26-02-16

LIEFDE, CYNISME, KLEINE EN GROTE OORLOG

neko case3.jpg


Eerst de ergernissen. Wie is P.B. Gronda? Hoe lang zou hij nadenken voor hij aan een column begint? En hoe lang eraan werken? In zijn meest recente column in Focus Knack – de eerste die ik van hem lees, ik lees zelden columns – schrijft hij onder meer dat mensen niet van muziek houden voor de muziek en voetbalsupporters niet echt van de voetbalploeg waar zij supporters van zijn. Hij geeft enkele voorbeelden: Oasis, Sufjan Stevens, AA Gent en RSC Anderlecht. “Op een bepaald moment”, merkt Gronda op, “zodra de naam gemaakt is, zijn de liedjes van de band of de prestaties van het team van weinig tot geen belang meer. Het gaat vanaf dan meer over een positie in de maatschappij en het gevoel dat je eigen stem versterkt wordt door een grote machtige entiteit: een rijke voetballer en zijn club, een rockster en zijn band.” Het komt erop neer dat mensen van een bepaald soort muziek, van een bepaalde voetbalploeg houden om zich te definiëren, zich te onderscheiden van de anderen, wil Gronda zeggen, meen ik te verstaan. Wat een cynische psychologie, wat psychologisch cynisme. Moet ik werkelijk geloven dat ik niet echt van de songs en elpees van Tim Hardin, Patti Smith, Neko Case, Jeffrey Lee Pierce houd, dat hun muziek mij niet ontroert, dat het mij alleen om een attitude te doen is, om bij een bepaalde groep te horen en bij een andere dan weer niet. Daar geloof ik niets van. Ik geloof dat muziekliefhebbers echt houden van de muziek waar ze van houden, dat de liedjes van hun muzikale ‘helden’ diepe gevoelens bij hen oproepen, hen omzeggens betoveren. Bij voetbalsupporters gebeurt zeker iets gelijkaardigs, maar op een andere manier. Wel begrijp ik dat er meelopers zijn, maar om dat dan te gaan veralgemenen?

Bleri_Lleshi_liggend.jpg

Een paar dagen geleden zag ik auteur/filosoof Bleri Lleshi in De Afspraak – een min of meer onuitstaanbaar programma op Canvas – om er over de liefde te praten. Ik heb zijn boek, ‘Liefde in tijden van angst’, nog niet gelezen, weet hoegenaamd niet of het alleen maar over liefde als agape gaat, of ook over erotische liefde en liefde als vriendschap (en welke andere vormen van liefde er ook nog mogen wezen). Maar ik volg Lleshi in zijn stelling dat de liefde een afdoend antwoord is op de angst die de samenleving nu teistert. Jammer genoeg gaf de arrogante en ook al cynische presentator Bart Schols de schrijver geen enkele kans om zijn stelling te verduidelijken. “Onnozele idioot”, las ik in de lichaamstaal van de presentator, “wat kom jij hier over de liefde leuteren!” Zo vernederend en beledigend was dat, dat ik mij werkelijk zat te schamen. Nog een geluk dat de door het volk beminde psychiater Dirk De Wachter zich achter Bleri Lleshi schaarde. Zo kon ik dan toch met een enigszins rustig gemoed beginnen te kijken naar de wat bizarre film ‘The Shout’ (1978) van Jerzy Skolimowski.

HOPPER OFFICE IS A SMALL CITY.jpg

Gisteren bij IVD ging het over mijn toenemend ongemak wanneer ik me onder mijn soortgenoten begeef. Mijn onvermogen tot small talk. Pijnlijke stiltes, die minuten kunnen duren. Zelfs face to face, wat tot voor kort een genoegen was, worden gesprekken moeilijker, tenzij ik enkele glazen bier of wijn drink. Ik trek me terug in mijn ‘eigen’ wereld, maar welke wereld dat is en hoe hij eruitziet weet ik niet. Niet dat ik al actief banden aan het verbreken ben, maar ik onderhoud de vriendschappen niet, ik blijf in stilte wachten op een af ander teken. Ik praat met haar over depressie en zelfmoord in de literatuur. Daar las ik over in ‘Americana’ van Joost Zwagerman. Ernest Hemingway, Sylvia Plath, William Styron, David Foster Wallace, ze zijn met zovelen. ‘Darkness Visible’ van Styron heb ik destijds twee of drie keer gelezen. Ik herkende mij er gedeeltelijk in – maar ik leed toen zelf aan een depressie, veroorzaakt door een onhoudbare situatie op het werk. Mijn baas nam me een voor een mijn taken en verantwoordelijkheden af, waardoor ik op den duur hele dagen zat te niksen, terwijl ik ernaar snakte dat van mijn gaven, die ik zeker bezat, nuttig gebruik zou worden gemaakt. Dat is echter verleden tijd, vergeven maar niet vergeten. Zodra ik daar weg was, was de depressie ook weg.
Nu herken ik mij in een aantal karaktertrekken en attitudes - bij depressieve schrijvers - die Zwagerman in ‘Americana’ beschrijft. Kwetsbaarheid, niet kunnen omgaan met kritiek, met afwijzing, je in jezelf terug trekken, het gevoel hebben dat je geen gevoel meer hebt, dat niets je nog raakt, zelfs de mooiste muziek niet. Maar een depressie lijkt het nog niet te zijn. Ik sta vroeg op, geniet van het ontbijt, probeer te schrijven, lees verhalen en romans, ben nieuwsgierig naar waar de facebookvrienden mee bezig zijn en wil daar zelf ook dingen delen, kijk ’s avonds naar een film, drink een Rochefort, soms twee. Zo lang als het mogelijk is geen antidepressiva voor mij. Maar ik ben er niet zo gerust in. Het heeft ook niet alleen met mezelf te maken, integendeel. Terwijl ik dit schrijf worden mensen gefolterd, misbruikt, verkracht en gedood, worden steden en landschappen verwoest.
hemingway.jpg

