02-09-17

ZERO DE CONDUITE: PLAATSEN

only-lovers-left-alive.jpg

Zéro de conduite is een stemmingsafhankelijke, twee uur durende populaire popcyclus op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor anderhalve griet en een forellenkop. Uniek in het zich steeds verder uitdijende multiversum. Stem af op 106.7 FM. 
Je kunt Zéro via 
streaming beluisteren. Hier
vind je meer informatie over de radio.

Plaatsen, plaatsnamen. Als ik deze woorden neerschrijf denk ik meteen aan een hoofdstuk in ‘In de schaduw van de bloeiende meisjes’ van Marcel Proust, hoewel ik me niet meer zo goed herinner wat de schrijver daarin ter sprake brengt en ik niet veel zin heb om mij opnieuw - in dit kort tijdbestek - in de lange zinnen van de recherche onder te dompelen. Het komt erop neer, denk ik, dat plaatsnamen voor ons meer betoverend zijn dan de werkelijke plaatsen waar ze naar verwijzen. In onze verbeelding maken wij een reis naar laten we zeggen Los Angeles, een plaats waar we nooit geweest zijn. Alles aan die ingebeelde stad is buitengewoon, magisch, overrompelend. Als wij evenwel in werkelijkheid in Los Angeles aankomen zijn we enigszins teleurgesteld. Het stralende licht dat we ons daar voorgesteld hadden is flets, de heldere lucht is verre van zuiver, ondanks de Stille Oceaan. Waren we dan vergeten dat er miljoenen auto’s rondrijden in Los Angeles? Ja, dat waren we. Het magische van de stad zit hem in de naam. Om die reden zijn, denk ik, liedjes over steden vaak mooier dan de steden zelf. En ongeveer hetzelfde geldt voor plaatsnamen, ook voor die van pleinen en straten en rivieren en zo meer. Ik weet nog heel goed hoe teleurgesteld ik was toen ik voor de eerste keer (in 1992) in New Orleans op de Mississippi uitkeek. Vooral dank zij de muziek die daar op zoveel plaatsen gespeeld werd kon ik die teleurstelling te boven komen en lukte het mij om de betovering van de stad en de rivier alsnog te ondergaan. (Het zijn bijgevolg niet alleen de namen die het hem doen, maar ook de muziek, de melodieën, de liedjes.)
Iets anders zijn de plaatsen die we ons herinneren vanwege geliefden en vrienden die we er hebben ontmoet. Als we de naam horen van een plaats waar we een geliefde innig hebben omhelsd kan het gebeuren dat we die omhelzing opnieuw beleven. De plaatsnaam – en de herinneringen die hij met zich meebrengt – zorgt ervoor dat we niets meer zien van de banale werkelijkheid van het moment zelf.
Maar goed, voldoende gemijmerd - terwijl het hier in de eerste plaats toch om de muziek gaat.
Veel luisterplezier!
mott-the-hoople.jpg

There's A Place The Beatles - Please Please Me - Lennon-McCartney - 1963

Places I Know - Mike Cooper - Places I Know – Mike Cooper - 1971

Turin at Night - John Cale - Le Vent de la Nuit (bande originale du film) - John Cale - 1999

Streets Of Tangier - Jozef Van Wissem & SQURL - Only Lovers Left Alive – Jozef Van Wissem - 2014

Sous Le Ciel De Paris - Édith Piaf - Ses Plus Belles Chansons  - Paroles : Jean Dréjac / Musique : Hubert Giraud - 1954

Berlin - Lou Reed - Lou Reed - Lou Reed - 1972

Amsterdam - Wally Tax - Tax Free – Wally Tax - 1970

A Minor Place - Bonnie "Prince" Billy - I See A Darkness - Will Oldham - 1999

The Nearest Faraway Place - The Beach Boys - 20/20 - Bruce Johnston - 1969

Neighborhood Blues - David Kauffman & Eric Caboor - Songs from Suicide Bridge - E. Caboor – 1984 / 2015

