15-12-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (9)

avenir.jpg

Dag 6: 7 november 2016

‘L’avenir’ van Mia Hansen-Løve is een sublieme film, met Isabelle Huppert in de hoofdrol. Isabelle Huppert die nog maar eens een keer verrast. Maar hoe kan dat? Iemand die ons al zo vaak heeft verrast kan dat toch niet blijven herhalen? En toch doet ze het. Iedereen die haar van in het begin gevolgd heeft, weet het. Voor mij was het begin ‘Les valseuses’. Het was het slipje van de jonge Isabelle – van haar personage - dat die twee voyous, Patrick Dewaere en Gérard Depardieu besnuffelden. Ik twijfel er niet aan dat Isabelle Huppert zowat ieders favoriete actrice is, of ze is dat toch voor elke denkende mens, man of vrouw, die van mooie, sterke, getalenteerde en intelligente vrouwen houdt.

‘L’avenir’ behoort tot het soort van films dat er voor mij uitspringt. Er wordt een eenvoudige verhaal verteld, met een diepere onderlaag, de fotografie is uitstekend, de dialogen zijn geloofwaardig, er wordt voortreffelijk maar helemaal niet spectaculair geacteerd. Een kleine Franse film par excellence. Met ‘klein’ bedoel ik niets negatiefs, integendeel. Alain Tanner maakte ook zulke films, maar Tanner is wel een Zwitser. Aan Eric Rohmer moest ik ook denken. Je zou deze bepaalde vorm ‘lichtvoetige diepzinnigheid’ kunnen noemen. De filosofische achtergrond van ‘L’avenir’ geeft een extra dimensie aan de film. Rousseau, het katholicisme, Chateaubriand, het radicalisme tegenover het gematigde links van de neo-bourgeoisie (die haar rebellie al lang achter zich heeft). ‘L’avenir’ geeft zin, in de twee betekenissen van het woord. Ik heb alvast zin gekregen om opnieuw Rousseau te gaan lezen, vooral ‘Le contrat social’ en ‘La nouvelle Héloïse’. En alle films met Isabelle Huppert opnieuw (en opnieuw) te gaan zien.

Mevrouw De Block verhoogt de prijs van een aantal geneesmiddelen en wil op die manier “de middenklasse redden”. Net zoals de banken dat willen doen door binnenkort een negatieve rente op de spaarrekeningen in te voeren. De echte middenklasse belegt namelijk. Desnoods leent ze geld om te kunnen beleggen. De economie moet gestimuleerd worden. Het land moet groeien. Volgens Bob Dylan hebben we iets helemaal anders nodig dan duurdere geneesmiddelen en een negatieve rente op de spaarrekeningen om het land te doen groeien:
Well, my telephone rang, it would not stop
It's President Kennedy callin' me up
He said, “My friend Bob, what do we need to make the country grow?”
I said, “My friend John, Brigitte Bardot
Anita Ekberg
Sophia Loren
Country'll grow.”
Bob Dylan - I Shall Be Free

Mogelijk zitten de Amerikanen (en wij met hen) binnenkort met een heel ander soort president dan John Kennedy opgescheept. Een mysogine, racistische, vuilgebekte miljardair. Maar zover zijn we nog niet. Nog even geduld, nog even wat vulgaire verkiezingsshows proberen te ontwijken, nog één keer slapen. Niet dat mevrouw Clinton mijn sympathie krijgt. Ze is dan wel geen racistische, vuilgebekte miljardair, maar ze wordt gesteund door Wall Street (waar onder meer de wapenindustrie thuis is). Maar liever nog een schouwspelkapitalist met enkele progressieve ideeën dan een onvoorspelbare casinokapitalist met niets dan obsessies en stemmingswisselingen.

