13-12-16

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (8)

Posada-bike-small_1.jpg


Dag 5: 6 november 2016

Omdat mijn tijd vaker versnelt dan vertraagt, omdat de werking van mijn geheugen aan dat tijdsverloop is gekoppeld, wil ik even terugkomen op deze reeks teksten die ik ‘Tien dagen die mijn wereld deden wankelen’ noemde.

De eerste dag schreef ik dit: “Een uur is kort, tien dagen kunnen lang duren. Tien dagen zijn kort, een uur kan lang duren.” Dat was een nogal intuïtieve vooropstelling, maar ze blijkt nog niet aan inflatie onderhevig te zijn.

En ik voegde er dit aan toe: “Niet alleen grote gebeurtenissen schudden je wereld door elkaar. Neem nu een obsessie: die kan met iets kleins beginnen, met een muggenbeet, met de geur van ether of, al wat groter, met een vlucht wilde eenden, et cetera. Meestal is wat in je omgaat of wat je bepaalt een combinatie van kleine en grote dingen. Zelfs als je het niet wilt leef je toch in de grote wereld. Je zit of staat of loopt altijd rond in een netwerk, een systeem, een macrokosmos. Of je zit gevangen in een web. Soms is het een doolhof, zoals bij Jack Torrance in ‘The Shining’. Daar kom je meestal niet levend uit.” Ook aan die woorden wens ik niets te wijzigen.

De tien dagen begonnen op de kalender op 2 november 2016. Allerzielen. Nu zijn we eenenveertig dagen later. Het mag inmiddels wel duidelijk wezen dat je een kroniek (of noem het verhaal, want er is nauwelijks verschil tussen fictie en non-fictie; het enige verschil, wellicht, is dat je bij fictie de namen van de personages en soms van de plaatsen verandert) niet op die manier kunt afbakenen in de tijd. Alleen al op 2 november 2016 zijn er tientallen, wellicht honderden ‘andere’ momenten – ik heb er geen idee van hoeveel - die tijdsgrens binnengedrongen. Momenten uit 1967, uit 1975, uit 2009, uit 2011, et cetera. Andere momenten die de wereld en mijn leven deden wankelen.
Maar een mens heeft imaginaire grenzen nodig, heeft een leidraad nodig, een structuur, een houvast. Vandaar die tien dagen. Die desondanks niet willekeurig gekozen zijn. We beleven ongetwijfeld een periode van voor onze generaties verontrustende veranderingen, van wereldschokkende gebeurtenissen, van bijna onbegrijpelijke chaos en van verwoestingen van ‘oude waarden’. Met die ‘oude waarden’ bedoel ik niet alleen moraal, politiek, geloof, manieren van samenleven, maar ook dorpen en steden, havens, kanalen en rivieren, heuvels en bergen, weilanden en velden, de hele natuur en de wereld zoals we haar tot vandaag kennen.

1957Alabama_bus.jpg

Ik droom dat ik op een vaste datum in de zomer, steeds op hetzelfde uur, elk jaar opnieuw met Laura in een gele autobus zit. We rijden elke keer door hetzelfde landschap, een dorpse omgeving - of eerder nog het gebied waar de stad overgaat in het platteland. Elke keer kijken we op hetzelfde moment door het enigszins vuile raam van de bus en zien daar bij een verkeerssignaal Laura staan wachten. Wil ze de straat oversteken of wacht ze op iemand? Of is ze in gedachten verzonken? Achter Laura zien we arbeidershuizen, die er elke keer als we er voorbijrijden anders uitzien. De kleur van de gevels, de grootte van de ramen, de gordijnen. Elk jaar zien ze er slechter uit, groezeliger, meer vervallen. Na een aantal ritten (of jaren) zijn de kleine huizen weg en staat er nieuwbouw. Maar het verkeerssignaal staat er nog altijd en ook Laura, die zelf niet verandert. De laatste rit voert ons naar een gigantisch grasveld, zo groen dat het pijn doet aan de ogen. Daar stappen we uit. Ver weg, ongeveer in het midden van het grasveld, zien we kleine rode stipjes, niet groter dan onzelievevrouwebeestjes (sommigen gewagen van lieveheersbeestjes; vroeger werden de diertjes ‘freyafugle’ genoemd, vogel van de godin Freya). We weten dat dat onze twee rode koffers zijn, waar we al lange tijd naar op zoek zijn. De koffers zijn open, zegt Laura. Ja, zeg ik, deze keer heb ik ze opgelaten. Waarom, vraagt Laura. Dat weet ik eigenlijk niet, zeg ik. Zo’n groot grasveld en dan die koffers openlaten, zegt Laura. Tsja, zeg ik.

 tijd,geheugen,ruimte,gebeurtenissen,wereld,kalender,tien dagen,fictie,non-fictie,namen,personages,momenten,chaos,verwoestingen,droom,bus,laura,onzelievevrouwbeestjes,freya,herhaling,grasveld,koffers,rood,geel,robert musil,schrijver,hubert van herreweghen,dichter,kleuren,saudade,portugal,dood

