwhab's in Memphis, Tennessee, 1992. In deze winkel kocht de jonge Elvis Presley zijn tot zedenverwildering aansporende kledingstukken.


Vanmorgen ging alles verkeerd. Het scheren wilde niet vlotten. Het water uit de douchekraan was te heet. Ik deed lang over mijn ontbijt, had een slechte cd opgezet (iets van the Jon Spencer Blues Experience), de koffie was te sterk, ik kon maar niet wakker worden, hoewel ik nauwelijks geslapen had. Is dat overigens niet paradoxaal, niet kunnen slapen en toch niet wakker kunnen worden?

Na een uur ‘voorbereidingen’ was ik klaar om de deur uit te gaan. Maar ik had niet op de ritssluiting van mijn bruine leren jas gerekend. Die rits wilde niet toe. Maar daarna wilde ze ook niet meer open, zodat ik maar zeer moeilijk uit die jas geraakte. Zelfs Harry Houdini zou het er moeilijk mee hebben gehad. Uiteindelijk is dat wel gelukt, en heb ik nog enkele vergeefse pogingen gedaan om de rits toch weer op het spoor te krijgen. Vervolgens moest ik op zoek gaan naar een andere jas. Het probleem is dat ik weinig winterkleren heb. Ik ben alleen maar op de lente en de zomer ingesteld, waarschijnlijk ter compensatie van mijn winters temperament. Tenslotte heb ik mij tevreden moeten stellen met zo’n rood wintersportgeval dat ik ooit in een (echte) koortsbui heb gekocht en maar één keer heb gedragen. De eerste en - voor vandaag - enige keer dat ik die jas aanhad zag ik overal om mij heen wat in de jaren zestig ‘klootjesvolk’ werd genoemd met zulke rode wintersportjassen aan zich naar het werk haasten. Talloos was hun aantal. Het is dan ook een zeer lelijk kledingstuk. Het moet een bizarre koorts geweest zijn, dat ik zulke jas heb kunnen kopen. Wintersport haat ik met een groot genoegen. Als ik het woord après-ski hoor, grijp ik naar mijn imaginaire revolver, om Goebbels te parafraseren. Ja, soms ben ik wel eens gewelddadig in mijn verbeelding.

In de metro lag links van me op de zitbanken een dakloze te slapen. Hij verspreidde een geur om wierookstokjes van sandelhout bij te branden. Maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik had mijn rust teruggevonden, ondanks het feit dat toen ik onderweg was naar metrostation Bizet de oortjes van mijn iPod niet in mijn oren wilden blijven zitten en dat de stem van Mark Everett vreselijk kraakte.
Aan station Beekkant bleef de metro staan. Dat doet hij meestal wel, maar nu veel langer dan anders. De dakloze moest de trein verlaten, wat geen eenvoudige onderneming was. Waarom mocht de man zijn roes niet uitslapen? Hij stoorde niet echt, de metro zat niet eens vol. Alleen die geur een beetje… Maar dan zouden overdadig geparfumeerde dames ook de metro moeten verlaten, want daar krijg je hoofdpijn van. Regels zijn regels, hoorde ik de twee metrobeambten blaffen. (Zijn dat pursers? Of wat is de naam van hun beroep?) En bevel is bevel, dacht ik.
En toen… En toen… En toen moest de dag nog beginnen.

13-06-06

ALLES IS METAFOOR, ALLES IS IRONIE

haruki murakami,goethe,bob dylan,tijd,lik a rolling stone,tongeren,atheneum,metro,neko case,17,boeken,berusting,dromen,metafoor,schrijven,eckermann,1965,big brother,bloggen,timboektoe

Volgens Goethe is alles metafoor. Als Goethe dat beweert zal het wel waar zijn. Ik heb al lang geen boeken van de oude Duitser meer gelezen, maar ik herinner me wel het plezier dat ik heb beleefd aan het lezen van Natuurlijke Verwantschap, Het lijden van de jonge Werther, Faust, Wilhelm Meisters leerjaren en zeker ook de gesprekken met Eckermann, die ik in mijn snelle gedachten nogal eens met Meister Eckhart verwar. En eigenlijk zijn het gesprekken met Goethe. Naast het plezier waren er ook vaak opwellingen van ergernis, vooral vanwege zijn belerende toon, zijn betweterigheid, zijn miskenning van grote schrijvers en filosofen als Kleist en Schopenhauer. 