Angel of Eighth Avenue - Mott The Hoople - Wildlife – Ian Hunter - 1971

The Lord Is in This Place ... How Dreadful Is This Place - Fairport Convention - What We Did on Our Holidays - Sandy Denny, Ashley Hutchings, Richard Thompson - 1968

Powis Square - Ry Cooder - Performance: Original Motion Picture Soundtrack  - Ry Cooder - 1970

performance.jpg

Shakedown On 9th Street - Ryan Adams - Heartbreaker - Ryan Adams - 2000

Union Square - Tom Waits - Rain Dogs - Tom Waits - 1985

Down By The Water - PJ Harvey - To Bring You My Love - Polly Jean Harvey - 1994

The Guns of Brixton - The Clash - London Calling - Paul Simonon - 1979

The Paris Match - The Style Council - Café Bleu - Paul Weller - 1984

The Ballad Of Lucy Jordan - Marianne Faithfull - Broken English - Shel Silverstein - 1979

Going Down To Liverpool - The Bangles – All Over the Place – Kimberley Rew - 1984

Venus Of Avenue D - Mink DeVille - Cabretta – Mink DeVille - 1977

cabretta.jpg

No Place So Alone - Tindersticks - Falling Down A Mountain - Stuart A. Staples - 2010

St. Mark's Place - Mick Harvey - The Journey Is Long - Jeffrey Lee Pierce - 2012

Apartment 6 - Green On Red - Green On Red - 1983

Milly's Garden - Steve Gunn - Way Out Weather – Steve Gunn - 2014

A Place Where I Know - Tarnation - Mirador – Paula Frazer - 1997

Street Scene In A Frontier Town - Bill Frisell - Have A Little Faith - Aaron Copland - 1993

Montgomery - Magnolia Electric Co. - Fading Trails – Jason Molina  - 2006

Montgomery in the Rain - Steve Young - Seven Bridges Road: The Complete Recordings – Steve Young - 1972

I Must Be In A Good Place Now - Bobby Charles - Eponymous -  Bobby Charles - 1972
bobby charles.jpg

Liverpool Lullaby - Judy Collins - In My Life - Stan Kelly-Bootle - 1966

Ventura Boulevard - The Everly Brothers - Roots – Ron Elliott - 1968

Gibsom Street - Laura Nyro - Stoned Soul Picnic: The Best Of Laura Nyro - Laura Nyro - 1969

Mobile Blue - Mickey Newbury - Frisco Mabel Joy - Mickey Newbury - 1971

Tupelo - Jason Isbell & The 400 Unit - The Nashville Sound -  Jason Isbell - 2017

On Grafton Street - Nanci Griffith - Flyer - Nanci Griffith, Fred Koller - 1994

Toulouse Street - The Doobie Brothers - Toulouse Street - The Doobie Brothers – 1972
john lee hooker.jpg

Bonus Tracks

Tuesday Night in Memphis - John Lurie - Mystery Train – John Lurie - 1989

Across 110th Street - Bobby Womack - Jackie Brown - Bobby Womack - 1972

Tenth Avenue Freeze Out - Bruce Springsteen - Born To Run - B. Springsteen - 1975

San Francisco - John Lee Hooker - The Big Soul of John Lee Hooker - John Lee Hooker - 2016

Sarah Street - Otis Spann - The Blues of Otis Spann – Otis Spann - 1995

The Usual Place - Don Covay - The Platinum Collection – Dan Covay  - 2007

Same Time Same Place - Mable John - The Complete Stax/Volt Singles: 1959-1968 - Isaac Hayes, David Porter – 1991 reissue

The Soulful Shack - Smokey Robinson & The Miracles - Make It Happen - William Smokey Robinson - 1970

Smokey Places - The Corsairs - Chess Chartbusters Vol. 5 - Abner Spector - 1961

A Quiet Place - Garnet Mimms & The Enchanters - In The Naked City - Samuel Bell, Norman Meade – 1964
pj harvey3.jpg

Research, techniek & presentatie: Martin Pulaski

Afbeeldingen: Only Lovers Left Alive (Jim Jarmusch); Mott the Hoople; Performance (Nicolas Roeg); Mink DeVille, Cabretta; Bobby Charles; John Lee Hooker; PJ Harvey

09-04-17

UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg


“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.


Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

... 

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

09-01-17

WAPENSTILSTAND

2 peter sellers being there.jpg

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN
(hoofdstuk 13)

Dag 10: 11 november 2016


“Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zij van nu af aan mijn liefde! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. Wegkijken zij mijn enige ontkenning! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt!”*

Een talloos aantal werelden en zeker één die wankelt. En een zee van mogelijkheden. “Morgen zal ik niet schrijven”, schreef ik gisteren. Hoe lang heeft dat morgen geduurd? Ik wil er niet over nadenken, nooit goed geweest in rekenkunde. Ik zou kunnen opsommen wat ik allemaal gedaan en gelaten heb. Lijstjes maken. Een boek van Henri Bergson gekocht, dat heb ik, ‘Tijd en vrije wil’, niet toevallig een beschouwing over de tijd. De objectiveerbare, meetbare tijd tegenover de duur (la durée), die niet meetbaar is, omdat zij voortdurend stroomt en verandert. Gelezen heb ik het nog niet, maar dat zal niet lang meer duren… En voor de rest? Mijn ogen en oren gebruikt, gelegen, gezeten. Opgestaan is plaats vergaan.

BERGSON-TRANQUILLOU.jpg

Vandaag wapenstilstand, maar wat betekent dat nog? Bijna overal oorlog, moord en doodslag. Wat ooit ‘rebels without a cause’, hippies en yippies waren zijn nu jihadi’s. Hetzelfde fundamentele ongenoegen, een vergelijkbaar radicalisme, maar een andere ‘strijd’. ‘Terreur’ wordt dat fenomeen voorbij goed en kwaad, voorbij het humanisme, genoemd; maar is terreur wel de juiste term? We kennen de terreur van de Franse revolutie, het schrikbewind, omdat dàt tot de geschiedenis behoort, maar datgene waarvoor we nu bang zijn – en door de machthebbers bang voor worden gemaakt – is een nieuw fenomeen, het is in beweging, niet meetbaar, we kunnen er geen vat op krijgen. We kunnen er zelfs niet over nadenken, vandaar al die meningen en opinies. Van wapenstilstand geen sprake. Er zijn wapens, er worden aan de lopende band wapens geproduceerd, dus worden ze gebruikt. Opslagplaatsen zijn duur.

fuck the man.jpg

Leonard Cohen is dood. Gestorven op 7 november, net voor Donald Trump de Amerikaanse verkiezingen zou winnen. Op die dag schreef ik over Isabelle Huppert en de film ‘L’Avenir’, over vulgaire verkiezingsshows, over Karst Woudstra en August Strindberg. Bovendien zat ik me af te vragen of er tussen mij en Trump maar “six degrees of separation” bestaan. Indien dat zo is, wat houdt mij dan tegen om naar hem toe te gaan en hem op andere gedachten te brengen? Zoveel mogelijkheden. In ‘Being There’ van Jerzy Kosinski kan een tuinier zelfs president worden. Overigens vind ik de filmversie (Hal Ashby) beter. Maar het boek, in Nederlandse vertaling, wordt hier in huis gekoesterd: mijn Laura kreeg het in mei 1981 cadeau van onze vriend Joseph.