A. vindt de stem van Patty Griffin irriterend, voor mij is ze echter rijk en expressief (niet aangenaam, of mooi, dat niet). Haar stem is die van het harde leven, je hoort er de pijn van de ziel in, verdriet, rouw; maar ze drukt ook hunker, lust, liefde uit. De muzikanten die haar begeleiden voelen elke nuance in haar stem aan en vertalen die naar hun instrumenten, borduren erop verder, en vervolmaken ze – elk in hun heel eigen stijl, wat je bijvoorbeeld hoort in hoe ze de snaren aanraken – tot er een song ontstaat die af is. Een song die, zoals een meanderende rivier in een Amerikaans landschap, perfect is ingebed in een album – in dit geval is dat het juiste woord. Album. Ik heb het over Patty Griffins ‘American Kid’.
PATTY GRIFFIN AMERICAN KID.jpeg

Afbeeldingen: Neko Case; Bleri Lleshi; Edward Hopper, Office in a Small City; Ernest Hemingway; Patty Griffin, American Kid.

19-09-13

GRAM PARSONS IN NEERHAREN EN ELDERS

anita-pallenberg-gram-parsons-keith-richards.jpg

Op 19 november 1973, vandaag veertig jaar geleden, overleed Cecil Ingram Connor III, nu ook in deze streken beter bekend als Gram Parsons.

De grondlegger van de countryrock en van wat soms Americana wordt genoemd was en is een van mijn muzikale helden. Zijn breekbare stem hoorde ik voor het eerst in 1968 op de elpee ‘Sweetheart Of The Rodeo’ van The Byrds. Een jaar later wist hij me samen met zijn kompanen van The Flying Burrito Brothers helemaal voor zich te winnen.

Hun elpee ‘The Gilded Palace Of Sin’, een juwelenkist zo groot als ‘The Gilded Palace Of Sin’ (er is geen vergelijking mogelijk), heeft mij en sommige van mijn vrienden de weg gewezen naar het Amerikaanse platteland, naar de weidse landschappen die ik hier onlangs al noemde, en vooral naar het muziekgenre dat daar ontstaan is, country.

Toen de eerste elpee van The Flying Burrito Brothers verscheen bracht ik mijn weekends en vakanties nog door op het binnenvaartschip van mijn ouders, meestal in Neerharen aangemeerd. Ik draaide de plaat daar op mijn kleine gele platenspeler, die ik buiten op het voordek had geplaatst.  Het valt onmogelijk te beschrijven hoe ik me voelde bij het horen van de hemelse samenzang van Gram Parsons en Chris Hillman en van de bijna onwerelds klinkende steelgitaar van ‘Sneaky’ Pete Kleinow. Hoe die klanken over het veld golfden, waar zelfs de paarden verwonderd leken te staan luisteren, en tegen de brug botsten en daarna bij me terugkeerden. Magie die mijn kleine wereld voor altijd verruimde. De rest is mooie en bijzonder droeve geschiedenis.

Weinigen hadden in die dagen gedacht dat Gram Parsons de erkenning zou krijgen die hij zo verdiende. Wat is het dan ook geweldig dat hij hier nu zomaar op de vaderlandse radio wordt herdacht en geëerd.

 

gram parsons,1973,1968,1969,2013,legende,held,country,country rock,americana,roots,neerharen,flying burrito brothers,byrds,muziek,landschap,ruimte,tijd


...

Foto'sAnita Pallenberg, Keith Richards en Gram Parsons in Joshua Tree © MICHAEL COOPER; Gram Parsons in Joshua Tree © MICHAEL COOPER

17-09-13

MONOLOOG OVER TIJD EN RUIMTE

searchers.jpg

De Palestijnse dansers en danseressen in Badke… Sensueel, opwindend, vurig… Mooie en krachtige meisjes, aan wie later het bloedige land zal toebehoren. De eerste minuten waande ik mij, door de muziek en vooral de ‘zangstem’ op de Brusselse kermis in een oude futuristische attractie en ook wel in een circus aan het einde van de wereld. Daarna wende ik toch wat aan de opdringerige dreun, het opzwepende tempo. Waarom ervaar ik het Arabisch van de zanger als bevelend, als agressief, en waarom hoor ik alleen mannenstemmen? Omdat ik niets begrijp van de Palestijnse cultuur? Kunnen vrouwen daar niet zingen? Maar wat is de dans overweldigend, een roes waar je je moet aan overgeven, je ziel en je lijf. En daarna het lange, dankbare applaus en de zonnebloemen.

Tijdens de receptie, na menig glas witte wijn, vertel ik je over de landschappen in de westerns van John Ford. Monument Valley en de andere archetypische landschappen in het Westen. Hoe ik me nu soms nog schaam omdat ik als kind op naïeve en romantische wijze, en later me baserend op artistieke en intellectuele argumentatie, zoveel van de film van John Ford ‘The Searchers’ hield en houd, ondanks de racistische held, John Wayne’s personage Ethan Edwards. Ja, ik schaamde me soms voor die macho-heldhaftigheid, zo vreemd aan mijn wezen, en ik schaamde me nog meer voor het racisme, dacht zelfs lange tijd dat de hele film als zodanig racistisch was.