Op 6 november 1880 werd in Klagenfurt Robert Musil, een van mijn uitverkoren schrijvers, geboren. Eergisteren overleed in Dilbeek de Vlaamse, katholieke dichter Hubert van Herreweghen. Dat vernam ik vandaag. En van hem vond ik deze woorden terug:
“Mijn kinderen hebben nooit geweten dat ik verzen schreef. Ik las mijn verzen niet hardop. Poëzie moet je in je horen. Het hele klankspel binnensmonds - met medeklinkers en zo - lijkt op kleuren. De zang maakt duidelijk hoe het in de ziel van de dichter toegaat. Over de zang van Anton van Wilderode heb ik ooit gezegd: drink eens een borrel, dat er wat leven inkomt. Het was al prikkeldraad en doornen waar je tegenaan schuurde. Schreeuwen tegen het bestaan - innerlijk althans - heb ik voor het laatst gedaan met mijn gedichten over Portugal (Van Herreweghen maakte er een reis in 1949, red.). Ik hoorde daar Amália Rodrigues, werd getroffen door de saudade (weemoed) van de fado en heb daar gedichten bij geschreven. Dat was pas schreeuwen: machteloze revolte. Er werd muziek op gezet."”*

aleppo.jpg


...

*Brussel Deze Week, 24 1 2008

 

 

08-06-16

LE BONHEUR VAN AGNES VARDA

bonheur 1.jpg

Ongeveer vijfenveertig jaar geleden zag ik ‘Le bonheur’ (1965) een eerste keer. De pastorale, idyllische beelden zijn me altijd bijgebleven. En ook de zekerheid dat in het paradijs van Agnès Varda, in het gelukkige kerngezinnetje dat zij ons in zijn dagelijks reilen en zeilen laat zien, niet alles pluis is. Gisteren zag ik de film opnieuw, in een magistraal gerestaureerde versie. ‘Le bonheur’ was de eerste kleurenfilm van Varda en dat zie je eraan. Het lijkt wel of de regisseuse al doende kleuren opnieuw uitvindt. De beelden zijn betoverend mooi, maar je zou ze net zo goed kitsch kunnen noemen.

Het verhaal wil ik hier niet uit de doeken doen. Het is te mooi en te verschrikkelijk om waar te zijn. Ik denk dat het over een man gaat die zo gelukkig is dat hij nog meer geluk wil. Wat impliceert dat hij ongelukkig is en het ook zal blijven. Je kunt hier ‘geluk’ door ‘seks’ of ‘bevrediging’ vervangen.

Ik weet niet wat destijds mijn conclusie was. Gisteren besefte ik dat ‘le bonheur’ hetzelfde is als ‘le malheur’ – in de context van Agnès Varda’s film dan toch. En ook in het algemeen: hoe kan een mens gelukkig zijn als zijn hunker en zijn begeerte altijd maar aan hem (of haar) blijven knagen? Als hij nooit volkomen bevredigd is? Zelfs als de zon volop schijnt en de zonnebloemen in volle bloei staan.

bonheur2.jpg

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

le bonheur, agnès varda, geluk, ongeluk, tragedie, idylle, paradijs, verbanning, kitsch, kleuren, revolutie, feminisme, onderdanigheid, verlangen, seks

 

16-05-15

DRIE KLEUREN: GEEL

29974065_f4e3f795fa_o.jpg

Er waren dagen in de zomer dat ik alleen maar geel zag. Het zullen boterbloemen geweest zijn, hele velden vol boterbloemen, die mijn ogen verzadigden. Mijn dagdromen van toen, van het jongetje dat langs het kanaal op en af liep, op en af, herinner ik me als geel. Geel betekende geluk, zaligheid. Nog steeds kunnen rode voorwerpen me schrik aanjagen, gele nooit. Nochtans houd ik het meest van rood. Als ik in een film – of in het echte leven - een blonde vrouw in een rode jurk zie heeft ze meteen, op zijn minst, mijn volle aandacht.  Misschien compenseert het geelachtige blond het vurige rood?

Geel is de kleur van de waanzin, heb ik al horen beweren. Ik weet niet of dat waar is. Wel zou ik nooit een geel pak dragen zoals Johan Nilsen Nagel in ‘Mysteriën’ van Knut Hamsun.  In dat prachtige, enerverende boek uit 1892 onderlijnde ik dit: “Nog even en elke gemeente heeft een groot man, maar van de grootsten zal er misschien nooit meer dan één per duizend bestaan.” Nagel lijkt me behoorlijk waanzinnig. Het geel van Van Gogh is mogelijk een symptoom van zinsverbijstering.

In het Engels betekent ‘yellow’ laf, onder meer. Donovan’s lied ‘Mellow Yellow’ gaat niet over drugs, maar over elektrische bananen, dildo’s. Welke tiener wist dat in 1967? Wikipedia schijnt het nog steeds niet te weten. Deze verzen uit Bob Dylan’s ‘Tombstone Blues’ zijn echter overduidelijk:

“The Commander-in-Chief answers him while chasing a fly
Saying, "Death to all those who would whimper and cry"
And, dropping a barbell, he points to the sky
Saying, "The sun's not yellow, it's chicken"”

In Godard’s film ‘La Chinoise’ staat de kleur rood voor het denken en geel voor de Chinezen. Met de rode boekjes van Mao kun je een muur bouwen om je te beschermen tegen de imperialistische vijand. De imperialistische vijand is rood noch geel, maar een kip uit Kentucky.