Die uitspraak over de metafoor vond ik echter in Kafka On The Shore, een merkwaardige en zeer meeslepende roman van Haruki Murakami. In dat boek las ik een passage die ik graag wil citeren omdat ik er nogal wat van mezelf in herken. Het gaat over de jonge Nakata, die op gevorderde leeftijd prettig gestoorde gesprekken zal voeren met intelligente en minder intelligente katten. Aan het woord is een lerares die de jonge Nakata vermoedelijk een ernstig trauma heeft bezorgd, zij het onvrijwillig, ervan uitgaande dat zij niet met opzet ongesteld werd. De jonge Nakata is – voor het traumatische voorval - een stille, intelligente jongen. Maar er is nog iets anders dat de lerares opvalt:

“Every so often I felt a sense of resignation in him. Even when he did well on difficult assignments, he never seemed happy. He never struggled to succeed, never seemed to experience the pain of trial and error. He never sighed or cracked a smile. It was as if these were things he had to get through, so he just did them. He efficiently handled whatever came his way – like a factory worker, screwdriver in hand, working on a conveyor belt, tightening a screw on each part that comes down the line.”

Ik denk dat die berusting er bij mij ook al vroeg was en dat ze altijd is gebleven. Eigenlijk heb ik nooit iets willen bereiken. Toen ik nog klein was wilde ik wel balletdanser worden, en wat later generaal, maar lang hebben die verwachtingen en dromen niet geduurd. Vanaf mijn vijftiende of misschien al vroeger heb ik gedaan wat gedaan moest worden. Ik haakte in op wat toevallig mijn weg kruiste. Of was het mijn lot dat voor me was uitgestippeld? Zo hoorde ik in 1965 Like A Rolling Stone op een transistorradio terwijl ik ’s middags de trap afkwam van het hoofdgebouw van het Atheneum in Tongeren en me naar het speelplein begaf. Ik wist meteen dat dit de beste single was die ik ooit zou horen. Tot op dit ogenblik blijf ik daarbij. Maar hoe komt dat? Was het toeval, of was Like A Rolling Stone al ergens in mij aanwezig. Was er een ‘natuurlijke verwantschap’?

Hoe het ook zij, in dat boek van Murakami heb ik, zoals ik al zei, die metaforenuitspraak van Goethe gelezen. In dat geval is voor mij ook de foto van Julie Delpy uit Killing Zoe een metafoor en de foto van de hoes van Allen Toussaints Southern Nights… En deze hele weblog, genaamd hoochiekoochie, is een grote metafoor. Maar voor wat? Voor mijn leven? In plaats van te leven maak ik hoochiekoochie en zet ik foto’s en commentaren op flickr. Maar is dat dan geen leven? Is het een surrogaatleven? In je kamer je leven zitten te tikken op een klavier, de woorden op het scherm zien verschijnen, terwijl buiten de zon schijnt en mooie lachende mensen de terrassen overspoelen, is dat niet wat bespottelijk? Is het geen tijdverlies? We hebben zo weinig tijd! We hebben zo veel te doen…

Laura kwam met het krantje ‘Metro’ thuis – echt een Big Brother-verschijnsel – om mij pagina één te tonen: “Belgische jongeren luchten hart via blog”. Ongeveer 38 % van de Belgische jongeren heeft een eigen blog, zo staat er. Ik had altijd al een sterk voorgevoel dat ik een tiener was, maar een voorgevoel is niet meer dan dat. Nu is het echter bewezen. Niemand zou het me ‘aangeven’ maar ik ben geen dag ouder dan 17. Of zoals Neko Case zingt: “Im holding on to that teenage feeling.” En ik zou meer zeggen: I can’t get no satisfaction, whatever the man says.


Volgens de onderzoekers is het bloggen echter een tijdelijke activiteit, “met een levensduur van gemiddeld zes maanden tot een jaar”. Dan ben ik toch weer eens een uitzondering. Als je volhoudt win je. Overigens heeft dat blogverschijnsel ook toevallig mijn weg gekruist, en heb ik op dat ogenblik gedacht: dat moet ik eens proberen. Wie weet waar ik terechtkom, moet ik hebben gepeinsd. Ik ben nog altijd thuis, en ik blijf dromen van La città del sole
. Waar zal ik morgen zijn?