karst woudstra dodendans 2.jpg

Op facebook ben ik nu bevriend met Karst Woudstra, een man die ik al zo lang bewonder. Door hem heb ik het werk van Lars Noren leren kennen. Hij heeft mij opnieuw in aanraking gebracht met de (toneel)auteurs waar ik lang geleden al van hield: Henrik Ibsen en August Strindberg. Hij heeft me zonder veel opsmuk of tralala laten zien hoe geniaal beide mannen wel waren – en hoe modern, hoe hedendaags hun werk is. Het was uiteraard ik die hem als vriend vroeg. Een uurtje later aanvaardde hij mijn verzoek. Dat je zoveel van Patrick Modiano houdt volstaat voor mij om ja te zeggen, schreef hij me. (Hij had er dus geen idee van dat ik ook een bewonderaar was van Strindberg, Ibsen, Lars Noren en van de melancholische Karst Woudstra zelf). Een voorbeeld van de theorie van Frigyes Karinthy die ervan uitgaat dat alle mensen via maximaal vijf tussenpersonen en zes tussenstappen met elkaar verbonden zijn (six degrees of separation).


Om één uur, een uur voor de lunch, ga ik een uur rusten. Ik denk nu onwillekeurig aan Nietzsche, die eerst het hoofdgerecht at en pas daarna de soep. Als ik ontwaak weet ik niet welk moment van de dag het is. Ochtend? Middernacht? Het duurt even eer ik weer in de realiteit ben. Weer een uur verspild. De herfst gaat aan me voorbij zonder dat ik er deel aan heb. Ik had veel meer door het raam moeten kijken, naar de bonte herfstkleuren. Wat een decadente uitspraak! Ik had veel meer naar buiten moeten gaan, gaan wandelen in parken, in het Terkamerenbos, in het Zoniënwoud. Ik had me in de herfst moeten verliezen. In plaats van me in de werkelijkheid onder te dompelen sluit ik me er van af, om wat woorden aan mijn laptop toe te vertrouwen (en met potlood aan mijn dagboek), om enkele paragrafen te lezen, om zoals zojuist naar Bruce Springsteens ‘Tom Joad’ te luisteren, om naar een film te kijken.

gasparnoe-love-00.jpg

Voor veel films echter moet je ook de deur uit. Van landschappen blijft bijna niets over op een klein scherm. Van paarden. Van de wijde ruimte. De kleuren van de hemel. Een vlucht wilde eenden. Maar ook van intimistische films als ‘Love’ van Gaspar Noë blijft weinig over. Bij die film moet je de lichamelijkheid kunnen voelen. De huid. Het zweet. Lichaamsappen. Sperma. Speeksel. Op het kleine scherm gebeurt er niets van dat alles en is het een vervelende film. Wat hij waarschijnlijk op het grote scherm ook is, maar dat weet ik nu niet. De beste erotische film vind ik overigens nog steeds ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci, met Maria Schneider, Marlon Brando en Jean-Pierre Léaud. Maar dat is niet echt een erotische film: het is een tragedie. Een tragedie waar sommige mensen graag een klucht van zouden willen maken, of een soap. Zoals de soap die nu in de Verenigde Staten gaande is. Maar dat wordt zeer waarschijnlijk een tragedie. Misschien de ergste die wij, die babyboomers worden genoemd, ooit hebben gekend.

Manchurian-Candidate-Creepy.png

...

 

Afbeeldingen:'L'avenir; Dodendans; Gaspar Noë's Love, The Manchurian Candidate.

17-04-09

GEMASKERD EN ANONIEM


bullleogierinlestricheurs

‘Larvatus prodeo’ schreef ik vandaag op Facebook. Het is een fragment van een uitspraak van de jonge Descartes. De verwijzing komt vaak terug in mijn notities. Waarom? Ik weet het niet. In het dagelijks leven probeer ik zo echt en waar als mogelijk te zijn. Ik houd niet van valsspelers. (Hoewel de film van Barbet Schroeder, ‘Les tricheurs’, mij nooit onberoerd zal laten – maar zijn personages zijn echte valsspelers, in casino’s en zo – dat is een groot verschil met vals spelen buiten het casino.) Om duidelijker te zijn: ik houd niet van mensen die zich anders voordoen dan ze zijn. Ik houd niet van aanstellers, bluffers, leugenaars. Of beter gezegd: ik denk dat ik niet van zulke mensen houd, want in werkelijkheid kan ik dat niet weten. Wie is waarachtig en wie vertelt leugens en speelt een rol? Bovendien, wat de zaak nog moeilijker maakt, ben ik verlekkerd op acteurs die hun rollen spelen alsof ze hen op het  lijf zijn geschreven. Alsof… Ja, alsof, omdat ik goed weet dat bijvoorbeeld Marlon Brando niet samenvalt met het hoofdpersonage in ‘Last Tango In Paris’, terwijl ik elke keer weer denk dat hij die wanhopige man is op zoek naar liefde en troost. Het is evenwel een personage, een masker.