Vanwaar dan de bewondering van regisseurs als Wim Wenders en Jean Luc Godard voor John Ford? Godards fascinatie zal te maken hebben met de picturale schoonheid, met de filmkunst, maar ook met het – ongewild – blootleggen van de Amerikaanse geschiedenis en de veroverings- en oorlogseconomie, van de op bloedvergieten gestoelde politiek van dat immense land. Bij Wenders gaat het bijna zeker om de fotografie, en nog meer om het eindeloze landschap. De nietigheid van de kortstondige helden in dat landschap dat er omzeggens voor altijd is. De grandioze nietigheid van John Wayne bijvoorbeeld, of van zijn antipode in ‘Paris, Texas’, Harry Dean Stanton, de antiheld par excellence. De weidse vlaktes, de woestijnen en rotsformaties hebben zelfs zijn geheugen opgezogen. Het landschap relativeert in sterke mate de kleine gebaren van de helden, hoe verwerpelijk of triest ze ook mogen wezen. Wat heeft het menselijke nog te betekenen in die gigantische en oeroude setting, dat zielige figuurtje op zijn paard, dat niet veel meer te zeggen heeft dan ‘That’ll be the day!’ en de voortstrompelende, hongerige man zonder verleden en zonder stem? Het zal wel geen toeval zijn dat Buddy Holly zich in een lied de geest van Ethan Edwards eigen heeft gemaakt en Ry Cooder Travis Hendersons stilzwijgen in een muzikaal kunstwerk omgesmeed (ingebed in de zwarte gospel en blues van Blind Willie Johnson).

De wijn blijft rijkelijk vloeien en maakt me, voor een keer, spraakzaam. Door aan de ruimte van de John Fordwesterns te denken beland ik nu in de Tijd. Ik heb net het boek van Ian Bell over Bob Dylan gelezen, ‘Time Out Of Mind - The Lives Of Bob Dylan’, waarin de schrijver onder meer dieper ingaat op Dylans preoccupatie met de tijd. In zekere zin in het voetspoor van Augustinus en Marcel Proust en zeker ook van F. Scott Fitzgerald, wiens woorden uit ‘The Great Gatsby’ hij bijna letterlijk heeft overgenomen in ‘Summer Days’, een compositie uit ‘‘Love And Theft’’.

“’I wouldn’t ask too much of her’, I ventured. ‘You can’t repeat the past’. ‘Can’t repeat the past?’ He cried incredulously. ‘Why of course you can!’”

In ‘Summer Days’:

She looking into my eyes, she’s holding my hand,
She says, “You can’t repeat the past,” I say, “You can’t?
What do you mean, you can’t? Of course you can.””

Herinner je je die geweldige slotzin van ‘The Great Gatsby’: “So we beat on, boats against the current, borne back ceaselessly into the past” vraag ik en halfdronken wijs ik er nog op dat Marcel Proust in ‘A la recherche du temps perdu’ de tijd ontkent en bijgevolg ook de dood. De tijd kan worden achterhaald, herbeleefd, als er geen tijd is. Of is dat een paradox? Dan gaat de bel, last call for alcohol.

Later in het metrostation Sint-Katelijne zit ik wat voorafgaat in een klein notitieboekje neer te schrijven. Een man van omstreeks veertig komt op me af. Ik schrik niet omdat ik hem meteen herken. Wat ziet hij er nog goed uit, denk ik onwillekeurig. Het spijt me, zegt hij, maar ik herinner me je naam niet meer, heel vervelend. Voor mij een geruststelling want ik herinner me bijna nooit namen en gezichten al evenmin. Wat herinner ik me eigenlijk nog wel? Maar de naam van mijn oude compañero ben ik niet vergeten. Hoe zou ik kunnen, we hebben in 2002 samen een week in Barcelona doorgebracht. En een avond daar, in het voetbalstadion Camp Nou, het grootste van Europa, zal ik nooit vergeten: het was de koudste avond van mijn leven. Maar dat is een ander verhaal. De metro komt eraan.

paris-texas-1984.jpg

...

Foto's: 'The Searchers', John Ford en 'Paris, Texas', Wim Wenders.

13-10-12

AAN DE RAND VAN EUROPA: CABO DE SÃO VICENTE

 

2012_09_ALGARVEpanasonic 062.JPG
"... angst voor de dood, die geen angst is om de wereld te moeten verlaten maar de angst om daar achter te blijven waar geen wereld meer is."
Roland Breeur, De tijd bestaat niet. Essays over domheid, vrijheid en emoties. 

27-08-12

MAASTRICHT

 

Met een zware vracht
in mijn verraderlijk hart
uit regengebied terug.

Taal van mijn vader
die ik in die dagen
niet horen wilde.

Kerken zo oud
als de tijd daar
die ik niet betrad.

Water van de stroom
waarin ik niet ging 
verdrinken.

Spreeuwen in de wei-
landen die ik er voor altijd
achterlaat.


17-10-08

WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

mes,slapen,verwarring,dyslexie,vertellen,werk,woorden,jezus,bob dylan,hoer,obsessie,koffie,rock and roll,verhalen,landschap,wakker,nachtmerrie,rug,stoel,behoefte,muur,leugens,rum,wapen,acteren,paul auster,heiligen,werkplek,kast,lunchpauze,metamorfose,shakespeare,jeroen bosch,james joyce,heilig,voorwerpen,tafereel,anna,jan arends,taalspel,finnegans wake,landschapsschilders,echolalie,eulalie,punaise,deerne,hubert selby jr,windstreken,lady macbeth,moeder gods

Jane Fonda in 'Klute'.

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds - van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I'm changing
Laughing behind their backs, I think they're strange
People running everywhere, running through my life
I couldn't give a care because they'll never see
All that I can see with my mind's eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

29-08-08

HITLERS BUNKER, KLEISTS GRAF


Van de Potzdamerplatz liep je via de Leipziger Platz naar de Leipziger Strasse en sloeg vervolgens de Gertrude-Kolmar-strasse in. Hoewel er niet veel meer te zien was dan wat sociale woningblokken bleef je staan.

We zijn er, zei je.

Was het hier op deze plek, vroeg ze.

Nee, het was daar, waar die sociale woningenblok nu staat, denk ik, zei je.

Daar? Dat zou je niet zeggen, ze ze. Allemaal kleine flats, met geraniums op de balkons.

Maar ik zou er alvast niet willen wonen, boven zo’n akelige bunker.