Wat was Polly Jean Harvey sexy in haar gele jurk. Zal ze die ooit nog dragen? Ik herinner mij dan wel die boterbloemen en hoe alles geel was op sommige dagen, zeker als ik vanuit een boom de velden overschouwde, maar hoe is het mogelijk dat ik PJ nooit live heb gezien? Het komt me voor dat er rond het jaar 2000 niets opwindenders bestond dan een concert van PJ Harvey. De gele jurk begrensde de extase. Je stelt het orgasme toch uit? Een rood kleedje zou de grenzen van de denkbare verrukking overschrijden. De stem van Polly Jean is van vuur, niet geel maar rood.

Nee, ik mis het geel niet echt. Ik mis vooral het rood in mijn leven. Zoveel stellen die boterbloemen van toen nu, uiteindelijk, niet meer voor.

2770673232_7092e2cf39_o.jpg

...

Foto's: Martin Pulaski

21-02-15

GEMURMEL VAN JE HART

P1000175.JPG

De rook om je hoofd zal wel nooit meer verdwijnen. I’m just trying to do this jigsaw puzzle until it rains anymore. Een regel uit een lied dat me rechtstreeks naar een kerstavond in de haven van Antwerpen leidt. Niet de regel op zich: het lied, de sfeer van het lied, de stem van de zanger. Of toch niet? Een puzzel is je hele leven nu. De kleurige stukken passen niet in elkaar, als ze dat ooit al deden. Hield je je ooit bezig met puzzels? Dat weet je niet meer zo goed. Zeker wel met monopolie, daar was je een krak in. Al heel jong klaargestoomd voor de markt, met een net pak in prince de galles met lange broek, gouden polshorloge en altijd als je buiten ging leren handschoenen aan.

Op weg naar de markt verloor je de weg. Je verdwaalde in smalle, donkere straatjes, in provinciesteden, in metropolen, in de dichte mist maar ook in de brandende zon. Er was geen weg terug. Je raakte de draad kwijt. Het besef van tijd. Wat was gisteren, wat veertig jaar geleden, wat is vandaag? Wat moet nog gebeuren? Angstvallig en reikhalzend wachtte je op het nieuwe millennium. Alles zou anders worden, niets maakte het verschil. De wereld verandert gedurig en toch lijken de gebeurtenissen op elkaar, zoals de uren en de dagen en de gezichten van mensen die je niet kent. Zou de mode een houvast kunnen bieden? In dat jaar groen, in dat blauw, en dan een keer fuchsia? Neen, ook de kleuren niet. Ook de mode niet. Je ziet geen verschillen. Op het ene feest dragen de vrouwen lange, donkere rokken, op het andere dansen ze vrolijk of cool in mini.

Wat je waarneemt is een caleidoscoop. Niets biedt houvast, alles wankelt, trilt, vervaagt. De steden en landen verliezen hun vertrouwde geuren. En toch blijf je er naar op zoek gaan, naar de geuren die je van een ver afgelegen oord terug thuis kunnen brengen en naar de vreemden die je weer naar een houten tafel kunnen begeleiden, waar je met een boezemvriend zit te praten alsof de tijd niet bestaat, of naar het bed van een bijna vergeten geliefde, waar de huid haar oneindige geheimen onthult. Ja. Ook al denk je dat je moedeloos en uitgeblust bent, toch verzet je je tegen de onverschilligheid, die je misschien onterecht aan de werkelijkheid toeschrijft. Je weet dat die onverschilligheid maar een laag is. Overal sluimert het verschil. En ook in jouw oor fluistert er nog ooit wel eens een stem die er alleen maar voor jou is. Woorden die rijmen op het genuanceerde gemurmel van je hart.
P1030683.JPG

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs 3 mei 2010; Antwerpen 21 maart 2010.

24-11-14

VOORBIJ DE GROTE RING

IMG_0865.JPG

Gisteren lokte de zon me naar buiten. Een wandeling in een bos, een groot en niet te druk bezocht park, of gewoon op de buiten is een van de beste remedies tegen melancholie. Waar ik woon valt echter niet veel te beleven op dat gebied. Flatgebouwen uit de jaren zeventig, lelijke huizen, grijze straten, slecht onderhouden trottoirs en geen mens te zien op straat. Rustig is het wel, veel bomen, een klein ziekenhuis om de hoek. Op zondag bijna geen verkeer. Maar vlakbij de duivelse Ring, met zijn ononderbroken geraas, zelfs op de dag des heren.