Eigenlijk mag je nooit vergelijken. Ik wil ik dat zeker niet doen met twee kunstenaars, de ene een starman en de andere een beautiful loser – de enige duidelijke overeenkomst is dat beiden nu dood zijn. Of wacht, er is nog een overeenkomst: ook bij de dood van Leonard Cohen lijkt het erop of heel de wereld in rouw is. Over mijn gevoelens over Cohens overlijden wil ik niet veel zeggen. Heel lang geleden heb ik ‘Beautiful Losers’ gelezen. Voor mij was Leonard Cohen een dichter. Een dichter die zijn recitaties begeleidde – of liet begeleiden - met gitaar, met enkele andere instrumenten, met een tweede of derde stem. In het begin hield ik veel van ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on a Wire’. Vervolgens duurde het tientallen jaren eer ik Leonard Cohen opnieuw ging beluisteren. Ik luisterde naar zijn teksten. Ik las ze in een bundel. Ik verslond ze. Het waren parels, juwelen. Leonard Cohen was een goudsmid. Hij kon alles. Het mooiste aan de man vond ik dat hij deed alsof hij een niemendal was. En zelfs dat deed hij niet. Leonard Cohen leek op mij – of ik op hem: hij was er niet, is er niet en ik ben er ook niet**. Ooit ben ik er geweest, maar dat is lang geleden. Het was in de dagen dat ik naar ‘Sisters of Mercy’ en ‘Bird on the Wire’ luisterde. En meer nog naar ‘Sitting By the Window’, maar dat is een ander verhaal voor een andere dag. Deze tiende en laatste dag van mijn tien dagen in de ‘woestijn van de werkelijkheid’ wil ik afsluiten met woorden van Leonard Cohen:

Now I greet you from the other side of sorrow and despair, with a love so vast
And so shattered, it will reach you everywhere.
And I sing this for the captain whose ship has not been built, for the mother in
Confusion, her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king. for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.
Through the days of shame that are coming, through the nights of wild distress,
Though your promise counts for nothing, you must keep it nonetheless.
You must keep it for the captain whose ship has not been built. for the mother in
Confusion her cradle still unfilled.
For the heart with no companion, for the soul without a king, for the prima
Ballerina who cannot dance to anything.***