Er is geen bunker meer, zei ik. De bunker werd opgeblazen. Het Rode Leger. Daarna, toen de blokken werden gebouwd, werden de overgebleven gaten met steenafval opgevuld.

De bunker bestaat nog wel in de herinnering van veel mensen, zei ze.

Ja, het idee van de bunker, zei je.

Je zweeg en probeerde je de bunker voor te stellen. Maar je zag alleen maar beelden die je op televisie en in films had gezien. Fictie heeft de werkelijkheid gevuld, zoals het steenafval de gaten van de opgeblazen bunker. Maar hier heeft Hitler (Bruno Ganz) een punt gezet achter het duizendjarige rijk. Hitler, Eva Braun, Goebbels en de ‘onschuldige’ kinderen. Wie was er nog aanwezig in de bunker? In de verre toekomst zal dat misschien even raadselachtig zijn als de kruisiging van Jezus Christus nu. Het is immers al vaak betwist wie er bij het kruis stond, toen Jezus Christus stierf. Jezus Christus…

Het is in iedere geval een duidelijke map, zei ze. De contouren van waar de Rijkskanselarij en de bunker zich bevonden zijn goed aangegeven.

Maar je ziet er niets meer van, zei je. Alsof je teleurgesteld was.

Je wilde overspoeld worden door de recente geschiedenis van Berlijn. Misschien omdat je je schuldig voelde over je liefde voor het huidige Berlijn. De volgende dag ging je naar de Wannsee. Het is een romantische buurt, ideaal om te wandelen, te fietsen, te lopen. Maar in een van de prachtige villa’s aan de Wannsee werd tijdens een conferentie op 20 januari 1942 over  de ‘Endlösung’ van het 'Joodse probleem' beslist. Je las het lange, taaie, saaie, zeer technische verslag van de vergadering. Het was moeilijk om je emoties onder controle te houden. Het was moeilijk om  niet in huilen uit te barsten. Het was moeilijk om niet luidkeels te gaan schreeuwen.

Je ging weer buiten en kwam al wandelend over een zandpad onder de dennenbomen weer wat tot rust. Op de terugweg naar het station maakte je een omweg voor het graf van Heinrich von Kleist. Deze geniale Duitse schrijver en toneelauteur ligt er begraven in een klein bosje, tussen dicht struikgewas. Alsof men zich schaamt voor zijn zelfmoord. Terwijl het verhaal van de uitroeiing van miljoenen mensen een bijna aangenaam tijdverdrijf is geworden. Je schaamde je ervoor dat je de villa van de Wannseeconferentie had bezocht en je besloot nooit een stap te zetten in een van die oorden van de verschrikking.

Je keerde terug naar de Auguststrasse, naar je hotel. Overal op de terrasjes zaten jonge mensen van het leven te houden. Je kon je niet voorstellen dat zij ooit een uniform zouden aantrekken. Je kon je niet voorstellen.


out in the street, the shiny happy people

01-03-08

LANDSCHAPPEN IN LIEDEREN

radio centraal,zero de conduite,landschappen,antwerpen,radio,thema,landschap,playlist,pop,popcultuur

Vanavond wil ik u tussen 18 u. en 20 u. graag verwelkomen in mijn programma Zéro de conduite opradio centraal. U kunt de radio online beluisteren  door op de website links bovenaan op het streaming-icoon te klikken. Als u in Antwerpen woont kunt luisteren op 106.7 FM. Het thema van vandaag is landschappen in liederen / liederen over landschappen. De lijst die hier volgt is niet definitief. Ik laat altijd ruimte om op het laatste moment nog wat te improviseren. Alleszins komt alles wat ik zal draaien uit deze lijst. Veel luisterplezier.

  • Copperhead Road - Steve Earle - The Collection
  • The Mountain - Levon Helm - Dirt Farmer
  • Tecumseh Valley -Townes Van Zandt - Our Mother The Mountain
  • In a Misty Morning - Gene Clark – Roadmaster
  • California Cottonfields - Merle Haggard - Down Every Road 1962-1994
  • Blue Bayou - Roy Orbison - 'the BIG O: THE Original Singles Collection'
  • Black Mountain Side - Led Zeppelin - Led Zeppelin I
  • Tamalpais High (At About 3) - David Crosby - If I Could Only Remember My Name....       
  • The Monument Valley - Drive-By Truckers - Brighter Than Creation’s Dark
  • House by the Sea - Iron and Wine - The Shepherd’s Dog
  • In The Yard, Behind The Church – Eels - Blinking Lights And Other Revelations
  • Death Rattle - Ennio Morricone - Once Upon A Time In The West
  • Blue Skies - Victoria Williams - Sings Some Ol' Songs
  • Sand And Foam – Donovan – Troubadour
  • All Along The Watchtower - Bob Dylan - John Wesley Harding
  • Streets of Laredo - Johnny Cash - American IV: The Man Comes Around
  • Streets Of Arklow - Van Morrison -Veedon Fleece
  • Window Over the Bay - Vashti Bunyan- Just Another Diamond Day
  • Northern Sky - Nick Drake - Bryter Layter
  • Black Mountain - Isobel Campbell & Mark Lanegan - Ballad Of Broken Seas
  • Let's Burn Down The Cornfield - Randy Newman - 12 Songs
  • Devil In The Woods - Gun Club – Miami
  • Where Did You Sleep Last Night – Nirvana - MTV Unplugged In New York
  • Pretty Little Cemetery - Ron Sexsmith - Other Songs
  • Whispering Pines - The Band - The Band II
  • Cold Cold Ground - Tom Waits - Franks Wild Years
  • Estuary Bed - The Triffids - Born Sandy Devotional (Reissue)
  • Christmas Valley - The Walkabouts - Devil’s Road
  • Western Sky - American Music Club – California
  • Martha Avenue Love Song - The Innocence Mission – Befriended
  • Felt Mountain   - Goldfrapp - Felt Mountain
  • It Covers The Hillsides – Midlake - The Trials Of VAN Occupanther
  • When The Fields Were On Fire - Virgina Astley - From Gardens Where We Feel Secure
  • In Dark Trees - Brian Eno - Brian Eno - Another Green World
  • Half Past France - John Cale - Paris 1919
  • Waterloo Sunset - The Kinks - Something Else
  • At My Window - The Beach Boys -    Sunflower
  • The Big Country -Talking Heads - More Songs About Buildings & Food