13-03-06

BINNEN EN BUITEN


Na meer dan een week binnenshuis te hebben doorgebracht (overdag in gekoesterde eenzaamheid, af en toe een blik in de spiegel, veel gehoest, veel geslaap, veel muziek, veel gedachtenspinsels; ’s avonds in het gezelschap van de vertrouwde levensgezellin), ben ik deze morgen weer door kou naar het werk gegaan. Ondanks de zon was het een moeizame tocht, de ‘berg’ op, richting metrostation. Deze middag ben ik de nieuwe cd van Neko Case - ‘Fox Confessor Brings The Flood’, raadselachtige titel - gaan kopen. Daar heb ik ongeveer anderhalf uur over gedaan. Nu heb ik er spijt van dat ik mijn tijd niet beter heb besteed. Je wordt gek in zo’n mediamarkt. Je kunt er veel kopen, maar eigenlijk niet echt. Wat je echt zoekt is er niet. Ik vond het al vreemd dat Neko Case er was. Een paar jaar geleden zou je daar niet één cd van Johnny Cash hebben gevonden. Je moest bijna naar de VS om een cd van Johnny Cash te kopen. Op een bepaald ogenblik hebben de massamedia de man ontdekt. Opeens was hij geen maffe boer mee die christelijke liedjes zon, maar een oude, wijze, hippe vent. Nu moet iedereen die cd’s van Johnny Cash: in die mediamarkt lagen er wel honderd, of duizend, ik heb ze niet geteld. Ach ja, de markt is de markt. En je moet nooit spijt hebben van wat je hebt gedaan, ik weet het. Maar soms vergeet ik het. Nu schijnt de zon hier naar binnen en dat zou moeten volstaan. Opnieuw aan het werk!

15-10-05

PESSOA EN ONZE VELE ZELVEN


pessoa


Fernando Pessoa schrijft in Het boek der rusteloosheid dat ieder van ons meerdere anderen is, een uitgebreide reeks zichzelven. “Daarom is degene die de omgeving minacht, niet dezelfde als die zich erover verblijdt of eronder lijdt. In de uitgestrekte kolonie van ons zijn bevinden zich lieden van velerlei soort, die verschillend voelen en verschillend denken.”

Dat is helemaal waar. Vroeger, als me weer eens werd aangewreven dat ik mezelf tegensprak - “gisteren zei je dat het wit was en vandaag beweer je dat het zwart is” -dan verdedigde ik mij met de stelling dat elke mens twee kanten heeft en verwees daarbij onwillekeurig naar de psychoanalyse met het bewuste en het onbewuste (wat sommigen het onderbewuste noemen), of naar de dialectiek met de these en de antithese, of naar het Oosterse denken, met yin en yang, of naar de linguïstiek en de taalfilosofie met de tekst en de subtekst, en zo kon ik nog wel wat voorbeelden aanreiken. Maar het ging daarbij telkens om twee facetten van een mens.

Ik denk nu dat wat Pessoa beweert veel juister is. Wij bestaan uit veel meer dan twee zelven. De ene dag vind ik Brussel een aangename stad om in te leven, de andere dag, meestal als bij donker weer, erger ik mij aan de stank, het lawaai en de lelijkste gebouwen van de wereld. Het ene moment heb ik het enigszins verheven over Fernando Pessoa, het andere moment sta ik te dansen op de muziek van The Walkabouts of Los Lobos. Ik ben een jongeman van 25 en dan kijk ik in de spiegel en zie ik een ander zelf en denk ik: bijna even oud als Neil Young, als Bob Dylan. Beide mannen zijn op het nippertje aan de dood ontsnapt. Hoe lang heb ik nog te leven? Wat staat er mij nog te wachten? Ik moet dringend eens naar de nieuwe cd van Neil Young (Prairie Wind, beeldige titel) luisteren om te horen wat hij daar over denkt. Wat staat er mijn generatie te wachten? De boomers… Maar als jongeman van 25 heb ik nog een grootse toekomst voor mij. Er zijn nog zoveel mogelijkheden.