lc-26-oct-1963-allan-r-leishman-montreal-star-library-and-archives-canada-pa-190166-light-scaled1000.jpg

~~~


* Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 276

**Versta me niet verkeerd: ik wil me op geen enkele manier met Leonard Cohen vergelijken en al zeker niet als dichter. Het gaat om een manier van in de wereld zijn. Maar zelfs mijn vorm van afwezig zijn, van onzichtbaar zijn is niet vergelijkbaar. Voor Leonard Cohen heb ik alleen maar respect. Voor mezelf? Dat denk ik niet. You're invisible now, you got no secrets to conceal.

***Leonard Cohen, Heart With No Companion

22-10-13

WAT IS WERKELIJK?

IMG_5329.JPG

Wat hier volgt is niet veel meer dan een voetnoot bij ‘Leven en dood in de Van Praetlei’. Het betreft het begrip ‘defunctus’.

Wanneer precies het woord* zich in mijn bewustzijn heeft genesteld weet ik niet meer, 1978 of 1979 dat zeker, maar ik herinner me wel waar: het was in een kleine werkkamer op de eerste verdieping van het huis dat wij huurden in de Dolfijnstraat vlakbij de Dageraadplaats in Antwerpen. Ik las het in een dun boekje van Samuel Beckett over Marcel Proust.

Helemaal op het einde van het boek komt Beckett tot de conclusie dat de verteller in tegenstelling tot Charles Swann, die de ‘kleine frase’ in de Sonate van Vinteuil met zijn geliefde Odette de Crécy identificeert, die bijgevolg van iets buitenruimtelijks (muziek) iets ruimtelijks maakt, “l'air national de [leur] amour”, ziet de verteller in de rode frase van het Septet “de ideale onstoffelijke weergave van de essentie van een unieke schoonheid; van een unieke wereld, de onveranderlijke wereld en schoonheid van Vinteuil, schuchter uitgedrukt als een gebed in de Sonate, smekend als een inspiratie in het Septet; de ‘onzichtbare realiteit’, die het leven van het lichaam op aarde veroordeelt als opgelegde taak en de betekenis van het woord ‘defunctus’ onthult.”

Bij het lezen van dat woord 'defunctus' herinnerde ik me dat ik het eerder had opgemerkt in een boek dat ik van de bibliotheek had uitgeleend, een verzameling essays van Schopenhauer - met door de Nederlandse uitgever van de belachelijke titel 'Er is geen vrouw die deugt'** voorzien. In het essay 'Over het lijden van de wereld' trof ik dit aan: "Zeer te benijden is niemand, zeer te beklagen zijn talloze mensen. Het leven is een taak die af moet: in die zin is defunctus een mooi woord voor dood."

Ik besefte dat Beckett's 'Proust' grotendeels al door Arthur Schopenhauer was bedacht. Maar dat was niet zo belangrijk. Ik had dat woord gevonden. Misschien kan het geen kwaad hierbij te vermelden dat ik in die dagen vaak meer gefascineeerd was door woorden dan door zinnen; zelfs verhalen hadden niet meer zoveel belang. Dat zal wel verband hebben gehouden met de moderne poëzie. Ik had daar op mijn negentiende over gelezen in ‘De eendimensionale mens’ van Herbert Marcuse en wat later in ‘Le degré zéro de l’écriture’ van Roland Barthes. “Het woord weigert het verbindende, verstandige bewind van de zin”, schrijft Marcuse en bij Barthes luidt het: “Het woord dat zich heeft losgemaakt van de korst van geijkte clichés, en van de technische reflexen van de schrijver, verliest daarmee elke verantwoordelijkheid voor iedere mogelijke context; het brengt slechts één summier, dof geluid voort, dat in zijn gedemptheid zijn eenzaamheid en dus zijn onschuld bevestigt.”

Later heb ik deze theorieën en ‘inzichten’ weer voor het grootste deel verloochend en ben ik teruggekeerd naar de zin en het verhaal. Dat heeft mijn leven er heel wat eenvoudiger en plezieriger op gemaakt.

Dat Proust hier op het toneel verschijnt is overigens niet verwonderlijk. Als het over herinneringen en het geheugen gaat, het terugvinden van fragmenten uit de verleden tijd, komt Marcel wel vaker om de hoek kijken. Want toegegeven: de reeks ‘genealogie’ is ook de vrucht van wat hij 'onvrijwillig geheugen' noemt. Het geheugen en de herinnering – allesbehalve betrouwbaar, zoals zoveel schrijvers, waaronder Stendhal en W.G. Sebald, al hebben aangetoond. Zo neemt mijn ‘genealogie’*** ook een loopje met de werkelijkheid. Maar wat is werkelijk?

