04-12-13

HET WONDERMIDDEL

Drunken_Ange2.png

Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’  (酔いどれ天)opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een - onbewuste - strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

 

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet. 

dunken angel shimura-and-mifune.jpg

Afbeelding uit 'Drunken Angel' (1948), Akira Kurosawa.

28-10-11

VETTE VIS, MAGERE VIS


The-Idiot-22.jpg

De idioot, Akira Kurosawa.

Noem mij Martin Pulaski. Ik lig uitgeteld op een allesbehalve grasmatachtige vloer te wachten op een vette vis. Iedereen heeft het altijd maar over vette vissen, doch die van mij zijn zo mager als suikerriet. Vel over graat. Dokter, kun jij hier iets aan doen, nu het nog kan? In mijn buik is nog plaats voor zeker twee vette vissen. Maar dan moet je me wel een pilletje geven om dit gehoest te doen ophouden. Tegelijk hoesten en slikken, dat gaat niet. Cortisone, morfine, het maakt niet uit. Als dit gerochel maar ophoudt. Gelukkig hoor je mij niet praten. Ach, ik zeg natuurlijk ook niets. Zo ver is het met me nog niet gekomen. 

De voorbije nacht was ik een boze wolf zonder roodkapje. Ik had nochtans veel trek in zo'n 'kapje. In het diepst van mijn gedachten ben ik geen god maar een lekkerbek. Een weerwolf, een echte gek. In diepst van mijn gedachten ben ik eveneens een magere heilige, zoals die van Rudolf Geel (vergeten schrijver). De voorbije nacht lag ik te hoesten en te ijlen. Waar was je toch, ik had zo'n zin om je op te eten? Vind je het dan zo erg om door een heilige wolf verorberd te worden? Of schaam je je voor zulke verlangens? Het verlangen om verslonden te worden. De begeerte naar een wild beest. Alsof de dagen je nog niet hebben ontrukt aan de natuur. Aan de natura naturata en de natura naturans. (Waarom maakt Spinoza dit onderscheid, als de twee hoedanigheden toch een en hetzelfde zijn?) De dagen van oktober, als de zon je het mooist maakt, je haren oranje, je huid bleekblauw en rose, je jurk die een voor een zijn rode bladeren verliest.

Wakker werd ik als een raaskallende idioot, niet die van Dostojewski, noch die van Kurosawa: ik was King Lear, maar dan zonder kroon, zonder Cordelia, zonder iets. Ik bakte een ei, dronk zwarte koffie, zong de Blanket Roll Blues en wachtte op de arts. Wel een arts, maar geen verlossing in het verschiet. Ja, benedictie misschien, dat wel, zoals in het lied van Thurston Moore. Voor de rest geen gebenedijd woord meer. Maar geloof je me?

03-03-08

ALWEER GEEN BLOWJOB

blow job,muziek,populaire cultuur,pop,rock,muziekwinkels,dvd s,vincent gallo,ozu,kurosawa,carole king,gerry goffin,mar-keys,kim ki-duk,pasolini,antwerpen,king curtis,don covay,jerry leiber,mike stoller,phil spector,the cake,bob lind,the brown bunny

Martin Pulaski, Zelfportret

Word ik debiel, seniel, goed gek of gaat het gewoon beter met me? Oordeel zelf maar. Vrijdagavond heb ik geboeid en geïntrigeerd naar een aflevering van ‘Het uur van de wolf’ over Johnny Hoes zitten kijken, de schrijver van bekende Nederlandstalige liedjes als ‘Cherie’ (Eddy Wally) en ‘Och was ik maar bij moeder thuisgebleven’  (door Johnny Hoes zelf naar de top van de toenmalige hitparades gezongen). De man is negentig jaar, nog steeds levenslustig en geïnteresseerd in gewone mensen als u en ik – en bovendien lijkt hij me volkomen eerlijk. In Humo las ik de volgende uitspraak, die Johnny Hoes helemaal typeert: “Moet je luisteren, mijn vader werd 102, dus misschien heb ik nog wel een tijdje te gaan. Maar goed, die dag komt zeker. Naast mijn graf mogen ze dan een jukebox zetten met al mijn grote hits, zodat bezoekers naar believen een nummer kunnen draaien. Eén euro per liedje, dan verdienen we nog wat ook.” Ik heb nu het plan opgevat om weer als vroeger rommelmarkten af te gaan schuimen en er – niet als vroeger – langspeelplaten op het Telstar-label van Johnny Hoes te zoeken. Dat belooft.


Zaterdag was ik na lange tijd nog eens in Antwerpen, de stad waar ik me altijd thuis heb gevoeld.

Een Rus zei op televisie dat hij shoppen veel leuker vond dan stemmen voor een of andere corrupte politicus. Mijn über-ich zal opperen dat ‘ik’ het daar niet mee eens ben, niet omdat ik winkelcentra haat (dat doe ik ook) maar omdat het niet politiek correct is. Onbewust echter voel ik mij aangetrokken tot alles wat glinstert, ook al is het geen goud. In plaats van te vechten in een of andere ‘dirty little war’ ga ik veel liever shoppen, ook al vind ik dat verkeerd. Een mens zit vreemd in elkaar. Een goede god zou de mens veel duidelijker en meer samenhangend hebben gemaakt, en een slechte god ook.

Op de  De Keizerlei nam ik afscheid van mijn geliefde, zij ging in navolging van Imelda Marcos schoenen kopen, en ik stapte haastig de mediamarkt binnen. Daar keek ik even naar de dure camera’s en spoedde me dan naar de afdeling dvd’s en cd’s, waar mijn oog op een plaatje van Bobbejaan Schoepen viel, de zanger van ‘Een hutje op de heide’, ‘Café zonder bier’ en ‘’k Zie zo gere mijn duivenkot’. Ik heb me de cd meteen aangeschaft en zit nu mee te zingen op ‘Zie ik de lichtjes van de Schelde’. Bangelijk, zoals ze in Antwerpen zeggen.

Maar vrees niet, beste lezers: ik gaf daarnaast veel geld uit aan ‘kwaliteit’, films van Yasujiro Ozu, Akira Kurosawa, Kim Ki-Duk,Vincent Gallo en een box met vier films van Pier Paolo Pasolini. In mijn favoriete platenwinkeltje, Fat Kat in de Lange Koepoortstraat, vond ik ongeveer alles wat ik de voorbije maanden op mijn ongeschreven lijstje had genoteerd: Bob Lind – The Complete Jack Nitzsche Sessions; Goffin & King – A Gerry Goffin & Carole King Song Collection 1961-1967; The Cake - More Of the Cake Please; Phil’s Spectre III – A Third Wall Of Soundalikes; the Leiber & Stoller Story – Volume One: Hard Times; The Leiber & Stoller Story – Volume Two: On The Horizon; The Leiber & Stoller Story – Volume Three: Shake ‘Em Up And Let ‘Em Roll; en uitstekende verzamelingen op het Atlantic-label, van the Mar-Keys, King Curtis en Don Covay.

Misschien is het nog goed dat ik aan een depressie lijd. Anders zou ik binnen de kortste keren bankroet zijn. Maar als het nodig is kan ik mijn koopgedrag uitstekend verdedigen. Overigens ga ik altijd graag stemmen, omdat ik weet dat onze politici hier in vrolijk België helemaal niet corrupt zijn. Helemaal niet.

vincent gallo 2


Maar Vincent Gallo wel. Van Chloë Sevigny nog wel.