Vroeger liep je van waar ik woon (maar toen woonde ik hier nog niet) zo naar het platteland. Op een kwartier, niet langer, tenzij je onderweg even bleef staan om naar een vogel te kijken of je geliefde te kussen. De Ring heeft die bijna natuurlijke overgang van stad naar platteland vernietigd. Nu ja, de Ring is geen levend wezen, hij heeft dat niet zelf gedaan. De eenzame enkelingen in hun verlangen naar afzondering, naar zinloze snelheid, naar een onbestemde bestemming of gewoonweg naar het werk hebben het gedaan. Door hen verkozen politici en de beste vrienden van die laatste beroepscategorie, de bouwondernemers en de afbraakwerkers hebben het gedaan.

Denk maar niet dat ze er mee ophouden. Onderweg naar het Pajottenland in de warmte van november, onder een hoogst vriendelijke zon, zelfs de lelijkste gebouwen met een laagje schoonheid omhuld, ontwaarde ik op veel plaatsen sporen van de afbraakwerkers en ik zag er nu al de monsters van de volgende jaren uit de idyllisch glooiende velden – ooit door Brueghel geschilderd – oprijzen.


Desondanks ben ik tevreden. Mijn landerigheid valt al gauw van me af. Eens voorbij de Ring geniet ik van wat overblijft van het Pajottenland, van de vijvers, velden, de eenden en duiven en eksters, de vogels van het veld, de schapen en koeien. Veelkleurige bladeren aan de bomen en op de vettige kleigrond. De geur van de boerderijen, hooi, koeien in de modder. Een stapel reusachtige bieten, een rode tractor, een molen aan de horizon. Mijn schoenen zwaar van de modder als ik me een weg baan door een groot kaal veld, op weg naar die molen aan de horizon. Omdat ik te diep wegzak moet ik rechtsomkeert maken. Ik zet mijn fototoestel op de nachtfunctie, op die manier maak ik blauwe foto’s. Zo zien die lelijke Ring en de eerste vuile huizen er draaglijker uit. En thuis weerklinkt al muziek van My Morning Jacket en daarna is het de beurt aan ‘After the Goldrush’. Tijd om me af te vragen waarover nu weer eens iets te schrijven.

IMG_0845.JPG

IMG_0851.JPG

Foto's: Martin Pulaski, Neerpede, 23 11 2014

06-10-14

ECHOLALIA: ANA TORFS

IMG_9952.JPG

Ja, ik ben verslingerd aan echolalie. Aan het woord en aan wat het woord betekent. Sinds ik de tentoonstelling  ‘Echolalia’ van Ana Torfs in Wiels heb gezien is de ziekte nog erger geworden, als het al een ziekte is. Indien wel dan smaakt ze eerder zoet, zoals de jaloezie bij Patricia Highsmith. Freud schrijft dat de neurose verdwijnt als de neuroticus zich bewust wordt van wat tevoren onbewust was. In mijn geval van die echolalie; maar ik ben niet genezen, en dat vind ik een goede zaak.

‘Echolalia’ van Ana Torfs is werkelijk interessant als je er je tijd voor neemt. Vanuit het Zuidstation ga je best te voet naar Wiels, via de industriezone in Anderlecht. Onderweg kun je een blik werpen op de Zenne, een rivier die een nogal schimmig bestaan leidt. Als je niet van woorden en van taal houdt blijf je beter thuis.

IMG_9934.JPG

Eén afdeling van de tentoonstelling heet ‘TXT (Engine Of Wandering Words)’. Het gaat om zes prachtige wandtapijten waarin telkens vijfentwintig beelden verwerkt zijn die verband houden met gember, saffraan, suiker, koffie, tabak en chocolade. Wat de zes wandtapijten met elkaar verbindt is een fragment uit Swift’s ‘Gulliver’s Travels’, dat verbluffend geestige boek (waarvan nog vaak wordt verondersteld dat het voor kinderen werd geschreven); met name een paragraaf uit ‘A Voyage To Laputa’ waarin onder meer deze merkwaardige zin voorkomt: “The first project was to shorten discourse by cutting polysyllables into one, and leaving out verbs and particles, because in reality all things imaginable are but nouns.” Maar, hoe kan het anders, ook deze zin: “The other project was a scheme for entirely abolishing all words whatsoever; and this was urged as a great advantage in point of health as well as brevity.” Omdat woorden slechts benamingen zijn voor dingen, is het beter voor de gezondheid en de communicatie dat mensen rechtstreeks gebruik maken van de dingen om met elkaar te ‘praten’. Personen die over diverse dingen willen praten moeten natuurlijk een veel zwaarder gewicht torsen dan degenen die maar weinig te vertellen hebben. Maar enkele slaven lossen dat dan wel op. Een van de (honderdvijftig) illustraties op een tapijt van Ana Torfs is trouwens een advertentie voor een slavenverkoop. Ondanks hun vele verwijzingen naar lang vervlogen tijden en gebruiken zien de tapijten er hedendaags uit: de honderdvijftig prenten lijken op icoontjes op internet. Dat je er niet op kunt klikken is een bijkomend voordeel: het zet je tot denken en lezen aan, de beelden maken je nieuwsgierig. Als je thuiskomt neem je toch zeker al ‘Gulliver’s Travels’ uit het boekenrek. En dat is slechts het begin van een nieuwe aanval van echolalie.