Een van mijn zelven ging gisteren naar het Kaaitheater waar Chunking van Grace Ellen Barkey, choreografe van Needcompany, werd opgevoerd. De voorstelling had één voordeel: ze duurde niet lang, zodat we al snel naar het café konden, om te hoesten en Duvels te drinken. Wat een vervelend gedoe! Wat denken deze mensen? Dat ze kunstenaars zijn of wat? Ik ben natuurlijk geen theaterrecensent die met behulp van een aantal hoogdravende woorden allerlei kwaliteiten verzint omdat hij anders de volgende keer misschien niet meer wordt uitgenodigd om champagne te komen drinken. In mijn ogen ging deze voorstelling nergens over, ging ze nergens naartoe, betekende ze niets en, erger nog, was ze onsamenhangend, langdradig en lelijk van uitvoering. Alleen het decor was echt heel mooi. Daar heb ik dan ook veel zitten naar kijken. In het derde deel werd ‘gedanst’ op Kill yr Idols van Sonic Youth. Sonic Youth was ooit cool, begin jaren negentig. In het zwart geklede kunstenaars dweepten met deze band uit New York. Basspeelster Kim Gordon vonden ze het einde. Niet alleen omdat ze een knappe blondine was, maar vooral omdat ze een kunstenaar was. Ze stelde tentoon in echte galerijen! Maar luister toch eens naar Sonic Youth. Die jongens en meisjes kunnen niet spelen en niet zingen. Ik ken maar een song van hen die de moeite loont en dat is Tunic, over Karen Carpenter. Maar dat lied is vooral mooi door het onderwerp en niet echt door de uitvoering.

Ik had nochtans veel verwacht van Chunking, omdat ik enorm veel houd van het werk van de Needcompany. Isabella’s Room, No Comment en the Snakesong Trilogy waren echt wel goede stukken. “Het onderbewuste is als een slapende vulkaan en Chunking is jouw ‘wake-up call’!” schrijft Elke Janssens in het programmablaadje. Hoe komt het dan dat ik voor een keer zo goed heb geslapen? En dat mijn vulkaan zich nog altijd in comateuze toestand bevindt?

In een interview met Grace Ellen Barkey las ik dat ze het Brussels openbaar vervoer vreselijk vind. De reizigers worden als vuilniszakken behandeld, zegt ze. Dat is honderd procent waar. Had ze daar maar een stuk over gemaakt. Over die vuilniszakken die in bussen worden gestopt, in trams, in metro’s, in treinen; die worden afgeblaft; die niet weten waar ze naartoe worden gevoerd; die in duistere stegen worden gedumpt omdat de bestuurder vindt dat het zo welletjes is geweest en terugkeert naar af. Of die een half uurtje in een donkere bus moeten zitten wachten tot de bestuurder zijn sigaret heeft opgerookt. En dan maar hopen dat de man tijdens de rit geen hartaanval krijgt.

De Duvel daarentegen was bijzonder lekker. België is een fantastisch land, als je een glas bier voor je hebt staan. Maar een van je zelven komt toch weer roet in het eten gooien als je wat pindanootjes zit te eten: jongen, die zijn slecht voor je cholesterol, en al dat zout! Als je niet oppast krijg je nog een hartaanval. En een ander zelf krijgt een hoestaanval, zodat het naar de toiletten moet snellen, om daar in alle intimiteit een bevrijdend salvo af te vuren. En nog een ander zelf hoort Slow Train Coming van Bob Dylan in zijn hoofd opklinken.

14-09-05

HET WILDE AROMA VAN BRUSSEL

burgemeester,brussel,pissen,wildplassen,metro,walm,stank,varia

Foto: Martin Pulaski.