brando

 
Zelf ben ik ook een personage. Lavatus prodeo. Gemaskerd ga ik door het leven, hoe naakt ik ook wil zijn, en zelfs ben. Vrienden, kennissen, onbekenden in de metro, ontmaskeren mij meteen als iemand die zo-en-zo is. Een slak zonder huis, om een frase te gebruiken, dat ben ik. En toch denk ik dat ik gemaskerd ben en wil ik mezelf van mijn masker(s) ontdoen. Het is duidelijk een verhaal van mise-en-abîme ( in het Nederlands het ‘Droste-effect’, jammer dat er van de Belgische Oude Pol niets is overgebleven).

Droste

 
Als kind wilde ik balletdanser worden. Ik hield ervan me te verkleden, trok de schoenen van mijn moeder aan en een sjaaltje van mijn tante Georgette – en dan danste ik op de muziek die uit de transistorradio kwam. Bobbejaan Schoepen, Will Ferdy, Perry Como, het is te lang geleden om het mij nog duidelijk te herinneren. Maar ik herinner me wel nog het heerlijke gevoel dat ik had als ik die hooggehakte schoenen van mijn moeder aan mijn voeten had. Laat anderen maar rolschaatsen zal ik hebben gedacht. Zo hield ik ook van Romy Schneider in Sissi. Het was niet alleen maar dat ik door de film(s) ontroerd werd: ik identificeerde me met het personage Sissi. Ik was Sissi. (Overigens ben ik ook Lassie, Fury, Ben Hur, Billy the Kid, Captain America en Andrej Rublev geweest – om mij tot films te beperken, de lijst mag niet eindeloos worden).

nijinski

 

Wat betekent dit allemaal? Het is alleszins iets om over na te denken. Bestaat er een zelf, een identiteit? Of veranderen wij voortdurend? Bijzonder indrukwekkend vond ik Bob Dylans uitvoering van zijn ‘When I Paint My Masterpiece’ in zijn (eigen) film ‘Renaldo and Clara’. Waarom? Omdat hij die song zong met een masker op. Overigens heeft hij veel later in zijn leven nog een film gemaakt die ‘Masked And Anonymous’ heet en is elk concert van de meester een aaneenschakeling van maskerades, vooral door de metamorfoses die zijn songs ondergaan.

dylan 

 

Gemaskerd ga ik door het leven, als een mens. Maar eigenlijk ben ik niets.  Eigenlijk ben ik niets zonder jou, die me zegt dat ik besta en wie ik ben. Geloof ik je echter? Ik betwijfel het. Mijn illusies zijn sterk. Toch. Het woord ‘ik’ behoort tot de taal, en zo verdwijn ik en ‘ik’ ‘zelf’ er weer in, in jouw woorden, in jouw taal. In jouw taal draag ik geen masker meer. In jouw taal ben ik onzuiver verlangen.

abc

Illustraties:

Bulle Ogier in Les Tricheurs van Barbet Schroeder.
Marlon Brando en Maria Schneider in Last Tango In Paris.
Droste Cacao

Nijinski
Bob Dylan in Renaldo and Clara

Alfabet

19-02-08

STEMMEN EN STEMMINGEN II


Willem_Dafoe

Vreemd hoe de stem van de jonge John Cale bijna altijd gevoelens van euforie bij me weet op te wekken. Nu bijvoorbeeld met het nummer ‘Please’, een bonustrack op de onvolprezen eerste solo-elpee, ‘Vintage Violence’. Ik ben een stemmengek, daar heb ik al meermaals overgeschreven, maar ik besef nu dat het bij iemand als John Cale toch zeker ook om de melodie gaat, waar die euforie al in potentie in aanwezig is. Bij een andere stem, die mij ook telkens weer doet wegsmelten, die van Hope Sandoval, is het melodieuze even belangrijk.