Een tweede deel, ‘Family Plot’ is al net zo boeiend. Het gaat ook weer over classificaties, met als lichtend voorbeeld Carl Linnaeus, de Zweedse natuuronderzoeker en taxonoom. ‘Family Plot’ is een imaginaire stamboom, een grillige maar tegelijk zeer ordelijke encyclopedie van ontdekkingsreizigers, botanici, bloemen, vruchten, wereldkaarten, gebieden. Dit gedeelte is wellicht het vermoeiendste. Je hebt er goede ogen voor nodig.

Het meest oogstrelende deel draagt de titel ‘Stain’. Dit is een echolalie-encyclopedie van bijzondere kleuren: mauve, Bismarckbruin, Pruisisch blauw, Bengaals roze, malachietgroen, Aurantia (een kleur die ik niet kende; in de Webster vond ik dit: “a poisonous red-brown crystalline alcohol-soluble dye C12H8N8O12 used in biological staining, in desensitizing photographic plates, and in colored photographic filters —the ammonium salt of hexanitrodiphenylamine”); Indisch geel. Over ‘Stain’ kan het moeilijkst worden gepraat of geschreven, je moet het zien en horen. Bij Mauve hoor je bijvoorbeeld een vrouwenstem iets uit Oscar Wilde’s ‘The Picture Of Oscar Wilde’ citeren: “Never trust a woman who wears mauve, whatever her age may be, or a woman over thirty-five who is fond of pink ribbons. It always means they have a history”.

 oscar1-wilde.jpg

Een voor mij wat minder boeiend gedeelte, ‘Legend’, behandelt de geschiedenis van het Canarisch eiland La Gomera. Het eiland kent voor mij nog maar weinig geheimen: ik heb vier keer als het hier koud was vrij lang rondgehangen, vooral in het idyllische hippiedorp Valle Gran Rey. Geen spoor van de generalissimo daar.

Bij ‘Displacement’ schrok ik toch wel even. De beelden riepen herinneringen op aan een film van Chantal Akerman. Dezelfde leegte en zinloosheid, veel ongemakkelijke stiltes, verveling, vervreemding. Maar het verhaal dat erbij verteld wordt... Opeens wist ik het: het was dat van het meesterwerk van Roberto Rosselini, ‘Viaggio in Italia’. De film spreekt me meer aan, de beelden van Rosselini doen me meer. En je hebt de geweldige rol van Ingrid Bergman.

viaggio-in-italia_2.jpg

Voor het laatste gedeelte, ‘The Parrot & The Nightingale, a Phantasmagoria’ was ik te moe. Zeker, het is een vermoeiende tentoonstelling. Maar je wordt er als gezegd op een prettige manier ziek van. De echo’s brengen andere echo’s voort, die op hun beurt voor weer nieuwe echo’s zorgen: mijn kamer is een volmaakte echokamer geworden; uit al mijn boeken stijgen stemmen op. Ik heb me voorgenomen voor lange tijd niet meer buiten te komen, zelfs niet om een reis naar La Puta of La Gomera te maken.

09-01-14

WOLKEN

IMG_0073.JPG

Een blik door het raam deed mij de woorden waar ik naar op zoek was nog voor ik ze vond al vergeten. Is dat mogelijk? Dat moeilijk te begrijpen ogenblik tussen ontstaan en er zijn, hoe vat je dat? Ik weet het niet. Maar wat ik zag waren wolken, gewoon maar wat wolken, dichtbij heel donker, verder weg helder, wit als mijn scherm, maar zachter van licht, en recht voor me het begin van een zon, of het einde, want het was bijna vijf uur, dat wist ik zonder op de klok te kijken (ik was net beneden in de keuken een glas water gaan halen). In de dakgoot in het huis aan de overkant zag ik de reflectie van het wit in die lucht in het regenwater; ja, in die kleine spiegel, of eerder een bijna volmaakte scherf, ontwaarde ik een spiegelbeeld van iets groots. En dat grootse was toch ook weer heel klein in vergelijking met het nog veel grotere daarachter, daarboven, daaronder, overal (of bijna overal waar je kon denken als je nog kon denken in een situatie als deze, aangeraakt als je was door Apollo, zoals Hölderlin zegt).

Misschien was ‘ontwaren’ het woord dat ik zocht, want waarom schreef ik dat hier nu neer? Dat gebruikt toch geen mens meer, het is zo verheven, zo zweverig, zo helemaal niet van deze tijd vol ijverzucht en eigenbelang.

Kijk nu, rechts voor me staat een gebouw van de Anderlechtse Haard in brand, van de zon is dat, ook al is de zon niet meer zichtbaar. Een felle oranje gloed, bijna van menselijke makelij, maar zelfs Rothko zou dit niet kunnen en niet willen overtreffen, en daarboven een heel stuk aangetast wit. 