De burgemeester van Brussel, de onverbeterlijke burgemeester van Brussel, is van mening dat de Brusselaars best op straat mogen plassen.
Openbare toiletten zijn geheel overbodig, bovendien kosten ze veel geld, zegt hij. Als iemand dringend moet dan kan hij (of zij) altijd nog een café of restaurant binnenstappen. Maar als het zo eenvoudig is, hoe komt het dan dat in heel Brussel een walgelijke walm van urine hangt? Ik weet dat ik hier vaak op terugkom, maar het is dan ook echt ergerniswekkend en beschamend. Natuurlijk zouden de Brusselaars en de bezoekers van Brussel welopgevoed moeten zijn en niet tegen gevels of zo maar midden op straat plassen, maar kennelijk is dat niet het geval. Dus moet je hen een kans geven om dat wangedrag te vermijden en als dat dan niet helpt moet je deze mensen een boete doen betalen of de toegang tot de stad ontzeggen. Ik heb al veel gereisd en ik heb nog nooit ergens een stad aangetroffen waar het zo stinkt als hier in dit vemaledijde oord. Ik vermoed dat de onverbeterlijke burgemeester van Brussel een chronisch verstopte neus heeft.

25-08-05

DE WITTE REGELING IS VAN KRACHT


RODE TREIN 2


Gisteren nog eens gelachen. We stonden al een tijdje te wachten op de metro naar huis terug in station Brussel Centraal, na een avondje Finse dans tijdens het zeer kleinschalige en sympathieke Brigittinenfestival. Geduldig wachten doe je dan; je spant je in om je niet te ergeren aan het oponthoud; je praat wat over Edgar Allen Poe of leest een stukje in The Purloined Letter en verbaast je over de beschaafde conversatie in de 19de eeuw (toen was het nog “good heavens!”, nu is het “fucking shit” of iets dergelijks). Na een tiental minuten onderdrukte ergernis viel de stemmige muziek stil (Roxy Music) en kwam er een Officiële Stem uit de luidsprekers. Eerst in het Frans, daarna zelfs in keurig Nederlands volgde deze mededeling “beste klanten, gelieve er rekening mee te houden dat tot 29 augustus de witte regeling van kracht is op de lijnen 1A en 1B! Dank u voor het begrip!” Jongens toch, gelachen dat we hebben! We waren duidelijk teruggekeerd in het kleine rijk van het surrealisme. De witte regeling is van kracht. Wat zou een Japanse of Griekse bezoeker daar dan bij denken (er van uitgaande dat hij of zij de Brusselse variant van het Frans machtig is)? Of zelfs een Fransman? Zelf vond ik het een slecht gekozen symboliek. Als je zo lang op een metro moet wachten, betekent dat voor mij eerder dat de zwarte regeling van kracht is. Gelukkig was er nog Roxy Music. Dat heb ik in Berlijn niet gehoord in de stations. Maar daar heb je natuurlijk ook geen tijd om naar muziek te luisteren. Je hoeft er helemaal niet te wachten.

In de Brigittinenkapel zijn we gaan kijken naar een voorstelling van de Finse dansgroep Nomadi. Ik had het stuk gekozen vanwege de titel ‘Lucid Dreaming’, en misschien ook wel voor de naam van het gezelschap. Ik heb een nomadische familiegeschiedenis. En alles wat met dromen te maken heeft wekt bij mij verwachtingen. In dit geval had ik droomachtig dansen verwacht, op droomachtige muziek, met veel helder licht, zodat je de droomsituaties goed kunt zien. Niets van dat alles, tenzij het felle licht. Eeen mooi voorbeeld van wat ik droomachtige muziek noem is terug te vinden op de nieuwe cd van Brian Eno, Another Day On Earth. Lucid Dream echter was gewoonweg de slechtste voorstelling die ik ooit heb gezien. Zelfs als het een schoolvoorstelling was geweest had ik ze slecht gevonden. Het enige plezier dat we aan de avond hebben beleefd was de ‘nabespreking’. Wat kan het toch een fijn gevoel geven iets tot op de grond af te breken, vooral als niemand het hoort en je er niemand mee kwetst. Nu breng ik het natuurlijk wel in de openbaarheid, maar ik vermoed dat de Nomadi uit Finland mijn stukjes niet lezen. Bovendien moeten ze als ze het lef hebben om met zulke ondingen voor het voetlicht treden bereid zijn bekritiseerd te worden. Neen, ik heb nog een tweede plezier beleefd aan de avond: het heerlijke Belgische bier. In de Brigitinnenkapel kost een tripel van Westmalle maar 2,2 €.

Hier thuis is vandaag de rode regeling van kracht.


Foto: Martin Pulaski

22-06-05

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.

 

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed - van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken). 
 
Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.
 
En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.
 
Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.