Toch is melodie geen sine qua non om de stem een diepe indruk op mij te laten maken. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Willem Dafoe, en met name aan de film ‘Light Sleeper’ van Paul Schrader. Telkens als ik die vrij middelmatige film - met een buitengewone acteerprestatie van Willem Dafoe – bekijk, krijg ik tranen in de ogen als ik de eenzame John LeTour aan een waarzegster hoor vragen of zijn geluk nu werkelijk opgebruikt is. Die tranen komen er niet alleen door de inhoud van die vraag maar ongetwijfeld ook door het timbre van Dafoes stem.

Na een voorstelling zag ik Willem Dafoe eens aan de toog van het kaaitheatercafé staan. Wat had ik hem graag aangesproken om hem te zeggen hoezeer ik hem bewonderde, maar ook om hem daar in dat café het woord tot mij te horen richten. Ik was echter te schuchter en bleef zitten waar ik zat.  En heel vaak als ik Mark Lanegan hoor zingen denk ik aan die scène uit ‘Light Sleeper’ terug, en krijg ik weer een krop in de keel. Mark Lanegan lijkt mij een even eenzame man als de fictieve John LeTour, en zijn stem lijkt wat op die van Willem Dafoe.

Bij mij moet de televisie altijd erg luid staan, zodat ik de nuances in het spreken van actrices en acteurs heel goed kan horen. Iets absurders dan een acteur wiens stem gedubt wordt kan ik me niet voorstellen. De - kennelijk autobiografische - monoloog die Marlon Brando afsteekt in ‘De laatste tango in Parijs’ van Bertolucci is zo broos en nog veel unieker dan een vingerafdruk dat wie die stem door een andere laat vervangen gevangenisstraf verdient. Ja ik ben toch wel een stemmengek.

26-03-06

ANNA MAGNANI, MARLON BRANDO: THE FUGITIVE KIND

film,anna magnani,marlon brando,tennessee williams,david lynch,joanne woodward,depressie,scott walker,orpheus,sydney lumet

Een film waar ik vaak aan terugdenk is ‘The Fugitive Kind’, van Sydney Lumet, met Marlon Brando, Anna Magnani en Joanne Woodward. Het is een bewerking van ‘Orpheus Descending’, een toneelstuk van Tennessee Williams. Het lied ‘Blanket Roll Blues’ dat in de film voorkomt werd later gecoverd door Scott Walker, op ‘Climate Of Hunter’.

‘The Fugitive Kind’ is het verhaal van een gitarist-zwerver uit New Orleans die zijn leven in de marge vaarwel zegt en toevallig in een klein stadje in de staat Mississippi terechtkomt, waar de sfeer typisch Tennesse Williams-broeierig, neen, schroeiend heet is. De diepere laag is meteen zichtbaar: Orpheus daalt af naar Hades, op zoek naar Euridyke. Marlon Brando draagt een slangenleren jekker, zoals het Orpheus betaamt, een jasje dat later weer opduikt in Wild At Heart van David Lynch (om de schouders van Nicholas Cage). De lier verving Sydney Lumet (of Tennessee Williams) door een gitaar. Er wordt prachtig geacteerd in de film, vooral door Anna Magnani en Joanne Woodward. Marlon Brando vertelt in zijn autobiografie, ‘Songs My Mother Taught Me’, dat Tennessee Williams in die periode aanvallen van depressie bestreed met allerlei pillen en alcohol. Wat Brando onthult over de twaalf jaar oudere Anna Magnani is lichtjes beledigend maar vooral grappig. Ik kan het niet navertellen. Het verhaal staat op pagina 262 van de autobiografie en eindigt met Marlon Brando die, om aan La Magnani’s omhelzing te ontsnappen, haar zo hard als hij kan in de neus knijpt, alsof hij een citroen uitperst. Desondanks een indrukwekkende film.