Geen winterse wolken zie ik. Het zijn stormwolken, het is een storm die voor mijn ogen vorm krijgt. Ik hoor echter geen enkel geluid. Sam Cooke heb ik het zwijgen opgelegd; ik geloof dat ik dat nooit eerder heb gedaan. ‘Touch the Hem Of His Garment’, zong hij. Was het een teken? Nee, dat denk ik niet, het is gewoon een lied. Mocht god bestaan had niemand Sam Cooke doodgeschoten in een ranzige motelkamer, mocht god bestaan zou ik ook niet verlangen naar jou maar naar hem. Nee, hij bestaat niet. Maar wel de wolken, nu stilaan een donkere, wat dreigende massa geworden.

...

Foto: Martin Pulaski, 21 april 2013 

23-01-13

IK DACHT NOG

Zeventien keer vroeg ik het je al.
Ik had net zo goed niets kunnen vragen.
Of was het achttien?
Je antwoordde zeventien of achttien keer niet.
Wat doe je met wit, vroeg ik.
Wat doe je met zwart, vroeg ik.

Ik zei je dat ik je niets verwijt.
Het is gewoon een vraag zoals een andere.
Wat doe je met de andere kleuren, die ertussenin?
Vond je er geen woorden voor?
Niet iedereen is Rimbaud, dat weet ik wel.
Al weet ik niet veel – dat wel:
De alchimie van het woord.

En vragen, ik ken heel veel vragen.
Vraag mij niet om antwoorden, die ken ik niet.
Stel je vraagt me: hoe gaat het met je?
Ik weet het niet.
Gelukkig ben ik niet.
Maar ben ik daarom ongelukkig?
Mij moet je het niet vragen.

Ik schreef je dat het tijd wordt.
Zeventien keer al dat ik iets moet gaan doen.
Met mijn leven, met jouw leven.
Maar wat? Iets tussen wit en zwart?
Zeg het me nu toch eindelijk, want ik weet het niet.
Vandaag dacht ik nog: er is niets te doen.
Ik dacht nog: er is helemaal niets te doen.

20-01-13

BESTEMMING

 

Je leeft zeventien levens tegelijk.

Je leeft in zeventien namen.

Ik ben er een van, ken er twee van, of drie.

Prijs me gelukkig.

Prijs me en heb me lief, zeventien keer.
 

In een naam alle kleuren, in alle kleuren een naam.

Korenbloemblauw in de Kempen.

Aardebruin in vergeten gehuchten.

Antraciet in de Borinage van Henri Storck en Joris Ivens.

In een luxueus pand in Brussel rood van tomaten.
 

In je oog immer het licht van een vonk.

Geen zwavel in de vele e’s van je begin.

Wierook die je verdooft, op pad stuurt

Naar een bijna bedolven bestemming

Waar je onder de notenboom meezingt.
 

Je leeft zeventien levens tegelijk.

Je leeft in zeventien regels.



03-12-12

EEN OGENBLIK IN SERRALVES

serralves.jpg
Martin Pulaski, Serralves (Porto), 11 november 2012.

In de boekwinkel van Fundacão Serralves sloeg ik op een willekeurige plaats een willekeurig boek open (essays over hedendaagse kunst). Ik las dat de essentie van de kunst is: het leven zoveel mooier en beter maken dan de kunst. Ik was niet naar Serralves gekomen voor de kunst. De man van het Cale Hotel, waar ik logeer, had me gewaarschuwd dat de tentoonstellingsruimte gesloten was. Ik was er voor het park, een van de aangenaamste plekken die ik ken. Daar vond ik het leven opeens overweldigend, het leven en de wereld rondom me, met de zon die mijn lichaam verwarmde, met de dwarrelende kleuren van de herfst en de verrukkelijke tinten -  onnoemelijk veel kleurschakeringen - van het water, het water dat misschien nog beter en mooier is dan het leven, het water dat de essentie van het leven is. Alles zoals het op dat ogenblik was – want de tijd was stil blijven staan, was alleen nog moment – was voldoende, was alles. Wat diep binnendrong in mij, een immense en tegelijk erg zachte kracht, kon mij verzoenen met jou en kon me verzoenen met mezelf.

~~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 11-11-12.

21-08-12

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE ii

Living, Thinking, Looking.jpg




Al een aantal dagen kan ik op mijn weblog niet meer antwoorden op commentaren die bij mijn teksten worden gegeven. Een bizarre situatie: je hebt een blog, je denkt dat die jouw intellectuele eigendom is en dat je ermee kan doen wat je wilt, rekening houdend met een aantal legale en ethische voorwaarden. Mocht hoochiekoochie niet zo populair zijn (dat vermoed ik, afgaande op de teller die hier links in de marge staat) zou ik mijn geluk elders zoeken, maar dat lijkt me nu niet zo’n goed idee.

Voorlopig zal ik mijn replieken en bedenkingen dan maar als ‘nieuwe’ teksten publiek maken, met verwijzing naar de plaatsen waar ze eigenlijk zouden moeten staan. Omslachtig, maar ik vind geen andere oplossing.