IMG_5318.JPG

*Hier past een dankwoord voor Gislinde Vercammen, die me – onrechtstreeks – om uitleg vroeg over het begrip ‘defunctus’ en zich enigszins uitdagend afvroeg of het wel bestond.


**In het Duits: ‘Parerga und Paralipomena, kleine philosophische Schriften’.

*** Genealogie. De reeks bestaat nu uit:
DE DOOS VAN PANDORA
HOE HET DAN ALLEMAAL BEGONNEN IS?
DE FOTO VAN BOB DYLAN EN SARA NOZNIZSKY
AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

Foto's: Martin Pulaski, 17 maart 2007, Capela dos Ossos, Evora. In deze kapel zijn de wanden en zuilen bedekt met de schedels en beenderen van meer dan vijfduizend monniken. Boven de deur staat het opschrift: "Nós ossos que aqui estamos pelos vossos esperamos" (Wij beenderen hier wachten op uw beenderen). 

17-09-13

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

searchers.jpg

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind - The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

paris-texas-1984.jpg

...

Foto's: 'The Searchers', John Ford en 'Paris, Texas', Wim Wenders.

15-01-08

DENK JE NOG AAN MIJ, LIEVELING?

passages,literatuur,hoeren,stroom,huid,sodom en gomorra,vriendschap,schrijven,citeren,stijl,marcel proust,verfraaien,hoochiekoochie

Foto: Nobuyoshi Araki
 

Marcel Proust is een zo buitengewoon goede schrijver dat hij mij zin geeft om hem heel vaak te citeren, wat ik echter probeer te vermijden. Want wat voor zin heeft het te herhalen wat al in een boek staat? Wellicht doe je daar jezelf een plezier mee, het plezier van het lezen en het citeren, maar of je lezers er iets aan hebben is nog maar de vraag. Je rukt een passage los uit haar context, uit de in dit geval lange stroom van het ‘verhaal’, hoewel Proust niet echt een verhaal vertelt, en plaatst ze in een andere context, zonder het oorspronkelijke ‘ervoor’ en ‘erna’. Misschien wil je je eigen stroom met die mooie citaten verfraaien, haar oevers verstevigen, ze beter bevaarbaar maken, er meer diepte aan geven, zodat ze voor de zwemmer even gevaarlijk wordt als de Schelde of de Mississippi?

Want telkens weer zie je in dat je eigen verhaal niet altijd veel om het lijf heeft, het doet je veeleer denken aan de hoeren aan het Noordstation, waar je met de trein naar Antwerpen zo vaak voorbijrijdt: je vangt een flits op van hun zachte huid, maar altijd van ver, nooit kom je in hun nabijheid, nooit raak je hun huid aan. De ‘treinreiziger’ die station Hoochiekoochie passeert zal soms ook een flits schoonheid opvangen, maar dan stuit hij al gauw op een banale uitspraak, of een slecht geformuleerde zin – want er is altijd haast mee gemoeid, alsof de duivel de schrijver op de hielen zit - of hij gaat voorbij aan een schitterend gedicht zonder dat hij de tijd heeft kunnen nemen om het te lezen.


Toch kan ik het ook deze keer niet laten Proust aan te halen, enkele zinnen uit ‘Sodom en Gomorra’:


“Maar, zoals wij ook van het richtinggevoel zijn verstoken, waarmee bepaalde vogels zijn toegerust, zo missen wij het gevoel voor zichtbaarheid, zoals wij dat voor afstanden missen, in de waan levend dat wij van nabij belangstellend gevolgd worden door de mensen die juist nooit aan ons denken, en niet bevroedend dat wij onderwijl het voorwerp zijn van andermans grootste zorg.”

27-12-07

SLAM EN DE OBSCENE GRENZEN VAN PÖEZIE

Het is vreemd en opvallend dat er altijd weer enkelingen opduiken die graag op een podium gaan staan, een beetje hoger dan de andere mensen. Dat ze, zo lijkt het, door, gedurende de tijd dat zij, de enkelingen, zich boven hen verheffen wat lagere anderen, wensen beoordeeld te worden, en wellicht zelfs gestenigd of veel liever nog gekoesterd en begeerd.