31-08-07

EEN ONTGOOCHELING IN FERRARA

corso ercole


Het valt me moeilijk de woorden en beelden uit Italië meegebracht en onvrijwillig aan de chaos van het onbewuste toevertrouwd er weer aan te ontrukken. Zal ik zonder kompas vertrekken, blindelings, niet wetend waarheen? Zoals toen ik in Ferrara op de fiets van het gelijknamige hotel stapte en me richting Po begaf. Al snel verliet ik de niet echt uitgestrekte stad. Eens door de Porto degli Angeli en voorbij het Parco Urbani Giorgio Bassani reed ik door een geheel vlak landschap; ik snoof de geur van mest op en boven mij dreigden donkere wolken, een loodzware lucht. Ik reed daar in mijn zomerhemdje, wellicht naar de Po, maar dat was helemaal niet zeker. Het kon niet ver zijn, ik voelde de nabijheid van het rivierwater, maar mijn blik, nee, al mijn zintuigen werden vertroebeld, door boeken die ik ooit had gelezen, van Cesare Pavese, van Giorgio Bassani, en door films die ik had gezien, vooral Riso Amaro van Giuseppe De Santis. Wat ik zag, want soms zag ik wel iets, was helemaal anders dan in die sensuele zwartwit film (met een zeer verleidelijke Anna Magnani).
Het had geregend, de aarde had een sterke geur, van aardappelen, insecten, maïs, en vooral die van mest, die alles doordrong. Ook aan de opstandige boeren uit Novecento moest ik denken, vooral aan Olmo. Die film speelt zich in net zulk landschap af. Het lijkt wel of Olmo uit zulke grond is ontstaan.

Ik fietste over kleine paadjes, langs zijrivieren en kanalen. Meer en meer kreeg ik de indruk dat ik me van de Po verwijderde, het echte doel van mijn fietstocht. Een grote droefheid overviel me, omdat ik mijn weg niet kon vinden en ik werd bang, omdat ik misschien verloren zou rijden als ik zou terugkeren naar Ferrara. Wist ik nog welke paden ik was ingeslagen? Maar gelukkig had het geregend. Als Klein Duimpje volgde ik in het vochtige zand het spoor dat ik eerder had getrokken. Na enige tijd bereikte ik weer de oude stadswal van de stad en enkele minuten later reed ik over de mooiste straat van de wereld, de Corso Ercole I D‘Este, daar waar geen auto’s rijden, alleen maar fietsers. In mijn dagdromerij passeerde ik Micol en Alberto, die net buiten kwamen uit de villa van de Finzi-Contini’s. De zon was opnieuw gaan schijnen. Wat later zat ik met Laura in de schaduw van de tiran Savonarola ‘Salama da sugo’ te eten en een Vino di Bosco te drinken. Mijn teleurstelling en paniek waren al verzonken in de chaos van mijn existentie, een bron die zo moeilijk kan worden aangeboord.


Foto: Corso Ercole I D'Este, Martin Pulaski

19-02-07

HET SPOOR GEVONDEN


Ik droomde van een reis en vooral van de terugkeer. Op de terugreis naar de hoofdstad moesten we onverwacht ergens overstappen. In the middle of nowhere zoals sommige mensen zeggen. Er viel nauwelijks een station te bespeuren. Wel was het landschap rondom van een intense schoonheid. Duizenden klaprozen in de zonovergoten velden naast de sporen. Blauwe korenbloemen in de wilde velden. Jonge sparren erachter. Geen wolk in de lucht. Ik wist dat we op spoor twee moesten zijn. Nergens was een richting aangegeven. Geen pijl, geen nummer, geen naam. Na lang zoeken, via overwoekerde paden en ondergrondse doorgangen, had ik het juiste spoor gevonden. Ik voelde iets van een triomf. Veel later kwamen de medereizigers aan. Eerst deden zij net of ze me niet zagen. Ze wilden niet toegeven dat ik lang voor hen het juiste spoor had gevonden. Na een tijdje zei een van hen: o, ben jij hier ook al? In een droom.

22-01-07

NATTIGHEID

hotel,feest,spa,treinreis,gesprek,landschap,winter,wijn,duvel,boudewijn de groot,brussel,muziek,soul,regen,lezen,boeken,conversatie,luc sante,dansen,james brown,pop

Ik ben dan toch als dezelfde man uit Spa teruggekeerd. Niets veranderd. De treinreis erheen was aangenaam en vooral zeer goedkoop. Ik heb geen Simenon gelezen, evenmin iets anders. We hebben gepraat over reizen, over New York, Chicago, Nashville. Over Lissabon, waar we in maart naartoe gaan. Over allerlei bestemmingen, maar niet over Spa. Ik heb veel naar de winterse landschappen gekeken en zitten mijmeren. Sommige vergezichten deden me aan Breughel denken. In Verviers gingen mijn gedachten naar Luc Sante en zijn schitterend boek over – onder meer - deze streek, ‘De feitenfabriek’.
In Spa regende het hard, en het was een heel eind naar het hotel. Druipnat worden in de nabijheid van de thermen, dat was weer eens iets anders. Aangezien het hotel maar niet in zicht kwam hebben we in een toeristisch informatiecentrum een taxi laten bellen. Het stadje telt er drie. Drie taxi's.

Dat ik ondanks de goede nachtrust niet zou veranderen, daar had ik al een vermoeden van, ik had me dan ook wijselijk ingedekt.