Bij “Woorden zijn seks, zei je” schreef ik de volgende bedenking:

"Alles begint met een woord." Dat niemand daar iets tegenin brengt - op een blog - betekent nog niet dat de bewering waar is. Bij Siri Hustvedt las ik heel specifiek over kleuren het volgende: "We feel colors before we can name them. Colors act upon us pre-reflectively. A part of me feels red before I can name red. My cognitive faculties lag behind the color's impact. Standing in a room, I look first at the vase of red tulips because they are red and because they are alive." In: "Living, Thinking, Looking", 2012.

Overigens verdient de uitgever van Siri Hustvedts essaybundel een prijs voor de look van het boek. Mooie layout, gracieus lettertype, heerlijk papier om aan te raken en aan te ruiken.  

01-08-12

GESCHAAFDE KNIE (reflecties iv)

mythologie,muze,vrouw,jurk,reflectie,kleuren,noorden,rendieren,metamorfose,liefde,verlangen,fotografie,schilderen,knie,rohmer

Cindy Sherman

Wie niet te gehaast voorbijliep ving een glimp op van de muze in haar zijden jurk. Een o zo verfijnd niemendalletje dat ik graag in mijn hand had genomen, want ik denk dat dat ging. De kleuren sloegen alvast die richting in: die van het kleine vurige vuurwerk van weer een zonsondergang (wie zei ooit dat die groots was), van speeksel dat uit elkaar spat in haar laatste lage stralen, van gedoogde handtastelijkheden.

Die zag tevens hoe ze haar knie waste in een witte porseleinen kom, haar alweer geschaafde knie. Haar knie die tot bidden noopt ook al keren de goden zich van ons af, al slapen ze en dromen ze van andere werelden, andere dieren, al zeggen ze zonder dat wij het horen, een muze bestaat niet, een muze is ook maar een dier, met oogjes en pootjes en een hart dat sneller gaat kloppen als de zon schijnt.

Ik droomde van haar, van de muze. Ze was een rendier in het hoge Noorden. We liepen over witte velden, stoom gul uit onze monden spuwend, zij ver voor me uit, ik achter haar aan met mijn camera. Ze was bang voor me, voor onthulling, ik was bang voor wat zou komen, of wat niet zou komen, ik voelde haar hart kloppen, mijn hart kloppen. In haar keel, haar kleine keel, in mijn keel. Ik staakte de achtervolging, ik hield op met rennen. De sneeuwvlokken spatten uiteen in de laatste zonnestralen. Ik werd het rendier, ik rende weg van haar die mij achtervolgde. Ik rende tot ik aan het einde van de wereld kwam. Daar greep ze me bij de hals en liet me niet meer los. Daar beet ze mij mijn oor af. Nu ben je mijn Van Gogh, zei ze. Schilder mij nu maar, een vlucht kraaien boven een gouden veld.

20-09-10

OOGBLAUW

 

Hoe vaak je oogblauw zich op mijn pagina werpt

Soms tot ademloos toe en je schaduw
Op elke hoek een blik in mijn rug boort
Maar zacht, de kleur van boter en appelsienen.

Je hoort me sinds mensenheugenis toe
Maar niet altijd hoor je mijn stille woorden -
Hoe zou je kunnen. In stilte is nooit iets uitgesproken.
Toch heb je mijn adem, mijn leven geroken.

Ik zei dat je mijn zwaan was, maar dat was niet waar.
Zwanen bestaan niet zo in jouw nabijheid.
En engelen staken hun vervelend gezang als je zwijgt
Of spreekt. Je stem is de toekomst en het verleden.

Voortaan zie ik het licht uit je ogen, geen schaduw
Maar oranje gespat op grijze muren en dagen
En op mijn versplinterd gezicht. Op mijn ontwaken:
Je oranje driften die een blinde man weer laten zien.

En de lamme in het licht van de donkerte lopen.

27-10-07

VOETZOEKERS OF VOETNOTEN?


Hoe ontstaat zo’n tekst als ‘Heaven’s Gate’? Je zit naar nog maar eens een miskend meesterwerk te kijken, in dit geval ‘Heaven’s Gate’, de 220 minuten durende film van Michael Cimino, gebaseerd op de Johnson County Wars in Wyoming, die plaatsvonden op het einde van de 19de eeuw. In 1980, toen de film werd uitgebracht, werd hij door vooral Amerikaanse recensenten grondig afgekraakt. Het publiek bleef massaal weg. De zeer dure film werd bijna overal een regelrechte flop, met uitzondering van een aantal Europese cultuursteden.

In ‘Heaven’s Gate’ wordt veel gedanst, gemusiceerd, en er wordt een bloederige, wrede oorlog uitgevochten tussen rijke veebaronnen en hun huurlingen enerzijds en boeren-immigranten (vooral uit Oost-Europa) anderzijds. Er is een subverhaal over de liefde van zowel Kris Kristofferson als Christopher Walken voor Isabelle Huppert, in deze film mooier dan ooit, en nog zo jong. Zij is de tragische heldin van het verhaal. Tragische heldinnen moeten sterven.