En dat degenen die ervoor kiezen om tijdelijk een lagere plaats in te nemen, op de grond of op een ongemakkelijke stoel, en met te veel kleren aan, waardoor er gezweet wordt, graag om degenen die zich verheffen lachen, ze veroordelen, erom huilen, als het moet ze stenigen als waren ze martelaren, terwijl ze in dit bepaalde geval toch alleen maar de blues zingen – en sommigen hun gedachten laten afdwalen, laten afdalen naar de vreemden in henzelf aanwezig, en dat die laatsten, die weinigen, dan schrikken van dat vacuüm in hen.

 

Maar de dichters verlaten op tijd de zaal waar hoger en lager wordt gespeeld en keren huiswaarts, harden zich en wachten geduldig af. Af en toe peilen ze de diepte van hun afgrond, en soms lukt het hen een spoor te vinden van de weg die ze gingen toen ze de hoge, zacht glooiende heuvels van hun kinderjaren beklommen. Geduld moet je oefenen, zei de meester, daar komt het op neer, tot je het wijsje hoort, je diepste gezang. Van dat ogenblik af, en misschien al veel eerder, laat je je niet meer van de wijs brengen door harde stemmen en ingewikkelde manifesten op grijs papier gedrukt.


Het is vreemd dat er zulke mensen bestaan, die de ‘obscene grenzen’ die Lawrence Ferlinghetti ontwaarde nog langer willen bestrijden. En dat er anderen zijn die beamen wat Marcel Proust zei: degene die lijdt onder de liefde – als hij lijdt – is degene die ze ontvangt, niet degene die liefde schenkt. Maar hij moet het wel weten, anders is hij een dwaas. Alleen dwazen lijken gelukkig te zijn.

05-12-07

HET INTERMITTEREND KLOPPEN VAN ONS HART

van morrison,bob dylan,cinderella s ballroom,junior murvin,jim thompson,james cain,hard-boiled,sam peckinpah,bertrand tavernier,marcel proust,onbewuste,depressie,geheugen,herinnering,hart,herinneringen,william styron,webb pierce,country

In die dagen, in de mooie stad Antwerpen woonachtig, in tijden dat ik veel en vaak uitging, niet om hele nachten tequila sunrise te drinken maar vooral om te dansen op Junior Murvin’s ‘Police and Thieves’, bijvoorbeeld in Cinderella’s Ballroom, een vochtige, rokerige kelder, die wij als ons tweede en soms als eerste thuis beschouwden, voor ons allen het hart van de wereld, las ik de dag nadien – als ik een kater had van rook en vocht en bloed en uitputting – donkere, meeslepende boeken van Raymond Chandler, Dashiel Hammett, Ross McDonald en James Cain. Vooral James Cain. The Postman Always Rings Twice. En oh ja, ik mag Jim Thompson  niet vergeten, The Killer Inside Me, inspiratiebron voor Bob Dylan, Sam Peckinpah, Green On Red en Bertrand Tavernier, onder meer. Nu hoor ik Webb Pierce op de achtergrond, die soms voorgrond wordt, There Stands The Glass, Van Morrison heeft dat onlangs gecoverd op zijn country-lp, en denk ik en vraag ik me af waarom ik me overgeef aan de boeken van Marcel Proust om te genezen van iets donkers, iets wat depressie wordt genoemd; maar eigenlijk is het een ervaring die helemaal niet beantwoordt aan dat versleten woord. William Styron is op zoek geweest naar een beter woord en kwam alleen maar bij het verouderde begrip melancholie, een mooie benaming – maar ze dekt de lading niet. Klinische depressie, zeggen de mensen nu, om aan te geven dat het ernst is. Maar wat is een klinische depressie? Ik weet het niet. Ik probeer te overleven, zoals in die boeken van de hard-boiled misdaadschrijvers. Vaak worden ze in mekaar geklopt of anderszins bijna het hoekje om geholpen. Zo is het ook een beetje met een depressie. Je zoekt het gevaar en de dood op omdat je er bang voor bent. Je wilt ontsnappen maar je wilt de smeerlap gelijkertijd recht in de ogen kijken. Ik wil niet dood, zeg je, ik wil waardig ouder worden. En dan lach je grimmig, vanwege die oude vergeten politieke partij. Toen waren die dingen nog zo onschuldig. Nu zitten we met massa’s contra-revolutionairen, NVA, Vlaams Belang (de eerste keer dat ik dit woord hier gebruik), FDF, mensen in groepen met elkaar verbonden om al het moeilijk bereikte weer op te blazen. Waar komen al die hatelijke haatdragende mensen vandaan? Walen, Vlamingen, immigranten die elkaar een mes in de rug willen steken. Waarom? Ze gaan voortdurend bij elkaar op vakantie en verklaren elkaar de liefde en willen vervolgens alles opblazen, de hele razzamatazz.