Over het verblijf in het hotel en het feest heb ik weinig te melden. Het was een personeelsfeest zoals er twaalf in een dozijn zijn. Drinken, eten, speeches, muziek en dansen op oubollige muziek. Af en toe wat praten over wat je nog te binnen wil schieten. Laat op de avond vroeg iemand me, wat heb je graag gelezen in 2006? Ik kon geen antwoord geven, ik wist niets meer, geen enkele titel, geen enkele naam. Na een paar minuten of zo hebben we het over Borges gehad, en nog wat later over Paul Auster en Ian McEwan. Ik zei dat ik die hedendaagse schrijvers zeer bewonderde. Mijn hersens hadden zich kennelijk helemaal op het oppervlakkige ingesteld en waren niet meer soepel en scherp genoeg om dieper te graven. Na al de wijn moest ik dringend een Duvel drinken om weer wat op gang te komen. Maar zoals Boudewijn De Groot al zong, we zijn niet meer als toen.

En zo ben ik nu weer thuis in Brussel, dezelfde man voor het raam, de man die zichzelf moet aanvaarden, die geen vat heeft op de dagen en het klimaat. De man die zich afzondert en vanuit de verte bewondert en liefheeft.
Neen, het was geen gewoon feest, het was een mooi feest. Ik heb fijne mensen ontmoet, lekker gegeten en gedronken, fijn gepraat, mezelf vergeten. Ook heb ik op muziek van James Brown gedanst. Een in memoriam dans.

30-09-06

JAMAICAANSE RUM, DRUMMERS EN DROMEN

jacques tourneur,i walked with a zombie,film,koorts,droom,suikerrietvelden,jackie,drums,rum,gas,zwarte eik,waterput,landschap,verhaal,voodoo,david bowie,orpheus,eurydike,mythe

Voor Agata

Ik liep door donkere suikerrietvelden in de richting van een plek waar mij onbekende mensen muziek speelden. Op het eiland had iedereen die ik de voorbije dagen had ontmoet geheimzinnig gedaan over wie deze muzikanten waren en wat zij met hun muziek beoogden. Ik hoorde het monotone, bijna hypnotiserende gedreun van steel drums, met daarachter, tussen, onder en boven, het geluid van allerlei andere percussie-instrumenten, die waarschijnlijk in geen enkele muziekencyclopedie zijn terug te vinden. 


Ik kon niet omkijken om te zien of Jackie me volgde. Een kerel in het hotel, iemand die het eiland kende, had ons gewaarschuwd voor diepe waterputten, verborgen onder het struikgewas in de suikerrietvelden. Je moest bij elke stap die je deed goed uitkijken, zelfs bij volle maan, zoals nu. Ja, de maan scheen heerlijk, als in een gelukzalige droom, en nooit had ik zoveel sterren zo nabij gezien. Maar hoe kwam het toch dat ik Jackie’s voetstappen niet kon horen? Had zij, onoplettend, een ander pad genomen en bevond zij zich nu al tussen de muzikanten en dansers? Wellicht had zij zich onder hen gemengd en lachte, sprong en danste zij nu samen met hen als bezeten door Orpheus. Wij hadden inderdaad nogal wat van die Jamaïcaanse rum naar binnen. Eigenlijk kon ze nu om het even waar zijn. Ik kon alleen maar flink doorstappen en goed uitkijken dat ik niet in zo’n waterput viel.

Na een tijd, ik weet niet meer of het minuten of uren waren, viel ik in slaap en begon meteen te dromen. Ik lag op een veld van groen er purper gras. Niet ver van me vandaan zag ik Jackie wegrennen van me, in zuidelijke richting. Ik probeerde haar naam te roepen, maar mijn stem maakte geen geluid. ‘Jacqueline!’, riep ik zo luid als ik kon, waarbij ik bijna verstikte, maar mijn inspanningen waren tevergeefs. Ze verwijderde zich van me, in haar purperen en groene jurk. De zon kleurde haar haar rood, zoals dat van David Bowie in The Man Who Fell To Earth. Ik hoorde de wind fluisteren in de zwarte eiken achter me. ‘Jackie’, ‘Jackie’ fluisterden ze, met een snik in hun stem. Ik voelde me zelf een zwarte eik met een snik in mijn stem. Spoedig zou de zon ondergaan en ik lag alleen op het vochtige gras.

05-09-06

DEZE TREIN STOPT HIER NIET LANGER


Ik droomde over mijn vader, mijn moeder, mijn broer, mijn oude schoolvrienden. Heftige emoties hadden me in hun greep. Je moet naar hen toe, je moet het hen zeggen. Wat? Wat er in je hart omgaat… De landschappen die ik zag tijdens mijn reis lagen te zuchten onder een genadeloze zon. Of hevige regen veranderde akkers en boomgaarden in bruine modderpoelen. Vaak kon ik niet verder. Veel wegen waren versperd. Iedereen scheen de aarde te hebben verlaten en toch waren overal werken aan de gang. Onzichtbare arbeiders hadden diepe gaten in het asfalt geboord. Maar nu hing de stilte van een sneeuwvlakte boven afgronden. Mijn vijanden konden me niet van mijn plan afbrengen om mijn moeder op te zoeken. Maar ik kon haar niet vinden. Mijn vader was ver weg in een vergeten land. Wat ik hem nooit gezegd had. Mijn liefde voor hem. Wat hij nog steeds voor me betekende. Donkere en dreigende schaduwen waar ik zijn gezicht zocht. Nergens zijn stem of de geur van zijn lichaam, die ik me zo goed kon herinneren. Tabak, aftershave, brillantine. In Limburg reisde ik door kleine dorpen, duizenden kilometers van elkaar verwijderd en op geen enkele kaart aangeduid.
Het openbaar vervoer was een chaos. Bussen en treinen brachten me overal en nergens heen. Mijn naam was Niemand, maar zonder muziek van Ennio Morricone op de achtergrond. De namen van mijn oude schoolvrienden zaten wel nog diep in mijn geheugen gegrift. Hen moet ik zien. Ik huur een hotelkamer in Maastricht. Ik nodig hen uit. We gaan drinken, lachen. Maar hoe kon ik hen bereiken? Ik had geen adressen en ik was vergeten hoe ze eruit zagen. Ik voelde me uitgeput, een oude kerel. Veel te oud voor de reünie die ik voor ogen had gehad. Iedereen zou me uitlachen als ik met zulk voorstel op de proppen zou komen. Of moest ik toch Ivo maar eens aanspreken. Hij is de geknipte persoon om een reünie te organiseren. Of zou ik aanbellen bij de ouders van Josiane. Ik kom in vrede, ik heb jullie mooie dochter goed gekend. Neen. Ze zouden me niet geloven. Ze zouden allerlei dingen zoeken achter de woorden die ik zou uitspreken. Bijvoorbeeld achter het voltooid deelwoord ‘gekend’. Met tranen in de ogen dacht ik terug aan de tijd toen ik Josiane’s blonde haren streelde. Waar ben je? Waar is iedereen naartoe? Ik moet dringend bij mijn broer op visite, voor het te laat is. De tijd staat niet stil. Het begin van de wereld snelt naar het einde van de wereld.
Deze trein stopt hier niet langer, mijnheer. Neen, dat station is al een tijdje geleden afgebroken. Het spijt me zeer, ik kan u niet helpen.