De mooiste scène is wellicht die in de danshal ‘Heaven’s Gate’, waar de boeren dansen op rolschaatsen – met op de voorgrond adembenemende muziek van de toen jonge componist en muzikant David Mansfield. Hij is trouwens meermaals te zien in de film. Dylan-bewonderaars zullen de engelachtige David Mansfield ongetwijfeld kennen; in de jaren ’70 speelde hij in Dylans begeleidingsband, onder meer op ‘Street Legal’, ‘Bob Dylan at Budokan’ en ‘Hard Rain’. Te zien is hij in Dylans ook al zeer lange film ‘Renaldo and Clara’. Zelf heb ik hem in 1993 live zien optreden in The Bottom Line in New York waar hij toen Lucinda Williams begeleidde op viool.

Terwijl ik naar de film zat te kijken, een Duvel dronk en mijn emoties de vrije loop liet, werd ik opnieuw opgezweept door de soundtrack en verbluft door de Ciminos beeldenrijkdom en geweldige montage. Cimino stelt dat de Verenigde Staten gebaseerd zijn op uitbuiting, geweld, hypocrisie en verraad.

Ik nam vlug een langwerpig velletje papier om er wat woorden op te noteren. Door die langwerpige vorm moest ik de woorden onder elkaar zetten, zodat er qua vorm een gedicht ontstond.

De volgende dag heb ik eens gekeken naar wat ik neergeschreven had. Ik zag het bruin en het groen van de aarde in Wyoming en het bruin van de kleding en hoeden van de boeren.  Het asgrijs van de dood die hen boven het hoofd hing. De immigranten zagen er vermoeid uit, de aarde leek hen niet toe te lachen. Je zag beelden van een grauw en donker bestaan. Daartegenover enkele ogenblikken lichtheid, van het walsen op rolschaatsen in een grote houten danshal waar een orkestje opgewekte en tegelijk melancholische muziek speelde. De boeren waren moe, maar in zekere zin onbezorgd. Ze wisten nog niet dat de asgrauwe dood op hen wachtte.

Op mijn papiertje trof ik sporen aan van de lichte huiduitslag waar ik last van had, ten gevolge van antibioticagebruik. In de proloog van ‘Heaven’s Gate’ neemt Cimino je mee naar de universiteit van Harvard (in werkelijkheid is het Oxford, maar in film mag dat, het Vietnam van Kubrick is een oud fabrieksterrein ergens in Engeland). Er worden diploma’s uitgereikt, er wordt feest gevierd, gewalst. Harvard, een rijke, lichte wereld. De jonge mannen die hier afstuderen zullen van het nog jonge, ruwe land een beschaafde natie moeten maken. Maar zullen ze daar in slagen? Zijn de natuur en de aard van de mens niet weerbarstig en opstandig als het om cultuur en fijne manieren gaat? Worden verfijnde mensen in ruwe streken niet belachelijk gemaakt of afgeslacht? Denk maar aan Peckinpahs ‘Straw Dogs’. Denk maar aan William Wylers ‘The Big Country’.

In mijn hoofd waren de walsers aan het jiven geslagen, wat natuurlijk een anachronisme is, maar in een gedicht mag dat. De natie waar ik het over het is de VS maar het gaat uiteraard ook over België. De vader is de rector van de universiteit, en is mijn eigen vader, die toen ik klein was graag Willem II sigaren rookte. Hij is een gewone man, een boerenzoon – het praktische nut van een diploma lijkt hem gering. Je kunt er geen grond mee bewerken noch de mijnschacht in.

David Mansfield speelt de hele tijd door op de blauwe gitaar van dichter Wallace Stevens. Diens lange gedicht ‘The Man with the Blue Guitar’ is in het Nederlands vertaald door Rein Bloem. Peter Case verwees er enigszins ironisch naar in de titel van een van zijn elpees: ‘The Man with the Blue Post Modern Fragmented Neo-Traditionalist Guitar’ (op die plaat staat de schitterende song ‘Entella Hotel’ geduldig op luisteraars te wachten). De oesters verwijzen naar de als oesters levende burgers uit Hölderlins ‘Hyperion’. En het gedicht eindigt met een deuntje van Howlin’ Wolf alias Chester Burnett.

***

(1. / Van mijn lippen valt schimmel / en woorden in het gruwelgrijs van de dood / van mijn lippen op de oude aarde / groen en bruin de mensen moe. // Onder de maan alleen een blauwe melodie / aan de beroemde blauwe gitaar ontlokt / een wegebbende echo nog maar / na een eeuw walsen en jiven en zweten. // 2. / De vader zit op een bank, rookt zijn sigaar / Willem II, onverrichter zake. / Boven zijn hoed wappert de vlag / van een natie de mensen moe. // Wenst me geluk met mijn diploma, / veel succes etcetera etcetera – maar, / filosofen komen niet verder dan oesters, / vertrouwt hij me toe. // Kijk naar de historie, / Wyoming, de trek naar de Far West / tot aan de Pacific, / kijk hoe dat verhaal afliep: / follow me baby, have a real good time.)