Waarom evenwel zoek ik mijn heil bij de moeilijke Marcel Proust, een intellectueel, een Jood en een homoseksueel? Ik weet het niet. Maar misschien is het antwoord eenvoudig. Als ik Marcel Proust niet meer kan lezen, de ongeveer moeilijkste literator – ik heb het niet over wetenschappers - maar ook de beste schrijver uit de twintigste eeuw, ben ik het niet waard om veel – en waardig - ouder te worden. Vandaag las ik in ‘Sodom en Gomorra’ (in een uitstekende vertaling van Thérèse Cornips) enkele zinnen, voldoende voor een dag, een week:

“Op welk tijdstip wij ook onze ziel in haar geheel zouden bezien, zij heeft als zodanig maar een vrijwel fictieve betekenis, ondanks de omvangrijke balans van haar schatten, want nu eens is daarvan het ene, dan weer het andere niet beschikbaar, of het overigens effectieve schatten geldt dan wel die van de verbeelding, en wat mij aangaat bijvoorbeeld, evenzeer als de oude naam Guermantes, de – zoveel zwaarder wegende – rijkdom van de werkelijke herinnering aan mijn grootmoeder. Want stoornissen staan in verband met het intermitterend kloppen van ons hart. Het is vermoedelijk het bestaan van ons lichaam, vergelijkbaar voor ons gevoel met een aarden vat waarin onze spiritualiteit zou zijn gevangen, dat ons ertoe brengt te veronderstellen dat al ons innerlijk goed, onze voorbije vreugden, al onze smarten, voordurend in ons bezit zijn. Misschien is het even onjuist om te denken dat ze ontsnappen of terugkomen. In elk geval, als ze al in ons blijven, dan voor het grootste deel van de tijd in een onbekend domein waar ze ons volstrekt niet van dienst zijn, en waar zelfs de allergewoonste woorden worden verdrongen door andersoortige herinneringen, die hun gelijktijdigheid in ons bewustzijn geheel uitsluiten.” (Marcel Proust, Sodom en Gomorra, 162-63, Pleiade II, 756-757).

18-11-07

BOEKEN VAN AARDE

 

Al die boeken wegen zwaar

en elke letter verplettert het hoofd

van de kleine Marcel;

            onder het Hondboek ligt hij dromend

met gescheurde mondhoek, matras-

man Marcel.


’s Nachts vallen ze,

handvallen ze, hoofdstapels, brandstapels,

gewapend papier.

            Ja, zoals in het maatglas verdronken

zijn kinderen zo verdrinken zij in wijwater –

wat werken des duivels toekomt.

Let op Marcel want zie je, hun inkt

zit op je vingers.


Maar wie droomde in plaats van dronk

en zoals zij, Mohikaantjes, hing aan lianen

in het ruim van een rijnaak en liep barre-

voets door gele riviertjes, getekend,

en lachte, “vandaag varen, morgen lossen we

honderd ton gele en honderd ton

rode rivierkreeftjes”

en zoals zij bij schemering mijmerde

            tijdens wazige eeuwen misthoorn-

muziek, ginds achter blauwe masten aan-

zwellende misthoornmuziek


en hoorde hoe het rimboede:

“Hoor hoe het rimboet!” riep de piraat, en:

“zie dan toch zotten het rimboet!”

            en Zottekop spitsneust en flappert

zijn flaporen zo treurig

omdat zij niets zien, de zotten,

zij lachen alleen maar om de koe,

ja de koe die schijt recht in de mond

van een doofstomme maristenbroeder.


Ach ja, het rimboet, het rimboet weer.


Zwaar wegen de boeken, de rijke solide

en arme aarde ontgroeid (o warm toch op nu,

Lucinde, uw dak stort nog in).

Maar geen verweer hebben wij

en niet sterk is dit slechte zwerven

met zwaaiende armen en zondode ogen,

hoewel goed ook met zaaiende armen en

een zacht voorgevoel op het voorhoofd

            liefdesliedjes zingend en dan weer

bij het slapengaan hulpeloos uitroepend:

“Wedden dat de lucht is opgebruikt,

koude, koude Lucinde.”