14-04-06

DROMEN VAN ANDALUSIË


sevilla

De voorbije nacht zag ik weer de dorre maar toch bekoorlijke landschappen van Andalusië. Wat ik hier op een rijtje zet deed zich aan mij voor als een experimentele film, waarbij narratieve structuur en logica plaats hadden gemaakt voor de eloquentie van de beelden. Alcohol, kerken, een flamencozangeres, meeuwen op het strand, twee kleine meisje in matrozenjurkjes, busstations, witte dorpen, het vloeide allemaal door een grote, meanderende rivier.

Een of andere busreis met Alsina Graëlls langs de verminkte Costa del Sol. Was het van Malaga naar het lelijke, charmante Almuñecar? In oktober, als er geen toeristen meer zijn, alle pretparken gesloten. En daarna, vermoeid van de lange reis, drink je Montilla en eet je wat ham en olijven. Later nog frisse Mahou en lauwe Osborne Brandy aan de toog tussen oude mannen.

Bar Fernando, vlak bij Campo del Principe in Granada. Het Alhambra, een begenadigd oord. Begenadigd? Je kunt er niets over zeggen, je moet het zien, ondergaan. Het Albaicin. De muzikaliteit van de inwoners van Granada. De sierlijkheid van hun bewegingen. Het meisje dat zo mooi stond te zingen terwijl ze de winkel schoonmaakte in het Cuesta del Gomerez, waar al de gitaarmakers hun zaak hebben.

Granada: het drukste gewoel dat ik ooit heb meegemaakt en een vreselijke stank van uitlaatgassen, maar wat hogerop, de rust van het Albaicin, de kleine straatjes waar nauwelijks auto's komen, met de landelijke carmenes, die je vanop het Alhambra heel goed kunt zien liggen. Het ruisende water, overal in het Generalife, die prachtige tuin, een werkelijk paradijs. De Arabische cultuur heeft veel goeds met zich meegebracht naar Andalusië. In de brandende zon water drinken op een terras in het Juderia.

Misschien is Cordoba nog bedwelmender, nog muzikaler, nog religieuzer dan Granada. De Mezquita is een gigantische moskee, in het midden waarvan de katholieken een kathedraal hebben gebouwd, die er zelfs niet echt staat te storen. Voor de Mezquita ben ik totaal van slag geraakt van een tuin met sinaasappelbomen en een fontein. In Cordoba is er een lekker sfeervolle bar, die ook Mezquita heet. Je kunt er van de beste sherry drinken tot je scheel ziet. In de restaurants krijg je sherry bij het eten, een goede combinatie. Ik wil zeker nog terug naar Cordoba. Ook al om weer door het plantsoen met de duizenden duiven te wandelen, bij zonsondergang, op een gelukkige manier moe van de hitte en de toevallige goedheid van het leven.

Een van de allermooiste paleizen die ik ooit mocht zien is Casa de Pilatos (of Palacio de San Andres) in Sevilla. Sevilla is een bekoorlijke stad, met misschien de mooiste en de jongste vrouwen van de wereld. We komen er echter met teveel toeristen bijeen. We blijven er beter weg en laten die stad aan zichzelf. Dat geldt evenzeer voor Firenze en Venetië, door het toerisme versleten steden. Het is beter er over te lezen in romans van Henry James, Thomas Mann en E.M. Forster.

Iets helemaal anders is Jerez de la Frontera. Stilte, drank, paarden en flamenco. Dat lijken clichés, maar zo eenvoudig lijkt die stad. Iedereen slaapt er voortdurend zijn roes uit. ’s Avonds komen een paar kleine bars en tablao's tot leven. Mannen drinken en zingen, vrouwen kijken toe of dansen met stevige benen en vurige ogen. Er zijn nog hoedenwinkels in Jerez. Tussen oleanders wandelen oude mannen met wandelstokken.