 

film,anna magnani,marlon brando,tennessee williams,david lynch,joanne woodward,depressie,scott walker,orpheus,sydney lumet

06-02-06

ELIA KAZAN EN ARTHUR MILLER

joseph mccarthy,communistenjacht,timebends,marlon brando,rod steiger,arthur miller,elia kazan,film

Ik had het een paar dagen geleden over de (wellicht) beste scène uit de filmgeschiedenis, de scène met Marlon Brando en Rod Steiger in de New Yorkse taxi, in ‘On the Waterfront’. Wat ik daar niet bij vermeldde is dat ik ‘On the Waterfront’ een moreel verwerpelijke film vind, van een moreel verwerpelijk, zij het soms geniaal regisseur. De film is een meesterwerk, maar is tegelijk ook een ‘rechtvaardiging’, of apologie zo je wil, voor Kazans verklikken van zijn vroegere ‘communistische vrienden’ voor het House Un-American Activitities Committee van Josheph McCarthy. Arthur Miller, die aan het scenario van On the Waterfront had meegewerkt, maar zich om politieke en morele redenen had teruggetrokken uit het project, schrijft in verband met die episode het volgende:

“Had I been of his generation, he would have had to sacrifice me as well. And finally that was all I could think of. I could not get past it. That all relationships had become relationships of advantage or disadvantage. That this was what it all came to anyway and there was nothing new here. That one stayed as long as it was useful to stay, believed as long as it was not too inconvenient, and that we were fish in a tank cruising with upslanted gaze for the descending crumbs that kept us alive.” (In Millers autobiografie, ‘Timebends’).

Toegegeven, dit verhaal van vriendschap en verraad geeft de film ook een diepere schoonheid, een grotere resonantie.

03-02-06

TWIJFEL EN VERTWIJFELING IN PALOOKAVILLE

rod steiger,afgrond,thoreau,twijfel,vertwijfeling,wanhoop,palookaville,marlon brando


Soms maakt de twijfel zich meester van me. Ik kan dan niet meer denken, niet meer handelen, ik kan alleen nog twijfelen. Het is niet zomaar alledaags ‘twijfelen’, evenmin is het ‘gezonde’ scepsis. Het is erger. Die alledaagse vorm van twijfel vind ik wel goed. Zolang ik tot handelen en beslissen in staat ben. Eigenlijk is alles wat ik schrijf, wat ik meedeel, op twijfel gebaseerd. Dat is niets nieuws. Twijfelen is voor mij bijna hetzelfde als ademhalen. Maar soms ga ik te ver, neen, ik ga niet zelf, ik word meegenomen, meegesleurd, als in een lawine, een wervelstorm. Ik stort in de afgrond. De afgrond van het denken en handelen. Er is dan geen grond meer. 


Misschien lijd ik aan twijfelzucht, een obsessieve, neurotische vorm van twijfelen. Je twijfelt aan de juistheid van je eigen handelingen en van je uitingen, vooral dat laatste. Je gedraagt je nog wel, maar op dwangmatige wijze.

Misschien val ik ten prooi aan het wat vroeger vertwijfeling werd genoemd, een woord dat niet vaak meer wordt gebruikt. Wanhoop? Despair, in het Engels? Maar als ik dat Engelse woord hoor denk ik meteen: ik ben niet alleen. “The mass of men lead lives of quiet desparation…” schreef Henry David Thoreau in ‘Walden’. ‘Desperaat’ wordt overigens ook in het Nederlands gebruikt. In Van Dale lees ik bij vertwijfelen: beginnen te wanhopen, de moed verliezen, geen uitweg meer zien. No exit. No future. No nothing. Niets. Palookaville! Ja, zoals Marlon Brando in ‘On the Waterfront’, in wellicht de mooiste scène uit de filmgeschiedenis:

“You don't understand! I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am. Let's face it…”

Zag je dat ‘wellicht’ staan? Het zou ‘zeker’ moeten zijn, maar ik betwijfel of wat ik beweer wel helemaal waar is. Bestaan er nog geen betere, mooiere, sterkere scènes in de filmgeschiedenis? Ik betwijfel het. Ik ben er zeker van.

Do I contradict myself? Ik betwijfel het. Ben ik onduidelijk? Goed zo! De wereld is onduidelijk, waarom zou ik dan geen onduidelijke taal spreken? Hoewel de taal mijn grootste liefde is. Mijn onduidelijke liefde. Mijn dwarrelende liefde. Mijn weerbarstige liefde. Mijn wanhopig stemmende liefde. Jij, die mij het woord vertwijfeling aanreikt, de lettergrepen, de syntagmata, de letters.