Cadiz leeft en is van lucht en licht gemaakt. Cadiz heeft mijn hart gestolen. Ik houd van alle havens en van de oude oceaan, die mijn verbeelding naar Amerika en naar het dichterbije Afrika leidt. Ik houd van Cadiz om tien uur 's avonds, in de drukke calle San Francisco. Ik hoor de stemmen wandelen, poëtisch in hun onverstaanbaarheid. Ik houd van Cadiz, zelfs in een vermolmde jeugdherberg of in een luizig pension, bij wijze van spreken dan, want het is proper, ook al is het vervallen. In de oktobernamiddag schittert vanop het strand in de verte de beloofde stad: Cadiz. De kathedraal is dan een toekomstvisioen. Elk gebouw staat op zijn plaats, daar aan de horizon, in de beloofde stad. Het strand is immens en bijna geheel verlaten, alleen zie je af en toe iemand een eenzame sport beoefenen. Niets meer, niets minder. Of toch wel. Vijf meeuwen vliegen over onze hoofden, vijf jongens wagen zich in het water (19 graden), twintig of dertig mieren vervoeren een stukje deegwaar. Ze voelen zich al helemaal Italiaans en heffen met z'n allen O Sole Mio aan. In Cadiz eet je alleen maar vis en drink je veel Oloroso, of goedkope witte wijn uit Sanlucar de Barrameda.

Voor mij is de Costa de la Luz de mooiste streek van de wereld. Alleen al het horen van de plaatsnamen kan me in vervoering brengen. Cadiz, Chiclana, El Puerto de Santa Maria, Conil de la Frontera, Los Caños de Meca, en Tarifa. Nochtans zag ik op die stranden dode vluchtelingen aanspoelen terwijl in Tarifa de surfers ongestoord hun gang gingen. De onverschilligheid van de roes, van het geluk. Genoeg daarover.

Overmorgen sluit ik mijn boeken en vertrek ik opnieuw op vakantie, nog een keer naar La Palma, om er zuivere lucht in te ademen en tot rust te komen. Maar eerst moet ik genezen, en deze koortsige herinneringen aan Andalusië verjagen.

22-03-06

TEGEN DE TIJD



Tegen de tijd dat de zomer eindigt in het begin
Zijn we vanuit de buitenkant naar binnen gekomen
In opstand
In braakland
We hinken er lustig op los zonder enige expertise
Doordeweeks gekleed of op zijn zondags.

Dagen dat we proberen een trompet te vinden
In een houten Marokkaanse fluit
Zo'n ding waar je geen geluid uit krijgt
Je staat dan voor de spiegel als een trompe l'oeil
Of een thuisgebleven admiraal dat kan ook.

Nachten dat we liggen te tellen de sabels
Of allerlei vachten en daaronder verborgen
Instrumenten dodelijk nauwelijks omzwachteld
Een klier van een kerel die weer iemands buik openrijt
Legt jou daarna in de watten en van de weeromstuit
Moet je lachen maar huilen staat je nader.

Daar liggen we dan niet eens onder de sterren
Maar onder een al te bekend dak niet het onze
En even voor het ontwaken stoppen wij al deze dingen
Goed weg in laden in kastjes in donkere kamers
Voor het geval dat iemand toch nog iets recht
Komt trekken.

Tegen het begin van de zomer die eindigt in de lente
Zijn we vanuit de binnenkant naar buiten komen lopen
En leunen nu wat tegen onszelf aan
Midden in een veld van klaver
Daar sta je dan een vogelschrik in welstand.

01:11 Gepost in Gedicht | Permalink | Commentaren (1) | Tags: tijd, dag, nacht, landschap |  Facebook

15-03-06

HET BARRE LAND, DE RIVIEREN EN HET GROTE MEER



Ik wandel in een landschap van ondiepe plassen en riviertjes. Waarschijnlijk heerst hier al lange tijd droogte. De dorre onvruchtbaarheid geeft de omgeving een ongewone schoonheid. Roestbruine en rode vlekken, desolaatheid. Geblakerde aarde. Overal in het rond liggen koperkleurige stenen. Een riviertje met bijna stilstaand water en roestige kiezelsteentjes op de bedding. Ik wandel niet langer. Zonder me ervan bewust te zijn heb ik plaats genomen in een lichte kano en roei zonder bestemming. Het water is transparant als kristal van Val-Saint-Lambert. Hier en daar verheffen zich eilandjes boven het oppervlak. Stenen, rotsblokken. Het riviertje is nu zo ondiep dat roeien bijna niet meer mogelijk is. Ik raak de grond met mijn riemen. Iemand die me begeleidt wijst me in de verte een plek aan, waar het beter is om te roeien, en toch ook niet gevaarlijk.
Maar ik moet wel aan land gaan - het riviertje mondt immers niet uit in dat meer. De bodem is hier nog net zo dor en overweldigend als waar ik vandaan kom. Mijn kano draag ik zelf, wat niet moeilijk is, het is een lichtgewicht model.
Er is nauwelijks een niveauverschil tussen het wateroppervlak van het riviertje en het vasteland en tussen het vasteland en het wateroppervlak van het meer ook niet - water en land liggen in elkaars verlengde. Geen sprake van hoogte of laagte.
”Dit is hier het gebied van het barre land, de rivieren en het grote meer”, zegt mijn begeleider.

Nu vaar ik op het meer. Wat is het hier kalm, vredig. Geen wind, geen storende geluiden. Niet lang kan ik van die harmonie genieten. Een stem in mij dwingt mij ertoe rechtsomkeert te maken. Maar waarom altijd terugkeren?

De doorgang, de lange engte gelegen tussen het meer en de rivier waarlangs ik moet terugvaren is omhooggestuwd. In plaats van het land verheft zich dreigend een hoge stenen muur. Waarschijnlijk is het een stuwdam. Het water zal gezakt zijn zonder dat ik het heb gemerkt. Maar wat nu?De muur is, wat je er ook van zeggen mag, een zeer kunstzinnig bouwsel. Hij lijkt enigszins op een (uitgedijde) sculptuur van Henry Moore. De steen is gepolijst en de openingen in de muur hebben ronde, vrouwelijke vormen. De hele muur is een spel van gebogen lijnen.

Ik sta boven op de muur. Tot mijn ontzetting stel ik vast dat er aan de andere zijde ook een afgrond gaapt. Dat brengt me aan het duizelen, de muur biedt geen houvast meer, ik moet loslaten, eerst de handen, daarna de voeten.